Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie voor deze problematiek ook de webpagina's
Tussen Rijn en Vecht
De Oudelle
De vicus Stathe
Nieuwe theorieën over de
rivierlopen in en rond Utrecht:
een nagenoeg ondoordringbaar
moeras

door Martin W.J. de Bruijn

In februari 2017 verscheen onder de titel ‘Late Holocene fluvial archives and geoarchaeology: Utrecht’s case study of Rhine river abandonment under Roman and Medieval settlement’, in de Quaterny Science Reviews (2017) een artikel van Marieke van Dinter en anderen, te weten Kim M. Cohen, Wim Z. Hoek, Esther Stouthamer, Esther Jansma en Hans Middelkoop. In deze publicatie komen de genoemde geologen, archeologen en fysisch geografen met een nieuwe theorie, beter gezegd nieuwe theorieën, over de ontwikkeling van de rivieren in en rond Utrecht. Het artikel bevat een bijlage, Appendix, bestaande uit twee delen (A. Data en B. Reconstructie), die aanmerkelijk concreter is dan het artikel zelf.

Helaas is ook dit artikel, in een tijdschrift uitgegeven door Elsevier, weer alleen tegen zeer hoge kosten te verkrijgen (zie de kanttekeningen over de onwenselijkheid hiervan op de webpagina Op en rond het Domplein).

De auteurs, wier bijdragen aan het artikel niet gespecificeerd worden, baseren zich op zowel geologische en archeologische als historische bronnen. Dit had vanzelfsprekend op een geïntegreerde manier gedetailleerd dienen te gebeuren, maar zoals uit het vervolg zal blijken, is dit niet het geval. Hoe indrukwekkend de opsomming – ik gebruik met opzet het woord opsomming – van geologische en archeologische gegevens ook mag zijn (in tegenstelling tot de historische), deze gegevens zijn in de meeste gevallen niet aantoonbaar geïntegreerd behandeld. Opmerkelijk vaak wordt teruggegrepen op al bestaande theorieën, zelfs theorieën die inmiddels al lang weer waren verlaten, zoals over het ontstaan, de ontwikkeling en het weer verdwijnen van veel van de besproken rivierarmen. De publicatie is zowel door de gebruikte taal, het Engels, en het taalgebruik vol vaktermen als de behandeling van de stof zo toegankelijk als een nagenoeg ondoordringbaar moeras.

Als voorbeeld – voor deze eerste reactie – heb ik de publicatie nagezien op een van de kernproblemen van de ontwikkeling van de rivieren rond Utrecht: de plaatsen van de splitsing van de Rijn en de Vecht. Voor zover ik weet wordt algemeen aangenomen dat het Romeinse castellum zijn ontstaan te danken heeft aan zijn ligging in de nabijheid van deze splitsing. De onopgeloste vraag was echter waar deze splitsing zich bevonden heeft.

Laten we beginnen met de door Van Dinter e.a. aangenomen loop van de Rijn. Deze wordt zowel in de Romeinse Tijd als de Vroege Middeleeuwen weergegeven als een bocht vanuit het zuidoosten naar het westen en vervolgens zuidwesten toe. Het castellum lag in de oksel van deze bocht, voor zover van een oksel gesproken kan worden (zie de ook hier weergegeven afbeeldingen A6 van de bijlage). De aansluiting met de Rijn ten oosten van de stad wordt alleen in onderbroken lijnen aangegeven en is volgens de auteurs in de loop van de eeuwen aan grote veranderingen onderhevig geweest (zie de hier eveneens afgedrukte afbeeldingen 8 van het artikel).

De auteurs nemen aan – en dat is nieuw in de discussie – dat er in de Romeinse tijd een splitsing heeft bestaan van de Rijn en de Vecht onmiddellijk ten noorden van het castellum. Zij construeren die voor de periode tussen ongeveer 40 en 240 na Christus in een gebroken lijn in noordwestelijke richting. Vanaf 240 zou deze rivierarm vervangen zijn door een rivierarm in noordelijke richting, die met een bocht eerst naar het westen en vervolgens weer naar het noorden toe uitkomt in een andere rivier, waarin we de Vecht uit later tijd herkennen. Ook deze laatste rivierloop lijkt een afsplitsing te zijn geweest van de Rijn. Overigens wordt een en ander aangegeven met onderbroken lijnen.

