Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

Op en rond het Domplein

door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

Op deze themapagina houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen in het onderzoek naar de geschiedenis van het Domplein in Utrecht en zijn omgeving in ruime zin. Zoals op nieuwspagina’s gebruikelijk is, is de chronologie omgekeerd en staan de jongste vermeldingen bovenaan.

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Hieronder in deze kolom vindt u koppelingen naar onze eigen bijdragen aan het onderzoek.

Context
►  Nieuwe theorieën over de rivierlopen in
      en rond Utrecht

Kanttekeningen bij een Engelstalig artikel van M. van Dinter, K.M. Cohen, W.Z. Hoek, E. Stouthamer, E. Jansma en H. Middelkoop.
Tussen Rijn en Vecht
Beschouwingen over de rivierlopen in en rond Utrecht circa 1100.
Algemene samenvatting en
     slotbeschouwing van

     Husinghe ende hofstede

Samenvatting van de dissertatie van M.W.J. de Bruijn uit 1994.
Summary of Martin W.J. de Bruijn's    
     PhD thesis Husinghe ende hofstede

About the jurisdiction in real estate cases in the city of Utrecht during the Middle Ages.
Summary of Charlotte J.C. Broer's
     PhD thesis Uniek in de stad (Unique in
     the city)

About the earliest history of St Paul's Abbey in Utrecht.
De eerste bisschoppen in Utrecht
Over de eerste bisschoppen die in Utrecht gevestigd waren.
Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen
De verhouding tussen Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen.
Kanttekeningen bij de uitgave
     Bonifatius in Dorestad

Over de relatie tussen Bonifatius en Dorestad en de behandeling van de problematiek van de kerstening en de eerste kerken in Utrecht.
Van monniken en kanunniken
De monastieke traditie in Utrecht van de zevende tot het midden van de elfde eeuw.
Sporen van Cluny in de Utrechtse    
     abdijen van Sint-Paulus
     en Sint-Laurens?

Over de invloed van de Franse kloosterhervormingsbeweging in Utrecht.
De stadswording van Utrecht
Enkele aspecten van de ontwikkeling van Utrecht tot stad aan de hand van een nieuwe publicatie.
Het zogenaamde Utrechtse
     kerkenkruis

Over de mythe van het Utrechts kerkenkruis.

De Sint-Paulusabdij en haar
     jurisdictie

Over de rechtspraak die er in de middeleeuwen in en door de Utrechtse Sint-Paulusabdij werd uitgeoefend.
Geschiedvervalsing door het Utrechts
     domkapittel

Over de vervalsingen die het Utrechts domkapittel pleegde om voor de moederkerk van Utrecht te kunnen doorgaan.

De nieuwe uitgave De Utrechtse
     Domtoren. Trots van de stad
     en de eerste kerken in Utrecht

Een eerste reactie op de nieuwe publicatie van R. de Kam, F. Kipp en D. Claessen.
De domtoren als ‘statement’
Over de vraag of de domtoren een machtssymbool van het domkapittel was.
Is meten altijd weten?
Over de beperkingen van driedimensionale reconstructies van verdwenen historische bebouwing.

De vroegmiddeleeuwse geschiedenis   
     van Utrecht op Wikipedia

Fouten en tegenstrijdigheden in de bekende digitale encyclopedie.
Burcht
De burcht Trecht
Over de belangrijkste middeleeuwse burcht in de Noordelijke Nederlanden.
De eerste kerken
Overzicht van de eerste kerken die er in de vroege middeleeuwen in Utrecht zijn gebouwd.
Utrecht en het Duitse Soest
Kanttekeningen bij een publicatie van E.W. Oostebrink.
Een huiskamertje als kathedraal?
Kanttekeningen bij een Engelstalig artikel van J.M. van Winter.
Domplein revisited
Enkele kanttekeningen bij een opgravingsverslag.
Utrechts eerste kerk revisited
De Utrechtse archeologen hebben de eerste kerk teruggevonden, maar zij hebben er zelf nog geen idee van.
Vroegmiddeleeuwse munten revisited
Bij de vondst van tientallen munten in werkput XIX van Van Giffen op het Domplein.
►  Waar stond precies de eerste
      Utrechtse kerk?

Gesleep met oude tafelen.

Van tempeltje tot kathedraal
Romeinse en vroegmiddeleeuwse bouwresten onder het verdwenen schip van de domkerk.
De Karolingische domkerk
Zijn de forse funderingen onder het verdwenen schip van de domkerk negende-, tiende- of elfde-eeuws?
PR1 en PR2 revisited
Romaans of Pre-Romaans?
Bonifatius als bouwer
     van de Sint-Salvator

Over de betekenis van Bonifatius voor de Utrechtse kerk.
De bouw van Utrechts eerste kerk en
     de vooringenomenheid van Bonifatius

Reactie op een artikel van W.S. (Wolfert) van Egmond, dat impliciet kritiek op onze opvattingen levert.
De Heilig-Kruiskapel
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel en haar relatie met Willibrord.
De domtoren in Utrecht, oud en nieuw
Over de situering van de oude en de nieuwe dom- of Sint-Maartenstoren.
Het bisschopshof in Utrecht.
     Bouwstenen voor de reconstructie
Over het zuidwestelijk deel van de Utrechtse burcht.

Wed 3A-9 in Utrecht
Over een gemeenschappelijk kapittelgebouw van Sint-Salvator of Oudmunster uit het begin van de dertiende eeuw.
Bertoldus Ponc of Bertoldus Pont?
Gegevens over de veertiende-eeuwse Utrechtse domvicaris Bertoud Pont en zijn grafsteentje.
Omgeving
De vicus Stathe
Over de ligging van de belangrijkste middeleeuwse handelswijk van de stad Utrecht.
De Oudelle
De rivierlopen door het zuidelijk deel van de Utrechtse binnenstad.
De Bemuurde Weerd
Ontstaan en eerste ontwikkeling van een Utrechtse voorstad.
De stichting van het
     johannieterklooster in Utrecht
Deze stichting had niet plaats vóór 1122, zoals doorgaans wordt aangenomen, maar waarschijnlijk pas tussen 1184 en 1190.
Nieuwegracht 6 in Utrecht:
     één huis, twee jurisdicties

Een huis dat zich over twee rechtsgebieden uitstrekte.

Een claustraal huis
Over een claustraal huis van het kapittel van Sint-Jan in Utrecht.
Kromme Nieuwegracht 11/
     Pieterskerkhof 20
een dertiende-eeuws claustraal huis.

Het centrum van Nederland

Wanneer ons gevraagd zou worden naar het centrum van Nederland, dan zouden we zonder bedenken het Utrechtse Domplein aanwijzen. Hier immers bevond zich de Romeinse burcht die aan het eind van de zevende eeuw het missiecentrum van Willibrord werd waaruit later het bisdom Utrecht is ontstaan. Dit bisdom omvatte het grootste deel van het latere Nederland. Het strekte zich uit van Zeeuws-Vlaanderen in het zuidwesten tot aan Groningen in het noordoosten, en omvatte behalve de kustprovincies Friesland, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland ook zo ongeveer het gebied van de landprovincies Drenthe, Overijssel, Gelderland en Utrecht.


Luchtfoto Domplein

Het Utrechtse Domplein bleef niet alleen kerkelijk centrum. Vanaf de tiende eeuw werden de bisschoppen ingeschakeld bij het bestuur van het Heilige Roomse Rijk, dat aan zijn noordwestelijke grenzen het hele latere grondgebied van Nederland omvatte. Utrecht werd daarmee gedurende de Middeleeuwen verreweg de belangrijkste stad van de Noordelijke Nederlanden.

Met de neergang van het Rijk, dat zich uitstrekte van Denemarken tot ver in Italië, verschoof het centrum in Utrecht geleidelijk naar Holland, waar de Hollandse graven de bisschoppen steeds meer in hun macht kregen. Nog altijd wordt in de hele wereld de benaming Holland ten onrechte ook voor heel Nederland gebruikt. Uiteindelijk is niet Utrecht de hoofdstad van Nederland geworden, maar het Hollandse voormalige boeren- en vissersdorp Amsterdam. Het dorp Den Haag, waar de Hollandse graven een burcht hadden, werd uiteindelijk het regeringscentrum.

Middeleeuwse geschiedenis

Al vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben wij ons onder meer met de middeleeuwse geschiedenis van het Domplein en zijn omgeving beziggehouden. Dit heeft geresulteerd in een aantal publicaties. Hierin houden we steeds, ook bij detailonderzoeken, de gehele kerkelijke en wereldlijke ontwikkeling in het oog en maken we gebruik van het volledige bronnenmateriaal, zowel het historische als het archeologische. Voorts treden we in discussie met andere serieuze onderzoekers. Alleen zo kan op den duur een duidelijker en betrouwbaarder beeld van het middeleeuwse Utrecht ontstaan.

Op deze internetpresentatie plaatsen wij een aantal bijdragen (zie de koppelingen hiernaast), waarin de relevante bronnen en publicaties worden vermeld, en houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen in het onderzoek.

Er zijn mensen die vinden dat wij de resultaten van ons onderzoek te stellig en gelijkhebberig naar voren brengen. Hierbij willen wij opmerken dat wij gedurende de hele periode van ons onderzoek open hebben gestaan voor iedere gefundeerde kritiek en dat wij daar ook steeds op hebben gereageerd. Wij zijn er ons van bewust dat in de vroegmiddeleeuwse geschiedenis, met haar gebrek aan gegevens, aannemelijkheid het hoogst haalbare is.


Hiertegenover hebben we tot onze spijt steeds weer moeten vaststellen dat onze beargumenteerde kritiek op de ideeën van anderen veelal domweg is genegeerd en doodgezwegen. Daarom houden wij vooralsnog vast aan de resultaten van ons onderzoek, waarbij wij ook op deze website steeds zorgvuldig verwijzen naar de plaatsen waar wij die onderbouwd hebben weergegeven.

De koppelingen die we naar onze eigen webpagina's maken, betekenen niet dat we ons eigen vlees keuren, zoals een criticus opmerkte. We doen dat omdat op de betreffende doorgekoppelde pagina's de nauwkeurige bronaanduidingen en de op die bronnen gebaseerde nadere argumentatie te vinden zijn. Op deze manier kan veel herhaling worden voorkomen.

Wie vindt dat wij te stellig en gelijkhebberig zijn of dat onze standpunten aanvechtbaar zijn, kan ons dit vanzelfsprekend beargumenteerd laten weten op onze e-mailadressen cjcbroer[at]casema[punt]nl en mwjdebruijn[at]casema[punt]nl.


Vogelvluchttekening Domplein
Vogelvluchtafbeelding van het Domplein met de volledige Sint-Maartens- of domkerk en de omtrekken van het Romeinse castellum, de Heilig-Kruiskapel en de kerk van Sint-Salvator of Oudmunster. Gearceerd de huidige rooilijnen van het plein. Uit De Dom van Utrecht (’s-Gravenhage 1965) 172, fig. 22.

Omdat het bij de ligging en opeenvolging van de bebouwing op het Domplein om een complexe problematiek gaat, raden wij u aan hiervoor het op de webpagina
De eerste Utrechtse kerken gegeven overzicht te raadplegen en af te drukken. Hieronder een beknopte samenvatting met een overzicht van die kerken in ruimtelijk en chronologisch opzicht:

Domplein met de eerste kerken
Ter oriëntatie de omtrekken van het Romeinse castellum en de rooilijnen van het tegenwoordige Domplein met
a. de domtoren;
b. de domkerk;
c. de pandhof van de dom
.
Verder:
1. de Romeinse
via principalis;
2. de
via praetoria.
A. het Romeinse hoofdgebouw waarin zich de eerste door Willibrord omstreeks 695 gestichte Sint-Salvatorskerk bevond (half eroverheen de tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel);
 
B. de plaats van de door Willibrord rond 720 herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde Sint-Thomaskerk, die omstreeks 630 gebouwd was door de Frankische koning Dagobert;
C. de door Bonifatius omstreeks 745 gebouwde nieuwe Sint-Salvatorskerk (later Oudmunster geheten).

Nieuws:

Utrechts eerste kerk nagenoeg zeker getraceerd!

