
| Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen
| Uitgaven
| Vrijwaring | Contact |
|
| Dank aan Lucas van Dijck en Hans Vogels, die mij hun gegevens en analyses
ter beschikking stelden. Zie ook: ► Hoe oud is Tilburg? ► Het leengoed ter Rijt als domaniale kern van het dorp en de heerlijkheid Tilburg ► De herdgang de Rijt in Tilburg en de daar gelegen hoeve Ter Rijt ► Het domein Korvel in Tilburg |
De status en herkomst van het
Tilburgse geslacht Bac door Martin W.J. de Bruijn Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘De status en herkomst van het geslacht Bac’ (www.broerendebruijn.nl/Eyckherkomst.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]). In
het hierna volgende heb ik
de oudste vermeldingen van het ministeriale Brabantse geslacht Bac
nagetrokken. Op basis van
het
bewaard gebleven oorkondenmateriaal kom ik tot de conclusie dat hun
herkomst
vóór circa 1200 ligt in Tilburg. Ook wordt uit dit onderzoek duidelijk
dat de naamgeving
van
zowel voor- als achternamen in de Middeleeuwen niet volgens vaste
regels
verliep, maar wel aanwijzingen geeft over de herkomst van personen.
|
![]() Het wapen van het geslacht Bac(kx): een zilveren veld met een rood schildhoofd met gaande zilveren leeuw. Als helmteken een staande leeuw. Uit: A.A. Vorsterman van Oijen, Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën, dl. III, (Groningen 1890) 371-372. [1] Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 [ONB], dl. I-2, bew. H.P.H. Camps (’s-Gravenhage 1979), nr. 83. [2] Hier
wordt
niet ingegaan op de vraag of de ministerialen onvrij waren. Dit
lijkt in
ieder geval aan het eind van de twaalfde eeuw in Brabant niet meer het
geval te
zijn geweest.
|
De oudste bronnen met gegevens over de familie Bac dateren
van het eind van de twaalfde eeuw. De belangrijkste hiervan is wel een
in
origineel
bewaarde oorkonde van waarschijnlijk herfst 1195.[1]
Zij bevat een vredesverdrag tussen hertog Hendrik I van Brabant en de
graaf van
Gelre. Hierin werd onder meer bepaald dat de inwoners van de nieuwe
stad ‘op
het bos’ bij Orthen in het hele graafschap vrij zouden zijn van alle
tol. De
oorkonde bevat een uitvoerige lijst van personen die het verdrag
bevestigden en
die ik hier volledig weergeef: Et ut hec rata
et firma habeantur, tam liberi
quam ministeriales nostri, quorum nomina subscripta sunt, iuramento
confrmaverunt:
‘Opdat dit voor vast en zeker
gehouden wordt, hebben zowel onze vrije edelen als dienstlieden, van
wie de
namen ondergeschreven zijn, dit met een eed bevestigd:’
En dan volgen de namen: Willelmus
frater meus, Henricus de Kuc,
Walterus de Grimbergen, Godefridus de Scoten, Arnoldus de Dist, Iacobus
de
Calmont, Giselbertus de Tilbvrg, Boidinus de Altena, Gerardus de Iacia,
Henricus de Asca, Leonius de A, Daniel et Arnoldus de Craienhem,
Walterus de
Birbais, Iacobus de Summereffe castellanus de Brvsella, Arnoldus et
Willelmus
de Walehem, Arnoldus de Wesemale, Arnoldus de Rotslart, Willelmus
Wlpes,
Walterus Bac, Walterus Alf, Gerardus et Henricus de Hildeberge,
Henricus de
Bauterhem.
Op enkele ervan zal ik nader ingaan. Hier volstaat het te zeggen dat zoals gebruikelijk eerst de vrije edelen genoemd worden en daarachter de ministerialen of dienstlieden.[2] Onder de laatste treffen we een Walterus Bac aan, dus een Wouter Bac. |
| [3] ONB
I-1, nr. 77. [7]
Ald. I-1,
nr. 85; en Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 [OSU], dl.
2,
bew. K. Heeringa (’s-Gravenhage 1940), nr. 553. Vgl. nr. 552.
[8] Oorkondenboek
van Holland en Zeeland tot 1299, dl. 1 bew. A.C.F. Koch
(’s-Gravenhage
1970), nr. 244
. [9] OSU,
dl. II, nr. 554.
|
Het grensgebied van
Brabant, Gelre
en Holland Deze Wouter Bac treedt met anderen ook op in enkele andere oorkonden uit deze tijd. Om te beginnen in een later samengesteld document, dat op omstreeks 1185 gedateerd wordt, en geldt als het stadsrecht van ’s-Hertogenbosch.[3] Hiervan luidt de aangebrachte getuigenlijst: Henricus de
Kuke, Gerardus de Gremberge, Daniel de Fugthe, Willelmus de
Meghen, Alardus Rapa, Galtherus de Holthem, Walterus, Willelmus W.,
Lodouicus,
Rikewerenus, Elgerus, Nycolaus ende vele andere.
