Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)



[1]    C. van Rooijen, ‘Utrecht in de periode
700-1200’, Jaarboek Oud-Utrecht 2010, 5-46; ‘Utrecht in the early medieval period. An archaeological analysis of its topography and a discussion of the location of the Stathe vicus’, Medieval and Modern Matters 1 (2010) 155-196. Wij verwijzen hier steeds naar het eerstgenoemde artikel. Met dank aan Cees van Rooijen voor het bereidwillig ter beschikking stellen van beide artikelen.

[2]    Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994) 52-53 en de daar genoemde literatuur.

[3]    Van Rooijen, a.w. 18-23.

[4]    Een opmerking terzijde: voor dit laatste hadden zij toch niet helemaal naar Sint-Odiliënberg hoeven vluchten. Naar het aan de rand van de Utrechtse heuvelrug gelegen Zeist, waar de bischop vanouds een hof bezat, was al voldoende geweest.

[5]    Van Rooijen, a.w. 8-11.

[6]    Een belangrijke publicatie hierover is A. de Groot en L. van Tongerloo, ‘Kinderzegening en kinderdoop in Dom en Oudmunster. Een zeldzaam liturgisch gebruik in het kathedraalcomplex van Utrecht’, Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 6 (1997) 209-232. Hieruit blijkt dat in beide kerken parochiale functies zijn uitgeoefend. Of de stichting van een afzonderlijke parochiekerk te maken had met nieuwbouw van deze kerken, zoals Cees van Rooijen wil, is de vraag. Dit zal eerder te maken hebben gehad met de omvorming van de aan de beide kerken verbonden kloostergemeenschappen tot kapittels. Zie hierover uitvoerig C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) 107. Deze kerkelijk-institutionele ontwikkeling leidde ook tot de stichting van andere kerken. Rond het midden van de elfde eeuw werden ten oosten en noorden van de Utrechtse burcht de kapittelkerken van Sint-Pieter en Sint-Jan gebouwd en ten zuiden van de versterking de kerk van Sint-Paulus, bestemd voor de monniken van een rond 1000 door bisschop Ansfried op de Hohorst bij Amersfoort gestichte abdij. Mogelijk heeft ook de wens van de inwoners een rol gespeeld bij de stichting van een eigen parochie. Van Rooijen (a.w. 15) beroept zich voor de datering in het begin van de elfde eeuw onder meer op de oriëntatie van de Buurkerk, die hetzelfde zou zijn als die van de Sint-Salvatorkerk en niet die van de onder Bernold gebouwde kapittelkerken. Hij ziet hierbij de domkerk over het hoofd, die vrijwel dezelfde oriëntering heeft als de genoemde kapittelkerken. De dom werd onder bisschop Adelbold (1010-1026) herbouwd, maar hoogstwaarschijnlijk was zijn voorganger hetzelfde georiënteerd. Veel waarde kan men daarom aan dit argument niet aan hechten. De door hem genoemde parallel met de bisschopsstad Luik is van groter belang. Ook daar kunnen in deze tijd kerkelijk-institutionele hervormingen zijn doorgevoerd.


Utrecht rond 1100
Afb. 1. Reconstructie door Cees van Rooijen van Utrecht omstreeks 1100 met de toen bestaande bebouwing en de vondsten daterend van vóór die tijd. In het noorden de Vecht, in het midden de Rijn. Gestippeld het latere stadsgebied. Uit: 'Utrecht in de periode 700-1200',14.
De vicus Stathe in Utrecht
door Martin de Bruijn

In 2010 heeft de Utrechtse archeoloog Cees van Rooijen twee – elkaar gedeeltelijk overlappende – artikelen gepubliceerd. Het ene, in het Nederlands, in het
Jaarboek Oud-Utrecht en het andere, in het Engels, in een nieuw periodiek: Medieval and Modern Matters. Deze artikelen bevatten een visie op Utrecht tussen 700 en 1200, en met name op de zogeheten vicus Stathe, de – of een – oude Utrechtse koopliedenwijk.[1]

De artikelen van Van Rooijen vormen een gunstige uitzondering op wat er de laatste decennia door diverse auteurs over de geschiedenis van Utrecht in de genoemde periode is geschreven. In laatstgenoemde publicaties worden doorgaans standpunten ingenomen en herhaald, zonder dat daarbij wordt ingegaan op inmiddels tegen die opvattingen aangevoerde bedenkingen. Op zijn best worden dergelijke bezwaren op een (te) gemakkelijke manier afgedaan, vaak wordt zelfs gedaan alsof ze er niet zijn.

Cees van Rooijen daarentegen doet wat serieuze onderzoekers behoren te doen: hij noemt de eventuele bedenkingen die er tegen zijn opvattingen zijn of kunnen worden ingebracht en gaat daar op in, zodat daar ook weer op gereageerd kan worden. Het spreekt voor zich dat alleen een dialoog tussen onderzoekers van de relevante disciplines op den duur een beter inzicht in de vroege Utrechtse geschiedenis kan opleveren.

