Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Als basis voor deze pagina heeft gediend onze publicatie ‘Van tempeltje tot kathedraal. Romeinse en vroeg-middeleeuwse bebouwing onder het verdwenen schip van de Utrechtse Domkerk’ in 1997 verschenen in Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie.[1] In deze publicatie hebben wij onder meer de resultaten geanalyseerd van de archeologische opgravingen die daar in 1949 door de archeoloog Albert Egges van Giffen zijn gedaan en de zeer tegenstrijdige opvattingen van de latere onderzoekers daarover. Deze opgravingen hadden plaats ter plekke van het verdwenen schip van de domkerk, tussen de rijweg en het oorlogsmonument. Het artikel zelf vindt u onder bovenstaande link. Een en ander is weer actueel geworden nu er vanaf de zomers van 2011 en 2013 opgravingen hebben plaatsgehad en er in 2014 een ondergronds bezoekerscentrum is ingericht. Tevoren, in september 2013, is van onze hand nog een nieuwe publicatie over de eerste kerken op het Domplein, verschenen. In 2015 ten slotte verscheen van de hand van de archeologen R.J.P. Kloosterman en R.D. Hoegen het verslag van de opgraving van 2011. Zie hierover de webpagina Domplein revisited. Het heeft in het algemeen onze ideeën nog versterkt.


[1] Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie 46, nr. 4 (augustus 1997) 1-10.

[2] Zie bv. H.L. de Groot, Terugblik op Traiectum (z.pl. z.j. [Utrecht 1993]) 16-19; en ‘De Heilige Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 93 (1994) 135-149.

















































[3] C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Welke kerk van Willibrord?’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 142-146; ‘De Heilig-Kruiskapel in Utrecht’, Bulletin KNOB 93 (1994) 162-168; De eerste kerken in Utrecht (Utrecht 1995); Bonifa­tius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005), De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in Utrecht en haar relatie met Willibrord’, Bulletin KNOB 107 (2008) 82-89, en onze webpagina
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.

[4] Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 15 en 21-22;
Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 49-53. Over de onaannemelijkheid van de suggestie van W.S. van Egmond dat de kerk gebouwd kan zijn door koning Dagobert II (776-779) zie de webpagina
► 
De vooringenomenheid van Bonifatius.

[5] N.B. Tenhaef uitg., Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den dom te Utrecht (’s-Gravenhage 1946) 473 (rekening 1471/72): Item dedi pro pictura et factura nove tabule cum antiquis versibus pendentis ad columpnam in medio ecclesie: 20 st.; que postea per pictorem alium fuit adhuc semel reformata. In een noot verwijst Tenhaeff naar zijn dissertatie Diplomatische studiën (Utrecht 1913) 55.

[6] Zie A. de Groot en K. van Vliet, ‘De Domtafelen. Nieuw licht op “overoude tafelen” uit de Utrechtse Dom’, Jaarboek Oud-Utrecht 2004, 5-39, ald. 10-14. Merkwaardigerwijs plaatsen zij ze tegen de westelijke pijlers, terwijl twee bronnen van omstreeks het midden van de zestiende-eeuw zeggen dat ze tegen zuilen vóór het koor hingen. Dit wijst toch onmiskenbaar op de oostelijke pijlers van het transept, die het begin van het koor vormden. Het gaat hierbij om vermeldingen in een Spaanse (1552) en een Italiaanse reisbeschrijving (1567). Wanneer een tijdelijke situering in de viering van de kerk – west of oost – juist is, dan moeten de borden blijkens de vermelding bij Van Buchel later weer naar de westzijde van het schip zijn verplaatst. Zie hierover onze webpagina over het gesleep met de tafelen door A. de Groot en K. van Vliet. Onjuist is verder hun bewering dat de dom op de ene domtafel beschreven werd als de oudste kerk van Utrecht. Dat wordt namelijk slechts gezegd van de Sint-Thomaskerk, niet van de herbouw door Willibrord: Tempore Francorum Dagoberti regis in illo presenti fundo conditur ecce decens primitus ecclesia sancti Thome prope castrum Traiectum, quam gens Frisica fregit atrox. Sed prior antistes dominus Clemens ob honorem sancti Martini post renovavit eam desidis Hildrici sub tempore regis. In hun artikel, ald. 8, geven A. de Groot en K. van Vliet van de passage Sed prior  enz. als vertaling: ‘Maar als eerste heeft bisschop heer Clemens haar Ter ere van St. Maarten later weer opgebouwd’. Deze vertaling is evenwel niet correct; er staat: ‘Maar de eerste bisschop heer Clemens heeft haar ter ere van Sint-Maarten later weer opgebouwd’, en dat betekent niet hetzelfde. Zie voor de grammaticale argumentatie hiervan Broer en De Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland, 63, nt. 79.

[7] A. Buchelius, Monumenta passim in templis ac monasteriis Traiectinae urbis atque agri inventa (hs. uit 1615 [XXVIII LI] in het Utrechts ge­meente­archief), fol. 4v.-5, thans raadpleegbaar op internet. C. Smit, die deze uitgave heeft verzorgd, vertaalt de in de vorige noot genoemde passage Sed prior enz. met: ‘Maar de eerste bisschop Clemens bouwde haar later, ten tijde van de trage koning Hildrik, weer op ter ere van de heilige Martinus.’ Ook hij wijkt dus af van de vertaling van De Groot en Van Vliet.























[8] T.J. Hoekstra, ‘Enkele kanttekeningen bij De eerste kerken in Utrecht’, Madoc 10 (1996) 36-43, ald. 42, nt. 10.






[9]    T.J. Hoekstra, ‘De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht (1010-1026)’, in: Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Utrecht 1988) 95-108, ald. m.n. 100: ‘Uit de schriftelijke bronnen kan dus nogmaals geconcludeerd worden dat Adelbold II de oude kerk van Balderik in 1015 geheel afbrak en er – na een brand tijdens de sloop/nieuwbouw (?) in 1017 – een (grotere) voor in de plaats bouwde, die met veel ‘pomp and circumstance’ in 1023 gewijd werd.’

[10]   Terugblik op Traiectum, 21.






[11]  
‘Een paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht (R.E. de Bruin e.a. red. (Utrecht 2000) 534, nt. 1. Met die uitbraaksleuven is waarschijnlijk de laag periode VIc bedoeld, die door Van Giffen als Laat-Romeins werd beschouwd. Zie hieronder.