Wie op zoek gaat naar een onderbouwing krijgt het volgende voorgeschoteld (bijlage p. 39):

‘In the Early and Middle Roman period, the bifurcation of the Vecht (#129A) was most likely located directly opposite the Limes fort of Utrecht: like all other auxiliary forts that were built simultaneously in the ‘40s AD downstream along the Rhine to North Sea (Van Dinter, 2013), the Utrecht fort was likely positioned a channel ‘node’. Paradoxally, despite sharing names, this would mean that the slightly older fort at Vechten (Fectio, founded just before or around 0 AD; Zandstra & Polak, 2012; Polak, 2014) would be positioned upstream of the bifurcation of the river Vecht. It cannot be excluded that two bifurcations were functioning in Middle Roman times: an older one (#129A) inherited from the Angstel system and a younger one that would continue to develop into the Vecht system (#168B and C; excavation at Zijdebalen-Zeedijk in 2015). Besides the ditch pattern, archaeological finds of Roman age in a (residual) channel context ~700 m northwest of the Utrecht fort (Table A1: record 1) supports to assign channel belt #129A an abandonment age in Roman times (Fig. 4b; avulsion, swale formation or river bend cut off). The second branch might have been located further east, formed a ~250m wide (#168B) and features a residual channel that filled in during the 3rd - early 5th century AD (Fig. 4a and Table 5: section W: GrA 43211: 1645 ± 35 BP).’

De lezer die geïnteresseerd is in de argumentatie van dit alles moet dus eerst op zoek gaan naar de betekenis van de gebruikte afkortingen. Wie denkt dat die wel bij elkaar zullen staan, komt bedrogen uit. Gelukkig is het artikel digitaal gepubliceerd, zodat in een aantal gevallen – overigens lang niet alle – zoeken met een zoekcommando volstaat. Dit moet dan vaak zowel in het artikel als in de bijlage gebeuren. Hieronder een opsomming per verwijzing.

Met ‘(#129)’ wordt de rivier Angstel/Vecht bedoeld. Verderop in de tekst is sprake van ‘#129A’, maar de betekenis hiervan wordt nergens uitgelegd. Een ‘#129B’ heb ik niet aangetroffen. Met de namen en de jaartallen wordt verwezen naar publicaties, waarvan de titel in sommige gevallen te vinden is in het artikel, in sommige andere in de bijlage.

‘Van Dinter, 2013’ verwijst in de bijlage naar: ‘Van Dinter, M., 2013. The Roman Limes in the Netherlands: how a delta Landscape determined the location of the military structures. Neth. J. Geosci. 92-1, 11-32’, waarbij ‘Neth. J. Geosci’ na het nodige onderzoek – een lijst van gebruikte afkortingen van publicaties ontbreekt – blijkt te staan voor ‘Netherlands Journal of Geosciences’.

‘Zandstra and Polak, 2012’ blijkt al verder zoekende te zijn: ‘De Romeinse versterkingen in Vechten-fectio: Het archeologisch Onderzoek in 1946-1947. Auxiliaria 11. Radboud Universiteit, Nijmegen, p. 317.’

Bij ‘Polak, 2014’ blijkt het te gaan om: ‘An early-Roman naval base at Vechten; facts and fiction. In: Römisch-Germanisches Zentralmuseum (Ed.),’ – in de literatuurlijst staat overigens abusievelijk een komma tussen ‘Römisches-Germanisches’ en Zentralmuseum’ – ‘Honesta Missione – Festschrift für Barbara Pferdehirt, Römisches-Germanisches Zentralmuseum Monographie 100, Römisches-Germanisches Zentralmuseum, Mainz, Germany, pp. 69-98.’

‘#168B and C; excavation at Zijdebalen-Zeedijk in 2015’. De betekenis van ‘#168B and C’ wordt niet uitgelegd. #168 blijkt na onderzoek in het artikel eenmaal de Hollandse IJssel te zijn (artikel, p. 26), maar verder te verwijzen naar de Vecht.