Zoals gezegd behandelt Van Rooijen – overigens binnen de context van de topografische ontwikkeling van Utrecht in zijn geheel – vooral de oude Utrechtse koopliedenwijk Stathe. In de literatuur wordt deze vicus gesitueerd in de omgeving van de Buurkerk, de oudste Utrechtse parochiekerk. Deze kerk bevond zich ten westen van de Utrechtse burcht. Dit was het voormalige Romeinse castellum, op en rond het huidige Domplein. Stathe wordt doorgaans vereenzelvigd met de tegenwoordige Steenweg. De naam verwijst naar een glooiende oever waarlangs de schepen konden ‘staan’, dit wil zeggen aan land getrokken.[2]

Cees van Rooijen is er echter van overtuigd dat Stathe niet hier gezocht moet worden, maar langs de Vecht bij de Sint-Jacobs- of – op zijn Utrechts – Jacobikerk. Dit is ongeveer 750 à 800 meter ten noordwesten van de burcht. Tussen de burcht en deze nederzetting stroomde van oost naar west de rivier de Rijn (zie afb. 1). De auteur voert voor deze situering vooral archeologische argumenten aan. Het belangrijkste daarvan is de schaarste aan vondsten uit de negende, tiende en elfde eeuw in de omgeving van de Buurkerk, terwijl deze in die periode veelvuldig gedaan zijn op de zojuist genoemde site aan de Vecht. Voornamelijk hierop is zijn theorie gestoeld. Vervolgens toetst hij deze hypothese aan de overige bronnen.

Voor de duidelijkheid volgt hier eerst – grotendeels aan zijn hand – een globaal overzicht van de archeologische en bouwhistorische gegevens waarover we voor zowel het gebied langs de Vecht als de wijk rond de Buurkerk over de periode tot ongeveer 1200 beschikken.

Archeologische en bouwhistorische gegevens

Langs de Vecht zijn bij opgravingen aan de Waterstraat over een lengte van ongeveer 420 meter naast vondstmateriaal structuren uit de tiende tot de twaalfde eeuw aangetroffen: resten van houten huizen met vloerniveaus, van stenen gebouwen, beschoeiingen, kuilen en schepen. Er zijn aanwijzingen dat deze nederzetting zich zowel naar het oosten als naar het westen toe verder uitstrekte.[3] In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw is hieraan een eind gekomen. Voornamelijk aan de noordzijde van de Waterstraat bleven de resten van de vroegere nederzetting bewaard tot ze in de vorige eeuw bij archeologisch onderzoek weer aan het licht kwamen.

In het gebied rond de Buurkerk, ten westen van de burcht op en rond het tegenwoordige Domplein, zijn archeologische vondsten gedaan die dateren vanaf de achtste eeuw. Het gaat hierbij om enig Karolingisch en jonger aardewerk, te dateren tussen ongeveer 750 en 1000, die wijzen op bewoning. Bovenop de Karolingische lagen is tussen 210 en 220 cm +NAP een gele kleilaag aangetroffen en daarop weer dikke opgebrachte pakketten veen en/of mest met scherven uit de elfde en twaalfde eeuw.

Volgens Cees van Rooijen is hier sprake van een cesuur in de bewoning vanaf ongeveer 850 tot na 900. Hij brengt die in verband met de vlucht van de Utrechtse geestelijkheid voor de Noormannen, maar volgens hem ook voor het water.[4] Na de terugkeer van de bisschop met zijn geestelijken, die Van Rooijen op 929 dateert, zou hier de bebouwing en bewoning weer begonnen zijn.[5]

Van die bebouwing zijn de Buurkerk en de kapittelkerk van Sint-Marie het meest in het oog springend. De eerste voorganger van de tegenwoordige Buurkerk is wel in de tiende eeuw gedateerd, maar aannemelijker is dat zij in de vroege elfde eeuw als eerste Utrechtse parochiekerk gesticht is. Tevoren werden de parochiale functies uitgeoefend door de bisschoppelijke kerken van de dom en Oudmunster in de burcht.[6]

Ongeveer 300 meter ten westen van de burcht werd – voorbij de Buurkerk in westelijke richting – omstreeks 1080 ook nog de kapittelkerk van Sint-Marie gebouwd. Uit het feit dat deze kerk zo ver van de burcht af werd gesticht kan worden afgeleid dat het gebied tussen de kerk en de Buurkerk inmiddels op zijn minst ten dele verkaveld was.

Verschillen in ontwikkeling

Het verschil in ontwikkeling van het gebied langs de Vecht en dat ten westen van de Buurkerk is duidelijk. Terwijl langs de Vecht de activiteit – waarschijnlijk mede door de aanleg van de stadsversterking – vanaf de twaalfde eeuw is verdwenen, heeft de wijk rond de Buurkerk minstens vanaf de elfde, maar waarschijnlijk al vanaf de tiende eeuw een continue ontwikkeling gekend, terwijl er ook al in de Karolingische tijd bewoning was geweest.
Onderzoekslocaties
Afb. 2. De omgeving van de Buurkerk met de opgravingssites. In de meeste gevallen ging het slechts om waarnemingen. Alleen op het terrein van de Hema tussen de Steenweg en de Oudegracht kon grootschaliger worden gegraven. Uit: ‘Utrecht in de periode 700-1200’, 33.