[12]   Programmaboek van het congres ‘Van missie tot Millennium’ (Utrecht 1995) 47.


[13]   M. Gysseling en A.C.F. Koch uitg., Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta I (Brussel 1950) nrs. 179, 186, 187 en 193. Zie ook Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 39-41.

[14]   Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, S. Muller Fz. en A.C. Bouman uitg., nr. 104. Dit document legt Balderik de woorden in de mond: ecclesias videlicet gloriosi patroni mei sancti Martini et sancti Salvatoris, a prophanis dirutas et exustas, non prout debui sed prout potui aliquantulum reparavi. De levensbeschrijving van aartsbisschop Bruno zegt over de bouwactiviteiten van Balderik: ecclesie demum cȩteraque ȩdificia, quorum ruinȩ vix exstiterant, hac occasione restauratȩ sunt (I. Ott uitg., Ruotgers Lebensbeschreibung des Erzbischofs Bruno von Köln. Monumenta Germaniae Historica, Nova series X (Weimar 1951) 5).


[15]
J.T.J. Jamar en C.A. van Kalveen uitg., Catalogus episcoporum Ultrajectinorum (Utrecht 2005) 64-65.
Van tempeltje tot kathedraal
Romeinse en vroegmiddeleeuwse bouwresten onder het verdwenen schip van de Utrechtse dom
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

Omstreeks het jaar 630 heeft de Frankische koning Dagobert in de burcht Traiectum, die zich bevond op en rond het tegenwoordige Utrechtse Domplein, het Romeinse hoofdgebouw – of wat daar nog van over was – weer in gebruik genomen en daar tegenover, aan de andere kant van de via principalis, op de plaats van een heidens heiligdom, de eerste Utrechtse kerk laten bouwen. Zij werd gewijd aan de ‘ongelovige’ apostel Thomas, een zeer toepasselijke patroon voor een missiekerk. Deze eerste kerk in Utrecht werd omstreeks 650 door de Friezen verwoest en vervolgens door de missionaris Willibrord circa 720 hersteld en aan Sint-Maarten gewijd. Alle latere Utrechtse domkerken werden over deze resten heengebouwd. Dat de later naast de domkerk staande Heilig-Kruiskapel – of een ouder gebouw op de plek waar zij stond, zoals het Romeinse hoofdgebouw – de eerste Sint-Maartenskerk is geweest, zoals sommige onderzoekers beweren, moet inmiddels uitgesloten worden geacht.

Inleiding

In de problematiek rond de vroegste kerken in Utrecht, die de laatste decennia opnieuw in de belangstelling is komen te staan, is de bebouwing op de plek van het verdwenen schip van de aan Sint-Maarten gewijde domkerk een belangrijke rol gaan spelen. De voormalige Utrechtse stadsarcheoloog H.L. de Groot kwam in 1992 met de veronderstelling dat de eerste Utrechtse kerk – volgens hem gebouwd rond het jaar 600 – heeft bestaan uit het hoofdgebouw van het Romeinse castellum, of althans een gedeelte daarvan, en dat daar omstreeks 695 door de Angelsaksische missionaris Willibrord de Heilig-Kruiskapel als eerste Sint-Maartenskerk overheen gebouwd is.[2] Aangezien de kapel niet ter plekke van, maar naast de latere domkerk gelegen was, houdt deze veronderstelling in dat Sint-Maarten ooit van plaats veranderd moet zijn (zie afb. 1 en 3).

Domkerk 1660
Afb. 1. De Utrechtse dom vanuit het noorden vóór de storm van 1 augustus 1674. In werkelijkheid is het Domplein, toen Domkerkhof, altijd veel smaller geweest. Tussen de kerk en de toren bevond zich een doorgang naar de Heilig-Kruiskapel en de kerk van Sint-Salvator of Oudmunster. Gravure naar een tekening van S. van Lamsweerde uit 1660. Het Utrechts Archief, Topografische Atlas Hb 11.

Geen enkele onderzoeker heeft echter tot nu toe ook maar één enkele bron weten te vinden die van een verplaatsing van de Sint-Maartenskerk melding maakt. Op grond van de middeleeuwse geschreven bronnen hebben wij tegenover De Groots idee gesteld dat niet de Sint-Maartenskerk, maar de andere vroege Utrechtse kerk, die van Sint-Salvator, op een andere plek terecht is gekomen. Van de bouw van een nieuwe Sint-Salvatorkerk naast de oude wordt in de middeleeuwse bronnen namelijk wél melding gemaakt.

Volgens onze opvatting bestond de eerste, door Willibrord gebouwde Sint-Salvatorkerk uit het Romeinse hoofdgebouw of althans een deel ervan. In een ander deel vestigde Willibrord zijn eerste klooster. Naast dit gebouw met daarin de eerste Sint-Salvatorkerk heeft, zoals de middeleeuwse bronnen zeggen, Bonifatius circa 745 een nieuwe Sint-Salvator gebouwd, de latere Oudmunsterkerk.[3]

Dat daarentegen de opeenvolgende Sint-Maartenskerken altijd op dezelfde plek hebben gestaan, valt ook uit de middeleeuwse bronnen af te leiden. Het blijkt behalve uit de geschiedschrijving ook uit een oud tekstbord, een van de zogeheten domtafelen, die vooraan in het schip van de domkerk hingen. Dit bord maakte melding van een eerste kerk in Utrecht die gebouwd was door koning Dagobert – deze regeerde van 623-639 – en gewijd was aan Sint-Thomas. Die kerk was later door de Friezen verwoest, maar onder ‘de schijnkoning Hilderik’ door bisschop Clemens (Willibrord) herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd.[4] Volgens het bord in de domkerk waren de twee opeenvolgende kerken in illo presenti fundo, ‘op deze grond hier’, gebouwd (zie afb. 2).

