Afbeelding Utrecht Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Lezing over het stadsrecht
Lezing op de Stadsdag van 2 juni 2012 naar aanleiding van de verschijning van de publicatie Rondom het Utrechts stadsrecht.
Lezingen door dr. Charlotte Broer

De duur van de lezingen is steeds ongeveer tweemaal drie kwartier, met een pauze, en daarbij worden in beginsel dia’s vertoond. De organiserende instelling dient te zorgen voor de aanwezigheid van een diaprojector en een -scherm.

Het honorarium bedraagt € 175, exclusief reiskostenvergoeding op basis van openbaar vervoer vanuit Utrecht (trein, tweede klas).
Voor meer specifieke informatie kunt u contact opnemen via cjcbroer[at]casema[punt]nl, telefoonnummer 030 254 19 94.

Willibrord, zijn achtergronden en zijn missieactiviteiten in Utrecht
Van degenen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de kerstening van Nederland neemt de Angelsaksische missionaris Willibrord de eerste plaats in. Geboren in Noord-Engeland genoot hij een deel van zijn opleiding tot geestelijke in een Iers klooster. Overeenkomstig de religieuze idealen van dit Ierse monastieke milieu besloot hij als ‘pelgrim’ God te dienen door op het continent missioneringswerk te gaan verrichten onder de nog heidense Friezen. In 690 kwam hij op het vasteland aan en vervoegde hij zich bij de Frankische hofmeier Pippijn, die juist in deze tijd bezig was met de verovering van delen van wat toen Friesland heette, dat wil zeggen Noordwest-Nederland. In 695 werd Willibrord voorts door de paus in Rome gewijd tot aartsbisschop van de Friezen. Van Pippijn kreeg hij de burcht Traiectum als uitgangspunt voor zijn missiewerk toegewezen. Daar bouwde hij een kerk die hij wijdde aan Sint-Salvator en herbouwde hij een eerder door de Friezen verwoeste kerk die Sint-Maarten als patroon kreeg. Utrecht werd aldus de basis voor Willibrords kersteningswerk en later zetel van een bisdom.

Bonifatius en de Utrechtse kerk
Aan de rol en betekenis van Willibrord als grondlegger van de Utrechtse kerk is in het onderzoek en in tal van publicaties min of meer recent de nodige aandacht besteed. De rol echter die zijn aanvankelijke leerling Bonifatius in Utrecht heeft gespeeld, is veel minder bekend. Bonifatius kennen veel mensen vooral als de martelaar-missionaris die in 754 bij Dokkum werd vermoord door Friezen. Waarschijnlijk al minder bekend is bij velen dat Bonifatius – na een korte periode Willibrord in Friesland te hebben geassisteerd bij zijn missiewerk – in Germanië (Hessen en Thüringen) een grootse eigen carrière als missionaris heeft gehad en voorts als initiator va hervormingen binnen de toenmalige Frankische kerk en haar oriëntatie op de paus in Rome is uitgegroeid tot een figuur van Europese statuur. Dat hij zich tegelijkertijd ook steeds zeer betrokken is blijven voelen bij de Utrechtse kerk, is tot op heden onvoldoende onderkend.
Bonifatius heeft echter in Utrecht niet alleen een nieuwe aan Sint-Salvator gewijde kerk gebouwd, maar zich ook beijverd voor het voortbestaan van de Utrechtse kerk als zelfstandige kerk en zetel van een direct onder Rome staand bisdom. In deze lezing zullen de resultaten van nieuw onderzoek naar de rol van Bonifatius voor de kerk en het (een groot deel van het huidige Nederland omvattende) middeleeuwse bisdom Utrecht worden gepresenteerd. 