Op grond van de beschikbare schriftelijke en archeologische bronnen hebben wij de eerste Utrechtse kerk, gebouwd omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert, met een hoge mate van zekerheid weten te traceren op de plaats van het verdwenen schip van de domkerk. Zie de webpagina Utrechts eerste kerk revisited.

Boekuitgave:


Omslag eerste kerken
Voorzijde van de omslag van de publicatie.

De eerste kerken op het Utrechtse Domplein
Een samenhangende visie

Al bij de eerste grote opgraving op het Utrechtse Domplein in 1929 werd de vraag gesteld naar de aanwezigheid van de eerste kerken aldaar. Het resultaat bleef echter decennialang onduidelijk.

Rond Open Monumentendag 1992 werd als groot nieuws gepresenteerd dat de Heilig-Kruiskapel, die vroeger tussen de domkerk en de kerk van Sint-Salvator stond en die tot dan voor tiende-eeuws werd gehouden, wel eens ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ van omstreeks 695 zou kunnen zijn. In de zomer van 1993 vond er een heropgraving van een deel van de kapel plaats.

Inmiddels zijn we meer dan twintig jaar verder. Er hebben sindsdien nog enkele heropgravingen plaatsgehad en men is bezig met het inrichten van een ondergrondse presentatie waar waarschijnlijk ook de resten van de eerste kerken voor het publiek zichtbaar zullen worden gemaakt en gehouden.

De afgelopen decennia zijn intussen ook verschillende publicaties verschenen waarin de vragen met betrekking tot die eerste kerken werden behandeld. Daarbij traden grote verschillen van inzicht aan het licht en hadden er verschuivingen van standpunten plaats.

In deze publicatie, die ook weer op Open Monumentdag is verschenen, geven de auteurs, de historici dr. Charlotte J.C. Broer en dr. Martin W.J. de Bruijn, die zich al van meet af aan beroepshalve met de problematiek hebben beziggehouden, opnieuw een samenhangende visie op de eerste kerkenbouw in Utrecht. In het tweede deel van dit boek geven ze een overzicht van wat er de afgelopen twintig jaar over de problematiek geschreven is.

Het geheel biedt een boeiende caleidoscoop van ideeën en ontwikkelingen in het denken over de eerste kerken op het Utrechtse Domplein.

Voor de inhoudsopgave zie de webpagina Uitgaven.

De eerste kerken op het Utrechtse Domplein. Een samenhangende visie
(ISBN: 978-90-805772-6-8) telt 100 pagina’s en is voorzien van heldere schema’s, plattegronden en verschillende afbeeldingen. De prijs bedraagt € 11,95.

U kunt het boek ook bij ons als auteurs bestellen. Hiervoor dient u het voornoemde bedrag over te maken op bankrekeningnummer 40 41 43 2 ten name van C.J.C. Broer, Stadionlaan 41, 3583 RB Utrecht, onder vermelding van De eerste kerken (IBAN: NL86 INGB 0004 0414 32). Hierbij zijn eventuele verzendkosten binnen Nederland inbegrepen.

U dient er wel voor te zorgen dat op de overschrijving duidelijk uw naam en adres (in elk geval uw postcode en huisnummer) zijn vermeld. Handig is die gegevens even apart door te geven op het e-mailadres of telefoon 030 254 1994.

Na ontvangst van de betaling en het uitkomen van het boek zal De eerste kerken op het Utrechtse Domplein u zo spoedig mogelijk worden toegezonden.

Gemeentelijke publiciteit 2016:

Alle oude kerken worden zichtbaar gemaakt bij de herinrichting van het Domplein

Op 12 oktober 2016 verscheen er een bericht in De Utrechtse Internet Courant dat bij de herinrichting van het Domplein ‘alle oude kerken die de afgelopen 2000 jaar op het Domplein hebben gestaan’ in het plaveisel zichtbaar zullen worden gemaakt.

Onder verwijzing naar het hierboven gegeven overzicht van die bebouwing zou dit dus moeten gaan om:

1. de onder koning Dagobert gebouwde Sint-Thomaskerk, verwoest door de Friezen en rond 720 herbouwd door aartsbisschop Willibrord en aan Sint-Maarten gewijd (zie de webpagina’s Utrechts eerste kerk revisited en  Van tempeltje tot kathedraal);
2. De na 753 gebouwde Karolingische dom- of Sint-Maartenskerk (zie hiertoe speciaal De Karolingische domkerk);
3. De onder bisschop Adelbold tussen 1017 en 1023 gebouwde Romaanse domkerk;
4. Het schip van de Gotische kathedraal uit het begin van de zestiende eeuw;
5. Het Romeinse hoofdgebouw, waarin zich de Sint-Salvator van Willibrord van omstreeks 695 bevond;
6. De door Bonifatius rond 745 gebouwde nieuwe Sint-Salvator- of Oudmunsterkerk met latere uitbreidingen (zie Bonifatius als bouwer van de Sint-Salvatorkerk);
7. De uit de tiende eeuw daterende, van de stenen van het hoofdgebouw opgetrokken Heilig-Kruiskapel, die later beschouwd werd als de Sint-Salvatorkerk van Willibrord (zie De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel).

Op 9 januari 2017 werd het begin van de werkzaamheden aangekondigd. Vanzelfsprekend zijn we erg benieuwd naar het resultaat.

Aanvulling van 17 juli 2017:
Inmiddels is gebleken dat de belofte in genen dele is waargemaakt. Alleen van de Gotische domkerk, de Heilig-Kruiskapel en de Oudmunsterkerk in haar laatste gedaante zijn de contouren in het plaveisel aangegeven. Voor de dom is dat gelukkig gebeurd op de oude, gedetailleerde manier, met aanduiding van de muren en pijlers. De omtrekken van de kapel en de Oudmunsterkerk zijn echter slechts vlakvullend in het plaveisel aangegeven, en dan ook nog in steen die wij niet bepaald mooi vinden. Wat ons betreft is het toch al weinig fraaie plein er nog lelijker door geworden. Maar dat is vanzelfsprekend een kwestie van smaak.

Aanvulling van 18 augustus 2017:
Op 2 september wordt het vernieuwde Domplein officieel in gebruik genomen. In de aankondiging van deze festiviteit zegt de gemeente: ‘Het Domplein heeft zo zijn vroegere gezicht terug.’ Deze bewering is onwaar. Bij de aankondiging plaatste de gemeente Utrecht onderstaande foto, genomen vanaf de domtoren. Daar is bijvoorbeeld goed op te zien hoe grof het herstel van de tracering van de Heilig-Kruiskapel en de kerk van Oudmunster is uitgevoerd. Zo zijn de uitgebouwde altaarnissen in de zijarmen van de kapel domweg achterwege gelaten.
Bestrating Domplein

Tentoonstelling 2016:

Trots van de stad. De Utrechtse Domtoren

Onder bovenstaande titel is op vrijdag 24 juni 2016 een tentoonstelling geopend in het Centraal Museum. De expositie loopt tot 2 oktober. Het gaat om een gemeentelijk project, waarbij behalve het museum ook de ‘coördinator publieksbereik Erfgoed’ René de Kam betrokken was. Deze laatste is met oud-bouwhistoricus Frans Kipp en computerspecialist Daan Claessen samensteller van een in 2014 uitgegeven boek onder de titel De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad.

Volgens een verslag van de opening van de tentoonstelling van de hand van historica Mariëlla Beukers op De Utrechtse Internet Courant (DUIC) zei de directeur van het Centraal Museum Edwin Jacobs in zijn openingspraatje onder meer:

‘Toen Utrecht de wereld was, was de Domtoren al een oriëntatiepunt. Dat is nu nog steeds zo. De Domtoren werd in de middeleeuwen gebouwd als landmark. Geen landmark voor de geestelijke wereld, maar een voor de wereldlijke: de Utrechtse bisschop wilde laten zien dat hij de machtigste was in de Lage Landen.’

Hiermee sluit hij zich weer aan bij de al in de vorige eeuw geventileerde opvatting van de architectuurhistoricus Aart Mekking. In hun boek uit 2014 hebben De Kam c.s. daartegenover beweerd dat de toren niet een machtssymbool van de bisschop was, maar van het domkapittel. Een opmerkelijk verschil van opvatting dus, waarvan wij ons afvragen of hier werkelijk over nagedacht is.

Wij van onze kant hebben al in 2014 op de webpagina  uitvoerig beargumenteerd dat en waarom de domtoren als onderdeel van de kathedraal van het bisdom Utrecht geen wereldlijk, maar een kerkelijk symbool was. Hij was dit zowel voor de bisschop en de geestelijkheid als voor de gelovigen van het bisdom, onder wie ook de burgers van de bisschopsstad, die nog steeds trots zijn op ‘hun’ toren (zie de webpagina De domtoren als ‘statement’)

Bezoekerscentrum 2016-2017:

Grote geldproblemen bij DOMunder
‘Met archeologie weet je het nooit’

Op 11 mei 2016 kwamen Radio M Utrecht en RTV Utrecht met het opzienbarende nieuws dat het ondergrondse bezoekerscentrum DOMunder, eerder Schatkamer Domplein II genaamd (zie hieronder), ondanks het succes in grote geldproblemen is geraakt. Er is op korte termijn € 1,6 miljoen nodig om te overleven. Volgens directeur Hans Pickkers waren de veel hoger uitgevallen kosten niet te voorzien: ‘Met archeologie weet je het nooit.’ Die uitspraak kunnen we volledig onderschrijven. We wachten met spanning het vervolg af.

Een eerste vervolg kwam al een dag later, op 12 mei, toen RTV Utrecht op basis van verschillende bronnen meldde dat de gemeente al vóór de bouw van DOMunder wist dat het project niet rendabel zou zijn. Naar een negatief advies werd toen echter niet geluisterd; de gemeente verstrekte subsidie en een garantie voor 900.000 euro. Interessante achtergrondinformatie over de gang van zaken gaf ook de column van Wouter de Heus in het Algemeen Dagblad.

Dezelfde 12de mei nog kwam wethouder Geldof met een reddingsplan. Hierbij zou door de gemeente een garantiestelling voor een nieuwe lening worden verstrekt uit het Restauratiefonds, dat eigenlijk bestemd is voor de restauratie en het onderhoud van monumentale gebouwen, en verder zouden schuldeisers moeten afzien van een deel van hun vorderingen. De Utrechtse VVD wees intussen al met een beschuldigende vinger naar de directie van DOMunder.

Op 13 mei stelde het college van b. en w. volgens De Utrechtse Internet Courant (DUIC) in plaats hiervan voor om tien jaar lang jaarlijks € 50.000 subsidie te gaan verlenen. Een maand later, op 10 juni, kwam het college volgens onder andere het Algemeen Dagblad met een uitgewerkt voorstel, waarbij de crediteuren afzien van een deel van hun vorderingen, er subsidies en garanties worden verleend en nieuwe leningen worden afgesloten. Hierbij zijn zowel de overheid, de gemeente en de provincie Utrecht, als particuliere fondsen en het Nationaal Restauratiefonds betrokken. Hiertegenover past het stichtingsbestuur de exploitatie aan.

Op 7 juli 2016 is de gemeenteraad akkoord gegaan met de verstrekking van een subsidie van jaarlijks € 40.000  gedurende een periode van tien jaar en op 11 juli sprak de directeur, Bas Picckers, in het Algemeen Dagblad de hoop uit dat de financiën in september of oktober op orde zouden zijn, maar dat een uitbreiding er voorlopig niet inzit. Blijkens het bericht heeft DOMunder momenteel slechts een interimbestuur, bestaande uit oud-wethouder van Utrecht en projectontwikkelaar Jaap Zwart, oud-bestuurslid en voormalig hoofd afdeling grondzaken (!) van de gemeente Utrecht Guus Verduijn en Hartwig Liersch, risicomanager bij een pensioenfonds. Deskundigheid genoeg in huis dus – of moeten we hier zeggen onder de grond? –, maar er zal wel gewacht worden met nieuwe initiatieven tot er weer een permanent bestuur zal zijn gevormd.