Van deze personen houd ik Walterus voor Wouter Bac en Willelmus W. voor Willem Vulpes, Vos, zoals ook kan worden afgeleid uit een oorkonde van 1200, overgeleverd in een laat-dertiende-eeuws afschrift.[4] In deze oorkonde geeft hertog Hendrik het rentmeesterambt van het domein Lithoijen, waarvan zijn dienstlieden zich meester hadden gemaakt, terug aan de Sint-Remigiusabdij in Reims. De getuigenlijst van de hertog luidt: Heinricus de
Cuch, comes de Megene Wilhelmus,
Arnoldus de Wesmale, Alardus Rapa, Wilhelmus Uulpes, Walterus Bac.
Opnieuw zien we hier enkele bekenden terug: Hendrik van Cuijk, Willem graaf van Megen, Arnoud van Wezemaal, Alard Rapa, Willem Vos en Wouter Bac. Uit de inhoud van de oorkonden en de hier genoemde vermeldingen mag men bovendien veronderstellen dat het, afgezien van de eerstgenoemde, gaat om dienstlieden uit het noorden van het hertogdom. En dit blijkt ook uit een aantal andere vermeldingen. Om te beginnen is er een in origineel bewaarde oorkonde overgeleverd van mei-juni 1196, waarin Albert van Dinther zichzelf en zijn bezittingen in de nabijheid van Bernheze opdraagt aan de abdij Berne.[5] Aangezien hij deze goederen van heer Hendrik van Cuijk in leen hield, droeg hij ter compensatie hiervan hem het vrijgoed Meel (in Gelderland onder Echteld) op. De getuigen van Albert bij deze gelegenheid waren (ik handhaaf de genitief uit de oorkonde): domni Alberti
filii domni Henrici, Theoderici de Herlar, Huberti de
Hesewich, Wilhelmi comitis de Megen, Anselmi de Welde, Walteri Bac,
Henrici
sculteti.
‘heer Albert zoon van heer
Hendrik
(van Dinther), Dirk van Herlaar, Hubert van Heeswijk, Willem graaf van
Megen,
Anselm van Weelde, Wouter Bac, schout Hendrik.’
Als getuigen van de abdij worden vermeld: Henricus de
Batenburh, consobrinus domni
Henrici, Walterus Alf, Marsilius de Loen, Wilhelmus Appelgrau, Egeno de
Har et
filius suus Robertus, Henricus Spigel, Helias.
Dus: ‘Hendrik van
Batenburg, neef van moederszijde
van heer Hendrik, Wouter Alf, Marselis van Loon, Willem Appelgrau,
Eugeno van
Haren (waarschijnlijk bij Oss) en zijn zoon Robert, Hendrik Spigel,
Elias.’
Een oorkonde van rond 1198, waarin de hertog van Brabant oorkondt dat Godfried van Breda en Schoten erkende aan de hertog onder meer de burcht Breda te hebben opgedragen en haar van hem in leen terugontvangen te hebben,[6] noemt als getuigen: Henricus de
Kuyc, Arnoldus de Wesemale, Walterus Alph, Alardus Rapa,
Walterus Bach, Willelmus de Eekerne.
In 1200 oorkondt de hertog dat de abt van Echternach op zijn verzoek de kerk van Drumpt op zekere voorwaarden aan de kerk van Tiel geschonken heeft. Hiervan zijn twee exemplaren bewaard gebleven.[7] In een exemplaar dat in Tiel bewaard wordt vinden we als getuigen (ik handhaaf opnieuw de genitief) Reineri
scriptoris, Ottonis comitis Gelrie, Heinrici de Cuc, Arnoldi de
Wismale, Walteri Bac;
en in een exemplaar dat in het archief van het Duitse Huis in Utrecht bewaard wordt: Reineri
scriptoris, Arnoldi de Uisemale, Arnoldi de Udenchem, Wilhelmi
Uulpis, Walteri Bac.