Leven omstreeks het jaar 1000
Het begin van het derde millennium van de christelijke jaartelling is over de hele wereld aanleiding geweest tot festiviteiten en overdenking. De aandacht voor de eerste millenniumwisseling gaat meestal uit naar de verwachtingen die de mensen toen (zouden) hebben gehad. Daar zijn heel wat geschriften aan gewijd. In deze lezing wordt iets verteld over het leven toentertijd in het gebied dat nu Nederland heet. In een woest, nog grotendeels onbedijkt landschap lagen kleine nederzettingen, waar groepjes boeren zich moeizaam in leven probeerden te houden. Het grootste deel van hun productie moesten ze afdragen aan de machtigen: de adel en de geestelijkheid. Een nieuwe bevolkingsgroep was echter in opkomst, die van handelaren en ambachtslieden. Dankzij vondsten uit de bodem en bewaard gebleven voorwerpen, afbeeldingen en teksten kunnen we ons een beeld vormen van het leven in onze streken zo’n duizend jaar geleden.

De kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort en de Sint-Paulusabdij in Utrecht
Omstreeks het jaar 1000 werd door de Utrechtse bisschop Ansfried op de Heiligenberg bij Amersfoort een kloostergemeenschap gesticht. Circa 1050 werd deze gemeenschap door bisschop Bernold naar Utrecht verplaatst, waar ze bekend zou staan als de (benedictijner) Sint-Paulusabdij. In Utrecht zelf, in het Nedersticht (vooral in Eemland), maar ook daarbuiten (het Midden-Nederlandse rivierengebied, Zuid-Holland, Zeeland en Friesland) heeft deze abdij belangrijke bezittingen en rechten gehad en is ze onder meer ook betrokken geweest bij ontginningen.

Ontginningen in Eemland in de Middeleeuwen
Sinds de tiende eeuw werden in delen van Eemland al gebieden ontgonnen. Bij deze ontginningen was sinds de vroege elfde eeuw de abdij van Hohorst, sinds 1050 de abdij van Sint-Paulus in Utrecht betrokken, een instelling die in deze streken belangrijke bezittingen had en het gebied via ontbossing en ontginning bruikbaar maakte.

Het Utrechts kerkenkruis van Bernold: feit of fictie?
Zeer opmerkelijk te noemen is de grote kerkelijke stichtings- en  bouwactiviteit, die de Utrechtse bisschop Bernold omstreeks het midden van de elfde eeuw in zijn bisschopsstad aan de dag heeft gelegd. Gegroepeerd rond de reeds eeuwen bestaande Utrechtse domkerk zouden vier nieuwe kerken – de door Bernold gebouwde Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Paulus en de eerst na Bernolds dood door zijn opvolger Koenraad gebouwde kerk van Sint-Marie – elk het uiteinde van de armen van een denkbeeldig kruis. Aan dit zogenaamde kerkenkruis en de vraag of dit door Bernold volgens een in de elfde eeuw bekend en ook elders uitgevoerd concept was beoogd, zal in deze lezing aandacht worden besteed.

Persoonlijke armoede versus collectieve rijkdom. Kloosterleven in de Middeleeuwen
Als blijk van hun intentie de wereld vaarwel te zeggen en zich volledig te wijden aan het eren van God door de liturgie legden kloosterlingen in het algemeen de geloften van kuisheid, gehoorzaamheid èn van armoede af. Bij dat laatste ging het evenwel om persoonlijke armoede, want juist om de kloosterlingen in staat te stellen zich vrij van wereldse beslommeringen te wijden aan het koorgebed, had een kloostergemeenschap toch altijd een zeker bezit nodig voor het onderhoud van de monniken en de instandhouding maar vaak ook verfraaiing van de gebouwen.
Dit bezit – grondbezit maar ook allerlei andere rechten waaruit inkomsten voortvloeiden – verwierven kloostergemeenschappen deels al bij hun stichting maar verder ook daarna nog regelmatig door schenkingen van (belang)rijke gelovigen, die in ruil daarvoor van de kloosterlingen verwachtten dat ze voor hun zielenheil baden. Op deze manier, maar ook vanwege de noodzaak om het hen toebedeelde en zich ontwikkelende bezit te beheren, waren de kloosterlingen – hoewel ze dus geacht werden een geheel van de wereld afgewend leven te leiden – toch op allerlei manieren nauw verbonden met en ook werkelijk actief in die wereld.
Over welke soorten bezittingen en rechten kloosters en abdijen konden beschikken, hoe ze deze verwierven, welke inkomsten ze hieruit hadden, hoe deze werden aangewend voor het onderhoud van de kloosterlingen en welke wijze deze bezittingen en rechten werden beheerd, gaat deze lezing, waarbij de Utrechtse Sint-Paulusabdij in beginsel als het voornaamste voorbeeld dient.