‘Zijdebalen-Zeedijk’ komt elders niet in het artikel en de bijlage voor, wel Zijdebalen alleen. Onder een opsomming van de opgravingen in de bijlage (tabel A1) bevindt zich onder nr. 275 als aangegeven bron: ‘Coppens & J. Sprangers, 2010’ wat dan weer verwijst naar ‘Coppens, C.F.H., Sprangers, J., 2010. Plangebied Zijdebalen, gemeente Utrecht: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (karterende fase). RAAP rapport 2138, RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp, 43p.’ Voor Zijdebalen wordt verder verwezen onder de opgravingen nr. 294 ‘Zijdebalen IVO’ naar Den ‘Hartog 2013d’ (weer zonder komma), wat verwijst naar ‘Den Hartog, C.M.W., (Ed.) 2013d. Zijdebalen; proefsleuvenonderzoek Zijdebalen Utrecht. IVO-P Deelgebied 1, gemeente Utrecht. Basisrapportage Archeologie 69, Gemeente Utrecht Dienst Stadsonwikkeling, Utrecht. 42p.’

Met ‘Table A1: record 1’ wordt verwezen naar bovengenoemde lijst van opgravingen: een opgraving uit 1947 in de Leeuwstraat, waarvan een intern rapport bij ‘Archeologie Gemeente Utrecht Pandhuis, Zylab’ aanwezig is. Zylab komt maar eenmaal voor en wordt niet nader uitgelegd.

#129 blijkt te verwijzen naar ‘Oud-Aa channel belt’, een stroomgordel van de Vecht dus (Oud-Aa ligt bij Breukelen).

Tabel 5 (in het artikel op p. 12) blijkt een overzicht te bevatten van de breedte en diepte gebruikt voor de reconstructie van de afmetingen van actieve en reststromen. De genoemde ‘section W: GrA 43211: 1645 ± 35 BP’ blijkt na nader onderzoek het volgende in te houden:
het genoemde sectienummer betreft de Vecht in de Laatromeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen, waarbij wordt verwezen naar ‘Diependaal, 2008’. Hiermee wordt bedoeld: ‘Diependaal, S., 2008. Het Kleine Wijk te Utrecht, Inventariserend veldonderzoek doormiddel [sic, M. de B.] van proefsleuven. Synthegra Archeologie Rapport P0502830, Synthegra, Doetinchem, 84p.’
‘1645 ± 35 BP’ betekent 1645 jaar met een marge van 35 jaar vóór heden (Before Present), waarbij heden dan weer niet 2017, het verschijningsjaar van het artikel, maar, om het gemakkelijker te maken, het jaar 1950 is (geologenjargon). We komen dan uit op 305 ± 35 na Christus. Er waren daar overigens geen vondsten aangetroffen.

Afbeelding 6 van de bijlage bij het artikel (p. 43) geeft vier overzichten van de rivieren in en rond het stadsgebied (zie de afbeeldingen hieronder). De Vecht en de geconstrueerde splitsing ten noorden van de Utrechtse burcht worden in onderbroken lijnen weergegeven. Verder kan uit deze afbeeldingen worden afgeleid dat er in de periode tussen 800 en 1200 grote wijzigingen in de loop van de rivieren zouden hebben plaatsgehad. Omdat er een situatie gesuggereeerd wordt, terwijl er in werkelijkheid sprake is geweest van ingrijpende ontwikkelingen gedurende een periode van vier eeuwen, spreekt het voor zich dat hier nog zeer veel nadere uitwerking door middel van bronaanduiding en op de bronnen gebaseerde argumentatie noodzakelijk is. Deze ontbreekt nagenoeg in zowel het artikel als in de bijlage.
Zelfs de aanduiding van de afbeeldingen in de tekst is ongelukkig. Terwijl bij de afbeelding zelf bijvoorbeeld Figure A4 staat (bedoeld is afbeelding 4 van de appendix, staat in de tekst vermeld Fig. 4a.

Deze noodzakelijke zoekactie, die me alleen al voor dit citaat uren werk heeft gekost, brengt ons eigenlijk niets verder. Want de auteurs zeggen nergens wat de geciteerde bronnen nu precies betogen en/of aantonen; iedere vorm van argumentatie ontbreekt. Waarschijnlijk beschikken trouwens alleen de auteurs over alle in de noten aangeduide gegevens.