De tekst van een domtafel Afb. 2. De tekst van een ‘overoude tafel’, die handelt over de geschiedenis van de domkerk, in een vijftiende-eeuws afschrift. Het eerste deel luidt: Tempore Francorum Dagoberti regis in illo presenti fundo conditur ecce decens primitus ecclesia sancti Thome prope castrum Traiectum, quam gens Frisica fregit atrox. Sed prior antistes dominus Clemens ob honorem sancti Martini post renovavit eam presidis Hildrici sub tempore regis. In vertaling: Zie, ten tijde van de koning der Franken Dagobert werd op deze grond hier bij de burcht Traiectum voor de eerste keer een welgevormde kerk gebouwd, gewijd aan de heilige Thomas, welke kerk het woeste Friese volk heeft verwoest. Maar de eerste bisschop, heer Clemens (Willibrord), heeft haar ter ere van Sint-Maarten vernieuwd ten tijde van de nietsdoende koning Hilderik. Stadtbibliothek Trier, hs. 1288/79, 4o, f. 88v.

Een vermelding uit 1471/72 – dus nog van vóór de bouw van het Gotische schip aan het eind van de vijftiende eeuw – zegt dat de plaquettes in medio ecclesie, dit wil zeggen in het schip van de kerk, dus in het westelijk deel, hingen.[5] Waarschijnlijk zijn ze bij en na de afbraak van het Romaanse en de bouw van het Gotische schip naar de viering verplaatst.[6] Maar in de tijd van de Utrechtse geschiedschrijver Van Buchel (1565-1641) hingen ze daar niet meer. Deze situeert ze namelijk aan de westzijde van het schip, onmiddellijk voorbij de westelijke ingang bij de domtoren. De tafel met de geschiedenis van de domkerk hing aan de zuidzijde, dus na binnenkomst aan de rechterkant.[7] Aannemelijk is dat de oorspronkelijke plaats bij het domkapittel na meer dan een eeuw nog in herinnering was gebleven.

Behalve deze middeleeuwse schriftelijke bron vormen ook de resultaten van het archeologisch onderzoek een belangrijke aanwijzing dat de Sint-Thomaskerk en alle Sint-Maartenskerken op die plek – het schip van de kerk – hebben gestaan. Aan deze gegevens zal in dit artikel aandacht worden besteed, waarbij ze zullen worden gerelateerd aan het schriftelijk bronnenmateriaal.

Vogelvluchtafbeelding Domplein
Afb. 3. Reconstructie van de Utrechtse dom vóór de instorting van het schip in 1674. In de zuidzijde van dit schip bij de toren hing in het begin van de zeventiende eeuw de ‘domtafel’ waarop was aangegeven dat in illo presenti fundo (‘op deze grond hier’) de eerste Utrechtse kerk was gebouwd (zie afb. 2). In gebroken lijnen zijn op deze afbeelding de omtrekken aangegeven van het Romeinse castellum, de Heilig-Kruiskapel en het oostelijk deel van de kerk van Sint-Salvator of Oudmunster. Het oostelijk deel van de Heilig-Kruiskapel was half over het voormalige Romeinse hoofdgebouw heengebouwd. Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht,172.

Vóór bisschop Adelbold een lege plek?

Een vroege kerk ter plaatse van het schip van de latere domkerk kwam de onderzoekers die de eerste Sint-Maartenskerk elders situeerden natuurlijk niet goed uit. Daarom hielden zij tegen alle inmiddels beschikbare gegevens en door ons aangevoerde argumenten in staande dat op die plek vóór de tiende of zelfs de elfde eeuw nooit een kerk gestaan had of dat er althans nooit iets van zo’n kerk teruggevonden was. Zo schreef een voormalig stadsarcheoloog van Utrecht, T.J. (Tarq) Hoekstra, in 1996 heel stellig:

‘Het enige muurwerk dat ouder lijkt dan de Dom van Adelbold is in het zuidertransept van de huidige Dom gevonden. Daar het nergens mee te verbinden valt, is er geen andere verklaring voor te geven dan: restje van een ouder bouwwerk.’[8]

Adelbold was bisschop van Utrecht tussen 1010 en 1026.

Over het tijdstip waarop op die plek dan wel voor het eerst een kerk gebouwd zou zijn, bestond onder de voornoemde onderzoekers verschil van mening. Hoekstra hield het, met een slagje om de arm, kennelijk op de tijd van Adelbold. Dit is des te opmerkelijker omdat hij in een in 1988 geschreven artikel nog was uitgegaan van een voorganger van de dom van Adelbold op dezelfde plaats. Deze oudere kerk had hij toen toegeschreven aan bisschop Balderik (918-975).[9]

Ook zijn opvolger als stadsarcheoloog van Utrecht, H.L. (Huib) de Groot, ging er van uit dat al bisschop Balderik op die plek een nieuwe Sint-Maartenskerk had gesticht. ‘Daartoe was’ volgens hem ‘binnen het grondgebied van de bisschoppelijke burcht alleen ruimte ten noorden van de Kruiskapel: de plaats van de tegenwoordige Dom.’[10] In het overzichtswerk van de Utrechtse geschiedenis ‘Een paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht, verschenen in 2000, zei De Groot verder, overigens slechts in een noot en zonder nadere onderbouwing:

‘In 1949 is onder leiding van Van Giffen gegraven op de plek van het verdwenen schip van de Utrechtse Dom. Daarbij is een aantal uitbraaksleuven waargenomen van een bouwwerk dat aantoonbaar ouder is dan de overblijfselen van de romaanse Dom. De interpretatie van deze uitbraaksleuven is problematisch. Gezien de omvang en de zwaarte van dit gebouw is het eerder aannemelijk dat het in de tiende eeuw moet worden gedateerd dan op de zevende of achtste eeuw. Een datering op de Romeinse periode is uitgesloten’.[11]

Hij keerde zich hiermee impliciet tegen de opvatting van zijn collega Hoekstra uit 1996, dat het enige muurwerk dat ouder leek dan de dom van Adelbold onder het zuidertransept van de tegenwoordige domkerk was gevonden.