De Utrechtse Sint-Paulusabdij en haar jurisdictie
In 2000 verhuisde de Utrechtse rechtbank vanuit de Hamburgerstraat, waar al sinds 1595 het provinciaal gerechtshof van Utrecht en voordien de benedictijnerabdij van Sint-Paulus gevestigd was. Daarmee werd een plek verlaten waar al 950 jaar jurisdictie is uitgeoefend. Recht werd er op deze plek namelijk niet pas gesproken sinds een deel van de voormalige abdijgebouwen werd toegewezen aan het hof. Ook in de tijd dat de Sint-Paulusabdij hier gevestigd was – dit wil zeggen sinds 1050 – was dit het geval. En dit betrof rechtsuitoefening in zowel kerkelijk als wereldlijk opzicht.

Rondom het Utrechtse stadsrecht van 2 juni 1122
Een – op nieuw onderzoek en nieuwe inzichten gebaseerde – lezing over belangwekkende gebeurtenissen in mei-juni 1122 in Utrecht, de achtergronden daarvan, en de verlening danwel bevestiging van het zogenaamde Utrechtse stadsrecht door keizer Hendrik V op 2 juni 1122.

Twaalfde-eeuwse abdijen in en om Utrecht: Sint-Laurens in Oostbroek, Vrouwenklooster in De Bilt en Sint-Steven in Oudwijk
De latere elfde en de twaalfde eeuw kenmerken zich door een golf van stichtingen van nieuwe kloosters en abdijen, met name ook voor vrouwen. Opvallend daarbij is dat het veelal niet ging om vestigingen van de vanouds bekende benedictijner orde, maar ook van tal van in die tijd nieuw ontstane kloosterorden, zoals die van norbertijnen en cisterciënzers. Veel van deze nieuwe instellingen waren een uiting van een duidelijke religieuze herleving en vertegenwoordigden tevens een nieuw soort spiritualiteit. Ook in Utrecht deed zich deze ontwikkeling voor, maar opmerkelijk genoeg wel binnen het traditionele benedictijner kader. Nog in de twaalfde eeuw werden in de directe omgeving van de bisschopsstad Utrecht drie nieuwe benedictijner abdijen gesticht: de Sint-Laurens abdij in Oostbroek-De Bilt, Vrouwenklooster in de Bilt en de Sint-Stevensabdij van Oudwijk direct ten oosten van de stad. Ingegaan wordt in deze lezing op het ontstaan van deze nieuwe abdijen en religieuze en politieke achtergronden ervan.

Lotty tijdens haar lezing over chronologie
Lezing over chronologie tijdens de Publieksdag ‘Van schaap tot oorkonde’ in het Brabants Historisch Informatie Centrum op 1 oktober 2011.
De pest in de Middeleeuwen
Omstreeks het midden van de veertiende eeuw werd Europa getroffen door een grote pestepidemie. De invloed die deze ziekte heeft gehad en de indruk die ze heeft gemaakt is enorm geweest. In het collectieve bewustzijn is de herinnering eraan – en aan de daaropvolgende epidemieën – ook zeer levend gebleven; ze spreekt onder meer uit de negatieve klank die het woord ‘pest’ heeft gekregen en behouden: ‘ergens de pest over in hebben’,  ‘iets mijden als de pest’, ‘dat is de pest voor hem of haar’. Over de pest, haar betekenis en de gevolgen ervan op de middeleeuwse samenleving gaat deze lezing.