Behalve de schrijver van de oorkonden Reinier dus graaf Otto van Gelre, Hendrik van Cuijk, Arnoud van Wezemaal, Arnoud van Udekem (in Bierbeek in Vlaams-Brabant), Wouter Vos en Wouter Bac. Op 3 november 1200 sloten de hertog en graaf Diederik VII van Holland een verdrag waarbij voor de hertog weer een aantal van de bovengenoemden, onder wie Willem Vos en Wouter Bac, voor hem aanwezig waren.[8] Een actievere rol was aan Wouter toebedeeld bij het sluiten van een verdrag op 22 januari 1201 tussen de hertog en de graaf van Gelre.[9] De Gelderse graaf zou bij Driel van de kooplieden en het groot- en kleinvee een dusdanige tol ontvangen als rechtens veertig jaar tevoren werd ontvangen. Dit gebeurde volgens een waarheidsgetrouw verslag van Bruisten van Driel en Wouter Bac. Hieruit blijkt dat deze laatste actief bij het hertogelijk bestuur betrokken was. |
| [10] Oorkondenboek
van de abdij Tongerloo [OT], dl. I, bew. M.A. Erens (Tongerlo
1948), nr.
55. [12]
Op grond
van de context, en met name mede op grond van latere vermeldingen van
Bac van
Bomal, mag worden aangenomen dat het hier om Bomal in de buurt van
Tienen gaat.
Zowel Bommel in de Betuwe als Bomal bij Durbuy is mede vanwege de de
afstand
minder aannemelijk.
[16] ONB
I-1, nr. 111.
|
Vlaams-Brabant Kort hierna, in 1214, komen we een Wouter Bac tegen in oorkonden die betrekking hebben op goederen en rechten in Vlaams-Brabant. Vóór het tegendeel is aangetoond, ga ik ervan uit dat het om dezelfde Wouter ging dan de hierboven behandelde. In een oorkonde van vóór 1206 was hij getuige van de verkoop door Ymagina abdis in Munsterbilzen in Belgisch Limburg van het vrijgoed van Halle ten zuiden van Brussel, en wel aan het klooster Tongerlo, eveneens in Vlaams-Brabant bij Westerlo gelegen.[10] Tot de getuigen behoorden onder anderen ook weer Arnoud van Wezemaal, die heer van Westerlo was. In 1209 was Wouter Bac getuige in een schenking door de hertog van Brabant van de tiend van Broechem aan Tongerlo.[11] Tot de lekengetuigen behoorden Lodewijk graaf van Loon (tegenwoordig Belgisch Limburg), Arnoud van Diest, Godfried van Breda, Arnoud van Wezemaal, Arnoud de spijsdrager (dapifer, het hoofd van de hertogelijke hofhouding), Robert van Tienen, Wouter Bac, Wouter Boc en anderen. Ik vermeld deze bronnen omdat ze erop wijzen dat Wouter Bac nu ook bij rechtshandelingen betreffende rechten op gebieden in zuidelijker Brabant betrokken was. Maar vóór 1201 waren dit rechtshandelingen betreffende rechten in en rond het noorden van het hertogdom. Voor de rest van de dertiende eeuw beschikken we over minder gegevens betreffende het geslacht Bac, maar ze worden wel concreter. Opmerkelijk hierbij is dat bij de volgende generaties toevoegingen voorkomen die wijzen op een weliswaar Brabantse, maar Zuid-Nederlandse afkomst: Bac van Olen en Bac van Bomal (bij Tienen?).[12] Men zou verwachten dat deze Bac-tak of Bac-takken ook bezittingen in dit gebied zouden hebben, maar merkwaardigerwijs is hierbij pas sprake tegen het midden van de dertiende eeuw. Op 27 mei 1244 gaf het kapittel van Sint-Salvator of Oudmunster in Utrecht de tiend van Olen vlak bij Westerlo en Tongerlo in erfelijke pacht aan de abdij. Wouter Bac, ridder, had die tiend in erfelijke pacht gehouden van het kapittel en had daarvan samen met zijn zoon Wouter (!) en zijn dochter Geertruid ten behoeve van het kapittel afstand gedaan. Dit wijst op betrekkingen die toen al een aantal jaren hadden bestaan.