De Utrechtse mediëviste J.M. (Johanna Maria) van Winter dacht voor het leggen van de fundamenten ook aan de tiende eeuw, onder bisschop Folkmar (976-990), om dan voor de feitelijke bouw toch weer bij Adelbold uit te komen. Zij stelde:

‘Ik zou de mogelijkheid willen overwegen dat bisschop Folcmar de eerste fundamenten heeft gelegd voor de dom van Adelbold. Zijn collega bisschop Dodo van Münster (ca 970-993) geldt als bouwheer van de tweede dom van Münster, in de vorm van een groot westwerk aan de toch al bestaande kloosterkerk aldaar, naast de kleine domkerk uit Liudgers tijd. Door deze bouwbedrijvigheid kan ook Folcmar zijn aangespoord om de toch wel erg kleine Sint Maartenskerk op de plaats van de Heilige Kruiskapel te vervangen; een voornemen dat hij echter niet heeft uitgevoerd.’[12]

Die ‘toch wel erg kleine Sint Maartenskerk’ levert inderdaad een probleem op. Een vereenzelving ervan met de Heilig-Kruiskapel of een soortgelijk kerkje op dezelfde plek, waar onder anderen Hoekstra, De Groot en Van Winter aan vasthouden, betekent namelijk dat een gebouwtje van in totaal amper 19 meter lengte en een schip van minder dan 6 meter breed nog tot in de tiende eeuw of zelfs het begin van de elfde eeuw de kathedraal van het bisdom Utrecht is geweest. Want koninklijke en keizerlijke oorkonden uit 815, 858, 896 en 950 noemen expliciet de Sint-Maartenskerk de bisschopzetel, dus de kathedraal of domkerk, van dit bisdom.[13]

Hier komt nog bij dat de geschreven bronnen in het algemeen geen melding maken van de bouw van een kerk in de tiende eeuw. Een – overigens naar de vorm onechte – oorkonde, die gedateerd is op 1 juli 940, legt bisschop Balderik de woorden in de mond dat hij na zijn terugkeer de kerken alleen maar zo goed en zo kwaad als het ging heeft hersteld. Inhoudelijk kan deze mededeling wel juist te zijn. Ook de wél echte levensbeschrijving van de aartsbisschop van Keulen Bruno, geschreven door zijn tijdgenoot Ruotger, maakt hier namelijk melding van.[14] Deze Bruno was in Utrecht door bisschop Balderik opgevoed. Er is verder één bron, een veertiende-eeuwse bisschopslijst, die zegt dat bisschop Adelbold (1010-1026) de domkerk voltooide die bisschop Balderik – dus niet zijn opvolger Folkmar, zoals Van Winter wil – begonnen was.[15]. De bisschoppen na Balderik tot Adelbold worden nergens in de bronnen als bouwheren van nieuwe kerken vermeld.












[16]   H. van Engen en K. van Vliet red., De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2012).

[17]   Ald. 37-68.

[18] Interessant hierbij is overigens dat in een ook in 2000 verschenen artikel in het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond de archeoloog C.A.M. (Cees) van Rooijen, die een tijdlang werkzaam was bij het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum van de gemeente Utrecht, reeds melding heeft gemaakt van de vondst van een ouder kerkgebouw dan Adelbolds dom in de documentatie van de oude opgravingen. Deze ‘spectaculaire ontdekking’ was volgens hem gedaan door Gert Rauws, vrijwilliger bij het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum van de gemeente Utrecht (
‘De datering van de Heilig-Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 99 (2000) 62-67, ald. 65 en 67, nt. 28). Van Rooijen verwees hierbij overigens slechts in een noot, ald. 67, naar onze aan het begin van deze webpagina vermelde, in 1997 verschenen publicatie Van tempeltje tot kathedraal (zie nt. 1), waarin ook door ons al, op basis van onder meer de bevindingen van Ozinga en De Weerd, melding was gemaakt van fundamentresten die ouder zouden moeten zijn dan in elk geval de elfde en waarschijnlijk zelfs de tiende eeuw.

[19] Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld’, 43-44.

[20] Schrijver verwijst hierbij naar Ozinga en De Weerd in Het Romeinse castellum, 55. Ozinga en De Weerd behandelen op deze plaats wat door Van Giffen ‘Periode VI’ van het Romeinse castellum werd genoemd.

[21] Als noot voegt Hundertmark hier in: ‘Mondelinge mededeling A.G. Rauws, lange tijd als vrijwilliger actief bij Cultuurhistorie gemeente Utrecht.’ Naar onze publicatie
Van tempeltje tot kathedraal uit 1997 wordt niet verwezen.























Westwerk Karolingische dom
Afb. 4b. Detail van de nevenstaande plattegrondreconstructie van bebouwing aangetroffen onder het verdwenen schip van de Utrechtse dom. Geheel zwart de reconstructie van het westwerk van de dom die door Hundertmark in de tijd van bisschop Balderik, door ons in de Karolingische periode gedateerd wordt. In open lijnen een Romeins gebouwtje, vermoedelijk een tempeltje.




[22] Zie nt. 13. Zie ook de webpagina over de
Karolingische domkerk.
Pre-Romaanse bebouwing

Jarenlang hebben de onderzoekers moeten gissen naar de betekenis van die uitbraaksleuven waar de voormalig stadsarcheoloog van Utrecht H.L. de Groot in zijn hierboven genoemde noot in de publicatie over de geschiedenis van de stad Utrecht uit 2000 welhaast terloops melding van maakte en waarvan hij zei dat het ‘eerder aannemelijk’ was dat het erbij horende gebouw in de tiende eeuw moest worden gedateerd dan in de zevende of achtste en dat een datering in de Romeinse tijd uitgesloten was.

In januari 2012 verscheen evenwel een bundel artikelen onder de titel De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht.[16] Hierin is ook een bijdrage opgenomen van de bouwhistoricus H. (Hein) Hundertmark onder de titel ‘Naar Adelbolds voorbeeld. De kerken van bisschop Bernold’.[17] Aangezien de auteur zichzelf presenteert als bouwhistoricus bij de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, mag worden aangenomen dat hij hiermee min of meer de huidige opvattingen van de betreffende afdeling representeert. Hundertmark beperkte zich in dit artikel evenwel niet tot de dom van bisschop Adelbold, die tot stand kwam tussen 1017 en 1023, maar besteedde ook enige aandacht aan de oudere bebouwing ter plaatse.