Volgens Stadsblad Utrecht ging de raad op 14 juli ‘tandenknarsend’ (CDA) akkoord met een subsidie van 4 ton voor de komende tien jaar. De VVD voelde zich ‘bedonderd en belazerd’ en fractievoorzitter Cees Bos van Stadsbelang Utrecht, dat als enige niet akkoord ging met de subsidie, sprak zelfs van ‘archeologische boeven’. Dit laatste lijkt ons niet terecht, want het zijn niet de archeologen geweest die het financieel debâcle hebben veroorzaakt.

Hiermee is gelukkig ook het voorgenomen mee opgraven door het publiek (zie hieronder) tenminste tijdelijk van de baan. We hopen dat het er nooit meer van zal komen, maar tegelijkertijd blijven we een verantwoorde presentatie van het vroegste verleden van Utrecht van groot belang vinden. Dat had van meet af aan deskundiger – dus ook minder Eftelingachtig – en vooral veel goedkoper en daarmee financieel degelijker gekund.

Op 9 januari 2017 maakte het Initiatief Domplein in de landelijke en regionale pers bekend dat het reddingsplan was afgerond en alle crediteuren waren betaald, althans dat er regelingen met hen waren gesloten, waarbij een substantieel deel van de schulden door hen werd kwijtgescholden. De verdere financiering komt zowel van de overheid als van particulieren.

Het Algemeen Dagblad meldde onder meer dat er in de toekomst ook bovengrondse activiteiten zijn gepland, maar dat verdere opgravingen voorlopig niet zullen plaatshebben. We hopen dat de verslaglegging van de al gedane onderzoeken niet door de financiële problemen nog verder zal worden vertraagd dan nu al het geval is.

Op 17 mei 2017 verscheen er een gemeentelijk evaluatierapport dat een onthutsend beeld van de hele financiële gang van zaken gaf. Verschillende leveranciers bleken hun rekeningen niet betaald te hebben gekregen, terwijl enkelen van hen daardoor bijna failliet waren gegaan. Over de vernielingen die bij de uitvoering van het project aan het monument werden toegebracht – onder meer het wegbikken van delen van de pijlers en het slaan van damwanden – werd in het rapport overigens niet gesproken.

Verontrustend bericht van 28 december 2015:

Nieuwe opgravingen op het Domplein:
het publiek mag meegraven


Nog lang voor het onderzoeksverslag van de opgraving van 2013(-2014) is uitgekomen – dit zal volgens het in november 2015 (!) verschenen verslag van de opgraving van 2011 pas op zijn vroegst in 2019 plaatshebben – maakt DOMunder in een artikel in het Algemeen Dagblad melding van nieuwe opgravingen. Het bijzondere hiervan is dat het publiek mag meegraven. De nieuwe opgravingen zullen vele jaren gaan duren.

Al blijkt dit niet uit het artikel, nemen we aan dat het hierbij gaat om al eerder opgegraven gedeelten van het plein. Toch zijn we er allerminst gerust op. Ook bij de opgravingen in 2011 en 2013(-2014), waarbij het publiek niet betrokken was, zijn delen van het bodemarchief ernstig aangetast (zie hieronder). Het meest stuitend hierbij was wel dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, die de toezichtfunctie heeft, hiervoor toestemming heeft verleend. Aangenomen mag worden dat dit nu opnieuw is gebeurd.

Mogelijk is dit pretparkachtige gedoe ingegeven geweest door de ernstige financiële problemen waarin DOMunder verzeild was geraakt, zoals midden 2016 aan het licht is gekomen (zie hierboven). Gelukkig lijkt hierdoor het mee opgraven door het publiek op de lange baan geschoven te zijn.

Maar het oprekken en uitstellen van de opgravingen maakt het ook mogelijk om de verslaglegging telkens weer verder uit te stellen. Zo zal er opnieuw gedurende lange tijd geen wetenschappelijke verantwoording worden afgelegd. En ook dat is verontrustend nieuws.

Onderzoeksverslag 2015:


Domplein revisited. Een proefopgraving in Van Giffens werkput XIX
door R.J.P. Kloosterman en R.D. Hoegen


In november 2015 verscheen onder bovenstaande titel het langverwachte onderzoeksverslag van de (proef)opgraving op het Domplein van 2011.
Klaarblijkelijk heeft er op de 23ste of de 24ste van die maand een aanbieding plaatsgehad.

De opgraving werd uitgevoerd door laatstgenoemde auteur. Het verslag is opgenomen als Basisrapportage Archeologie 64 van de gemeente Utrecht (juni (!) 2015) en volledig als pdf-bestand te bekijken en te downloaden. In het rapport, bestaande uit twee delen, samen maar liefst 218 pagina's, zijn ook bijdragen van anderen opgenomen.

Volgens aankondiging zal later, maar niet vóór 2019 (!), nog een verslag verschijnen van de opgravingen op het Domplein gedurende de periode 2013(-2014), waarin bepaalde conclusies zullen worden bijgesteld of aangescherpt. Het nu verschenen verslag heeft dus een voorlopig karakter.

Voor onze eerste reacties zie de webpagina's
Domplein revisited
Utrechts eerste kerk revisited
PR1 en PR2 revisited
Vroegmiddeleeuwse munten revisited


Uitgave 2015:


















Aanvulling van 30 augustus 2016:
Brepols stunt met prijzen, ofwel:
de wal begint het schip te keren
In de ledenbrief van de Vereniging voor Mediëvistiek Firapeel wordt gemeld dat het jaarboek of tijdschrift The Medieval Low Countries voor leden van de vereniging wordt aangeboden voor € 40 plus € 1 verzendkosten, in plaats van de normale abonnementsprijs van € 85. Oude nummers kunnen door leden verkregen worden met 50% korting. Alleen al voor wie een abonnement op The Medieval Low Countries wenst, is daarom een lidmaatschap van Firapeel voor slechts € 16 per jaar aan te bevelen. Deze vereniging, die voor alle belangstellenden openstaat, biedt bovendien een aantrekkelijk programma op mediëvistisch gebied (zie voor nadere gegevens en aanmelding haar website).

Aanvulling van 1 juli 2017:
Dat uitgeverij Elsevier niet schroomt om te procederen tegen personen of instellingen die haar commerciële belangen schaden, blijkt uit een artikel in NRC-Handelsblad van 1 en 2 juli 2017. De organisatie Sci-Hub, die zich inzet voor de toegankelijkheid van de wetenschap, werd na het aanspannen van een rechtszaak door Elsevier, door een New Yorkse rechter veroordeeld. Waarschijnlijk is het een pyrrusoverwinning. Het is te hopen dat de strijd tegen parasitaire uitgeverijen als Elsevier en Brepols met nog meer kracht wordt voorgezet.

Golden Middle Ages

Op de website van de Belgische uitgeverij Brepols werd in 2015 een nieuwe uitgave gepresenteerd: Golden Middle Ages in Europe. New Research into Early-Medieval Communities and Identities onder redactie van A. Willemsen en H. Kik. Volgens de vooraankondiging had hierin een artikel moeten worden opgenomen van de Utrechtse stadsarcheoloog Herre Wynia over de opgravingen in Leidsche Rijn en op het Domplein, maar dit is om onduidelijke redenen niet doorgegaan.

Het boek, dat in december 2015 verschenen zou zijn maar toen al niet meer verkrijgbaar was, zou 168 pagina’s tellen en ongeveer € 59 gaan kosten, althans volgens Brepols. Internetverkoper Bol.com heeft het zelfs over circa € 89. De extreem hoge prijs voor een betrekkelijk bescheiden publicatie is kenmerkend voor uitgeverij Brepols uit Turnhout. Al eerder signaleerden wij deze omstandigheid voor het archeologische jaarboek Medieval and Modern Matters, dat inmiddels meer dan € 70 per exemplaar, exclusief b.t.w., kost. Ook een jaarboek voor middeleeuwse studies, The Medieval Low Countries, voortzetting van het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, heeft een dergelijk hoge abonnementsprijs. Alleen al het digitaal raadplegen van een enkele bijdrage brengt zeer hoge kosten met zich mee. Zelfs de bibliotheek van de Universiteit Utrecht vindt het nieuwe jaarboek te duur en/of niet de moeite waard om aan te schaffen. Het is alleen digitaal en daardoor slechts voor een beperkt aantal bezoekers beschikbaar. Deze praktijk begint steeds meer te lijken op die in samenlevingen uit het verleden waar kastes van priesters of medicijnmannen de beschikbare kennis voor zichzelf hielden.

Tegen dit facet van de alom voortschrijdende commercialisering van de wetenschappen zijn nog meer grote bezwaren aan te voeren. Om te beginnen worden in veel gevallen de redacteuren en auteurs of beter gezegd de instellingen bij wie zij werken niet of nauwelijks voor hun wetenschappelijke inspanningen betaald, en dat terwijl het onderzoek doorgaans op kosten van de samenleving wordt uitgevoerd aan universiteiten en door de overheid gesubsidieerde instituten. Het is het private bedrijf Brepols dat op kosten van de samenleving de grootste winst hoopt binnen te halen. Overigens hebben met name de universiteiten deze situatie zelf mee gecreëerd door het opheffen van hun eigen uitgeverijen en drukkerijen, waar eertijds wetenschappelijke publicaties tegen redelijke kosten konden worden geproduceerd en dus ook breed verspreid.

Dit alles zet een sterke rem op de verspreiding van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en is tegengesteld aan de zogenaamd voorgestane vrije toegang (Open access) tot de resultaten van – met name op kosten van de samenleving uitgevoerd – onderzoek.

Dat we met deze kritiek niet alleen staan is inmiddels gebleken. Op 6 november 2015 verscheen er in NRC-Handelsblad een interview met de taalkundige Johan Rooryck, die de praktijken van de commerciële uitgeverij Elsevier zat was. Hij vertrok met de hele redactie van zijn tijdschrift Lingua en richtte met anderen een nieuwe stichting op voor de uitgave van linguïstische tijdschriften. Het is te hopen dat ook de Nederlandse mediëvisten en archeologen op korte termijn dergelijke initiatieven zullen gaan ontplooien. Maar deze beroepsgroepen een beetje kennende zijn we daar niet optimistisch over, integendeel, ze zijn recentelijk juist met Brepols in zee gegaan.

Prijzen 2014:

Het ondergrondse bezoekerscentrum DOMunder heeft enkele prijzen gekregen, nadat eerder al de zogeheten Dompleinapp bekroond was met de Geschiedenis Online Prijs. De app zou je, althans volgens de reclame die ervoor gemaakt wordt, meenemen van het Romeinse fort op het Domplein, langs de eerste christelijke kerken, de machtige bisschoppelijke burcht en de indrukwekkende Gotische dom naar het Domplein van nu. Er wordt zelfs gesproken van 'een historische sensatie'.

Aan te nemen valt dat deze prijzen gegeven zijn voor de 'beleefbaarheid'  en niet voor de historische betrouwbaarheid. Vanwege het geringe aantal bronnen voor de Romeinse en de vroeg- en hoogmiddeleeuwse periode kunnen dergelijke 'beleefbaarheidsconcepten' met driedimensionale reconstructies slechts impressies geven, meer niet. Zij bevatten in dit geval aantoonbaar onjuiste en daarnaast ook nog hoogst onaannemelijke voorstellingen. Met de historische werkelijkheid hebben deze voorstellingen dan ook nauwelijks iets van doen. Maar een waarschuwing voor het hoogst speculatieve karakter van deze beleefbaarheidsconcepten zal men tevergeefs aantreffen en al evenmin in de reclame die ervoor gemaakt wordt. En van een poging tot wetenschappelijke verantwoording is vanzelfsprekend al helemaal geen sprake. Dan zou er voor wat betreft de Romeinse tijd, de Vroege en de Hoge Middeleeuwen weinig van overblijven.

Artikel 2014:


Titelpagina artikel bouwgeschiedenis















Bouwgeschiedenis domschip
De aan de hand van de fabrieksrekeningen gereconstrueerde volgorde waarin de lichtbeukbogen van de Utrechtse dom zijn gebouwd. Uit P. van Doesburg, ‘De bouwgeschiedenis’, 199.


