Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De Oudelle
De rivierlopen door het zuidelijk deel van de Utrechtse binnenstad
door Martin de Bruijn







[1] R.E. Künzel, D.P. Blok en J.M. Verhoeff, Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (Amsterdam 1988) 283-284 (Oudelle).

[2] Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede (Utrecht 1994) 46-51, 307-325 en 351-359.


Stroomrug zuidelijke binnenstad
Afb. 1. De zuidelijke binnenstad van Utrecht. Donker gearceerd hierin de stroomrug, die geen rivier in dit gebied zou hebben toelaten. Tek. C.A.M. van Rooijen. Uit: Van Rooijen en Wynia, ‘Utrecht. Zuidelijke binnenstad’, 105.


[3] Van Winter kwam er voor het eerst mee in het artikel ‘Utrecht aan de Rijn. Middeleeuwse Rijnloop en wordingsgeschiedenis van de stad Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 1975, 44-72. De titel van De Groots ongepubliceerde doctoraalscriptie (Universiteit van Amsterdam) uit 1983 luidde: Schoeiingen, scherven en schepen. Rijn en Vecht in Utrecht in de elfde en twaalfde eeuw. Zie voor zijn opvattingen over de rivieren door de eeuwen heen het overzicht in Terugblik op Traiectum. Een archeologische schets (Utrecht z.j. [=1993]). In mijn dissertatie Husinghe ende hofstede (Utrecht 1994) heb ik me, althans voor wat de situatie in het begin van de twaalfde eeuw betreft, in grote lijnen bij De Groot aangesloten.

 [4] Zie bijvoorbeeld C.A.M. van Rooijen en H.L. Wynia, ‘Utrecht. Zuidelijke binnenstad’, in: Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1994-1995, 103-124.









[5] C.M.W. den Hartog, met bijdragen van M. van Dinter en H.F.M. Hundertmark, Het ‘Huis Loenersloot’. NG20: Archeologische begeleiding aan de Nieuwegracht 20 in Utrecht (Utrecht 2012) 21.






















































  [6] Bedoeld is 4.10. Hierbij wordt een noot geplaatst die slechts verwijst naar een ‘intern rapport’ en publicaties in voorbereiding. Enkele rivierarmen worden in onderbroken lijnen weergegeven, wat wijst op een hypothese. Zie echter haar conclusie, die heel stellig is.


 
[7] Hierbij een verwijzende noot naar Van Regteren Altena en Sarfatij 1990. Het gaat hierbij om: H.H. van Regteren Altena en H. Sarfatij, ‘De verdwenen Rijnloop (I en II). Waarnemingen in de bouwput van V&D Achter Clarenburg’, in: Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 (Utrecht 1990) 22-27.










[8] Op pagina 28 van het verslag is een gelijkluidende conclusie opgenomen.






Schoeiingen Jeruzalemstraat
Afb. 4. De teruggevonden resten van middeleeuwse schoeiingen in de Jeruzalemstraat, gezien naar het westen (Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1985, 155).


 [9] H.L. de Groot, ‘Jeruzalemstraat 4-6’, in: Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1985, 154-157.

 [10] Ald. 55, ook afgedrukt in het opgravingsverslag van het Huis Loenersloot, ald. 19 (afb. 4.a).





[11] In een stuk in de Geobrief 39 (2014) nr. 5, 10-12, vermeldde Van Dinter dat zij samen met Kim Cohen, Hans Middelkoop, Wim Hoek, Esther Stouthamer en Esther Jansma bezig was met een artikel over de ontwikkeling van de rivierlopen in en om Utrecht vanaf de Romeinse tijd tot 1122 na Chr. Dit Engelstalig artikel is in februari 2017 verschenen. Hierin lijken de auteurs zonder enige nadere onderbouwing aan het nevenstaande vast te houden. De schoeiingen in de Jeruzalemstraat worden genegeerd.
Een van de oudste toponymische vermeldingen in het stadsgebied van Utrecht betreft de Oudelle. Deze naam werd al in de twaalfde eeuw gebruikt, als geografische aanduiding, maar ook als familienaam: Alderdelle en Haldolle of Haldelle, in het Latijn Vetus vallis. De naam verwijst kortweg naar een oud of voormalig dal, een laaggelegen gebied dus.[1] Gegevens vanaf de dertiende eeuw maken duidelijk dat het bij de Oudelle om een deel van het zuidoostelijk stadsgebied ging, ruwweg de huidige Nieuwegracht.[2]