[7]    M. Gumbert-Hepp en J.P. Gumbert, uitg.,
Annalen van Egmond (Hilversum 2007) 268 en 270: in ecclesia Sancti iacobi en ad ecclesiam beati Iacobi.

[8]    S. Muller Fz., ‘Drie Utrechtsche kroniekjes vóór Beka’s tijd', in: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 11 (1888) 478-479: 1131. Hoc anno II id. Mai combusta est Major domus cum toto palatio, ęcclesia sanctę Marie, sancti Bonifacii pridie dedicata, ecclesiaque parrochiana cum magna parte civitatis. Waarschijnlijk ten onrechte wordt wel eens vermeld dat de ęcclesia sanctę Marie de kapittelkerk van Sint-Marie is. Omdat er sprake is van één kerk, is hier echter hoogstwaarschijnlijk Oudmunster bedoeld, dat behalve aan Sint-Salvator ook gewijd was aan Maria en de heilige Bonifatius. Mocht hier evenwel toch de kapittelkerk van Sint-Marie zijn bedoeld, dan kan er geen twijfel meer over bestaan dat met de ecclesia parrochiana de Buurkerk bedoeld is.

[9]    Ten onrechte hebben L.C.J.J. Bogaers (Aards, betrokken en zelfbewust. De verwevenheid van cultuur en religie in katholiek Utrecht, 1300-1600 (Utrecht 2008) 26, en nt. 27) en M.W.J. de Bruijn, (‘Buurschap en gerecht. De ontwikkeling van twee samenhangende instellingen in middeleeuws Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 2008, 136) aangenomen dat de vier Utrechtse parochiekerken al van vóór 1100 dateren.

[10]   S. Muller Fz. en A.C. Bouman, uitg., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 [OSU]  I (Utrecht 1920) nr. 285: curtim ante castellum - - - domum - - -; domum ipsam accepit Hezelo - - -.

[11]   Ald. nr. 445: domum quandam cum curtili in platea Suburbana, que est media inter domum episcopalem et ęcclesiam beatę Marię in Traiecto.

[12]   Ald. nr. 529: de domo, que est juxta pontem urbanum supra fossatum - - - et de terra, que est ab eadem domo usque ad cimiterium sancte Marie inter viam lapideam et domos, oppositas a parte meridionali. Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede, 385-391.

[13]   Gumbert-Hepp en Gumbert, Annalen van Egmond, 270-271: incendium exurgens ecclesiam sanctę marie et totam plateam eius acerrime invasit domosque electissimas penitus consumpsit. Tevoren was melding gemaakt van de diefstal van de gewijde hostie in twee kerken: scilicet in ecclesia vulgi que dicitur sancte Marię et in ecclesia Sancti iacobi.

[14]   P. Sejourné, uitg., L'ordinaire de S. Martin d’Utrecht (Utrecht 1919-1921) 30: et inde fiet processio per Novam fossam versus ecclesiam sancte Ghertrudis, et inde procedent versus sanctum Jacobum; et inde per Plateam civitatis revertentur in ecclesiam sancti Martini.

[15]   H. van Rij m.m.v. A.S. Abulafia, uitg., Alpertus van Metz (Amsterdam 1980) 22-23: De portu Traiectensi incenso. Traiectenses de adventu barbarorum certiores facti, ne hostibus commodo aut usui ad obsidionem castelli foret, portum omnem ipsi incenderunt.

[16]    Ook hier zal zich tussen de Twijnstraat en de gracht een nog steeds aanwijsbare Stathe – een glooiende oever waarlangs schepen konden worden aangeland – bevonden hebben. Het is niet toevallig dat ook hier een parochiekerk werd gesticht, de Sint-Nicolaas- of Klaaskerk (zie De Bruijn, a.w. 53). Verder verwijst het iets verder naar het oosten gelegen Abstede naar een dergelijke oever.

[17]   De Bruijn, a.w. 47-49.

[18]   Van Rooijen, a.w. 32.
Naar mijn idee moet hierin voor een flink deel de schaarste aan archeologische vondsten worden gezocht. Terwijl de resten van de nederzetting langs de Vecht bewaard bleven omdat er later niet op gebouwd is, zijn ze rond de Buurkerk voor een deel onder de latere bebouwing terechtgekomen en voor een ander deel met het uitgraven van bouwputten weggehaald en verspreid. 

Hier komt nog bij dat de opgravingsmogelijkheden langs de Vecht vele malen groter waren dan die rond de Buurkerk. In de meeste gevallen was hier geen sprake van opgravingen maar slechts van waarnemingen (zie afb. 2).