Aanvulling van 7 december 2016:
Als aanvulling op bovenstaand artikel verscheen in het Jaarboek Oud-Utrecht 2016, 11-48, van dezelfde auteur het artikel ‘Cornelis de Wael, de loopbaan van een Domloodsmeester’. In schril contrast met deze zorgvuldig samengestelde artikelen staan de veelal speculatieve ideeën van de architectuurhistorica E. (Elizabeth) den Hartog, ontvouwd in haar publicatie De bouwsculptuur van de Utrechtse Dom. Een andere kijk op de bouwgeschiedenis (Zwolle 2015).

‘De bouwgeschiedenis van het transept
en het schip van de Utrechtse Dom’


In het Bulletin KNOB 113 (1214) 188-208 is bovenstaand artikel verschenen van de hand van Pepijn van Doesburg. In dit artikel wordt de bouwgeschiedenis voornamelijk behandeld aan de hand van de geschreven bronnen – met name de goed bewaarde en uitgegeven rekeningen van de dombouw (de zogeheten fabrieksrekeningen). Deze nieuwe publicatie vormt een belangrijke aanvulling op de eenzijdige en inmiddels voor een deel ook achterhaald te noemen onderzoekingen van restauratiearchitect T. Haakma Wagenaar uit 1978-1980.

Van Doesburg gaat in zijn bijdrage onder meer uitvoerig in op de door hem gehanteerde methode. Hij onderscheidt hierbij drie invalshoeken:
–  de kapstokmethode: het invullen van rekeningposten aan de hand
    van enkele expliciete posten;
–  de optelsom van aanwijzingen;
–  bevestiging door overeenkomsten.

Vanuit deze methodiek, en met aanvullende informatie in andere opzichten, probeert de auteur een plausibel beeld van de bouwgeschiedenis van het dwarsschip en het schip van de dom te geven. Dit beeld wijkt op een aantal punten af van het bestaande, zoals dat recentelijk nog is samengevat in de publicatie De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad.

Met dit artikel bewandelt Pepijn van Doesburg de juiste weg: hij begint met zorgvuldig onderzoek vóór hij tot samenvattingen en wellicht ook populariseringen, zoals sommige 3D-reconstructies, gaat komen. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar dat is het in Utrecht helaas niet. Van voortijdigheid, nauwelijks kennis van de bronnen en de literatuur, gemakzuchtige oppervlakkigheid, een onkritische houding en zelfs gebrek aan wetenschappelijke integriteit zijn helaas heel wat Utrechtse voorbeelden aan te wijzen, en dat doen we dan ook beargumenteerd in onze publicaties en op deze webstek. Het zorgvuldige artikel van Pepijn van Doesburg vormt hierop dus een positieve uitzondering.

Wat we echter toch node missen is een – al was het maar voorlopig – overzicht van de door hem aannemelijk geachte bouwgeschiedenis als zodanig. Omdat het hierbij om een zeer gecompliceerd gebeuren gaat, had dit overzicht naar onze overtuiging niet mogen ontbreken. Juist op dit punt zouden althans schematische (!) 3D-reconstructies zeer wel behulpzaam kunnen zijn. Wat eveneens in het artikel ontbreekt – al is dit gemis in een bouwkundig tijdschrift te rechtvaardigen – is een verklaring van de vele specialistische bouwkundige begrippen.

Maar we weten dat dit technische artikel slechts een onderdeel van Pepijn van Doesburgs onderzoek vormt, zodat dergelijke omissies in de toekomst voor een groter publiek nog nader ingevuld en uitgewerkt kunnen worden. We zien daar vanzelfsprekend met grote belangstelling naar uit.

Gemeentelijke publiciteit 2014:

Pseudotremisses


Aanvulling van 16 januari 2016:
Op 5 januari 2015 meldde de directeur van DOMunder, Theo van Wijk, in de regionale pers dat er bij nieuw onderzoek van de opgeslagen grond naast de al eerder aangetroffen veertig munten nog twintig stuks gevonden waren. Volgens Van Wijk dateren de munten van omstreeks 675, ‘de tijd van Willibrord’ (sic). In het voorjaar van 2015 zou er verslag worden uitgebracht over de
muntschat en zijn betekenis, aldus Van Wijk. In werkelijkheid is dit pas gebeurd in het in november 2015 verschenen verslag van de opgraving van 2011. Zie hierover de webpagina's
Domplein revisited
Utrechts eerste kerk revisited
Vroegmiddeleeuwse munten revisited


‘Muntenschat’ gevonden

Op 17 april 2014 zochten de Utrechtse stadsarcheologen weer de publiciteit met een vondst die – het kan haast niet anders – ‘spectaculair’ werd genoemd. Het gaat hierbij om tientallen muntjes uit de tweede helft van de zevende eeuw, die voor het grootste deel bij het uitzeven van de in 1949 door de archeoloog Van Giffen uitgegraven grond met behulp van metaaldetectie werden aangetroffen. In ieder geval een deel van deze muntjes is overigens al drie jaar eerder, bij de opgraving van zomer 2011, teruggevonden (zie hieronder). Omdat deze muntjes verspreid lijken te zijn aangetroffen, kan eigenlijk niet van een munt(en)schat worden gesproken. Verder is ons uit de persberichten niet duidelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat deze muntjes in Utrecht geslagen zijn.

Overigens is de vondst wel van historisch belang, niet alleen vanwege het aantal muntjes, maar ook omdat zij behulpzaam kunnen zijn bij de vroegmiddeleeuwse datering van teruggevonden muurwerk op deze plek.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed vermeldde op een inmiddels weer verdwenen webpagina ‘dat meerdere munten direct te koppelen zijn aan een archeologisch spoor. De muntschat lijkt daarmee een sleutelrol te gaan spelen in de datering en de plaats van opeenvolgende kerken op het Domplein,’ aldus de Dienst.

Op die ‘sleutelrol’ valt echter heel wat af te dingen. De archeologie kan helemaal geen antwoord geven op de vraag waar welke kerken precies hebben gestaan, hoogstens bouwresten traceren, analyseren, beschrijven en van een datering voorzien. Zoals uit de tegenstrijdige opvattingen van de archeologen blijkt, is alleen dat al bijzonder lastig.

Waar welke kerken gestaan hebben en welke functie zij hebben gehad, kan vooral uit de geschreven bronnen, en dan in combinatie met de archeologische, worden afgeleid. Zoals deze bronnen vermelden
en wij al enkele decennia lang hebben betoogdzou de eerste Utrechtse kerk ongeveer op deze plek onder het verdwenen schip van de Utrechtse domkerk kunnen hebben gestaan. Zij werd gebouwd door de Frankische koning Dagobert I (623-639) en was gewijd aan de apostel Thomas (zie de webpagina Van tempeltje tot kathedraal).

De voormalige Utrechtse stadsarcheologen H.L. de Groot en T.J. Hoekstra hebben de eerste kerk gezocht in de voormalige Heilig-Kruiskapel. Deze stond een aantal meters verder naar het zuiden en behoorde door de eeuwen heen tot het kapittel van Sint-Salvator of Oudmunster. Bij nader inzienbeter gezegd: na nader zorgvuldig onderzoekbleek deze kapel nagenoeg zeker eerst uit de tiende eeuw te dateren en geen verband te hebben met de Sint-Thomaskerk en de later door aartsbisschop Willibrord op de fundamenten daarvan gebouwde Sint-Maartenskerk (zie hiervoor de webpagina De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel).

Publicaties 2014:















Aanvulling van januari 2016:
Zoals uit het in november 2015 verschenen verslag van de heropgraving van Van Giffens werkput XIX in 2011 blijkt, wordt er inmiddels ook in kringen van de Utrechtse archeologen nauwelijks nog waarde gehecht aan de opvatting van hun collega's H.L. de Groot en T.J. Hoekstra dat de Heilig-Kruiskapel 'het Sint-Maartenskerkje van Willibrord' zou zijn geweest (zie de webpagina
Domplein revisited).
Het is op zijn minst merkwaardig te noemen dat de samenstellers van het rapport of stadsarcheoloog H.L. Wynia als redacteur hun collega-archeoloog A. Willemsen daarvan niet tijdig in kennis hebben gesteld. Dan had deze misvatting in haar boek achterwege kunnen blijven. Dit gebrek aan duidelijkheid en openheid bij de Utrechtse archeologen over hun opeenvolgende standpunten heeft het onderzoek naar de eerste kerken op het Domplein inmiddels bijna een kwarteeuw bemoeilijkt. Uiteindelijk is een open en eerlijke dialoog de beste garantie om te komen tot een acceptabel beeld van de historische werkelijkheid. De Utrechtse archeologen en een aantal andere onderzoekers zijn een dergelijke gedachtenwisseling tot nu toe echter categorisch uit de weg gegaan.

Naar aanleiding van twee tentoonstellingen in het
Rijksmuseum van Oudheden in Leiden

Naar aanleiding van een tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden in 2014 publiceerde de archeologe en conservator van het museum A. (Annemarieke) Willemsen het begeleidende boek Gouden Middeleeuwen. Nederland in de Merovingische wereld, 400-700 na Chr. (Leiden-Zutphen 2014).

In deze in zijn algemeenheid nogal eenzijdige en ongenuanceerde publicatie gaat Willemsen er, overigens onbeargumenteerd, heel stellig van uit dat de Heilig-Kruiskapel van het eind van de zevende eeuw dateert (ald. 141):

‘Dan gaat het om een zaalkerkje van 20 x 7 m met een koor, in steen opgetrokken. Dat is een serieuze kerk in een veilig castellum, waar de Romeinse wegen en poorten nog functioneren. Daar kan een bisschop zich vestigen.’

Uit de zeer tegenstrijdige opvattingen van de archeologen over de ouderdom van de kapel, fundamenten onder de vroegere domkerk en de voormalige kerk van Oudmunster blijkt wel hoe moeilijk zij vroegmiddeleeuwse bouwresten op grond van archeologische criteria kunnen dateren. Zoals gezegd zoeken zij meestal hulp bij de geschreven bronnen, maar vraag vervolgens niet hoe.

Even tussen haakjes: blijkens die schriftelijke bronnen werden de Franken na het overlijden van hofmeier Pippijn de Middelste in 714 weer met de bisschop en de geestelijkheid door de Friezen uit Utrecht verdreven. En ook het omstreeks 630 in Utrecht gebouwde eerste kerkje was al binnen enkele decennia tot op de bodem door de nog heidense Friezen verwoest, zoals een brief van Bonifatius uit de achtste eeuw vermeldt. Zo veilig was dat castellum dus niet altijd. En ook op het functioneren van die poorten valt klaarblijkelijk wel wat af te dingen.

Overigens was de Heilig-Kruiskapel, die door Willemsen kennelijk wordt bedoeld en door haar ten onrechte een ‘zaalkerkje’ wordt genoemd, amper negentien meter lang, terwijl het schip nog geen zes meter breed was. Van 20 x 7 meter was dus geen sprake.

Ook beweert A. Willemsen heel stellig en generaliserendtot op de achterzijde van het boek toedat de introductie van het christendom een lang proces was ‘met veel individuele keuzevrijheid’. Nu zal het iedereen duidelijk zijn dat het ontvangen van het doopsel iemand nog niet tot een overtuigde christen maakt en er in dat opzicht gesproken kan worden van een langdurig proces. Er is zelfs wat voor te zeggen dat dit proces nooit helemaal afgerond is. Maar bij die individuele keuzevrijheid moet, in ieder geval voor wat de omgeving van Utrecht in de zevende eeuw betreft, toch wel een groot vraagteken gezet worden. Zoals uit een geschreven vroegmiddeleeuwse bron blijkt, werd de grootvader van de missionaris Liudger, Wursing of Addo, afkomstig uit Zuilen bij Utrecht, vanwege zijn christelijke sympathieën met de dood bedreigd door de nog heidense koning Radboud. Hij zocht toen zijn toevlucht tot de West-Frankische hofmeier Grimoald, waar hij zich vervolgens met zijn vrouw, kinderen en gevolg liet dopen. Dat alles duidt niet bepaald op veel ‘individuele keuzevrijheid’, noch voor Wursing, noch voor zijn vrouw en kinderen, noch voor zijn gevolg.