In zijn artikel verwijst hij voor de genoemde uitbraaksleuven naar ‘A.G. Rauws, lange tijd als vrijwilliger actief bij Cultuurhistorie gemeente Utrecht’, die deze vondst al in 1996 zou hebben gedaan. Hij zal dus toen ook al aan de Utrechtse stadsarcheologen Hoekstra en De Groot bekend moeten zijn geworden. Toch beweerde Hoekstra in hetzelfde jaar nog dat het erop leek dat er ter plaatse geen oudere kerkelijke bebouwing dan de dom van Adelbold was aangetroffen. Hoe dit alles ook zij, het talrijke geïnteresseerde publiek heeft hierna dus zestien jaar op een nadere beschrijving van deze belangwekkende gegevens en de interpretatie daarvan door archeologen dan wel bouwhistorici moeten wachten.[18]

We citeren nu Hundertmark uit zijn in 2012 verschenen artikel:[19]

‘Resten van de fundering van een preromaanse voorganger van de Dom van Adelbold zijn ontdekt bij de opgravingen op het Domplein in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw, maar als zodanig niet herkend. Aanvankelijk werd gedacht dat het hier om laat-Romeinse sporen ging, later zijn ze gedateerd als (post-)Karolingisch, dat wil zeggen uit de achtste, negende of tiende eeuw.[20] Bij hernieuwd, niet gepubliceerd onderzoek naar de oude opgravingstekeningen door A.G. Rauws in 1996 kwam aan het licht dat er meer uitbraaksleuven waren die in deze periode geplaatst kunnen worden.[21] Ik volg hier zijn interpretatie, waardoor het mogelijk wordt om een reconstructie te maken van een reeks parallel en haaks op elkaar liggende koppelfunderingen, die behoren tot wat gezien kan worden als de  fundering van het westwerk van een in de tijd van Balderik (925-975) te dateren kerk. Dit westwerk bestond, zoals in die tijd gebruikelijk, waarschijnlijk uit  een westtransept met twee torens. Opvallend is dat de zuidwestelijke toren zich bevond ter plaatse van het eerder genoemde, kleine vierkante Romeinse gebouwtje, waar waarschijnlijk ook het door Willibrord herbouwde kerkje van Dagobert heeft gestaan.’

Kerkelijke bebouwing Domplein
Afb. 4a. Plattegrondreconstructie van de middeleeuwse uitbouw van de burcht Trecht en de bebouwing ter plaatse van de domkerk. Tek. H. Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld’, 53.

Hoewel dit niet met zoveel woorden wordt gezegd, hebben we hier  hoogstwaarschijnlijk weer te doen met de ‘uitbraaksleuven’ die door Van Giffen in 1949 als periode VIc in de Romeinse tijd gedateerd werden.

Meten we de breedte van deze reconstructie na, dan komen we uit op ongeveer 15 meter. Het ging dus om een redelijk fors gebouw. Opvallend is verder dat deze kerk zich nog ten noorden van de via principalis zal hebben bevonden, maar over de via praetoria is heengebouwd (zie hierna afb. 10). De Romeinse westpoort zal zich overigens enkele meters meer naar het zuiden hebben bevonden dan de hierboven afgebeelde plattegrond aangeeft. Zoals uit andere opgravingstekeningen blijkt, liep de via principalis precies zuidelijk van de huidige domtoren.

Helaas wordt door Hundertmark niet aangegeven waar de datering van het genoemde bouwwerk in de tijd van Balderik op gebaseerd is. Zoals gezegd is deze bisschop na de vlucht van de Utrechtse geestelijkheid voor de Noormannen kort na het midden van de negende eeuw omstreeks 920 weer naar de oude bisschopsstad teruggekeerd. Van hem vermelden de geschreven bronnen dat hij na zijn terugkeer de oude zo niet verwoeste dan toch vervallen kerken zo goed en zo kwaad hij kon hersteld heeft.[22] Verder is er één enkele bron, een veertiende-eeuwse bisschopslijst, die zegt dat bisschop Adelbold (1010-1026) de kerk voltooide die bisschop Balderik begonnen was. Zoals we zo dadelijk zullen zien, is dit gegeven echter niet te plaatsen in de nu bekende archeologische gegevens.





[23] In een krantenartikel in het Utrechts Nieuwsblad van 1 december 1989, p. 13, sprak Ozinga al van de mogelijkheid van een gebouw uit de Karolingische tijd (700 tot 1000), mogelijk een kerkje.













[24] A.E. van Giffen, 'Inheemse en Romeinse terpen. Opgravingen in de dorpswierde te Ezinge en de Romeinse terpen van Utrecht, Valkenburg Z.H. en Vechten', in: Jaarverslag van de Vereeniging voor Terpenonderzoek, nrs. 29-32 (1944-1948) 1-66, ald. 16, en: Nieuw Utrechts Dagblad van 11 maart 1949, p. 5.




[25] Hoekstra, ‘De Dom van Adelbold’, 100-102.







[26] Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 22-26.












[27] H. Bruch uitg., Chronographia Johannis de Beke. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie nr. 143 (’s-Gravenhage 1973) 75.


[28] W. Trillmich uitg., Thietmari Mersseburgensis episcopi Chronicon. Ausgewählte Quellen zur deutschen Geschichte des Mittelalters. Freiherr Vom Stein-Gedächtnis Ausgabe (Darmstadt 1974) 436.


[29]
Jamar en Van Kalveen uitg., Catalogus episcoporum, 64-65.























Muurwerk PR1 en PR2
Afb. 6. Het muurwerk PR1 en PR2. Op de achtergrond een pijler van het Gotische schip. Foto Biologisch Archeologisch Instituut Rijksuniversiteit Groningen.
PR1 en PR2 opnieuw belicht

De ‘vondst’ en duiding van deze resten (VIc?) door de vrijwilliger A.G. Rauws uit 1996 – welke vondst in hetzelfde jaar door stadsarcheoloog T.J. Hoekstra nadrukkelijk ontkend was, al had zijn collega-archeoloog Bert Ozinga er al in 1989 op gewezen –[23] brengt ons er intussen toe wél waarde te hechten aan Hoekstra’s toeschrijving en datering van de zware fundamenten die archeoloog Van Giffen in 1949 had aangetroffen en die hij als ‘Pre-Romaans’ had gedateerd: PR1 en PR2. De onderste PR1, ongeveer een meter hoog, bestond uit kleine keien en specie van een lichtgrijze kleur; PR2 daarboven uit grotere stenen, die gemetseld waren met ‘merkwaardige mortel, een grove kalk-zandspecie, vermengd met rood baksteengruis’. Deze specie had Van Giffen ook aangetroffen in het fundament van de Heilig-Kruiskapel en de vroegmiddeleeuwse herstellingen van de Romeinse burchtmuur. Beide helften waren gescheiden door een laagje ‘pikkige, zwarte grond’, dat de archeoloog ook overal in de profielen was tegengekomen tussen 0,90 en 1,40 meter onder het Romaanse loopvlak. Van Giffen sprak met betrekking tot het muurwerk PR1 en PR2 van een ‘sacraal tweeperioden-gebouw’, waarvan het oudste zou dateren uit de eerste helft van de negende en het tweede uit de tiende eeuw.[24] Bij hem was dus al sprake van twee gebouwen, waarschijnlijk kerken, die ouder waren dan de door bisschop Adelbold gebouwde domkerk.