[13] Ik kom hierop terug. Tilburg en omgeving Op 6 april 1248 oorkondde de schout van ’s-Hertogenbosch dat een Arnoud Bac, zoon van Wouter Bac de Nole (waarschijnlijk Van Olen), in aanwezigheid van hem, in die van Ekern de Vochter en van vele leenmannen van de hertog en van de Bossche burgers, de tiend of een tiend van de parochie Oost-Tilburg, die zijn vader Wouter en zijn moeder Geertruid aan het Sint-Geertruidklooster hadden verkocht, volgens vonnis van de mannen van de hertog, overgedragen had aan het klooster. Arnoud was waarschijnlijk de erfgenaam, die de verkoop door zijn ouders van de tiend betwist had. Zijn ouders hadden dus belangrijk bezit gehad in de Tilburgen. Tilburg bestond in die tijd uit een West- en Oost-Tilburg. Oost-Tilburg, waar de burcht van de heren van Tilburg stond, omvatte ongeveer uit de nederzettingen Oisterwijk, Berkel, Enschot, Udenhout, Heukelom, Haaren, Belveren en een deel van Helvoirt. Met West-Tilburg werden het tegenwoordige Tilburg en Goirle bedoeld. Ook hier waren, voornamelijk in de oostelijke helft, verschillende bewoningskernen aanwezig, die herdgangen werden genoemd. In Tilburg waren er dat oorspronkelijk waarschijnlijk acht, in Goirle vier. De heren van Tilburg, die we voor het eerst tegenkomen in de tweede helft van de twaalfde eeuw, behoorden tot de vrije adel. Waarschijnlijk hebben ze de Tilburgen verkregen door het huwelijk van een van hen, Giselbertus (Gijsbrecht) geheten, met een dochter Alaysa van de heren van Boxtel. Tilburg zou aldus een afsplitsing van de heerlijkheid Boxtel kunnen zijn. De heren van Tilburg, die opeenvolgend de voornaam Giselbertus ofwel Gijsbrecht droegen, waren afkomstig uit het ten zuiden van Leuven gelegen Landen. In de twaalfde eeuw had de vorming plaats van een landsheerlijkheid Brabant. De graven van Leuven en Brussel hadden in 1106 van de keizer de hertogelijke titel van Neder-Lotharingen gekregen en breidden hun macht en invloed in de loop van de twaalfde eeuw naar het noorden uit. Aan het eind van de eeuw stichtten ze de stad ’s-Hertogenbosch. Ze gingen zich hertogen van Brabant noemen. Ook de genoemde vrij-adellijke heren van Tilburg moesten in de loop van de tijd hun rechten aan de hertogen afstaan. We vinden ze al aan het eind van de twaalfde eeuw terug in de getuigenlijsten van de hertogelijke oorkonden. Ik acht het niet uitgesloten dat de Wouter Bac in de twaalfde eeuw tot het gevolg van deze heren van Tilburg behoord heeft en met hen in het gevolg van de hertogen is overgegaan. Uit latere gegevens blijkt dat ook de Bac-tak Van Bomal – voor zover dat al een andere tak was – vooral in en rond Tilburg bezittingen had. Op 20 mei 1301 blijkt een Jan zoon van Wouter Bac van Boemale hoeven in Udenhout in achterleen te hebben gehouden van de hertog van Brabant en in leen van Laurens Volkart, ridder, schout en rentmeester van ’s-Hertogenbosch.[14] In deze oorkonde worden hiernaast ook nog, met andere leenmannen van de hertog, als leden van het geslacht Bac de gebroeders Herman van der Rijt en Arnoud Bac en Wouter Bac van Baarschot, (onder Diessen) genoemd. Op 27 december 1309 oorkondden schepenen van Oisterwijk dat laatstgenoemde het oude goed van Broekhoven in Tilburg had overgedragen aan zijn zoon Willem, waarna deze uit de helft van dit goed een pacht van zes mud rogge beloofde aan Hendrik Bac van (West-)Tilburg ten behoeve van de abdij Tongerlo.[15] In 1214 was een Wouter Bac aanwezig bij een dergelijke rechtshandeling die verricht werd in Tilburg of de Tilburgen zelf. In het betreffende document oorkondde de hertog dat wijlen Willem graaf van Megen en zijn zoon Dirk een vrijgoed in Rixtel aan de Tempeliers in Jeruzalem hadden geschonken. De schenking werd door de hertog bevestigd.[16] Getuigen waren: Folbertus de
Leda, Alardus de Drila, Theodericus de Herlaer, Willemmus
Vulpez, Gerardus de Gorle, Nycolaus frater ipsius, Walterus Bac et alii
quam
plures.
Dus Folpert van der Lede, Alard van Driel, Dirk van Herlaar, Willem de Vos, Gerard van Goirle en zijn broer Nicolaas, Wouter Bac en nog verschillende anderen. Opmerkelijk is de aanwezigheid van de twee Goirlese broers nog vóór Wouter Bac. |
| [17]
Ald., nr.