Een andere, kleinere tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden in 2014 was ‘Bij nader inzien’. Deze expositie ging over de uitwerking van oude opgravingen. Dit gebeurde in het kader van het zogeheten Programma Odyssee, gesteund door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Rijksmuseum van Oudheden. Ook bij deze expositie werd een begeleidende publicatie uitgebracht met korte verhandelingen over het tentoongestelde.

Het in 2008 opgestarte project ‘Schatten van het Domplein’ (zie onderaan deze webpagina) valt voor een deel binnen Odyssee. Dit geldt met name ook voor een nieuwe uitwerking van de oude opgravingen. Ondanks het feit dat hiervoor royale budgetten ter beschikking werden gesteld, is hiermee na vele jaren voor wat betreft wetenschappelijke verslaglegging en publicaties nog maar zeer weinig vooruitgang geboekt. In ieder geval is in november 2015 het opgravingsverslag Domplein revisited verschenen betreffende de heropgraving in 2011 van werkput XIX van Van Giffen. Zie hierover de webpagina Domplein revisited.

Publicatie 2014:


Utrechtse Domtoren

De Utrechtse domtoren. Trots van de stad

Op 8 maart 2014 werd deze uitgave van de hand van de coördinator publieksbereik van de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht René de Kam, oud-stadsbouwhistoricus Frans Kipp en computerspecialist en 3D-illustrator Daan Claessen, eveneens verbonden aan de Afdeling Erfgoed, feestelijk aangeboden aan de vier nog levende (oud-)burgemeesters van de stad Utrecht.

Niet alleen de domtoren, maar ook het omliggende gebied en de ontwikkelingen die daar in de loop van de eeuwen hebben plaatsgehad, worden in dit kloeke boekwerk van 544 pagina’s en tweeënhalve kilo zwaar behandeld. De publicatie bevat een groot aantal driedimensionale reconstructies.

Zie voor onze eerste reacties de webpagina’s:
De nieuwe uitgave De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad
     en de eerste kerken in Utrecht
De domtoren als ‘statement’
De Karolingische dom
Het aantal reacties zal de komende tijd worden uitgebreid.

Gemeentelijke publiciteit 2013:

Bericht Romeinse weg in NRC Handelsblad
Het bericht over de ‘ontdekking’ in
NRC Handelsblad van 10 december 2013, p. 6.

Plattegrond Romeinse weg
Plattegrond van de opgravingen van 1949 (werkput XIX) door Ozinga en De Weerd, met goten en planken van de weg uit periode II. Uit Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht (1989) 106, afb. 67.

Romeinse weg in Utrecht ‘ontdekt’

Op 10 december 2013 haalden de Utrechtse archeologen het landelijke en regionale nieuws met de mededeling dat er in de opgravingsput op het Domplein een stuk van een Romeinse weg was teruggevonden.

Er is nu overigens bij de heropgraving alleen maar een heel klein ‘nieuw’ stukje aangetroffen. Van de Romeinse wegen ter plaatse is een veel groter deel al bijna vijfenzestig jaar geleden, in 1949, teruggevonden door de archeoloog Albert Egges van Giffen. Hij heeft er toen over gepubliceerd in een aantal artikelen. Van een ontdekking kan dus niet gesproken worden.

Romeinse weg
Opgravingsfoto uit 1949, gezien naar het noorden. Midden op de foto, tussen de pijlers van de Gotische domkerk, hout van de Romeinse wegen in het Utrechtse castellum (periode II). Op de voorgrond de ingang met links daarvan muurwerk van het Romeinse hoofdgebouw, de praetoria. Uit L.R.P. Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht (1989) 110, afb. 71.

Plattegrond Van Giffen 1949
Plattegrond van het Romeinse castellum, vervaardigd door Van Giffen in 1949. De Romeinse wegen, via principalis en via praetoria, zijn teruggevonden in werkput XIX.

De opgravingsgegevens zijn vervolgens veertig jaar nadien, in 1989, nog eens gedetailleerd uitgewerkt door de archeologen Bert Ozinga en Maarten de Weerd in hun publicatie Het Romeinse castellum te Utrecht (Utrecht 1989, aldaar pagina 109-111). Bij de opgraving van 1949 waren verschillende fasen van die wegen getraceerd, daterend van de eerste tot de derde eeuw, op een hoogte van circa 1,75 m tot 2,90 m +NAP. De west-oost lopende hoofdweg, de via principalis, was circa 3,50 meter breed, de via praetoria, die noord-zuid op het Romeinse hoofdgebouw aanliep, ongeveer 2,50 meter.

De gegevens zijn inmiddels opnieuw verwerkt in het in november 2015 uitgebrachte opgravingsverslag van de opgraving van 2011. Zie de webpagina Domplein revisited.

Protest 2013:

Gotische pijler domkerk
Op de voorgrond van de foto is de bovenzijde te zien van een van de pijlers van de Gotische dom waarvan enkele lagen, veertig centimeter, weggebikt moeten worden. Op de achtergrond resten van de Romaanse dom. Voor de aanleg van de Schatkamer Domplein zal zonder twijfel nog heel wat meer van dit uiterst belangrijke rijksmonument moeten worden vernield. Foto M.W.J. de Bruijn 2 juni 2013.

Tegen de aanleg van de Schatkamer Domplein II

Blijkens een persbericht van DeStadUtrecht van 28 juli 2013 en een artikel in het Dagblad Trouw van 2 augustus 2013 heeft ‘de bekende Utrechter Rob van der Hilst’ namens een aantal Utrechters protest aangetekend tegen het wegbikken van enkele lagen, veertig centimeter, van vier Gotische pijlers van het verdwenen schip van de dom en het Utrechts college van b. en w. opgeroepen om de aanleg van het geplande bezoekerscentrum Schatkamer Domplein II te staken. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft echter laten weten dat voor het verwijderen van enkele lagen stenen van vier pijlers toestemming is verleend. Volgens Marjolein Verschuur van de dienst staat in het ook door Nederland ondertekende Verdrag van Malta dat overheden de taak hebben hun archeologisch erfgoed te beschermen én dit ‘beleefbaar’ te maken. Voor dit laatste mag een beetje minder bescherming kennelijk wel.

Hoe graag we Utrecht ook zijn bezoekerscentrum gunnenen hoe benieuwd we ook zijn naar wat er zich onder het Domplein bevindt, het blijft een merkwaardige zaak dat van rijkswege zo gemakkelijk met de onvermijdelijke gedeeltelijke vernieling van dit uiterst belangrijke rijksmonument is ingestemd. Want bij het wegbikken van enkele lagen van de pijlers is het niet gebleven. Blijkens berichten van het Initiatief Domplein zijn er half juli 2013 damwanden geslagen die ongetwijfeld het bodemarchief verder hebben aangetast, ook al zijn er tevoren met moderne methoden peilingen gedaan. We hopen dat althans het archeologisch onderzoek zorgvuldig zal worden uitgevoerd en gerapporteerd.

Gemeentelijke publiciteit 2012:









Grafsteen Bertoldus Ponc
De teruggevonden grafsteen van de domvicaris Bertoldus ‘Ponc’. Waarschijnlijk moet dit echter zijn: Pont (zie hiernaast). Het verschil tussen een c en een t is vaak niet waarneembaar, overigens op deze steen wel. In het begin van de veertiende eeuw was al een Bertoud Pont schepen van Utrecht, mogelijk zijn vader of grootvader. De tekst luidt: Hic sepultus est Bertoldus Ponc, vicarius huius ecclesie, qui obiit Mo CCCo LXXXXVIIo die veneris post Epyphanie. De betekenis van de letters boven het afgebroken stuk is ons niet duidelijk. Reinier van der Lof stuurde ons de aannemelijke suggestie  presbiter. De vertaling van de leesbare tekst luidt: ‘Hier is begraven Bertoud Ponc (bedoeld is Pont), vicaris van deze kerk, die stierf in 1397 op de vrijdag na de Verschijning  (Driekoningen).’ De datum is 12 januari 1397.

Aanvulling van augustus 2015:
In een artikel in het tijdschrift Oud-Utrecht, jrg. 88 (2015) 42-47, houden de Utrechtse onderzoekers Casper Staal, Herre Wynia en René de Kam onbeargumenteerd vast aan de lezing Ponc. Hun pogingen om nadere gegevens over een Bertoud Ponc te vinden lopen dan ook vast in enkel de vermelding Bartoldus sacerdos et Ponc (?; lezing onzeker) in een necrologium van Vrouwenklooster in De Bilt. Zie de webpagina
Bertoldus Ponc of Bertoldus Pont?


Uitvoering Schatkamer begonnen

In augustus 2012 kreeg het Initiatief Domplein toestemming voor de uitvoering van de zogeheten Schatkamer Domplein II. Hiervoor dient opnieuw een deel van het Domplein te worden afgegraven.

Voorafgaande aan de uitvoering zal er in de zomer van 2013 archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, dat aanmerkelijk uitgebreider is dan dat van 2011. Behalve profielen zullen nu ook vlakken kunnen worden bekeken.

Op 16 mei 2013 werd hiervoor het startsein gegeven met de presentatie van een grafvondst, die spectaculair en mysterieus wordt genoemd. Blijkens een persbericht van DeStadUtrecht betrof het een grafsteen elders in het bericht wordt gesproken van een muursteenvan de veertiende-eeuwse domvicaris Bertoldus Ponc en twee skeletten. In een ander persbericht van RTV Utrecht en op een daarbij behorend filmpje werd meeren voor een deel ook hiervan afwijkendeinformatie verstrekt.

Bepaald komisch te noemen zijn bijvoorbeeld de tegenstrijdige berichten over wat de functie van vicaris eertijds inhield. ‘In het kerkelijk bestuur is de vicaris een belangrijk man en behoort tot de staf van de bisschop,’ zegt de website van het Initiatief Domplein. DeStadUtrecht noemt een vicaris de plaatsvervanger van de kanunniken die in de Middeleeuwen de domkerk bestuurden en RTV Utrecht houdt het erop dat een vicaris de plaatsvervanger van een bisschop is ‘in de Katholieke kerk’. Allemaal verkeerd gegokt!

In zijn algemeenheid kan men zeggen dat de vicarissen priesters waren die verschillende taken uitoefenden, waaronder het lezen van zielmissen aan altaren, waaraan inkomsten verbonden waren. Wanneer zij dit permanent deden, werden zij perpetuus vicarius of eeuwig vicaris genoemd. Samen vormden de domvicarissen een college, dat ‘de gemene vicarissen van de dom’ werd genoemd. Niet de vicarissen, zoals Initiatief Domplein stelt, waren betrokken bij het bestuur van het bisdom, maar de kanunniken. Dat de vicarissen als plaatsvervangers optraden van kanunniken, was bij het domkapittel al in 1333 afgeschaft, dat zij dit waren van de bisschop is onzin.
Kortom, een beetje googelen is niet voldoende om de juiste betekenis in een specifieke situatie vast te stellen. Hier had wel wat meer vooronderzoek mogen worden verwacht van degenen die de vondst naar buiten brachten.
Overigens was de oorspronkelijke betekenis van vicaris wel plaatsvervanger. Voor betrouwbare informatie over de betekenis van het begrip vicaris, met name bij de dom, zie vooral F. Rikhof, ‘Kapelanieën in de middeleeuwse Utrechtse Dom’, Jaarboek Oud-Utrecht 2006, m.n. 48 en 75 nt. 11 en 12, en  A. de Groot,  De Dom van Utrecht in de zestiende eeuw. Inrichting, decoratie en gebruik van de katholieke kathedraal (Utrecht 2011) 31-32.

Dat er nagenoeg zeker geen sprake is van een domvicaris Ponc, maar wel van een vicaris Pont, en wie die Bertoldus of Bertoud Pont was, zetten we uitvoerig uiteen op de webpagina Bertoldus Ponc of Bertoldus Pont?

Opgraving:

Deel fundament Heilig-Kruiskapel
Op de achtergrond een deel van de fundering van de noordelijke arm van de tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel. Vooraan tufstenen muurwerk  van waarschijnlijk het – al dan niet verbouwde – Romeinse hoofdgebouw. Foto M.W.J. de Bruijn 2 juni 2013.