Het gebied speelt steeds een belangrijke rol in de vele theorieën die er in de loop van de laatste eeuwen zijn ontwikkeld over de loop van de rivieren door en rond het grondgebied van Utrecht. Omdat deze theorieën noodzakelijkerwijs slechts op heel weinig en dan nog voor een deel onbetrouwbare gegevens gebaseerd waren, hadden zij allemaal een hoog speculatief gehalte.

Het verbaast dan ook niet dat ze zeer uiteenlopend waren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de theorie van de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter uit 1975 en die van de voormalig stadsarcheoloog van Utrecht H.L. de Groot van enkele jaren later.[3]

Het leek er toen overigens op dat er één rivierarm was waarover iedereen het eens was. Die zou gelopen hebben van de Oudegracht bij de noordzijde van de Twijnstraat noordwaarts naar de Kromme Nieuwegracht, door de Oudelle dus. Maar enkele opgravingen in het tussenliggend territoir in de jaren negentig van de vorige eeuw toonden volgens de archeologen C.A.M. van Rooijen en H.L. Wynia aan dat in het zuidelijk deel van dit gebied geen rivier heeft gestroomd, maar dat er al vóór de Romeinse tijd een stevige stroomrug van een oost-west stromende rivier ten zuiden daarvan heeft gelegen en dat er daarna geen rivieractiviteit meer heeft plaatsgehad (zie afb. 1).[4] Op grond daarvan werd de rivier de Rijn verder naar het oosten geprojecteerd, zoals bijvoorbeeld op de plattegrond afgedrukt in het boek over de Utrechtse geschiedenis ‘Een paradijs vol weelde’ uit 2000 (zie afb. 2).

Rivierlopen rond het jaar 1000
Afb. 2. De rivierlopen in en rond Utrecht omstreeks het jaar 1000. Door de Oudelle stroomde in deze reconstructie geen rivier. De Rijn liep van het zuiden naar het noorden in een grote bocht aan de oostelijke rand van de latere binnenstad. Uit: Een paradijs vol weelde, 55.

Maar inmiddels is deze opvatting weer verlaten door de archeologe en fysisch-geografe M. van Dinter, die een proefschrift voorbereidt over de rivieren in en rond de stad Utrecht in de Romeinse tijd en in de Middeleeuwen. In een verslag van een opgraving en bouwhistorisch onderzoek in het zogeheten Huis Loenersloot, Nieuwegracht 20, aan de noordkant van de Oudelle, beeldt zij een geheel nieuwe reconstructie van de rivierlopen in dit deel van de binnenstad van Utrecht af (zie afb. 3).[5]

De rivierlopen volgen M. van Dinter
Afb.3. De rivierlopen in de Romeinse tijd en de Middeleeuwen in het zuidoostelijk deel van Utrecht volgens de nieuwe theorie van M. van Dinter. Hierin ontbreekt de rivier aan de oostrand van de latere binnenstad en is de oude loop van de Rijn tussen de Oudegracht en de Kromme Nieuwegracht weer teruggebracht. Ook is er een ‘nieuwe’ rivierarm buiten het stadsgebied geprojecteerd. Uit: Het Huis Loenersloot, 21.

Volgens deze plattegrond liep er zowel in de Romeinse tijd als in de Middeleeuwen wel degelijk een rivier min of meer zuid-noord door de Oudelle. Deze rivier zou ter hoogte van het tegenwoordige Nieuwegracht 20 een bocht naar het westen hebben gemaakt en vervolgens via het tracé van de Kromme Nieuwegracht weer naar het oosten, noorden en westen. Hiernaast zou er in de Vroege Middeleeuwen verder naar het oosten een rivierarm hebben bestaan die vanuit het zuidelijk stadsgebied een bocht naar het oosten en vervolgens naar het westen zou hebben gemaakt om ten zuiden van Nieuwegracht 20 weer in het hierboven genoemde tracé uit te komen. Deze bocht zou zich in noordoostelijke richting verplaatst hebben.