Hoekstra heeft echter enkele decennia geleden de toeschrijving en datering van zijn collega Van Giffen aangevochten. Volgens hem zouden PR1 en PR2 uit dezelfde tijd dateren en behoord hebben tot de door Adelbold tussen 1017 en 1023 gebouwde domkerk. Een belangrijk argument daarbij was voor hem dat ook bij de kapittelkerk van Sint-Jan en de abdijkerk van Sint-Paulus in Utrecht een uit twee delen bestaande fundering is aangetroffen, terwijl er toch algemeen van uitgegaan wordt dat deze kerken in één keer zijn gebouwd.[25]

Wij hebben indertijd bij deze datering een aantal vragen aan Hoekstra gesteld. Zo hebben we hem gewezen op de verschillende soorten specie voor het metselen van de beide door Van Giffen vastgestelde delen PR1 en PR2. Ook hebben we de aandacht gevestigd op het door Van Giffen geconstateerde donkere laagje pikkige grond, dat zich niet alleen – zoals Hoekstra beweerde – tussen de beide delen bevond, maar volgens Van Giffen ook overal in de profielen werd aangetroffen.[26] Dit zou er toch op kunnen duiden dat het inderdaad om gebouwen uit twee perioden ging.

Onze vragen zijn nooit door Hoekstra beantwoord. Maar ondanks dat denken wij nu, na bekendmaking van de zogenaamde vondst van A.G. Rauws, dat Hoekstra waarschijnlijk gelijk heeft dat het bij PR1 en PR2 om de fundamenten van één gebouw gaat en dat dit dan waarschijnlijk de dom van Adelbold, gebouwd tussen 1017 en 1023, betreft. Het donkere laagje pikkige grond tussen de beide delen zou dan bij een bouwstop vanuit de bredere laag tussen de beide fundamentdelen terechtgekomen kunnen zijn.

Misschien is er ook nog een andere verklaring voor de twee fundamentdelen en het donkere laagje daartussen en in de profielen. Terwijl de veertiende-eeuwse geschiedschrijver Jan Beke zegt dat Adelbold de oude dom in 1015 sloopte en fundamenten voor de nieuwe legde,[27] zegt de eigentijdse chroniqueur Thietmar van Merseburg dat in 1017 in Utrecht de domkerk afgebrand was.[28] Het is aantrekkelijk te denken dat deze laatste de oude Karolingische dom of althans het restant daarvan was, en dat het donkere laagje pikkige grond van deze brand afkomstig is geweest. De gang van zaken is wellicht nog ingewikkelder wanneer men bedenkt dat de hiervóór al genoemde veertiende-eeuwse bisschopslijst, overigens als enige bron, zegt dat Adelbold de domkerk afbouwde die Balderik begonnen was.[29] We durven op basis van wat nu bekend is hierover geen uitspraak te doen. Een complicerende factor is dat de door Rauws aangetroffen funderingen (die wij als Karolingisch beschouwen) en de funderingen PR1 en PR2 (die waarschijnlijk van de Romaanse dom van Adelbold zijn) nagenoeg op dezelfde plaats liggen, zij het dat ze een verschillende oost-westas hebben. Wellicht zouden nieuwe opgravingen of een nieuwe interpretatie van de oude opgravingsverslagen – maar ja, wie waagt zich daaraan? – alsnog meer duidelijkheid over de precieze opeenvolging van de gebouwen ter plaatse kunnen verschaffen.

Het is intussen toch wel merkwaardig dat Van Giffen zich destijds niet gebogen heeft over de vraag welke fundamenten in zijn optiek dan wél Romaans waren. Mogelijk ging hij er net als wij in ons genoemd artikel uit 1997 in het tijdschrift Westerheem van uit dat de Romaanse dom op de fundamenten van PR1 en PR2 was opgetrokken. Van Giffen trof overigens wél vloeren aan die hij Romaans noemde, en wel op 4,80 en 4,85 meter +NAP, dus dicht op elkaar. Zeker is dat die Romaanse kathedraal in de twaalfde eeuw nog vergroot is. De tweede vloer zou uit de tijd van de uitbreiding kunnen dateren.

Zie over deze problematiek ook de webpagina PR1 en PR2 revisited.

Plattegrond en ideaalprofiel opgraving Van Giffen
Afb. 5. Opgravingstekening – plattegrond en ideaalprofiel – van oud muurwerk onder het verdwenen schip van de domkerk naar E.A. van Giffen met de door hem gedane dateringen: PR.1 = Pre-Romaans, eerste helft negende eeuw; PR.2 = Pre-Romaans tiende eeuw; I-VIa = Perioden van het Romeinse castellum; K = Karolingisch; R = Romaans; G = Gotisch. De aangegeven hoogte bij het profiel van 3 m +NAP is in werkelijkheid 2,20 +NAP (het huidige maaiveld bevindt zich op ongeveer 5,60 meter, het Romaanse loopvlak dat over PR2 heenloopt, op circa 4,50 meter). Hoekstra dateerde PR1 en PR2 beide op het begin van de elfde eeuw. Van Giffen beeldt hier de periode VIa af met daarboven een laag die hij Karolingisch noemde. Het is niet zonder meer duidelijk of hij met deze laatste laag de perioden VIb en VIc – de ‘uitbraaksleuven’ van De Groot, de Balderikdom van Hundertmark of de Karolingische dom van ons? – bedoelde. Waarschijnlijk niet, want de aanduiding VI duidt bij hem op de zesde fase van het Romeinse castellum. Periode VI werd door Ozinga en De Weerd in haar geheel op de Vroege Middeleeuwen – (na) de vierde eeuw tot circa 1000 – gedateerd. Afbeelding uit Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 163.