Zomer 2013

Op 2 juni 2013 hebben we de opgraving voor het eerst bezocht. Wat ons verbaasde was de omvang van de put, veel groter dan in 2011. Aan de zuidkant is zelfs de oostelijke arm van de tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel weer in zicht gekomen. Dit betekent dat de opgraving zich uitstrekt tot op het terrein van het vroegere kapittel van Sint-Salvator en Oudmunster en dat hiermee ook de Romeinse oost-west lopende via principalis doorsneden wordt. De eerste dom- of Sint-Maartenskerken bevonden zich ten noorden van deze weg, de Sint-Salvatorskerken ten zuiden ervan.

Ook in oostelijke richting is de put veel omvangrijker dan die van 2011. Er kan dus een groter deel van het verdwenen schip van de dom worden bekeken. Wellicht wordt hiermee bijvoorbeeld ook meer duidelijk over het westwerk van de Romaanse dom en het al dan niet aanwezig zijn van een atrium (zie hierover de webpagina Is meten altijd weten?)

Herre Wynia op de opgraving
De Utrechtse stadsarcheoloog Herre Wynia neemt aan de westzijde van de opgravingsput funderingsresten in ogenschouw, die waarschijnlijk toebehoorden aan de dom van Adelbold, gebouwd tussen 1017 en 1023. Op de voorgrond de bovenzijde van een pijler van de Gotische dom. Foto M.W.J. de Bruijn 2 juni 2013.

Vanzelfsprekend zien we met spanning het verloop en vooral de aangekondigde uitwerking van een en ander tegemoet. Al moet je daar in Utrecht vaak heel erg lang op wachten. Voor de gang van zaken in de afgelopen jaren zie hieronder.

Publicatie 2012:

‘Woekeren met de ruimte. Nieuw licht op de middeleeuwse plannen voor zuidwaartse voltooiing van het Domschip in Utrecht’,
Bulletin KNOB 111 (2012) 133-141


Aan de hand van afbeeldingen stelt de auteur, Pepijn van Doesburg, vast dat het domkapittel aan het eind van de vijftiende eeuw plannen had om het schip van de dom te verbreden. Hiervoor stond echter de Heilig-Kruiskapel, toebehorend aan het kapittel van Oudmunster, in de weg.

Ook een tweede plan om rakelings langs de kapel heen te bouwen is niet uitgevoerd, ofwel omdat laatstgenoemd kapittel zijn medewerking heeft geweigerd of omdat het plan door het keren van het financiële tij rond 1525 niet meer haalbaar was.

Publicatie 2012:

De nalatenschap van de Paulusabdij

De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht

Deze op 25 januari 2012 gepresenteerde bundel bestaat uit artikelen die voor het grootste deel gebaseerd zijn op lezingen die gehouden werden op een in 2009 gehouden symposium. Hij bevat verschillende boeiende bijdragen voor belangstellenden in de kerkelijke geschiedenis van stad en bisdom Utrecht.

Belangrijk voor het op deze webpagina behandelde thema is de bijdrage van bouwhistoricus Hein Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld. De kerken van bisschop Bernold’. Hierin geeft de auteur niet alleen, met behulp van een driedimensionale reconstructie, een nieuw beeld van de door bisschop Adelbold (1010-1026) gebouwde kathedraal (1017-1023), maar besteedt hij ook aandacht aan oudere bebouwing op de plaats van deze domkerk. Bij onderzoek hiernaar aan de hand van oude opgravingsverslagen is het westwerk van een ouder kerkgebouw aan het licht gekomen, dat de auteur in de tiende eeuw onder bisschop Balderik (918-976) dateert. Wij zijn geneigd hierbij eerder te denken aan een Karolingische domkerk.

De auteur van het artikel rekent af met het idee van de architectuurhistoricus Aart (A.J.J.) Mekking dat de architectuur van de dom van Adelbold ontleend zou zijn aan de Sant’ Appolinare in Classe in Ravenna. Hij beargumenteert dat de architectuur van de Sint-Maartenskerk in Emmerik en de onder bisschop Bernold (1027-1054) tot stand gekomen Utrechtse kerken van Sint-Pieter, Sint-Jan, Sint-Paulus, en de Sint-Lebuinuskerk in Deventer, is ontleend aan die van Adelbold. Bij dit alles kan volgens hem de tweede abdijkerk van Cluny als voorbeeld hebben gediend. Duidelijk is dat de plattegrond en met name de oostzijde van deze kerk meer overeenkomt met die van de Utrechtse kerken dan de kerk in Ravenna. Zie voor veronderstelde, maar zelden geconcretiseerde invloeden van deze belangrijke Franse abdij  in Utrecht evenwel de bijdrage van Charlotte (C.J.C.) Broer, ‘Sporen van Cluny?’, in deze bundel.

Hundertmark reconstrueert de Adelboldkathedraal voor een aanzienlijk deel aan de hand van de Bernoldkerken en zegt vervolgens dat die Bernoldkerken ontleend zijn aan de dom van Adelbold. Dat is een cirkelredenering. Hiermee bedoelen we overigens niet te zeggen dat de Bernoldkerken níet de dom van Adelbold als voorbeeld hebben gehad. Verder is het aantal onbekende elementen bij een dergelijke reconstructie zo groot dat zij nooit een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid kan opleveren. Voor onderbouwing van dit laatste zie de webpagina Is meten altijd weten?

In het betoog van Hein Hundertmarken in de inleiding bij de bundel van Hans (J.A.) Molwordt ook de onvermijdelijke mythe van het Utrechts kerkenkruis weer opgevoerd.

Hundertmarks overtuiging dat er al vóór Adelbold kerken op deze plaats hebben gestaandie ingaat tegen die van met name de oud-stadsarcheoloog van Utrecht Tarq (T.J.) Hoekstrawaaronder waarschijnlijk ook de eerste Utrechtse kerk, begroeten we met instemming. Daarvoor bestaan namelijk voldoende archeologische en historische aanwijzingen.

We citeren Hundertmark over de twee eerste kerken:

‘De beide opeenvolgende kerkjes zijn niet aangegeven omdat archeologische informatie ontbreekt, wat het gevolg lijkt van de verstoringen door de aanleg van de fundering van de romaanse Dom en de bouwputten voor de schippijlers van de gotische Domkerk.’

Hierachter plaatst hij echter een noot met de volgende inhoud:

‘Dit beeld moet mogelijk worden bijgesteld na de heropgraving die in de zomer van 2011kort voor de afronding van dit artikelheeft plaatsgevonden op het Domplein. Daarbij zijn onder de strokenfundering van de Dom van Adelbold resten van oudere funderingen aangetroffen, waarvan de oudste aan de hand van een muntvondst kon worden gedateerd vóór het laatste kwart van de zevende eeuw. Naar het zich nu (september 2011) laat aanzien gaat het hier om een fragment van het kerkje van Dagobert.’

Hiermee lijkt het beeld dat de middeleeuwse geschreven bronnen geven te worden bevestigd en lijkt tevens detegen deze gegevens in geponeerde opvatting van de Utrechtse stadsarcheoloog Hoekstra definitief te zijn gelogenstraft.

Hundertmarks artikel in de bundel biedt aldus, ondanks onze kritiekpunten, zonder meer een belangrijke bijdrage aan onze kennis van het kerkelijk centrum van de Noordelijke Nederlanden in de Middeleeuwen.

Publicatie 2006/2011:


De Dom van Utrecht in de zestiende eeuw

De Dom van Utrecht in de zestiende eeuw. Inrichting, decoratie en gebruik van de katholieke kathedraal

Op 23 juni 2006 is Arie de Groot aan de Vrije Universiteit gepromoveerd op een studie van de inrichting van de domkerk in de zestiende eeuw. Recentelijk is er een handelsuitgave van deze dissertatie verschenen. Zij werd gepresenteerd op 1 december 2011 in de Michaëlskapel in de domtoren en aangeboden aan ds. Netty de Jong-Dorland, predikant van de domkerk, en Frans Kipp, bouwhistoricus van de gemeente Utrecht.

Na een kort overzicht van de geschiedenis van de dom als kathedraal volgt een hoofdstuk over de beheerders en gebruikers van het gebouw: zij gaven
meestal de opdracht om de kunstvoorwerpen te maken. Daarna wordt de inrichting van het kerkgebouw heel precies beschreven: alles wat er in het koor aanwezig was, de altaren in de rest van de kerk, de andere voorwerpen met een liturgische functie, muurschilderingen, tekstborden, gebrandschilderde glazen en graven. Ook de bijgebouwen rond de kerk komen aan bod. Een apart hoofdstuk gaat over het dagelijks functioneren van de kathedraal in de Late Middeleeuwen. Tot slot bevat het boek overzichtslijsten van de gebrandschilderde glazen en van de graven.

Opgraving:

Derde-eeuws castellum
Afb. 8. Plattegrond van de laatste, derde-eeuwse fase van het Romeinse castellum. In dunne lijnen is de tegenwoordige bebouwing aangegeven.
1 = via principalis; 2 = via praetoria; A = Romeins hoofdgebouw; B = tempeltje?; C = tegenwoordige domtoren; D = restant (dwarsschip en koor) van de domkerk.
Op de plaats van het verdwenen schip van de domkerk – aan de kruising van de via praetoria en de via principalis – stond in deze periode een rechthoekig gebouwtje, mogelijk een tempeltje (B). Dit is precies de plaats waar in de zomer van 2011 weer opgravingen werden uitgevoerd.



Bij de opgraving gevonden zogeheten pseudotremisses van de muntmeester Madelinus uit Dorestad, daterend uit de tweede helft van de zevende eeuw. Pseudotremisses

Zomer 2011

Vanaf eind mei 2011 heeft ervoor het eerst sinds 1993weer een archeologische opgraving plaatsgehad op het Domplein. Dit gebeurde als voorbereiding op de inrichting van een ondergronds bezoekerscentrum op de plaats van het verdwenen schip van de domkerk, en wel precies waar ook in 1949 gegraven is door de archeoloog Albert Egges van Giffen. Dit is ten noorden van de voormalige Heilig-Kruiskapel, tussen de rijweg die langs de domtoren loopt en het oorlogsmonument. Het grootste deel van wat daar werd aangetroffen is vanzelfsprekend bij de opgraving van 1949 verdwenen, maar men hoopte in de teruggestorte aarde nog vondsten aan te treffen.

Al direct na het begin van de nieuwe opgraving op het Domplein zijn in het teruggestorte materiaal van de vorige opgraving twee vroegmiddeleeuwse muntjes gevonden. Het gaat om zilveren Friese nabootsingen van tremisses van de muntmeester Madelinus, van wie aangenomen wordt dat hij tussen circa 635 en 650 muntsloeg in Dorestad, aldus een bericht van 8 juli 2011 op de website Initiatief Domplein. Zie inmiddels de webpagina Vroegmiddeleeuwse munten revisited.

Uit een tussentijdse korte televisiereportage en een bijgaand persbericht van 24 augustus door RTV Utrecht blijkt dat er inderdaad ook aandacht wordt geschonken aan de profielen. Het onderzoek, dat voortduurde tot en met 10 september 2011, heeft diverse vondsten uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen opgeleverd. Zo werd er een stuk hout van een Romeinse weg gevonden.

Zie verder ook een eerder persberichtvan begin juni 2011en vooral onze webpagina Van tempeltje tot kathedraal, waarin de stand van het onderzoek tot nu toe wordt weergegeven. Ook de Universiteit Utrecht heeft in augustus nog wat gegevens met verwijzingen naar enkele webpagina’s geplaatst, waaronder panoramische opnamen van de opgravingsput.

Ter afsluiting van de opgraving werd zelfs er zelfs een galavoorstelling met... de voetbalclub FC Utrecht gehouden. Dit brengt nog eens het optreden van de archeoloog prof. dr. Antonie E.J. Holwerda, directeur van het Museum van Oudheden in Leiden, in herinnering. Deze beweerde stellig dat Utrecht geen Romeins verleden had. Toen hij bij de eerste opgraving in 1929 zelf in de put naast het onmiskenbaar Romeinse muurwerk stond, schopte hij er als een voetballer tegenaan en zei zo ongeveer: ‘Dit komt allemaal uit Vechten’. Maar de voetballers van de FC Utrecht zullen, voor zover nodig, na hun bezoek zeker van het Romeinse verleden van ‘hun’ stad overtuigd zijn geraakt.
Archeoloog Hoegen bij het profiel
Archeoloog Robert Hoegen geeft een toelichting bij de vroegmiddeleeuwse bouwresten in het profiel.