Van verantwoording van deze nieuwe reconstructie is overigens in dit verslag nauwelijks sprake. Van Dinter merkt hierover slechts op – ik citeer haar volledig:

‘Op basis van recente waarnemingen, dateringen en oude weg- en slootpatronen is een geheel nieuwe reconstructie gemaakt van de rivierlopen in de binnenstad van Utrecht (Afb. 4.8).[6] Daaruit blijkt dat het rivierpatroon in de vroege Middeleeuwen veel complexer is dan tot nu toe werd gedacht. In de vroege Middeleeuwen ontstond niet één nieuwe Rijnloop, maar meerdere lopen van de Rijn en Vecht. De rivierbeddingen splitsten zich meerdere malen, waardoor er sprake was van een vlechtend karakter. Dit sluit aan bij de waarnemingen die in 1971 zijn gedaan op het Achter Clarenburg ter plaatse van de bouwput van V&D.[7]

Conclusie
De ondergrond van het onderzoeksterrein bestaat uit oeverafzettingen van de Rijn die in de Middeleeuwen zijn gevormd. Het onderzoeksterrein bevond zich in de Middeleeuwen namelijk aan de rand van de rivierbedding van de Rijn. Tijdens perioden met verhoogde waterafvoer werd in deze oeverzone relatief schoon sediment afgezet, terwijl tijdens rustige perioden houtskoolrijke, vaalgrijze kleilagen werden afgezet. Het houtskool en aardewerk is afkomstig van menselijke activiteit die in de omgeving plaatsvond. Op basis van het aardewerk kan de periode van rivieractiviteit ergens in de tiende tot twaalfde eeuw worden geplaatst.

Het onderzoek heeft aangetoond dat het rivierpatroon in de stad Utrecht in de Middeleeuwen zoals dat tot nu toe is verondersteld, niet juist is en dat in het gebied dat van oudsher is aangeduid als ‘Oudelle’ wel degelijk een rivierloop aanwezig is geweest in de Middeleeuwen.’[8]
De waterafvoer was veel geringer dan in de Romeinse periode en sedimentatie vond vooral plaats in de beddingen. Pas in de negende eeuw gingen de rivierlopen opnieuw meanderen. In het gebied dat van oudsher wordt aangeduid met ‘Oudelle’ blijkt in de Middeleeuwen dus inderdaad een rivierloop aanwezig te zijn geweest.’

Wat mij, als niet-archeoloog en niet-geograaf, onder meer opvalt, is dat Van Dinter in haar reconstructie geen rivier situeert in de omgeving van de Jeruzalemstraat –  dit wil zeggen tientallen meters ten noordoosten van Nieuwegracht 20, bij het oostelijk deel van de Kromme Nieuwegracht. Daar zijn echter al in 1985 bij een opgraving niet alleen rivieractiviteit, maar zelfs schoeiingen aangetroffen uit zowel de Romeinse tijd als de Middeleeuwen, dus gedurende een lange periode (zie afb. 4). Volgens de archeoloog H.L. de Groot ging het hierbij om de westelijke rivieroever van de Rijn. In de Romeinse tijd liep de rivier hier zuidoost-noordwest, in de Middeleeuwen meer zuid-noord. De schoeiing was toen verder naar het oosten opgeschoven.[9] Mede op basis hiervan is in het boek over de Utrechtse geschiedenis ‘Een paradijs vol weelde’, gepubliceerd in 2000, de rivierarm in en vooral buiten het zuidoostelijk stadsdeel gereconstrueerd (zie afb. 2).[10] Een dergelijke rivierarm gedurende lange tijd op deze plaats laat zich ook moeilijk in het door Van Dinter opgeworpen beeld inpassen.

Dat ook bij Nieuwegracht 20 rivieractiviteit gesignaleerd is, verbaast mij overigens geenszins. Het ging per slot van rekening vóór de twaalfde eeuw om een laag gebied en onbedijkte rivieren. We zouden al een stuk verder zijn wanneer de stroomgeulen van die rivieren nauwkeurig zouden kunnen worden vastgesteld. Teruggevonden schoeiingen als in de Jeruzalemstraat kunnen daarbij behulpzaam zijn.