Chronologie of tijdrekenkunde: de geschiedenis van onze kalender
Waarom werd tot voor kort de Russische oktoberrevolutie in november herdacht? Welke maand is bedoeld met louwmaand? Waarom valt Pasen ieder jaar op een andere datum? Begon het jaar altijd op 1 januari? Iedereen die met historisch onderzoek bezig is, wordt met dit soort vragen geconfronteerd. Het is de historische hulpwetenschap van de chronologie of tijdrekenkunde die zich met dergelijke kwesties bezighoudt. In deze lezing (eventueel cursus) wordt in beginsel vooral ingegaan op de cultuurhistorische achtergronden van verschillende manieren die in het verleden gebruikt zijn om tijd te berekenen en data uit te drukken. Op verzoek kan eventueel ook aan praktische problemen waarop de amateur-historicus onvermijdelijk bij zijn onderzoek stuit aandacht worden besteed.

Martin aan het woord

Martin in zijn lezing over oorkonden
Martin de Bruijn aan het woord over de registratie van onroerend goed in de middeleeuwen.

Copyright foto’s ‘Van schaap tot oorkonde’:
Marc Bolsius, ’s-Hertogenbosch 1 oktober 2011,
Stichting Brabantse Bronnen (www.donb.nl).

Lezingen en excursie door
dr. Martin de Bruijn


De duur van de lezingen is steeds ongeveer tweemaal drie kwartier, met daartussen een korte pauze, en in het algemeen worden hierbij ook afbeeldingen vertoond. De organiserende instelling of vereniging dient zorg te dragen voor de aanwezigheid van een projectiescherm, laptop en beamer. De kosten bedragen € 150 plus reiskosten (trein tweede klas). U kunt voor een lezing contact opnemen via mwjdebruijn[at]casema[punt]nl of telefoonnummer 030 254 19 94.

'In orkenscap derre waerheit...' De middeleeuwse registratie van onroerend goed
Het grootste deel van de bewaard gebleven oorkonden gaat over rechtshandelingen en rechten inzake onroerend goed: de grond en zijn bebouwing. Het is niet moeilijk te begrijpen dat dit van groot belang was – en ook nog steeds is –  voor de rechtsorde. Er bestonden dan ook al heel vroeg vormen van vastlegging. In deze lezing worden aan de hand van Noord-Brabantse bronnen, waaronder oorkonden en schepenprotocollen, verschillende aspecten van de middeleeuwse registratie behandeld.

De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten
Over de komst van het christendom en de vroegste kerkenbouw in Utrecht bestaat nog steeds veel verwarring. Op grond van al het beschikbare bronnenmateriaal wordt een samenhangende visie op dit thema gegeven.
 
Kapittels als projectontwikkelaars
De belangrijkste geestelijken in Utrecht naast de bisschop waren in de Middeleeuwen georganiseerd in vijf kapittels: die van de dom, Oudmunster, Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Marie. De prelaten en kanunniken van deze instellingen woonden in grote stenen huizen rondom hun kapittelkerk binnen een afgesloten gebied, de immuniteit, waarbinnen ze zelf bestuur en rechtspraak in handen hadden. Maar ook buiten de immuniteiten bezaten de kapittels onder meer rechten op de grond. Door de aanleg van straten en de uitgifte van percelen aan leken droegen ze bij tot de ruimtelijke ontwikkeling van de stad Utrecht. Ook bouwden en exploiteerden ze gebouwen die in gebruik waren als koophallen. Op deze wijze fungeerden ze als belangrijke middeleeuwse projectontwikkelaars. Hun bijdragen aan de ruimtelijke ontwikkeling zijn op verschillende plaatsen nog altijd in het stadspatroon duidelijk herkenbaar. Vooral op deze nog zichtbare overblijfselen van hun activiteiten wordt in deze lezing de aandacht gevestigd.
 