Ronduit absurd te noemen is het trouwens dat de uitsnijdingen van de afbeeldingen die het latere stadsgebied betreffen, en vanzelfsprekend gedetailleerder zijn, niet in het artikel, maar in de Appendix staan. Ik heb ze hier naast de overzichten uit het artikel weergegeven. Vanzelfsprekend hadden ook de bijbehorende teksten in het artikel geïntegreerd moeten worden en dus niet afzonderlijk in de bijlage behoren te staan. Het maakt allemaal een zeer onbeholpen indruk.


De hieronder afgebeelde kaarten van afbeelding 8 van het artikel (ald. p. 24) geven overzichten van de loop van de rivieren rond Utrecht in respectievelijk de vroegromeinse en middenromeinse tijd, de laatromeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Hoge en Late Middeleeuwen. Ervan uitgaande dat de ononderbroken lijnen een grotere zekerheid suggereren dan de onderbroken, is het opmerkelijk dat die uit de vroegromeinse tijd klaarblijkelijk zekerder waren dan die uit de laatromeinse en de vroegmiddeleeuwse. De hoog- en laatmiddeleeuwse daarentegen suggereren weer een veel grotere zekerheid. Verder is opmerkelijk dat met name in de laatromeinse en vroegmiddeleeuwse periode de rivier de Rijn aanmerkelijk minder bochtig was dan in de vroegromeinse en hoog- en laatmiddeleeuwse tijd.
Rivieren Utrecht 40-240 Rivieren 40-240
Rivieren Utrecht 240-420 Rivieren 240-450
Rivieren Utrecht 450-800 Rivieren 450-800
Rivieren Utrecht 800-1200 Rivieren 800-1200


Aanvulling van 13 oktober 2017:
Een eerste beschouwing over de veronderstelde afsplitsing tussen Rijn en Vecht ten noorden van het castellum  is inmiddels op deze webstek gepubliceerd. Zie de pagina Tussen Rijn en Vecht.

Nu komende tot de inhoud van het hierboven geciteerde beperk ik me hoofdzakelijk tot de splitsing van de Rijn en de Vecht ten zuidoosten van de burcht. De door de auteurs geconstrueerde afsplitsing ten noorden van de burcht laat ik hier verder, althans voor wat de Middeleeuwen betreft, buiten beschouwing. Ik wil daar op een ander tijdstip nog wel eens op ingaan.

Er wordt dus opgemerkt dat het castellum net als andere Romeinse forten waarschijnlijk werd gesitueerd aan een knooppunt. Dit zou betekenen dat het verder naar het zuidoosten toe gelegen oudere fort Vechten, hoogstwaarschijnlijk naar de Vecht genoemd, enkele kilometers stroomopwaarts van dat knooppunt heeft gelegen. Maar er kunnen volgens de auteurs in de Midden-Romeinse Tijd ook twee knooppunten geweest zijn: een ouder geërfd van het Angstel-systeem – dus ten noorden van het latere stadsgebied – en een jonger dat zich verder ontwikkelde tot het Vecht-systeem. Behalve het slotenpatroon zouden archeologische vondsten uit de Romeinse Tijd in een reststroomgordel #129A (de Vecht dus) wijzen op een verlanding in de Romeinse Tijd (verplaatsing, moerasvorming of afsnijding van de rivierbocht). De tweede tak zou verder naar het oosten kunnen hebben gelegen, vormde een ongeveer 250 m brede geul en vertoont een restgeul die verstopte gedurende de derde tot de vroege vijfde eeuw.

Opmerkelijk is dat er niets gezegd wordt over de manier waarop de Rijn vanuit het oosten de burcht naderde. Alleen uit de plattegronden valt af te leiden dat Van Dinter c.s. voor de Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen uitgaan van een tamelijk rechte rivier, die ten oosten van Utrecht pas in de Hoge Middeleeuwen is gaan meanderen (en om dit laatste niet ten onrechte ook hier nog steeds de Kromme Rijn werd genoemd).