Werktekening Van Giffen
Afb. 7. Werktekening van Van Giffen (detailprofiel van opgravingsput XIX met onder meer de fundamenten PR1 en PR2).

niveau +N.A.P.                      omschrijving                                                     periode

5,60 m                                    huidig loopvlak                                                     (2008)

5,40 m

5,20 m

5,00 m     4,95 à 5,00 m       vloer(en) Gotische domkerk                    (circa 1475)

4,80 m     4,75 en 4,80 m     vloeren Romaanse domkerk                  (circa 1020)

4,60 m     4,55 m                   Pre-Romaanse vloer

4,40 m     4,35 m                   Pre-Romaanse vloer

4,20 m
                                         (4,10-4,16 m  vloerni­veau Heilig-Kruiskapel)
4,00 m

3,80 m      3,60 à 3,85 m       Pre-Romaanse vloer(en)            (Merovingische en
                                                  en vloerniveaus                Karolingische periode?)
3,60 m

3,40 m

3,20 m

3,00 m       2,80 à 3,20 m       funderingsresten                          (zevende eeuw?)

2,80 m

2,60 m
                 2,50 à 2,60 m         loopvlak Romeins castellum             (derde eeuw)
2,40 m       2,45 m                  resten Romeins tempeltje

Afb. 8. Grondniveaus, vloeren en vloerniveaus ter plaatse van het verdwenen schip van de domkerk tussen het tegenwoordige loopvlak op 5,60 m +N.A.P. en de Romeinse periode. Niet aangegeven zijn de zware funderingen tussen 2,50 en 4,50 m (PR1 en PR2), die waarschijnlijk hebben behoord tot de Romaanse domkerk van 1017-1023. Cursief het vloerniveau van de Heilig-Kruiskapel. Naar: A.E. van Giffen (zie nt.) en wat de Heilig-Kruiskapel betreft Van Rooijen, ‘De datering van de Heilig-Kruiskapel’, 65.
Periode VI
Afb. 9. Profiel en vlak met een greppel met zwarte vulling (periode VIa). Daarboven, met brokjes steen, periode VIb, afgedekt door een ingraving met lichtere vulling (periode VIc). Volgens Ozinga en De Weerd gaat het bij VIc  om de resten van een gebouw uit de (post-)Karolingische tijd. Hun collega De Groot dateert het eerder op de tiende dan in de zevende of achtste eeuw. Ozinga, Het Romeinse castellum, 55, afb. 25.


[30] Ozinga en De Weerd, Het Romeinse castellum, 55

[31] Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld’, 43 en ald. nt. 16.




Perioden VIa en VIb

In het artikel van Hundertmark wordt intussen verder niets gedaan met de vermelding door Van Giffen van drie perioden, die hij als Laat-Romeins beschouwde en die hij – overigens niet op de tekeningen maar in de tekst – VIa, VIb en VIc noemde. Ozinga en De Weerd gingen er evenwel van uit dat het hierbij niet om Romeinse maar om vroegmiddeleeuwse resten ging en beschouwden periode VIc als (post-)Karolingisch. Periode VIa werd door hen in of kort na de vierde eeuw gedateerd; over het tussenliggende VIb lieten zij zich, net als nu Hundertmark, niet uit.[30]

Wél plaatst deze laatste, na gezegd te hebben dat voor de Sint-Thomaskerk van koning Dagobert en de Sint-Maartenskerk van Willibord, die hij ‘de beide elkaar opvolgende kerkjes’ noemde, de archeologische informatie ontbrak, in zijn artikel de volgende noot:

‘Dit beeld moet mogelijk worden bijgesteld na de heropgraving die in de zomer van 2011 – kort voor de afronding van dit artikel – heeft plaatsgevonden op het Domplein. Daarbij zijn onder de strokenfundering van de Dom van Adelbold resten van oudere funderingen aangetroffen, waarvan de oudste aan de hand van een muntvondst kon worden gedateerd vóór het laatste kwart van de zevende eeuw. Naar het zich nu (september 2011) laat aanzien gaat het hier om een fragment van het kerkje van Dagobert.’[31]

Wij houden het er gezien het bovenstaande vooralsnog op dat de in de jaren negentig van de twintigste eeuw door de Utrechtse stadsarcheologie ontkende dan wel in voetnoten weggemoffelde ‘spectaculaire vondst’ van bouwresten onder de Romaanse dom betrekking heeft op een Karolingische domkerk, die in de tweede helft van de achtste of de eerste helft van de negende eeuw gebouwd is, en voorts dat de door Van Giffen vastgestelde periode VIb naar alle waarschijnlijkheid vereenzelvigd mag worden met de door koning Dagobert omstreeks 630 gebouwde Sint-Thomaskerk, die circa 720 door Willibrord vanaf het fundament werd herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd. Een en ander is door de archeologen R.J.P. Kloosterman en R.D. Hoegen voorlopig nader uitgewerkt in hun in november 2015 verschenen verslag Domplein revisited van de opgravingen van zomer 2011.

Zie hierover ook de webpagina Utrechts eerste kerk revisited.



















[32] Het Romeinse castellum, 54-55 en 61, nt. 72a; zie ook t.a.p., 36, afb. 12a, en 107, afb. 70, en 109.

[33] Ald., 61, nt. 72a.


Derde-eeuws castellum
Afb. 10. Plattegrond van de laatste, derde-eeuwse fase van het Romeinse castellum. In dunne lijnen is de tegenwoordige bebouwing aangegeven. 1 = via principalis; 2 = via praetoria; A = Romeins hoofdgebouw; B = het mogelijke tempeltje; C = tegenwoordige domtoren; D = restant (dwarsschip en koor) van de domkerk. Op de plaats van het verdwenen schip van de domkerk – aan de kruising van de via praetoria en de via principalis – stond in deze periode een rechthoekig gebouwtje, mogelijk een tempeltje (B).

Tempeltje
Afb. 11. Hypothetische reconstructie van het gebouwtje, mogelijk een tempeltje, waarvan de resten van het muurwerk en van de palen van de gaanderij langs de straat zijn teruggevonden.

Plattegrond tempeltje
Afb. 12. De situering van het Romeinse hoofdgebouw en het mogelijke tempeltje bij de kruising van de via principalis en de via praetoria.


[34] Bijdragen en Mededelingen tot de Geschiedenis der Nederlanden 111 (1996) 533-534, ald. 534.