Wat mij verder opvalt is dat Van Dinter in haar verslag niet in discussie gaat met de archeologen Van Rooijen en Wynia, die, zoals hierboven vermeld, in 1994/95 op grond van de archeologische opgravingen en waarnemingen in het zuidoostelijk stadsgebied uitvoerig beargumenteerd concludeerden dat er geen rivier zuid-noord door de Oudelle heeft gestroomd, omdat er zich in het zuidelijk deel een stroomrug bevond. Een dergelijke discussie had toch verwacht mogen worden, aangezien hun interpretatie volledig in strijd is met Van Dinters hypothese. Maar misschien gaat haar te verschijnen dissertatie in deze serieuze lacune voorzien.[11]

We kunnen ons gezien dit alles afvragen of de geschiedenis van de rivierlopen in en rond Utrecht vóór de omwalling van de stad in het eerste kwart van de twaalfde eeuw wel ooit bevredigend kan worden opgelost. We beschikken nu eenmaal over slechts weinige en fragmentarische gegevens, afkomstig van enkele incidentele opgravingen en een aantal grondboringen. Daar komt nog bij dat de tot aan de afdamming van de Rijn bij Wijk bij Duurstede in het eerste kwart van de twaalfde eeuw nagenoeg vrij stromende rivieren de Vecht en de Rijn, maar ook de latere bouwactiviteiten in de stad Utrecht, de ontwikkeling van de verschillende opeenvolgende rivierlopen weer voor een deel hebben uitgewist. Op basis van deze zeer gebrekkige gegevens zal vooralsnog slechts een onvolledig beeld met een hoog speculatief gehalte kunnen worden gevormd.


















[12] Brenck: HUA, Bij het stadsarchief bewaarde archieven II, 2514 (1461); eng: HUA, Bij het stadsarchief bewaarde archieven II, 2573 (1445). Voor de betekenis van deze termen zie C. Dekker, Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen (z.pl. 1983) 150-161.

[13] Van Rooijen en Wynia, ‘Zuidelijke binnenstad’, 110-113. In ‘Utrecht in de periode 700-1200 (Jaarboek Oud-Utrecht 2010, 5-46, ald. 8-9, brengt Van Rooijen deze greppels in verband met de pascue graueningo, de gracht van de weide, in een oorkonde uit 723. Door C. Dekker, ‘Afwatering en scheepvaart ten westen van de stad Utrecht tot in de 14e eeuw’, in J.B. Berns e.a (red.), Feestbundel aangeboden aan prof. dr. D.P. Blok (Hilversum 1990) 60-75, werd deze ‘gravening’ of gracht overigens geïdentificeerd met de gracht naar en in de latere stadsweide ten westen van de stad, de Vleutense wetering (ald. 70-72). Ik acht het onwaarschijnlijk dat deze wetering al in de Frankische tijd bestond (Husinghe ende hofstede, 40).

[14] Afgedrukt in C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht, 620-621.

[15] Broer, a.w., 79-102.

[16] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 351-359; Broer, a.w., 407-419.

[17] De Bruijn, a.w., 275 en 357; en Broer, a.w., 410.

[18] HUA, Oudmunster 2383-1 (28 juli 1384), 2383-2 (9 november 1406) en 2383-3 (26 januari 1486).

[19] HUA, Oudmunster 395, f. 10 (1220): aream in Veteri valle (druk: Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301, II (uitg. K. Heeringa) (’s-Gravenhage 1946) nr. 685. In een necrologium van Oudmunster van omstreeks 1380 (HUA, Oudmunster 395), f. 106: Item legavit ad capellam sancte Crucis in qua iacet sepultus aream in Oudelle et aream in Nova platea.

[20] Zie bv. voor Oudmunster: HUA, Oudmunster 2383; voor Sint-Marie: Coll. Booth 143; voor Sint-Paulus: Bij het stadsarchief bewaarde archieven I, 1190-5.

[21] Ik meen dat iets dergelijks ook heeft plaatsgehad bij de verkaveling van de Bemuurde Weerd (nog te verschijnen webpagina).

[22] HUA, St.‑Pieter 273; druk: Oorkondenboek van het sticht Utrecht II, nr. 778, p. 212. De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 326-328.