Voor de oudere periode blijkt alles wat over de splitsing van de Rijn en de Vecht wordt gezegd allemaal vaag en vermoedelijk te zijn; in het korte citaat achtereenvolgens ‘most likely’, ‘likely’, ‘would mean’, ‘would be’, ‘cannot be excluded’, ‘would continue’, ‘supports to assign’, ‘might have been’. Met andere woorden: het zou volgens de auteurs ook allemaal anders kunnen zijn geweest. Of nog weer met andere woorden: hier hebben we nauwelijks iets aan als het er om gaat de plaatsen van de splitsing van de Rijn en de Vecht gedurende de eeuwen aan te wijzen. De geïnteresseerden blijven dus met een hoogst onvoldaan gevoel achter, dat nog wordt versterkt door de ontoegankelijke manier van bronvermelding en het nagenoeg ontbreken van argumentatie.

Maar ook over de situatie – veel meer dan over de ontwikkeling – in de Hoge en Late Middeleeuwen laten Van Dinter c.s. hun licht schijnen:

‘The mapping of the Vecht channel belt from high and late medieval times (#168C) in the study area is based on reconstructions of the ditch-network (Fig. 4a). This revealed a channel belt that was ~100 - 300 m wide (Fig. 4b). At this stage, the Vecht bifurcation was located ~1.5 km southeast of the Roman fort in Utrecht, and considering the much smaller dimensions of the remaining Rhine channel through Utrecht city centre, the Vecht was the main branch at this stage. The base of its residual channel fill was radiocarbon dated to the 11-13th century AD (Fig. 4a and 5, and Table 5: section D), and this is seen as confirmation of the historical date of 1122 AD for the damming of the Kromme Rijn (see above).’

Volgens het citaat werd een van de twee geconstrueerde afsplitsingen van de Vecht in de Hoge en Late Middeleeuwen dus gesitueerd ongeveer anderhalve kilometer ten zuidoosten van de Utrechtse burcht. De Vecht zou toen de belangrijkste rivierarm zijn geweest.

De vulling van de restgeul zou gedateerd zijn op de elfde tot de dertiende eeuw. De als bron aangegeven afbeeldingen 4a (= A4) en 5 (=A5) maken niets duidelijk over de plaats waar die opvulling heeft plaatsgehad. Tabel 5 (op p. 17 en 18 van het artikel) bevat geen sectie D. Onder D wordt wel gezegd dat de Vecht met een oud slotenpatroon ongeveer 50 meter breed en anderhalve meter diep was – er staat niet bij waar. De 14C-datering zou zijn uitgekomen op laatmiddeleeuws net als de archeologische vondsten, maar die zouden ongepubliceerd zijn. Ook hier hebben de geïnteresseerde lezers dus niets aan. Ook de gegevens S tot en met X in deze tabel hebben betrekking op de Vecht, maar zij zijn even nietszeggend. Dat in de tekst van het citaat verwezen wordt naar de afdamming van de Rijn in 1122, maakt de zaak er niet duidelijker op. Het gaat immers om een ontwikkeling van ongeveer 800 tot 1200, niet minder dan vier eeuwen, waarin in een onbedijkt landschap heel wat kan gebeuren en ook daadwerkelijk gebeurd zal zijn.

Mijn eerste conclusie over dit artikel met nieuwe theorieën over de rivierlopen in en rond Utrecht kan helaas niet anders dan negatief zijn: het is nagenoeg ontoegankelijk. Verder wordt zelfs de simpele journalistieke vuistregel voor een adequate behandeling van een onderwerp: ‘wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom’, hier in velerlei opzichten met geologische en archeologische voeten getreden. Van een wetenschappelijk verantwoorde behandeling met adequate aanduiding van de bronnen en de daarop gebaseerde argumentatie is al helemaal geen sprake.

Om dan toch nog positief te eindigen: wanneer deze publicatie, die eigenlijk niet veel meer is dan een intern discussiestuk, verder uitgewerkt zou worden, zou zij een aanzet kunnen vormen tot een werkelijk zinvolle behandeling en openbare discussie over de loop van de rivieren door en langs Utrecht gedurende de eeuwen. Maar daarvoor is om te beginnen een brede, toegankelijke en goed beargumenteerde analyse in een Nederlandse vertaling noodzakelijk.