Rondom Sint-Marie
In de jaren tachtig van de elfde eeuw werd door bisschop Koenraad van Utrecht in zijn bisschopsstad een vijfde kapittelkerk gesticht, gewijd aan Sint-Marie. In deze lezing worden de plaats en de betekenis van dit kapittel belicht. Daarbij wordt niet alleen aandacht besteed aan de kerk en aan de gemeenschap van kanunniken, het kapittel, maar vooral ook aan de nog steeds herkenbare invloed die deze belangrijke instelling heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van de stad.
 
De Utrechtse Gertrudiskapel. De veelbewogen geschiedenis van een monument
Verborgen tussen de bebouwing staat in de Utrechtse binnenstad de bescheiden Sint-Gertrudiskapel, waarvan het fraaie interieur nog herinnert aan de kerkelijke bestemming die zij ooit heeft gehad. Hoe veelbewogen haar geschiedenis is geweest, is hier echter niet geheel af te lezen. Slechts weinigen weten welke belangrijke gebeurtenissen binnen de Utrechtse kerk – het middeleeuwse bisdom Utrecht en de verborgen katholieke kerk na de Hervorming – zich hier hebben afgespeeld. De Sint-Gertrudiskapel is niet alleen kanunnikenwoning geweest, maar ook schuilkerk en zelfs kathedraal. In deze lezing gaat het niet alleen om het verleden van het gebouw, maar ook om verstrekkende kerkelijke en religeuze ontwikkelingen die hier hebben plaatsgevonden en waarvan de gevolgen nog steeds waarneembaar zijn.
 
Stichts-Hollandse controversen: over bisschoppen en graven
Het Utrechts-Hollandse grensgebied kent een roerige geschiedenis, waarin politieke en militaire strijd van de machtigen zoals de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland maar al te vaak een rol heeft gespeeld. Hiernaast trachtten lokale heren van de tegenstellingen te profiteren. Op de ontwikkeling van dit gebied vanaf de Romeinse tijd en gedurende de Middeleeuwen wordt – nu eens niet vanuit het Hollandse maar vanuit het Utrechts en bisschoppelijk perspectief – in deze lezing uitvoerig ingegaan.

Ontstaan en opkomst van de Utrechtse gemeenteraad
Met een vermelding uit 1196 is Utrecht de eerste gemeente in Nederland waar van consules civitatis, van stadsraden, sprake was, sterker nog: voor heel Noordwest-Europa gaat het hier om een primeur. Over het ontstaan en de eerste ontwikkeling van de Utrechtse raad, geplaatst tegen de achtergrond van meer algemene ontwikkelingen, en over haar betekenis in het emancipatieproces van ‘de burgerij’ gaat deze lezing.

Excursie: Kempense torens
In deze excursie wordt met per autobus een aantal kerken en torens aangedaan die behoren tot zogenaamde Kempische of Kempense gotiek. Het gaat hierbij om een onderdeel van de Brabantse gotiek, bakstenen architectuur met bepaalde gemeenschappelijke kenmerken. In ieder geval wordt voor bezoek gestopt bij de hoogtepunten Oirschot, Hilvarenbeek en Hoogstraten, hiernaast kunnen naar wens bijvoorbeeld Vught, Boxtel, Middelbeers, Diessen, Poppel, Minderhout en Baarle-Hertog worden aangedaan. Behalve de kerken is ook het te doorkruisen landschap zeer fraai. De toelichting wordt vooral in de bus gegeven. De prijs voor de toelichting gedurende de hele dag is € 200. Verder moeten nadere afspraken worden gemaakt over huur van de bus en pleisterplaatsen voor koffie, lunch en middagthee.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2010-2015. Gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 26 januari 2015.