[23] HUA, Oudmunster 974; druk: Oorkondenboek van het sticht Utrecht  III (uitg. F. Ketner) (’s-Gravenhage 1949), nr. 1256, p. 51. De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 315-317.

[24] Het is niet duidelijk of deze abdij tevoren buiten de muren in Abstede gevestigd is geweest. Zie hierover uitvoerig J.J. van Moolenbroek, ‘Servatius en Johannes. Over de vroegste geschiedenis van het Utrechtse vrouwenklooster van St. Servaas’, Jaarboek Oud-Utrecht 1997, 170-203.









Abstede op de kaart van Van Deventer
Afb. 5. Het zuidelijk deel van het stadsgebied met rechts daarvan het aangrenzende Abstede op de kaart van Jacob van Deventer van omstreeks 1570. Aan de bovenzijde de Minstroom en in het midden de Kromme Rijn.








[25] HUA, Stad I, 328 (24 januari 1348).






























[26] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 309.






[27] S. Muller Fz. (uitg.), De middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht I (’s-Gravenhage 1883) 54.

[28] Zie Van Moolenbroek, ‘Servatius en Johannes’, 190-191.



[29] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I (uitg. S. Muller Fz. en A.C. Bouman) (Utrecht 1920), nr. 1196: decimarum ville de Absteden et Abstedervelde, jacentium inter Hollebrugge ab oriente et Renum ad occidentem ville predicte, item inter Renum contra meridiem et terminos terre, que dicuntur Vene et Aldwyc, contra septentrionem.
Eerst voor de veertiende eeuw kunnen we ons een enigszins gedetailleerd beeld vormen van het gebied. Maar dit wil niet zeggen dat er niet ook voor een oudere periode het een en ander over te zeggen valt. Retrospectief kunnen zelfs enkele gegevens teruggevoerd worden tot vóór de afbakening van het stadsgebied in 1122.

Tevoren hadden we hier te maken met een open gebied, dat door het ontbreken van topografische aanduidingen niet te omgrenzen valt. Zoals uit latere gegevens blijkt, werd met de Oudelle het territoir aangeduid dat het zuidoostelijk deel van het middeleeuwse stadsgebied besloeg. Het bevond zich ten zuidoosten van de bisschoppelijke burcht op en rond het Domplein. In het zuiden van de Oudelle bevond zich waarschijnlijk een akkercomplex. Het terrein ten noorden van de brink (brenck) bij de Sint-Nicolaaskerk werd namelijk nog in de vijftiende eeuw aangeduid als eng, de aanduiding van een oud akkergebied.[12] De hoge ligging van een dergelijk akkercomplex komt overeen met de daar archeologisch vastgestelde oeverwal.


Interessant is de archeologische vaststelling dat al in de Romeinse tijd het gebied ten zuiden van de burcht doorsneden werd door slootjes en dat daar minstens éénmaal, waarschijnlijk in de Karolingische periode, de verkaveling gewijzigd is.[13] Er zal dus al vanaf de Romeinse tijd in dit gebied landbouw bedreven zijn.


Het oudste historische, dus schriftelijke gegeven dat betrekking heeft op de Oudelle zelf, of althans een deel ervan, dateert van 1050, toen hier ten zuiden van de bisschoppelijke burcht op het latere Domplein de Sint-Paulusabdij werd gevestigd. In de bewaard gebleven oorkonde zegt bisschop Bernold dat hij ten zuiden van de burcht – in meridiana plaga eiusdem urbis – een klooster heeft laten bouwen ter ere van Christus, zijn moeder de maagd Maria, de apostelen Petrus en Paulus en de bijzondere patroon van de bisschop, Sint-Maarten.[14] Dit klooster was de voortzetting van een abdij die door Bernolds voorganger bisschop Ansfried was gesticht op de Hohorst, later Heiligenberg, bij Amersfoort.[15] Bisschop Bernold bevestigde de schenkingen die door bisschop Ansfried en zijn opvolger bisschop Adelbold aan de abdij waren gedaan en voegde er enkele schenkingen aan toe, waaronder zes aan het klooster grenzende huiserven (aree). Het is niet duidelijk waar deze erven gelegen waren, maar zij zullen zich in ieder geval in het gebied van de Oudelle bevonden hebben. In later tijd bezat de abdij huiserven zowel aan de noordoostkant als ten zuiden van het abdijterrein. Aan de zuidkant bezat de abdij bovendien al minstens vanaf de veertiende, maar mogelijk zelfs al in de twaalfde eeuw de lage jurisdictie in een omvangrijk gebied ten westen van de Nieuwegracht. Dit rechtsgebied strekte zich uit van de Hamburgerstraat tot en met de erven aan de zuidzijde van de ABC-straat.[16] Ten zuiden van de ABC-straat, langs de Groenestraat, bezat de abdij nog een perceel, dat zich al in de eerste helft van de veertiende eeuw uitstrekte vande Lange Nieuwstraat tot de Oudelle en dat in leen gehouden werd van de abt van Sint-Paulus.[17]