Aanvulling van 25 september 2017:

Titelpagina proefschrift Marieke van Dinter






De dissertatie van Marieke van Dinter
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

Op 4 oktober 2017 promoveert de fysisch geografe en archeologe Marieke van Dinter op een Engelstalig proefschrift met de titel Living along the Limes. Landscape and settlement in the Lower Rhine Delta during Roman and Early Medieval times. Utrecht Studies in Earth Sciences 135 (Utrecht 2017). Een deel van dit onderzoek heeft plaatsgehad in het kader van het in 2008 gestarte project ‘Schatten van het Domplein’ (Treasures of the Dom square; reconstructing Roman and Early-Medieval Utrecht: new approaches). Hoewel het ongebruikelijk is om al vóór de verdediging van een dissertatie te reageren, willen we hierop in dit geval een uitzondering maken, omdat we van mening zijn dat hier de wetenschappelijke mores en de wetenschappelijkheid in het algemeen in ernstige mate in het geding zijn.

Een groot deel van dit – ons door de promovenda zelf als pdf-bestand toegezonden – proefschrift bestaat uit eerder gepubliceerde Engelstalige artikelen. Wat daarbij verbazing wekt is dat alle artikelen op één na samen met anderen geschreven zijn: de inleiding en hoofdstuk 2, het artikel ‘The Roman Limes in The Netherlands’ (24 pagina’s) zijn geschreven door Van Dinter alleen; hoofdstuk 3, ‘Settlement and land use on crevasse splay deposits’ (15 pagina’s) met één andere auteur; hoofdstuk 4, ‘Could the local population of the Lower Rhine Delta supply the Roman army?’ (twee delen, samen 44 pagina’s) met vier andere auteurs. Maar hoofdstuk 6, het artikel ‘Late Holocene lowland fluvial archives and geoarchaeology’ (49 bladzijden), kent behalve Van Dinter nog vijf andere auteurs, onder wie… de promotoren prof.dr. Hans Middelkoop en prof. dr. Esther Jansma en de copromotor dr. Wim Hoek. Dit gebeurt zonder dat op enige wijze wordt aangegeven wie voor welk deel van het artikel verantwoordelijk is en met name waaruit de specifieke zelfstandige bijdrage van de promovenda bestaat. Hier gaat onze verbazing over in verbijstering! Maar het mag kennelijk. De beoordelingscommissie bestaat uit prof. dr. Marc Macklin (Aberystwyth University), prof. dr. Hans Renes (Vrije Universiteit), prof. dr. Sebastian Sommer (Bayerisches Landesamt für Denkmalpflege), prof. dr. Theo Spek (Universiteit Groningen) en dr. Rien Polak (Radboud Universiteit).

Voor ons thema is vooral dit hoofdstuk 6 van belang, omdat het ook de veronderstelde rivierlopen in en rond Utrecht behandelt. In het hierboven staande hebben wij al aan de hand van het in februari 2017 verschenen artikel vastgesteld dat het niet alleen nagenoeg ontoegankelijk is, maar dat het ook methodisch ernstige feilen vertoont. Het heeft geen zin onze bedenkingen te herhalen, maar we willen er hier nog enkele aan toevoegen. Om te beginnen de weergave van de literatuur. Deze vindt niet plaats door middel van voet- of eindnoten, maar via aanwijzingen tussen haakjes in de tekst. Hierbij wordt voor wat de literatuur betreft geen gebruik gemaakt van al dan niet verkorte titels, maar van auteursnamen met het jaartal van de aangehaalde publicatie. Dat is onhandig, maar bij bepaalde wetenschappen, waaronder bijvoorbeeld de archeologie, niet ongebruikelijk. Onvergeeflijk is echter dat de genoemde aanduiding niet gevolgd wordt door een of meer paginanummers. Wie de bronnen en publicaties wil raadplegen, moet dus zelf op zoek gaan naar de precieze vindplaatsen en we hebben al kunnen vaststellen dat dit in veel gevallen een heidens karwei is. Bovendien bleken nog al wat verwijzingen onjuist te zijn. Dat de auteurs van het artikel geen begrip hebben van het verschil tussen bronnen en literatuur, blijkt uit het feit dat zij de literatuur – voor historici slechts secundaire bronnen – vermelden onder de kop Modern sources.

Eveneens wetenschappelijk gezien onvergeeflijk is tot slot dat juist de meest specifieke behandeling van het onderwerp – met ook enige, zij het volstrekt onvoldoende argumentatie – niet in het artikel en nu dus in het proefschrift staat, maar in bijlagen die niet in de dissertatie zijn opgenomen en slechts afzonderlijk raadpleegbaar op internet. Dit laatste geldt overigens ook voor de bijlagen bij de artikelen van de hoofdstukken 2 en 5.