Profiel opgravingen
Het noord-zuidprofiel, gedeeltelijk afgedekt met folie. De fundamenten die waarschijnlijk behoord hebben tot de dom van Adelbold van 1017-1023 zijn door middel van de rechthoekige natuurstenen blokken duidelijk te onderscheiden van een daaronder gelegen fundering van veldkeien die mogelijk van de Karolingische dom waren.

Profiel van periode VI
Detail van de onderste lagen van het profiel met wellicht  de lagen die door Van Giffen voor laat-Romeins en door de archeologen Ozinga en De Weerd voor vroegmiddeleeuws werden gehouden.
Foto’s M.W.J. de Bruijn 9 september 2011.

In een artikel in NRC Handelsblad van 1 september 2011 vertelde senior-archeoloog Robert Hoegen al het een en ander over de resultaten van het onderzoek. Zo sloot hij ‘op basis van de nu uitgegraven fundering van de Romaanse Dom uit de tiende eeuw’ niet uit ‘dat de eerste kerk van Utrecht hier stond’. Ook was volgens hem zekerwij citeren wederom‘dat de koning der Franken, Dagobert, in de zevende eeuw een kerkje voor Sint Thomas bouwde op de resten van het castellum, het Romeinse fort dat het begin was van het Domplein. Het kerkje werd verwoest door de Friezen. In 695 herstelde Willibrord het en maakte Sint Maarten tot de beschermheilige. Mogelijk is het de voorloper van de Maartenskerk, de huidige Gotische Domkerk, maar al sinds 1949 debatteren onderzoekers over de plek van die kerk.’

Wat de vroegere kerkelijke bebouwing betreft heeft de vroegere stadsarcheoloog van Utrecht Tarq Hoekstra met enige stelligheid ontkend dat er op deze plaats vóór de bouw van de dom van Adelbold tussen 1017 en 1023 een kerk gestaan heeft.

Op 9 september 2011 hebben we de opgraving bezocht. Tot onze grote verrassing bleken de teruggevonden bouwresten veel omvangrijker te zijn dan uit de weinige en dan nog summiere publicaties van Van Giffen was gebleken. Tussen de zeer diep ingegraven laat-vijftiende-eeuwse bakstenen pijlerfunderingen van de Gotische dom vertoonde zich onder meer een noord-zuidprofiel met bijna tweeduizend jaar geschiedenis, waarvan mogelijk bijna veertienhonderd jaar kerkelijke bouwgeschiedenis. Aan de hand van de uitleg van archeoloog Hoegen volgen hieruiteraard onder het grootst mogelijke voorbehoudenkele bevindingen.

De fundamenten van de dom van Adelbold van 1017-1023 zijn duidelijk te onderscheiden van een daaronder liggende laag veldkeien, die deel zullen hebben uitgemaakt van een oudere kerk. Wij zijn geneigd hierbij te denken aan de  Karolingische domkerk.

Hieronder bevinden zich enkele lagen met puinresten die wellicht samenvallen met de onderste lagen van wat Van Giffen periode VI noemde. Deze lagen werd door hem als laat-Romeins beschouwd, maar de archeologen Bert Ozinga en Maarten de Weerd interpreteerden deze in hun publicatie Het Romeinse castellum te Utrecht als vroegmiddeleeuws. In deze bouwresten is een nagebootste Madelinusmunt aangetroffen, die gedateerd kan worden in de tweede helft van de zevende eeuw.

Op 14 september 2011 verscheen er een bericht op DeStadUtrecht.nl over het afsluiten van de put. Tijdens een rondleiding op 15 januari 2012 door vertegenwoordigers van het Initiatief Domplein werd onder andere meegedeeld dat zich beneden het niveau van de Romaanse dom waarschijnlijk nog twee gebouwen hebben bevonden. Deze conclusie zal getrokken zijn op basis van de resultaten van de recente opgraving.

Een nog groter verrassing leverde een artikel op van Hein Hundertmark, bouwhistoricus bij de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht. Dit artikel verscheen op 25 januari 2012 in een bundel over de nalatenschap van de Sint-Paulusabdij (zie hierboven). In dit artikel wordt vooruitgelopen op het archeologisch onderzoeksverslag, zij het op nogal summiere wijze. In ieder geval wordt er in dit artikel min of meer van uitgegaan dat de oudste kerk op deze plaats heeft gestaan, maar wordt tevens op dezelfde plaats het vermoedelijke westwerk gereconstrueerd van een kerk, die aan de dom van Adelbold voorafging en door de auteur aan bisschop Balderik (918-976) wordt toegeschreven. We gaan uitgebreider op dit artikel in op onze webpagina’s De Karolingische dom en Van tempeltje tot kathedraal.

Kortom, hiermee is het behalve historischdit wil zeggen op grond van de geschreven bronnenook archeologisch gezien een stuk zekerder geworden dat op deze plek de eerste, omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert gebouwde en aan de apostel Thomas gewijde kerk heeft gestaan en nietzoals we al in 1992 bestreden hebbenop de plek van of zelfs identiek met de Heilig-Kruiskapel. De Sint-Thomaskerk werd na verwoesting door de Friezen rond 650 in later tijd, waarschijnlijk rond 720, door aartsbisschop Willibrord vanaf het fundament herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd.

Vanzelfsprekend wachten wij het opgravingsverslag met spanning af. We hopen dat de rapporten van Van Giffen, die niet alleen profielen maar ook vlakken heeft gezien en geanalyseerd, hierin geïntegreerd zullen worden meegenomen. Het nadeel van de recente opgraving is namelijk dat hierbij niet of nauwelijks vlakken gezien konden worden.

Zie voor een overzicht van de bebouwing op deze plaats vooralsnog onze webpagina’s
De eerste kerken
► 
Van tempeltje tot kathedraal
De Karolingische domkerk
Voor een algemeen, in de context geplaatst overzicht van de vroege kerken in Utrecht verwijzen wij naar onze nog verkrijgbare publicatie Bonifatius en de kerk van Nederland uit 2005, met uitvoerige argumentatie van onze opvattingen, en onze nieuwe publicatie De eerste kerken op het Utrechtse Domplein met daarin ook een overzicht van de ‘discussies’ over de eerste kerken van de afgelopen twintig jaar.

Het verslag van de opgraving van 2011 is verschenen in november 2015.
Zie de webpagina Domplein revisited.

Artikel 2010:


Begin van de brief van Bonifatius
Aanhef van de brief van Bonifatius in het oudst bewaarde, negende-eeuwse afschrift. Voor de volledige tekst, vertaling en nadere gegevens zie onze webpagina Bonifatius als bouwer van de Sint-Salvatorkerk.

’Utrechts oudste kerk en Dagobert. Vraagtekens bij een brief van Bonifatius’

In Millennium, tijdschrift voor middeleeuwse studies 24 (2010) nr. 2, 95-112, is een artikel opgenomen van de mediëvist Wolfert van Egmond, deelnemer aan het hieronder genoemde project ‘Schatten van het Domplein’.

De auteur acht het mogelijk dat de eerste Utrechtse kerk niet is gesticht en aan Keulen geschonken door de Frankische koning Dagobert I (623-638/39), maar door koning Dagobert II (676-679). Hij vindt zelfs laatstgenoemde ‘minstens zo’n goede kandidaat’.

Verder stelt hij onder meer dat de strijd tussen de bisschop van Keulen en aartsbisschop Bonifatius over de Utrechtse kerk, die na het overlijden van aartsbisschop Willibrord in 739 gewoed heeft, niet is begonnen door de Keulse bisschop, maar dat het initiatief is uitgegaan van Bonifatius. Van Egmond noemt hem ‘ernstig vooringenomen’ en agressiever dan tot nu toe werd aangenomen.

Hoewel dit niet uitgesproken wordt, is dit artikel een reactie op onze standpunten over de rol die Bonifatius ten aanzien van de Utrechtse kerk gespeeld heeft. Wij beoordelen die aanmerkelijk positiever dan Wolfert van Egmond. Zie over onze opvattingen de webpagina Bonifatius als bouwer van de Sint-Salvatorkerk. Op de (on)aannemelijkheid van Van Egmonds stellingen gaan we in op de webpagina De bouw van Utrechts eerste kerk en de vooringenomenheid van Bonifatius.

Onderzoeksproject vanaf 2008:

Hieronder vindt u verwijzingen naar onze eigen bijdragen aan het onderzoek naar de geschiedenis van het Domplein en zijn omgeving in ruime zin. Op deze webpagina's vindt u bovendien de relevante bronnen en literatuur.


Boekuitgave

Context

►  Nieuwe theorieën over de rivierlopen in
      en rond Utrecht

Kanttekeningen bij een Engelstalig artikel van M. van Dinter, K.M. Cohen, W.Z. Hoek, E. Stouthamer, E. Jansma en H. Middelkoop.
Tussen Rijn en Vecht
Beschouwingen over de rivierlopen in en rond Utrecht circa 1100.

Algemene samenvatting en
     slotbeschouwing van

     Husinghe ende hofstede

Samenvatting van de dissertatie van M.W.J. de Bruijn uit 1994.
Summary of Martin W.J. de Bruijn's    
     PhD thesis Husinghe ende hofstede

About the jurisdiction in real estate cases in the city of Utrecht during the Middle Ages.
Summary of Charlotte J.C. Broer's
     PhD thesis Uniek in de stad (Unique in
     the city)

About the earliest history of St Paul's Abbey in Utrecht.
De eerste bisschoppen in Utrecht
Over de eerste bisschoppen die in Utrecht gevestigd waren.
Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen
De verhouding tussen Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen.
Kanttekeningen bij de uitgave
     Bonifatius in Dorestad

Over de relatie tussen Bonifatius en Dorestad en de behandeling van de problematiek van de kerstening en de eerste kerken in Utrecht.
Van monniken en kanunniken
De monastieke traditie in Utrecht van de zevende tot het midden van de elfde eeuw.
Sporen van Cluny in de Utrechtse    
     abdijen van Sint-Paulus
     en Sint-Laurens?

Over de invloed van de Franse kloosterhervormingsbeweging in Utrecht.
De stadswording van Utrecht
Enkele aspecten van de ontwikkeling van Utrecht tot stad aan de hand van een nieuwe publicatie.
Het zogenaamde Utrechtse
     kerkenkruis

Over de mythe van het Utrechts kerkenkruis.

De Sint-Paulusabdij en haar
     jurisdictie

Over de rechtspraak die er in de middeleeuwen in en door de Utrechtse Sint-Paulusabdij werd uitgeoefend.
Geschiedvervalsing door het Utrechts
     domkapittel

Over de vervalsingen die het Utrechts domkapittel pleegde om voor de moederkerk van Utrecht te kunnen doorgaan.

De nieuwe uitgave De Utrechtse
     Domtoren. Trots van de stad
     en de eerste kerken in Utrecht

Een eerste reactie op de nieuwe publicatie van R. de Kam, F. Kipp en D. Claessen.
De domtoren als ‘statement’
Over de vraag of de domtoren een machtssymbool van het domkapittel was.
Is meten altijd weten?
Over de beperkingen van driedimensionale reconstructies van verdwenen historische bebouwing.

De vroegmiddeleeuwse geschiedenis   
     van Utrecht op Wikipedia

Fouten en tegenstrijdigheden in de bekende digitale encyclopedie.
Burcht
De burcht Trecht
Over de belangrijkste middeleeuwse burcht in de Noordelijke Nederlanden.
De eerste kerken
Overzicht van de eerste kerken die er in de vroege middeleeuwen in Utrecht zijn gebouwd.
Utrecht en het Duitse Soest
Kanttekeningen bij een publicatie van E.W. Oostebrink.
Een huiskamertje als kathedraal?
Kanttekeningen bij een Engelstalig artikel van J.M. van Winter.
Domplein revisited
Enkele kanttekeningen bij een opgravingsverslag.
Utrechts eerste kerk revisited
De Utrechtse archeologen hebben de eerste kerk teruggevonden, maar zij hebben er zelf nog geen idee van.
Vroegmiddeleeuwse munten revisited
Bij de vondst van tientallen munten in werkput XIX van Van Giffen op het Domplein.
►  Waar stond precies de eerste
      Utrechtse kerk?