In ieder geval kan op grond van de archeologie en de bouwhistorie samenvattend geconcludeerd worden dat er vanaf de tiende eeuw een nederzetting langs de Vecht gelegen heeft en dat dit ten westen van de burcht op het Domplein ook zo was in de Karolingische tijd en vanaf de elfde, mogelijk al de tiende eeuw.

De beide nederzettingen in de geschreven bronnen

Kijken we naar de schriftelijke bronnen van vóór omstreeks 1200, dan rijst er een ander beeld op dan uit de archeologische en bouwhistorische. Met het gebied langs de Vecht zijn we snel klaar. Het enige gegeven is de vermelding van de Sint-Jacobskerk in 1173.[7] De kerk zal al langer bestaan hebben, maar moet na 1131 zijn gesticht. Volgens de nagenoeg contemporaine Annalen van Sint-Marie brandden op 14 mei van dat jaar niet alleen de kapittelkerken van de dom en Oudmunster af, maar ook de ecclesia parrochiana, de parochiekerk, met een groot deel van de stad. Dat met deze laatste kerk de Buurkerk werd bedoeld blijkt uit haar ligging bij de burcht, waarbinnen de dom en Oudmunster stonden.[8] Tevens kan uit deze vermelding worden afgeleid dat zij toen nog de enige parochiekerk was.[9]

Met dit laatste schriftelijke gegeven zijn we terechtgekomen in de nederzetting ten westen van de Utrechtse burcht. Hier was al in 1116 sprake van de schenking door bisschop Godebald aan het kapittel van Sint-Marie van een huis en huiserf met de daaruit gaande cijns, welk goed gesitueerd werd vóór de burcht.[10] In 1165 wordt melding gemaakt van de platea suburbana,[11] de straat onder de burcht, waarmee de tegenwoordige Zadelstraat wordt aangeduid. In 1196 wordt dit tracé de via lapidea, de steenweg, genoemd. In de betreffende oorkonde gaat het om een grondstuk dat te situeren is tussen de huidige Zadelstraat en de Boterstraat. Ook aan de zuidzijde van laatstgenoemde straat worden dan huizen vermeld. Verder wordt er gesproken van een groot huis aan de gracht bij de Maartensbrug (thans Lijnmarkt 2-10).[12] In 1173 was de Buurkerk opnieuw door vuur verwoest, en met haar ‘de hele straat waarin zij lag met de mooiste huizen’.[13] Met deze straat zal de tegenwoordige Steenweg zijn bedoeld. Dit laatste is hoogstwaarschijnlijk ook het geval met de vermelding van de ‘stadstraat’, de platea civitatis, vóór circa 1200, waarlangs een processie vanaf de Sint-Jacobskerk naar de domkerk terugkeerde.[14] Hiermee is waarschijnlijk het tracé van de tegenwoordige Sint Jacobsstraat, de oostzijde van het Vreeburg, de Lange Elisabethstraat en de Steenweg bedoeld. Wanneer dit niet het geval was geweest, zou er namelijk wel ‘langs de gracht’ hebben gestaan, zoals ook elders in de bron sprake is van de route per novam fossam (‘langs de nieuwe gracht’, waarmee overigens toen het zuidelijk deel van de Oudegracht bedoeld werd).

Kortom, de twaalfde eeuw levert hier een aantal vermeldingen op die niet alleen de bebouwing maar ook de stedelijke infrastructuur ten westen van de Utrechtse burcht betreffen. Elfde-eeuwse vermeldingen ontbreken, maar de geschreven bronnen zijn vóór de twaalfde eeuw in zijn algemeenheid veel schaarser.

Twee belangrijke gegevens zijn hier even achterwege gelaten. Ik heb dat gedaan omdat Cees van Rooijen deze van toepassing verklaart niet op de omgeving van de Buurkerk maar op het gebied langs de Vecht. Het betreft om te beginnen de vermelding van de portus Traiectensis, de koopmanswijk van Utrecht. Bij de komst van de Noormannen in het jaar 1007 hadden de Utrechters de hele wijk in brand gestoken opdat de vijanden daar geen nut van zouden hebben als ze de burcht wilden belegeren.[15]