In het bovenstaande hebben wij het artikel over de rivierlopen al niet meer dan een intern discussiestuk genoemd. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor in ieder geval dit deel van de dissertatie. De beoordeling van de rest laten we graag aan anderen over.


Aanvulling van 27 september 2017:



















Uit het promotiereglement van de Universiteit Utrecht van 13 juni 2013:

Artikel 5: (...) Als promotor kunnen niet worden aangewezen (...) personen die in een zodanige relatie tot de promovendus staan dat van hen in redelijkheid geen oordeel behoort te worden gevergd [cursivering van ons, C.B. en M. de B.]. (...)

Artikel 11: (...)  De promotor beoordeelt een hem voorgelegd manuscript minimaal aan de hand van de volgende punten: (...) d. het wetenschappelijk niveau van de ordening, de analyse en de verwerking van het materiaal; e. de zuiverheid van de gevolgde methodiek bij deze analyse; f. de afleiding van nieuwe inzichten en nieuwe opvattingen; g. een kritische confrontatie van eigen conclusies met bestaande theorieën of opvattingen [cursivering van ons C.B. en M. de B.]; (...).

Artikel 17: (...) 2. Een artikel, dat is geschreven door meerdere personen, kan worden aanvaard als onderdeel van het proefschrift, indien, volgens de schriftelijke verklaring [aan wie staat er niet bij, C.B. en M. de B.] van de promotor, de promovendus daaraan een essentiële bijdrage heeft geleverd. 3. Een afzonderlijke wetenschappelijke verhandeling als bedoeld in artikel 8 die door de promovendus in vereniging met anderen is geschreven, kan alleen deel uitmaken van het proefschrift indien de promovendus daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd en het gedeelte waarvoor de promovendus in het bijzonder verantwoordelijk is, duidelijk in het proefschrift wordt aangegeven [cursivering van ons, C.B. en M. de B.]. (...)


Op bovenstaande tekst, die wij vóór publicatie op deze website hebben toegestuurd aan de promovenda en de medeauteurs – dat wil in dit geval ook zeggen aan de promotoren en de copromotor – en aan de leden van de promotiecommissie, hebben wij een viertal reacties ontvangen. Daar zijn we blij mee, want we hebben naar ons idee een aantal fundamentele vragen opgeworpen en kanttekeningen geplaatst bij in eerste instantie een artikel van meerdere collega-onderzoekers, dat nu ineens onderdeel van de dissertatie van één van de zes auteurs blijkt te zijn geworden.

Spijtig vinden we het echter dat de reacties vooral kwalificaties bevatten als zou er van onze kant sprake zijn van een ‘zure, persoonlijk getinte en onnodig kwetsende toonzetting’. Of iets zuur is, is een kwestie van smaak, maar in de betreffende reactie wordt niet aangegeven waar en hoe onze publicaties persoonlijk getint en onnodig – of überhaupt – kwetsend zijn.

Op geen enkele wijze hebben wij, wat gesuggereerd wordt door twee commissieleden, twijfel uitgesproken aan de wetenschappelijke integriteit van de promovenda, laat staan dat wij iets persoonlijk tegen haar zouden hebben. Onze kanttekeningen zijn zelfs niet speciaal voor haar bedoeld, maar vooral voor de promotoren en de leden van de commissie. We hebben hun deze tekst toegestuurd, omdat we als gezegd van mening zijn dat hier de wetenschappelijke mores en de wetenschappelijkheid in het algemeen in het geding zijn.

Zoals iedereen kan lezen, hebben wij ons hogelijk verbaasd over het feit dat het in het geval van deze dissertatie niet alleen gaat om goeddeels al veel eerder gepubliceerde artikelen – wat, zo weten ook wij, inmiddels bij bepaalde disciplines op zich niet ongebruikelijk is –, maar ook om artikelen die geschreven zijn door meerdere auteurs, waarbij dan geenszins duidelijk is wie voor wat van de opzet en de inhoud precies verantwoordelijk is. Voor een artikel kan dat, voor een dissertatie – immers een proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig verrichten van wetenschappelijk onderzoek – is en blijft dat wringen. En dat doet het eens te meer wanneer het auteurscollectief behalve uit de promovenda onder meer ook bestaat uit de promotoren en de copromotor.