[35] Zie daarover bv. de archeoloog die deze tempels heeft opgegraven: J.E.A.Th. Bogaers, De Gallo-Romeinse tempels te Elst in de Over-Betuwe (’s-Gravenhage 1955). Over het bouwen van kerken op heidense cultus­plaatsen J. Schuyf, Heidens Nederland (z.pl. [Utrecht] 1995) 13 en 68-81.

[36] Aldus de architectuurhistorici R. Rijntjes en  J. Stöver op
een 3D-reconstructie en de historicus R. de Kam, de bouwhistoricus F. Kipp en de computerspecialist D. Claessen in hun boek over de Utrechtse domtoren.
Een Romeins tempeltje?

Met deze bouwresten, die tussen de vierde en de tiende eeuw worden gedateerd, is nóg niet alle bebouwing op deze plaats behandeld. Wanneer precies op dezelfde plek tussen de domtoren en het restant van de Gotische domkerk dieper gegraven wordt, treffen we de bodemlaag aan van het vijfde en laatste Romeinse castellum. Deze laag werd daarom door Van Giffen periode V genoemd. En weer komen we ‘op deze grond hier’ tot onze verrassing de resten van een gebouw tegen. We citeren opnieuw Ozinga en De Weerd:

‘Tot periode V is ook een rechthoekige steenbouw (ca 6.80 x 5.30 m binnenwerks met een 0.68 brede fundering) te rekenen die in de praetentura op de linkerhoek van de via praetoria en de via principalis tegenover de principia ligt; hierbij kan aan de straatzijde een gaanderij worden verondersteld. Het is niet mogelijk de functie van dit gebouw (een tempel?) met zekerheid vast te stellen.’[32]

De via principalis en de via praetoria zijn de wegen die door het fort liepen; de praetentura is het gebied ten noorden van de via principalis (zie afb. 10 en 12).

Een duidelijke parallel voor het mogelijke tempeltje (zie afb. 11) zagen de onderzoekers in het Romeinse fort te Richborough in Kent, dat als onderdeel van de kustverdediging rond 275 werd gebouwd. Daar lag een vergelijkbaar rechthoekig gebouwtje, waarin ook de Engelse archeologen een tempeltje vermoedden, eveneens tegenover de principia op de hoek van de via principalis en de via praetoria.[33]

Tot besluit

Gezien het voorgaande hebben we met genoegen geconstateerd dat de al door de archeologen Ozinga en De Weerd in 1989 vastgestelde, maar door de Utrechtse stadsarcheologen ontkende dan wel zeer omfloerst aangegeven funderingsresten – waarschijnlijk gebeurde dit in 1992 en de jaren erna om de Heilig-Kruiskapel te kunnen blijven presenteren als ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ – nu door de publicatie van bouwhistoricus H. Hundertmark enige gespecificeerde aandacht hebben gekregen.

Ondanks bewering van het tegendeel door de voormalig stadsarcheoloog T.J. Hoekstra in 1996 zijn er dus wel degelijk verschillende vroegmiddeleeuwse resten van stenen bebouwing teruggevonden bij de plek waar de domtafel de eerste Utrechtse kerk situeerde. De oudste daarvan dateren nog uit de Romeinse tijd en hebben wellicht bestaan uit een tempeltje. Daarboven bevond zich een bodemlaag bestaande uit drie fasen – VIa, VIb en VIc – waarvan de oudste op (na) de vierde en de jongste op de achtste tot de tiende eeuw gedateerd werd en waarin de archeoloog Ozinga in 1989 al een kerkje vermoedde. Het is zeer wel mogelijk dat de middelste laag van deze resten, periode VIb, behoord heeft tot de door koning Dagobert gebouwde Sint-Thomaskerk en de na de verwoesting door de Friezen herbouwde en toen aan Sint-Maarten gewijde kerk van Willibrord. Verder zijn er minstens vier vloeren en vloerniveaus aangetroffen beneden de vloer van de Romaanse domkerk, waarvan een deel behoord zal hebben tot een waarschijnlijk Karolingische domkerk.

Het is dus onjuist te beweren, zoals naast Hoekstra bijvoorbeeld de mediëviste J.M. van Winter deed, dat er van deze oudere, ‘Pre-Romaanse’ kerken ‘geen spoor is gevonden’,[34] al zal duidelijk zijn dat er nog onderzoek nodig is voor er meer duidelijkheid is verkregen over de vraag om welke kerken het gaat. Wellicht kunnen door ons gewenste opgravingen ten westen en ten oosten van die van A.E. van Giffen uit 1949 uitkomst bieden.

In ieder geval was de plaats waar de domtafel de eerste Utrechtse kerk situeerde noch in de Romeinse tijd noch in de vroege middeleeuwen een lege plek. En wanneer het rechthoekige Romeinse gebouwtje inderdaad een tempeltje is geweest, dan is het nog waarschijnlijker dat ‘op deze grond hier’ de eerste kerk heeft gestaan. Het was immers heel gebruikelijk dat tijdens de kerstening kerken werden gebouwd op de plaats van heidense heiligdommen. Het bekendste voorbeeld in Nederland is wel Elst in de Betuwe, waar onder de kerk niet alleen een Pre-Romaanse voorganger maar ook twee Gallo-Romeinse tempels werden aangetroffen.[35]

Onze conclusie is dan ook dat in de burcht Traiectum de Frankische koning Dagobert waarschijnlijk omstreeks 630 het Romeinse hoofdgebouw – of wat daar nog van over was – weer in gebruik heeft genomen en aan de andere kant van de via principalis, op de plaats van een heidens heiligdom, de eerste Utrechtse kerk heeft laten bouwen. Zij werd gewijd aan de ‘ongelovige’ apostel Thomas, een zeer toepasselijke patroon voor een missiekerk. Deze eerste kerk in Utrecht werd omstreeks 650 door de Friezen verwoest en vervolgens door de missionaris Willibrord circa 720 hersteld en aan Sint-Maarten gewijd. Alle latere domkerken werden over deze resten heengebouwd. Dat de Heilig-Kruiskapel – of een ouder gebouw op de plek waar zij stond, zoals het Romeinse hoofdgebouw – de eerste Sint-Maartenskerk is geweest, zoals sommigen zelfs in 2014 nog hardnekkig blijven beweren of althans voor mogelijk houden,[36] moet zowel op grond van de archeologische als van de geschreven bronnen uitgesloten worden geacht.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 1997-2015. - Gepubliceerd 2011; laatst bewerkt 17 december 2015.