De tweede vermelding betreft ‘het benedenste deel’ van de stad, dat Stathe wordt genoemd. Bisschop Godebald had op verzoek van zekere burgers de vier jaarmarkten over twee plaatsen verdeeld. Op het feest van Maria Geboorte (8 september) en dat van Sint-Maarten (11 november) zouden de markten worden gehouden apud novum fossatum (‘bij de nieuwe gracht’) en op de andere twee termijnen, te weten Pasen en Sint-Jan (24 juni), in inferiori parte civitatis, quę Stathe nominatur (‘in het benedenste deel van de stad dat Stathe wordt genoemd’). Op verzoek van ‘het grootste deel van de stad en alle kooplieden’ werden de markten weer als vanouds teruggeplaatst in vico Stathensi, ‘in de straat Stathe’, en wel ‘omdat daar voor deze handel de huizen sterker en beter gebouwd waren en de plaats geschikter leek’ (quia ibidem huic negocio domus firmiores et constructiores, sed et locus aptior videbatur). Deze motivering lijkt tamelijk gezocht. Duidelijk is wel dat de welgestelde kooplieden het pleit gewonnen hadden ten koste van hun collega’s in het zuiden, het ‘boveneind’, van de stad, waar de huizen kennelijk krakkemikkiger waren en de plaats voor de handel minder geschikt.[16] Met de nieuwe gracht is namelijk het zuidelijk deel van de tegenwoordige Oudegracht bedoeld. Ik heb dat hierboven al vermeld. De huidige Nieuwegracht is pas later gegraven. De echte ‘oude gracht’ zal bestaan hebben uit het noordelijk deel van de tegenwoordige Oudegracht. Dit grachtdeel werd waarschijnlijk gegraven in de tiende of elfde eeuw als verbinding tussen de Rijn in het zuiden en de Vecht in het noorden.[17]

Verdere bedenkingen tegen de hypothese van Cees van Rooijen

1. De portus

In het voorgaande is al vastgesteld dat het aantal bouwhistorische en schriftelijke bronnen over de nederzetting rond de Buurkerk tot omstreeks 1200 vele malen groter is dan van de nederzetting langs de Vecht. Het ligt daarom ook voor de hand om de twee zojuist genoemde vermeldingen uit 1007 respectievelijk 1122 op de wijk ten westen van de burcht toe te passen, en dat is in de geschiedschrijving tot nu toe ook gedaan. Cees van Rooijen meent echter dat ze betrekking hebben op de nederzetting langs de Vecht. Laten we zijn argumenten maar eens toetsen.

Als eerste en belangrijkste argument noemt Cees van Rooijen weer het ontbreken van archeologische vondsten, al moet hij erkennen dat die er rond de Buurkerk vanaf het begin van de elfde eeuw wél zijn.[18]
Beschoeiingen
Afb. 3. Teruggevonden beschoeiingen langs de Vecht. 




















[19]   In de zogenaamde Utrechtse stadsrechtoorkonde van 2 juni 1122 stelde de keizer degenen die de stad moesten versterken met een wal (civitatem munire debent vallo) vrij van tol telkens wanneer zij de stad bezochten om handel te drijven (OSU I, nr. 308).

[20]   Van Rooijen, a.w. 26-27.

[21]   Voor een overzicht van de Utrechtse markten in de middeleeuwen zie J. Brugman, H. Buiter en K. van Vliet, Markten in Utrecht van de vroege middeleeuwen tot nu (Utrecht 1995).

[22]   Ald. 38. In 1378 werden de jaarmarkten opnieuw geregeld (S. Muller Fz., De middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht I (’s-Gravenhage 1883) 183-184). Het waren er toen drie. Ze omvatten alle goederen, die op drie achtereenvolgende dagen mochten worden uitgestald, en zullen daarom op verschillende plaatsen gehouden zijn. Aan de kooplieden werd vrijgeleide gegeven van acht dagen vóór tot acht dagen na iedere jaarmarkt.

[23]   OSU I, nr. 309.

[24]   Zie De Bruijn, a.w. 255-257.

[25]   Ald.  279.

[26]   Van Rooijen, a.w. 37.

[27]   OSU II, nr. 984: aream unam in stiga Pistorum jacentem.

[28]   Van Rooijen, a.w. 37-38.

[29]   Ald. 38-39.

[30]   Men denke bijvoorbeeld aan het zogenaamde kerkenkruis of de Heilig-Kruiskapel als ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’.
Als tweede argument zegt hij dat de Noormannen ‘op de Rijn ten westen van het fort net zo weinig te zoeken (hadden) als de handelaren’. Dit argument overtuigt me niet erg: de Noormannen zullen het juist gemunt hebben op de burcht met haar kerkelijke schatten. En ook voor handelaren en ambachtslieden zal daar vooralsnog het meeste emplooi te vinden zijn geweest. Bovendien konden deze in tijden van gevaar zich maar het beste zo dicht mogelijk bij de burcht bevinden. Dit is overigens de reden waarom veel – zelfs de meeste – steden ontstaan zijn in de onmiddellijke nabijheid van een versterking.

Als derde argument voert Van Rooijen aan dat bij een ligging van de koopliedenwijk bij de burcht het in brand steken gevaar opleverde voor de bebouwing binnen de burcht. Dat valt niet te ontkennen, maar men moet dat gevaar nu ook weer niet overdrijven, omdat, anders dan in latere eeuwen, de bebouwing er in deze periode nog niet al te dicht zal zijn geweest. Bovendien zal men in perioden van gevaar gekozen hebben voor het minste kwaad.