We hebben ook de staf gebroken over de in het artikel en dus eveneens in de dissertatie gehanteerde methodiek of althans een aantal aspecten daarvan: de wijze van onderbouwing in de argumentatie en annotatie. Dit zijn punten die raken aan een van de belangrijke criteria voor wetenschappelijk onderzoek: de controleerbaarheid van gegevens, op basis waarvan ook een gerede discussie mogelijk is (waarvan gelukkig ook een van de commissieleden aangeeft dat het belangrijk is dat die gevoerd wordt).

Hoewel geologen, fysisch geografen en archeologen gebruik maken van natuurwetenschappelijke methodes, kan hun discipline niet beschouwd worden als strikt bètawetenschappelijk. Zo is bijvoorbeeld het doen van proeven die herhaalbaar en aldus controleerbaar zijn vaak onmogelijk en gaat het hoofdzakelijk om interpretatie van gegevens, net als in de geschiedwetenschap. Daar is niets mis mee, maar de toegankelijkheid tot de bronnen en de controleerbaarheid worden daarmee van het hoogste belang: er moet getoetst, dus geverifieerd en gefalsifieerd, kunnen worden. Het is dan ook absurd dat een collega-onderzoeker van de promovenda in zijn reactie aan ons de conclusies ‘onderbouwd’ durft te noemen omdat het proefschrift… een literatuurlijst bevat van maar liefst 34 pagina’s, en tegelijkertijd ons stuk kenschetst als ‘verbijsterend, onwetenschappelijk en volstrekt ongepast’.

Waar het om gaat is dat onderzoekers ook nauwkeurig aangeven op welke bronnen hun inzichten en conclusies gebaseerd zijn. De literatuur op zich bevat heel veel uiteenlopende standpunten, en dan volstaat het niet om simpelweg te verwijzen naar publicaties van soms honderden bladzijden, zonder de precieze vindplaatsen aan te geven. Toch is dat wat er in deze dissertatie structureel gebeurt: in de tekst zelf is, tussen haakjes, slechts een auteursnaam en verder alleen het jaar van het verschijnen van de publicatie vermeld, zonder enig paginanummer. Tegelijkertijd maken de promovenda en de medeauteurs ook gebruik van de resultaten van boringen en opgravingen, waarvan die resultaten vaak evenmin worden gespecificeerd.

Betreft dit alleen de verwijzende noten in het artikel en de dissertatie, verklarende noten, waarin zaken (kunnen) worden verduidelijkt of gespecificeerd, ontbreken in dit proefschrift geheel. Nu laten deze zich ook niet of nauwelijks tussen de tekst plaatsen, een reden te meer waarom de gekozen vorm – noten tussen haakjes in de tekst – eigenlijk gewoonweg niet voldoet als men verantwoord wil annoteren. Ook indexen op onder meer toponiemen, hier van groot belang, ontbreken in de dissertatie en de bijlagen.

Die gebrekkige annotering vormt slechts één onderdeel van onze kritiek op de in deze dissertatie gehanteerde methode (door één van de respondenten weggewuifd met de mededeling: ‘Voetnoten zijn in ons veld van wetenschap zeer ongebruikelijk, sterker, ongewenst in de wetenschappelijke literatuur’). Een aantal andere gebreken van zowel methodische als inhoudelijke aard hebben we zowel hierboven alsook op onze webpagina De Oudelle aan de hand van meerdere voorbeelden verduidelijkt. Ook hier gaat het dan om het gebrek aan beargumentering op basis van de gebruikte bronnen, waardoor veel van de ingenomen standpunten in de lucht blijven hangen.

We zijn van zins het aantal inhoudelijke reacties op deze dissertatie, althans voor zover dit gezien de onbeholpen wijze van verantwoording mogelijk is, in de toekomst nog uit te breiden. Want de behandelde problematiek raakt nogal eens aan onze eigen onderzoeken.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2017. - Gepubliceerd 30 augustus 2017; laatst bewerkt 13 oktober 2017.