Iets noordelijker daarvan, ter plaatse van het huidige Nieuwegracht 137, was het kapittel van Oudmunster, speciaal de Heilig-Kruiskapel, gerechtigd in een huiserf.[18] Waarschijnlijk was dit perceel in het eerste kwart van de dertiende eeuw geschonken door proost Wouter, die naar zijn wens in de kapel begraven werd.[19] Dit gegeven toont aan dat er zich al vroeg in de dertiende eeuw ook huiserven in het zuidwestelijk deel van de Oudelle bevonden. Opmerkelijk is dat hier zowel de kapittels van Oudmunster en Sint-Marie als de Sint-Paulusabdij gerechtigd waren.[20] Dit kan erop duiden dat bij een verkaveling van dit gebied met name instellingen als de kapittels en de abdij er ooit percelen hebben kunnen verwerven.[21]

Aanmerkelijk meer vroege gegevens zijn er over het deel van de Oudelle ten oosten van de Nieuwegracht. Aan de noordzijde bestonden er al in de eerste helft van de dertiende eeuw huiserven aan de Dam, de latere Pausdam. Hendrik van Lent hield die, met de jurisdictie, in leen van de proost van het kapittel van Sint-Pieter. In 1228 verklaarde deze dat wanneer het kapittel die erven kon aankopen, zij voortaan vrij tot de prebenden van de kanunniken zouden behoren.[22]

Verder naar het zuiden toe bezat het kapittel van Oudmunster in ieder geval al rond het midden van de dertiende eeuw zeven huiserven en een kamp (een stuk bouwland), met de daartoe behorende jurisdictie. Aan de kamp ontlenen de huidige Oude en Nieuwe Kamp hun naam. Op 18 mei 1252 oorkondde Amelis uten Weerde dat hij onder meer deze goederen, die hij van de proost van Oudmunster in leen hield, aan het gelijknamige kapittel had verkocht.[23] In het zuiden ten slotte lijkt al minstens in het tweede kwart van de dertiende eeuw de aan Sint-Servaas gewijde vrouwenabdij gevestigd te zijn geweest.[24]

Dit laatste gegeven brengt ons terug bij de waterlopen en de gracht door de Oudelle. Van de Nieuwegracht is vaak aangenomen dat zij vanaf 1391 aangelegd is. Maar het tracé van deze gracht, aangeduid als Oudelle, is gezien het bovenstaande waarschijnlijk al veel ouder, mogelijk zelfs zo oud als de omwalling van de stad omstreeks 1122.

Op de oudste betrouwbare plattegrond van de stad, de kaart van Jacob van Deventer van omstreeks 1570, is te zien dat aan de zuidoostzijde van de stad de stadsbuitengracht een gebogen vorm had en dat zich enkele tientallen meters ten zuiden daarvan een daaraan ongeveer daaraan evenwijdig  liggende waterloop bevond. Verder naar het oosten heette deze waterloop de Minstroom. In de verschillende theorieën over de rivieren in en rond de stad worden zowel dit deel van de stadsbuitengracht als de genoemde waterloop als het restant van een rivierarm beschouwd. Sommigen zien er het begin van de Vecht in, die zich hier bij het begin van de Oudegracht van de Kromme Rijn zou hebben afgesplitst. Het water zou dan voorts in oostelijke richting hebben gestroomd.