Tot slot geeft Cees van Rooijen een eigen interpretatie van wat men zou moeten verstaan onder het nut en voordeel dat de belegeraars van de in brand gestoken bebouwing hadden kunnen hebben. Volgens hem moet dat zo worden uitgelegd dat ze na het afbranden niet over een kant-en-klaar kamp zouden kunnen beschikken wanneer ze de burcht wilden belegeren. En zo’n kamp zouden ze natuurlijk niet onder de burcht hebben gebouwd, maar een eind daarvandaan, en dit laatste was het geval met de nederzetting langs de Vecht. Het is natuurlijk allemaal niet uitgesloten, maar het is wel speculatief. En bovendien geredeneerd vanuit zijn gedachte dat die portus daar ook gelegen was, wat nu juist aangetoond moet worden.

Al met al vind ik de argumentatie van Cees van Rooijen dat de portus die de Utrechters in 1007 bij de komst van de Noormannen zelf in brand staken aan de Vecht – dus zo’n 750 à 800 meter van de burcht vandaan – gelegen heeft, dus niet overtuigend.

2. Stathe

Voor de vermelding van een vicus Stathe in Utrecht zijn we meer dan eeuw verder, in het jaar 1127. Zelfs wanneer we er met hem van uitgaan dat de koopliedennederzetting uit het kroniekbericht van 1007 werkelijk langs de Vecht zou hebben gelegen, dan nog is er weinig reden om ook Stathe daar te situeren.

Om te beginnen was men omstreeks 1122 – dus kort vóór 1127 – begonnen met de aanleg van de stadswal.[19] Dit zal men zich zo moeten voorstellen dat er een gracht werd gegraven, waarvan het uitgegraven materiaal aan de binnenzijde werd opgehoogd tot een wal. Waar al een gracht was, zal aarde zijn aangevoerd. Op deze wijze kreeg men een gracht en een wal als stadsversterking.

Waarschijnlijk is de Vecht opgenomen in de noordelijke stadsbuitengracht. Door de aanleg van een wal aan de stadzijde werd de toegang tot de Vechtoever zo niet afgesneden dan toch in ieder geval bemoeilijkt. Aangenomen mag daarom worden dat de kooplieden, al dan niet geleidelijk, op den duur hun vestigingen hebben verlaten en verplaatst naar de Oudegracht. Daar stonden in later tijd de grootste huizen en onmiddellijk daarachter werd ook al vóór 1173 de Sint-Jacobskerk als nieuwe Utrechtse parochiekerk gebouwd. Cees van Rooijen maakt melding van een stenen gebouw aan de Waterstraat, dat waarschijnlijk zorgvuldig is afgebroken om het bouwmateriaal elders weer te kunnen gebruiken.[20]

Verder gaat de oorkonde van 1127 waarin de vicus vermeld wordt over de plaats van de jaarmarkten. Welnu, in later eeuwen werden de Utrechtse markten gehouden in de omgeving van de burcht en de Buurkerk, en niet in het noordelijk deel van de Oudegracht, laat staan langs de Vecht.[21] Dit gold ook voor de jaarmarkten, waarvan Van Rooijen overigens ten onrechte stelt dat er later niets meer over vernomen werd.[22]

Opmerkelijk is de motivering die in 1127 gegeven wordt voor het weer terugplaatsen van de oude markten: de sterke en beter gebouwde huizen en de geschiktheid van de plaats voor de handel. De vermelding van deze huizen komt in een heel andere bron terug, die onmiskenbaar op de omgeving van de Buurkerk duidt: volgens de Annalen van de abdij Egmond werden in 1173 de mooiste huizen (domos electissimas) bij een brand verwoest. Dit wijst op de aanwezigheid daar van de rijkste inwoners, die in het bekende tolprivilege van 1122 ‘de eerzaamste Utrechtse burgers’ (honestiores Traiectensium cives) worden genoemd.[23] In Utrecht vielen de stenen huizen onder een afzonderlijk erfrecht.[24] Opmerkelijk is verder dat het schepenhuis – de zetel van het in 1122 voor het eerst vermelde schepengerecht – zich vanouds hier tegenover de westingang van de Buurkerk bevond en het huis van de in 1196 voor het eerst vermelde stedelijke raad in het Schoonhuis tegenover de noordingang (thans Steenweg 11).[25]

Zoals tot nu toe steeds is aangenomen werd Stathe na 1127 nog één keer vermeld. In een oorkonde uit 1242 wordt de Donkerstraat de straat versus stadium in civitate Traiectensi, ‘naar Stathe toe in de stad Utrecht’ genoemd. Om aannemelijk te maken dat dit stadium niet vereenzelvigd mag worden met Stathe poneert Cees van Rooijen om te beginnen dat er honderd vijftien jaar tussen beide vermeldingen zit en verder stelt hij dat in de ene vermelding Stathe een naam en in de tweede een zelfstandig naamwoord is. Zij zouden, zoals hij het formuleert, een verschillende ‘taalkundige functie’ hebben. De benaming stadium zou in 1242 gewoon verwijzen naar een aanlegplaats met oplopende oevers voor schepen.[26]