Gesleep met oude tafelen.

Van tempeltje tot kathedraal
Romeinse en vroegmiddeleeuwse bouwresten onder het verdwenen schip van de domkerk.
De Karolingische domkerk
Zijn de forse funderingen onder het verdwenen schip van de domkerk negende-, tiende- of elfde-eeuws?
PR1 en PR2 revisited
Romaans of Pre-Romaans?
Bonifatius als bouwer
     van de Sint-Salvator

Over de betekenis van Bonifatius voor de Utrechtse kerk.
De bouw van Utrechts eerste kerk en
    
de vooringenomenheid van Bonifatius
Reactie op een artikel van W.S. (Wolfert) van Egmond, dat impliciet kritiek op onze opvattingen levert.
De Heilig-Kruiskapel
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel en haar relatie met Willibrord.
De domtoren in Utrecht, oud en nieuw
Over de situering van de oude en de nieuwe dom- of Sint-Maartenstoren.
Het bisschopshof in Utrecht.
     Bouwstenen voor de reconstructie
Over het zuidwestelijk deel van de Utrechtse burcht.

Wed 3A-9 in Utrecht
Over een gemeenschappelijk kapittelgebouw van Sint-Salvator of Oudmunster uit het begin van de dertiende eeuw.
Bertoldus Ponc of Bertoldus Pont?
Gegevens over de veertiende-eeuwse Utrechtse domvicaris Bertoud Pont en zijn grafsteentje.

Omgeving
De vicus Stathe
Over de ligging van de belangrijkste middeleeuwse handelswijk van de stad Utrecht.
De Oudelle
De rivierlopen door het zuidelijk deel van de Utrechtse binnenstad.
De Bemuurde Weerd
Ontstaan en eerste ontwikkeling van een Utrechtse voorstad.
De stichting van het
     johannieterklooster in Utrecht
Deze stichting had niet plaats vóór 1122, zoals doorgaans wordt aangenomen, maar waarschijnlijk pas tussen 1184 en 1190.
Nieuwegracht 6 in Utrecht:
     één huis, twee jurisdicties

Een huis dat zich over twee rechtsgebieden uitstrekte.

Een claustraal huis
Over een claustraal huis van het kapittel van Sint-Jan in Utrecht.
Kromme Nieuwegracht 11/
     Pieterskerkhof 20
Een dertiende-eeuws claustraal huis.


Schatten van het Domplein

Naast ons langdurig en uitgebreid onderzoek is er in 2008 een ambitieus onderzoeksproject gestart in een samenwerkingsverband van de Universiteit Utrecht, de gemeente Utrecht (afdeling Stedenbouw en Monumenten), de Stichting Domplein 2013 en Erfgoed Nederland. Het project wordt gefinancierd door de Universiteit Utrecht, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de gemeente Utrecht.

Onder de titel ’Schatten van het Domplein’ (Reconstructing Roman and Early Medieval Utrecht: New Approaches) zijn er deelprojecten geëntameerd, waarvan er enkele het Domplein zelf als onderwerp hebben: Laatstgenoemd onderzoek richt zich op het beter begrijpen van ’het kerkelijke cluster’. Het wordt uitgevoerd door de architectuurhistoricus Raphaël Rijntjes onder projectleiding van prof. dr. Mayke de Jong. Met dit doel werden drie deelthema’s benoemd die zich lenen voor vergelijkend onderzoek:
  • De continuïteit tussen Romeinse resten en middeleeuwen;
  • De bouwkundige samenhang tussen de verschillende kerkgebouwen;
  • De typologie van de teruggevonden kerkplattegronden.
De continuïteit tussen Romeinse resten en middeleeuwen
Binnen het eerste thema is onderzoek verricht naar het hergebruik van de defensieve resten (greppels, muren en torens) van het Romeinse castellum.

De bouwkundige samenhang tussen de verschillende kerkgebouwen
Binnen het tweede thema werden de funderingssporen onder de elfde-eeuwse domkerk heronderzocht. Dit leidde tot de conclusie dat we hier zeer waarschijnlijk te maken hebben met de tiende-eeuwse domkerk van bisschop Balderik. Een gevolg is dat de focus van het project zich verlegde van de elfde naar de tiende eeuw.

De typologie van de teruggevonden kerkplattegronden
Het onderzoek binnen het derde thema heeft zich geconcentreerd op bovengenoemde tiende-eeuwse fase van de domkerk.

Parallel aan de deelonderzoeken loopt de voltooiing van het proefschrift van de uitvoerder Raphaël Rijntjes over de Heilig-Kruiskapel, een van de drie kerkgebouwen die tot de Reformatie het kerkencluster op het Domplein vormden. Dit proefschrift stond gepland voor 2011, maar was in 2017 nog niet verschenen. Ook de publicatie van de uitwerking van bovenstaande thema’s laat nog op zich wachten. Zoals hierboven vermeld gaan wij er op grond van de geschreven bronnen vooralsnog van uit dat er in de tiende eeuw geen nieuwe kerk gebouwd is, maar dat we te maken hebben met de Karolingische kathedraal uit de achtste of negende eeuw (zie de webpagina De Karolingische domkerk van Utrecht).

Bovendien lopen er in het kader van ‘Schatten van het Domplein’ nog drie contextuele deelprojecten:
Laatstgenoemd onderzoek, verricht door de mediëvist Wolfert van Egmond, eveneens onder projectleiding van prof. dr. Mayke de Jong, zou zich uitstrekken tot in de tiende eeuw, maar is inmiddels sterk gereduceerd en zal zich blijkens de website van de Universiteit Utrecht uiteindelijk beperken tot ontwikkelingen tot het eind van de achtste eeuw. Over deze periode is inmiddels het hierboven vermelde artikel ‘Utrechts oudste kerk en Dagobert. Vraagtekens bij een brief van Bonifatius’ verschenen. Dit artikel keert zich impliciet tegen enkele van onze opvattingen. Van directe argumentatie of weerlegging is hierbij geen sprake. Voor een reactie op dit artikel zie de webpagina  De bouw van Utrechts eerste kerk en de vooringenomenheid van Bonifatius.

Verder zijn er drie kleine symposia over de onderzoeken gehouden, waarbij voorlopige resultaten zijn bekendgemaakt. Vanzelfsprekend zien wij met grote belangstelling uit naar de definitieve uitwerking. Samenvattend gaat het hierbij om:
  • het hierboven genoemde (in 2010 afgeronde) onderzoek en de dissertatie van Raphaël Rijntjes over de vroegmiddeleeuwse bebouwing op het Domplein;
  • de rol van Utrecht als vroegmiddeleeuws machtscentrum door Wolfert van Egmond (onderzoek afgerond in 2010);
  • de uitwerking van oude opgravingsverslagen door Julia Chorus (onderzoek afgerond op 1 november 2011);
  • het onderzoek over de rivierlopen door de stad door Marieke van Dinter (afgerond in 2012).
Van de onderzoeken van Raphaël Rijntjes, Wolfert van Egmond, Julia Chorus en Marieke van Dinter wordt melding gemaakt op een website van de Universiteit Utrecht. Deze presentatie zou blijkens een mededeling op de webpagina Nieuws het laatst bijgewerkt zijn door de projectleidster prof. dr. Esther Jansma op 22 augustus... 2011, maar er zijn ook later nog summiere berichten en meldingen bijgeplaatst. Het geheel maakt een nogal rommelige, slordige, dus onprofessionele indruk.

Verdere resultaten

Afgezien van het artikel van Wolfert van Egmond over de rol van Bonifatius, zijn voor zover wij hebben kunnen nagaan tot op heden alleen Marieke van Dinter en Julia Chorus publicitair productief gebleken. Eerstgenoemde heeft, gedeeltelijk samen met anderen, inmiddels verschillende Engelstalige artikelen gepubliceerd. Zie ook de webpaginaDe Oudelle.

In februari 2017 verscheen bij uitgeverij Elsevier als gecorrigeerde proef een Engelstalig artikel van Marieke van Dinter (en anderen: Kim M. Cohen, Wim Z. Hoek, Esther Stouthamer, Esther Jansma en Hans Middelkoop) verschenen onder de titel ‘Late Holocene fluvial archives and geoarchaeology: Utrecht’s case study of Rhine river abandonment under Roman and Medieval settlement’, Quaterny Science Reviews (2017) 1-39, met een Appendix van 46 pagina's. In deze, slechts tegen hoge kosten ($ 35.95) verkrijgbare publicatie worden de geologische en archeologische gegevens in en rond Utrecht in kaart gebracht en geanalyseerd. Het artikel is voor een niet-geoloog nagenoeg ontoegankelijk (zie de webpagina Nieuwe theorieën over de rivierlopen in en rond Utrecht).

Onze hoop dat de auteurs het nog in een toegankelijker vorm en vooral beargumenteerd in het Nederlands zouden gaan uitwerken, is vooralsnog niet bewaarheid. Het artikel is, overigens met uitzondering van de bijlagen, volledig opgenomen in de dissertatie van Marieke van Dinther, Living along the Limes, waarop zij op 4 oktober 2017 promoveerde. Ernstige bedenkingen tegen een en ander hebben wij geplaatst op de webpagina’s Nieuwe theorieën over de rivierlopen in en rond Utrecht en Tussen Rijn en Vecht.

Op 12 juni 2014 heeft projectbegeleidster prof. dr. Esther Jansma een interview gegeven aan de Utrechtse digitale universiteitskrant DUB. Volgens Jansma hebben de betrokken instellingen gezamenlijk ‘de nieuwe fysieke tijdslaag aan het plein toegevoegd: DomUnder’.

Er is op 28 oktober 2014 nog een klein symposium gehouden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Wie hoopte dat dit eindelijk gepaard zou gaan met de presentatie van een of meer wetenschappelijke uitwerkingsverslagen werd helaas teleurgesteld.

Van Julia Chorus verscheen in mei 2015 een gedetailleerd gemeentelijk rapport over de resultaten van opgravingen in de pandhof van de dom uit 1956 en 1964. Het betrof hier voornamelijk Romeinse vondsten. Op basis hiervan lieten zich opeenvolgende Romeins gebouwen naast het hoofdgebouw, de principia, reconstrueren. Op 11 mei 2015 werd het verslag aangeboden aan de 96-jarige (!) prof. dr. Ina Isings, die in 1964 de opgravingen uitvoerde. RTV Utrecht meldde hierbij overigens ten onrechte dat mevrouw Isings met het bezoek aan DOMunder haar 'eigen opgravingen' bezocht. Deze laatste vonden plaats in de pandhof van de dom, niet onder het verdwenen schip van de kerk. Van het rapport over de opgravingen in de pandhof wordt overigens geen melding gemaakt op de website ‘Schatten van het Domplein’.

Van het onderzoek van de archeoloog Robert Hoegen, die werkt voor de gemeente Utrecht, wordt op de website van de universiteit evenmin melding gemaakt. In november 2015 verscheen als Basisrapportage Archeologie 64 van de gemeente Utrecht het onderzoeksverslag van de opgraving op het Domplein van 2011. Hij schreef dit samen met zijn collega-archeoloog R.J.P. Kloosterman onder de titel Domplein revisited. Een proefopgraving in Van Giffens werkput XIX (Utrecht juni (!) 2015). Ook enkele andere onderzoekers leveren hierin bijdragen. Pikant is dat ook in dit gemeentelijk verslag in het geheel geen melding wordt gemaakt van het project ‘Schatten van het Dompein’. Nadere gegevens over deze publicatie zijn te vinden op de webpagina ► Domplein revisited. Het onderzoeksverslag over de opgravingen in de periode 2012 en 2014 zal hierna alsnog, maar volgens de samenstellers van het rapport niet vóór 2019 (!) verschijnen.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2010-2017. - Gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 26 november 2017.