Abstede op de kaart van Specht
Afb. 6. Het zuidoostelijk stadsgebied en het aangrenzende Abstede met verschillende aanduidingen op de kaart van Cornelis Specht van 1696. Onderaan rechts van het midden lag de Hollebrug over het Vossegat.

Een probleem levert de aansluiting van de parallel aan de stadsbuitengracht liggende waterloop Minstroom met de Nieuwegracht op. Het lijkt er namelijk op dat het zuidelijk deel van de Nieuwegracht nog in 1348 de Oude Abstede werd genoemd, wat wijst op een oude rivierarm:[25]

Alle den ghenen die desen brief sellen sien of horen lesen wi abdisse ende ghemene convent van sinte Servaes tUtrecht maken cont ende kenlic dat wi eendrachtelike overghegheven hebben den borghermeysteren, scepenen ende ghemenen raet van Utrecht van onsen erve gheleghen tot Absteden horre stat singhel mede te breden in der lenghe zeven ende viertich roeden ende inder brede twe roeden. Ende si hebben daer voer weder ghegheven ons ende onsen godshuse voerseyt erflike te bliven horre stat steghe die daer neffen sinte Servaes poerte gheleghen is, van horre stat singhel sloet op streckende aen dat water dat Oude Abstede gheheyten is, in sulken vorwarden dat wi noch onse nacomelinghe horre stat singhel noch singhel sloet die daer neffen onsen erve leghet nyet verminren en sellen noch en moghen, ten sel altoes breed bliven boven tusschen den utersten cant vander singhel mure ende den utersten cant vanden singhel sloet vier roeden ende twe voete, also ver alse onse erve strect vander Nicker cule op an horre stat meente, ende al sonder archeyt.
In orconde des briefs beseghelt mit ons convents seghel.
Ghegheven int iaer ons Heren dusent drehondert achte ende viertich op sinte Pouwels avont inden afterwinter.

Voor het afstaan van een strook grond voor de verbreding van de stadssingel verkreeg de abdij dus een steeg naast haar poort, opstrekkend vanaf de stadssingel tot aan het water Oude Abstede. Waarschijnlijk ging het bij deze steeg om een steeg, de Sint-Servaassteeg, in het verlengde van de huidige Groenestraat,[26] en zal het dus bij de Oude Abstede om de (voorloper van de) Nieuwegracht zijn gegaan, maar helemaal zeker is dat niet. Wel zeker is dat het een oude waterloop betrof en aannemelijk dat deze via de doorgang bij de Sint-Servaastoren (Wedermoet) aansloot op de buiten de stad gelegen Minstroom.

Maar deze Minstroom werd in een beëdigde verklaring uit 1337 van twee schepenen, twee raadsleden en twee oudermannen van de gilden nu juist de Nye Minne genoemd. De zes verklaarden dat de vischerye der stat toebehoerd van Wedermoet doer de Nye Minne op streckende tot der Hoelrebrugghe toe.[27] De Hollebrug lag bij het Vossegat, op de plaats waar de Minstroom uitkwam in – of zich juist afsplitste van – de Kromme Rijn.[28].

In een oorkonde van 8 april 1249 wordt gesproken van de tienden van het dorp (villa) Abstede en Abstederveld, liggende tussen Hollebrug ten oosten en de Rijn ten westen van voornoemd dorp, eveneens tussen de Rijn naar het zuiden toe en de grenzen van het land dat Veen wordt genoemd en Oudwijk naar het noorden toe.[29] Hierin herkent men zonder problemen het ‘eiland’ dat omsloten wordt door de Minstroom in het noorden en oosten, en de Kromme Rijn in het zuiden en westen.

Maar zoals zo vaak in de vroeg- en hoogmiddeleeuwse geschiedenis hebben we hier weer te maken met een legpuzzel waarin de meeste stukjes ontbreken.

Het is te hopen dat het onderzoek van Marieke van Dinter hierover op een aantal punten meer duidelijkheid gaat verschaffen, bijvoorbeeld over de plaats waar de Vecht zich van de Rijn afsplitste. Wanneer dit voor de periode kort vóór de stadsomwalling kan worden vastgesteld, is dit al een mooi resultaat.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2014-2017. - Gepubliceerd 13 augustus 2014; laatst bewerkt 21 februari 2017.