Dit is op zich niet ondenkbaar maar juist in dit geval onaannemelijk, omdat in 1242 een dergelijke aanlegplaats tussen de Steenweg en de Oudegracht al verleden tijd moet zijn geweest. Dat valt bijvoorbeeld af te leiden uit het feit dat de hier gelegen Bakkerstraat toen al in huiserven verkaveld was en zelfs al de naam Bakkersteeg droeg.[27] Dit alles wijst er dus juist op dat we met dit stadium met een (straat)naam – in dit geval de toenmalige naam voor de Steenweg – te doen hebben en het dus zonder bezwaar met een hoofdletter kunnen aanduiden. Het verdwijnen van de naam Stathe zal inderdaad, zoals ook Van Rooijen stelt,[28] te maken hebben met het verdwijnen van de aanlegplaats. Met wat Cees van Rooijen stelt over het verdwijnen van de langeafstandshandel uit Utrecht[29] kan worden ingestemd, maar dit hoeft niet alleen aan het verdwijnen van de nederzetting langs de Vecht gekoppeld te worden.

Stel ten slotte dat in het begin van de twaalfde eeuw de belangrijkste handelswijk langs de Vecht gelegen had, dan had het voor de hand gelegen dat de rijke en machtige kooplieden, de honestiores cives, die wijk toch wel binnen de stadswal gebracht hadden en zou daar tevoren ook de eerste Utrechtse parochiekerk wel gebouwd zijn. Geen van beide is echter het geval geweest; de nederzetting langs de Vecht is vanaf de twaalfde eeuw verdwenen.
Schip Waterstraat
Afb. 4. Een van de schepen – waarschijnlijk daterend van de late tiende of de vroege elfde eeuw – die langs  de Vecht zijn teruggevonden.
Conclusies

Samenvattend concludeer ik dat de hypothese van Cees van Rooijen dat ‘de’ handelsnederzetting van Utrecht Stathe zich langs de Vecht bevond niet bewezen is en dat we er daarom van mogen blijven uitgaan dat zij lag waar de onderzoekers haar tot nu toe steeds hebben gesitueerd: aan de Rijn bij de Buurkerk.

Als belangrijke elementen voor de onderbouwing hiervan noem ik:
–    de situering dicht bij de Utrechtse burcht; 
–    de stichting van de Buurkerk onmiddellijk ten westen daarvan als eerste parochiekerk, waarschijnlijk in het begin van de elfde eeuw;
–    de bouw van de kapittelkerk van Sint-Marie omstreeks 1080 een stuk verder westwaarts, dus voorbij de nederzetting;
–    de aanduiding van de Donkerstraat in 1242 als de straat versus stadium;
–    de tufstenen muren die er in de bebouwing op verschillende plaatsen bewaard zijn gebleven;
–    de twaalfde-eeuwse vermeldingen van straten en van de mooiste huizen in deze omgeving;
–    in zijn algemeenheid de continuïteit in de bebouwing en bewoning die hier vanaf de elfde eeuw is aan te wijzen.
Het nagenoeg ontbreken van archeologische vondsten uit de negende en tiende eeuw doet daar naar mijn overtuiging weinig aan af.

Het is, zoals al in de inleiding gezegd, te waarderen dat Cees van Rooijen zijn hypothese verdedigt door ook in te gaan op de bedenkingen die er al eerder zijn ingebracht. Maar het valt hierbij op dat dit er voortdurend toe leidt dat hij de aanwijzingen die tegen zijn hypothese pleiten probeert weg te redeneren. Dat is een gevaarlijke methode. Een aanvaardbare hypothese dient naar mijn overtuiging niet in het luchtledige of op basis van slechts een selectie van de bronnen en daarop gebaseerde interpretaties te worden opgeworpen – zoals in Utrecht overigens wel vaker het geval is –,[30] maar gebaseerd te zijn op het volledige relevante en in zijn context geplaatste bronnenmateriaal, niet alleen het bodemkundige, archeologische en bouwhistorische, maar ook het geschrevene. Dit is bij zijn hypothese niet het geval. Zij is voornamelijk gebaseerd op de interpretatie van archeologische bronnen: enerzijds de aanwezigheid van een nederzetting langs de Vecht vanaf de tiende eeuw en anderzijds een schaarste aan archeologische vondsten ten westen van de Utrechtse burcht in de negende en tiende eeuw. Dit laatste acht ik, zeker voor een plaats die later intensief bebouwd is en waar weinig archeologisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden, geen goed uitgangspunt.


Een andere reactie op het Engelse artikel van Cees van Rooijen:
T. Hoekstra, ‘Utrecht untill ca 1150. A critical evaluation of Cees van Rooijen’s article in MMM1 on an early and high medieval topic of Utrecht topography’, Medieval and Modern Matters 2 (2011) 213-216.


Niet met het fileermes maar met de kettingzaag hakt de voormalig stadsarcheoloog van Utrecht Tarq Hoekstra binnen het bestek van enkele pagina’s in op de opvattingen van Cees van Rooijen over de ligging van de vicus Stathe. Hij doet dit in het peperdure en daarom nauwelijks beschikbare tijdschrift Medieval and Modern Matters. Zijn reactie staat vol met diskwalificerende opmerkingen. Zo maakt hij zich druk om het rather poor English van de auteur (ald. 213) en ook haalt hij zijn schoolmeestersgram over niet geheel juist weergegeven titels en niet opgegeven paginanummers (215, nt. 1 en 2).

Intussen is ook zijn eigen bijdrage verre van vlekkeloos. Zo staat achter de titel abusievelijk een punt, terwijl die punt juist ontbreekt achter de laatste zin op pagina 214. Verder wordt bijvoorbeeld voor de bisschoppelijke burcht om onnaspeurlijke redenen in cursief de aanduiding burgh gehanteerd, een aanduiding die in de bronnen niet voorkomt (213). Trouwens, het gebruik van cursief is in het hele stuk nogal willekeurig.

Ondanks deze kritische opmerkingen onderschrijf ik een deel van Hoekstra’s bezwaren. Over een ander deel, van geologische en archeologische aard, acht ik mij niet oordelingsbevoegd. Wel valt op dat Tarq Hoekstra in zijn commentaar soms feiten suggereert waar het in werkelijkheid om hypothesen gaat, zoals zijn bewering dat het noordelijk deel van de Oudegracht rond het jaar 1000 gegraven is (214). Dat het Domplein in de negende eeuw 6 meter boven NAP lag (213), is zelfs ver bezijden de waarheid; hoger dan een meter of 3 à 4 is het niet geweest.

Tarq Hoekstra verwijt Cees van Rooijen onder meer dat hij nooit een reactie van hem heeft gehad op bepaalde kritische opmerkingen (215, nt. 12). Nu kan een dergelijk verwijt ook aan Hoekstra zelf gemaakt worden. Hij antwoordt namelijk zelf vrijwel nooit op reacties en vragen aan zijn adres. Alleen al op de vele vragen die Lotty Broer en ik hem hebben gesteld met betrekking tot zijn opvattingen over de vroege kerken van Utrecht hebben wij nooit een antwoord gekregen. Bovendien is hij, voor zover wij weten, in geen enkele publicatie rechtstreeks en beargumenteerd ingegaan op de strijdigheid van zijn opvattingen daaromtrent met die van zijn collega-archeologen en andere onderzoekers. Op zijn onhoudbaar gebleken stelling dat er zich onder de huidige domkerk nooit een kerk van vóór de dom van Adelbold heeft bevonden, is hij nooit teruggekomen, laat staan dat hij ooit zijn ongelijk erkend heeft, ook niet nadat al in 1996 gebleken was dat er minstens één oudere kerk gestaan heeft. Dit klemt te meer omdat het hier om een ‘vondst’ ging in oude opgravingsverslagen, die op het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum, nu de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, letterlijk binnen zijn eigen handbereik lagen. Daartegenover heeft hij zijn eigen standpunten in de problematiek nooit op beargumenteerde wijze in een publicatie uiteengezet. Kortom, voormalig stadsarcheoloog van Utrecht Tarq Hoekstra is wel de laatste die anderen op hun methodische en inhoudelijke zorgvuldigheid mag aanspreken.

Over de opgravingen van 1974 en 1979-1981 aan de Vecht merkt Hoekstra op:

It is a shame indeed that they never have been fully published. To date they are still the most extensive archaeological excavations ever executed in the Utrecht inner city (213).

Inderdaad, maar wie zou zich hiervoor dan vooral moeten schamen? En voor de vele andere opgravingen tijdens zijn langdurig ambtelijk optreden als stadsarcheoloog van Utrecht waarvan tot op de dag van vandaag slechts summiere, niet-wetenschappelijke verslagjes zijn uitgebracht? Zoals iedere onderzoeker weet, zijn gezien de extra interpretatieproblemen die uitwerking door derden oplevert, hiervoor altijd in de eerste plaats aangewezen degenen die het onderzoek hebben verricht, in casu de opgravingen hebben uitgevoerd, en dan uiteraard liefst zo snel mogelijk. Het is – tenzij zijn oproep gepaard gaat met een degelijke financiële ondersteuning, maar dat kun je in Utrecht wel vergeten waneer je niet tot het ingekapselde eigen circuit behoort – niet meer dan een zwaktebod, om niet te zeggen schaamteloos, om nu jaren later voor de wetenschappelijke uitwerking van de opgravingen langs de Vecht een beroep te doen op de lezers van een tijdschrift als Medieval and Modern Matters (215, nt. 12).

Op grond van het voorgaande en verder met name onder verwijzing naar de webpagina Van tempeltje tot kathedraal neem ik hier tot slot graag de afsluitende alinea van Hoekstra’s commentaar over:

It serves no purpose whatsoever to lengthen this litany, which wouldn’t be difficult to do. I sincerely hope that the above is enough to defuse the nonsense about the history and the archaeology of early medieval Utrecht and to discredite the methods used to fabricate them.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2011-2012. - Gepubliceerd januari 2011; laatst bewerkt 26 december 2012.