63. [21]
ONB I-2,
nr. 615.
|
De abdij Tongerlo De oorkonde van vóór 1206 maakt duidelijk dat het geslacht Bac toen al betrokken was bij de abdij Tongerlo ten noorden van Westerlo. Deze abdij had al vroeg bezittingen en rechten in de Tilburgen. In 1164 bezat zij het vierde deel van de kerk van Enschot.[17] Ik acht het niet onmogelijk dat hier al een telg uit de familie Bac bij betrokken is geweest. Door de eeuwen heen zijn de Bac’en nauwe betrekkingen met de abdij blijven onderhouden en hebben daar zelfs twee abten aan geleverd. Op 18 januari 1232 verkreeg de abdij van de hertog ook het patronaatsrecht van de kerk van (West-)Tilburg.[18] Dit was het recht om een kandidaat als pastoor voor te dragen. Zoals algemeen wordt aangenomen en ook uit enkele oorkonden blijkt, had de hertog dit recht verworven van – om niet te zeggen ontfutseld aan – de heer van Tilburg. In 1234 komen we weer een Wouter Bac in de bronnen tegen, opnieuw in een oorkonde van de abdij Tongerlo.[19] Getuige de aanduiding miles was hij lid van de ridderschap geworden. Gezien het tijdsverschil van twintig jaar met de voorgaande vermelding, houd ik hem voor een zoon van de eerder genoemde. De oorkonde heeft betrekking op een de visserij in Westerlo, waar de abdij Tongerlo ligt. Als getuige bij de rechtshandeling waren aanwezig de abt van Averbode, heer Arnoud van Diest, broeder Jan van Grimde (bij Tienen), Wouter Bac, ridder, Siger meier van Herselt (onder Westerlo) en anderen. Gezien de toevoeging ‘Van Olen’, houd ik deze Wouter Bac als een zoon of kleinzoon van de eerste ‘Tilburgse’ Wouter Bac, die genoemd werd in de hertogelijke oorkonden. Deze tweede of zelfs derde Wouter had wel degelijk ook oude betrekkingen met Tilburg, zoals blijkt uit een oorkonde van 6 april 1248, waarin Arnoud zoon van Wouter Bac de Nole en van Geertruid afstand deed van een tiend in Oost-Tilburg aan de proost van het Sint-Geertruidklooster in Leuven.[20] Aan dit klooster had de hertog al eerder het patronaatsrecht aan deze abdij overgedragen, zoals hij dat met de parochie West-Tilburg aan Tongerlo had gedaan. De afstand van de betreffende tiend had plaats voor de schepenbank van ’s-Hertogenbosch. De eerstvolgende bron betreffende het geslacht Bac dateert pas van 20 mei 1301,[21] maar die levert wel een waardevol beeld op van enkele vertakkingen. In dit stuk oorkondt Laurens Volkart, ridder, dat zijn broer Jan Volkart, ridder een cijns van 6 pond uit hoeven die Jan Bac van Boemale in achterleen hield van de hertog, had verkocht aan de abdij Tongerlo. De verkoop had plaats bij vonnis van de leenmannen van de hertog. Deze werden met name genoemd: Deenke (Daniëltje) van Oirschot, ridder, Wouter Toyart, Jan van Haaren, de gebroeders Herman van der Rijt en Arnoud Bac, Willem van den Einde, Geenke (Gerardje) geheten Vescere (Visser) en Wouter Bac van Baescot (Baarschot). Dezen vroegen de hertog om de verkoop met zijn zegel te bekrachtigen, waarna deze dit deed onder medebezegeling van de bovengenoemden, met uitzondering van de gebroeders Herman van der Rijt en Arnoud Bac, en Wouter Bac van Baarschot. De reden hiervan is me niet duidelijk. Misschien beschikten zij niet over een eigen zegel. Verschillende Bac'en komen we ook nog tegen in een oorkonde van de schepenen van Oisterwijk van 27 december 1309, waarin Wouter Bac van Baarschot aan zijn zoon Willem het oude goed van Broekhoven overdroeg. Hierop erkende Wouters zoon Willem aan Hendrik Bac van Westilburg ten behoeve van Tongerlo 6 mud rogge per jaar uit de helft van het Goed van Broekhoven te hebben verkocht. Daarna volgen in de oorkonde enkele bekrachtigingen en werden Wouter Bac van Bomale en zijn broer Gijsbert als borgen voor de handhaving van de overeenkomst benoemd. Op grond van het vorenstaande – met name de aanwezigheid bij rechtshandelingen over rechten in het noorden van Brabant, ook van de Bac-takken Van Olen en Van Bomal, dus uit zuidelijker streken – meen ik voldoende grond te hebben om hen een Noord-Brabantse en daarbinnen een Tilburgse herkomst te mogen toeschrijven. De bezittingen in Vlaams-Brabant blijken volgens de aanwezige bronnen heel bescheiden te zijn geweest. |
| Naamgeving Uit deze analyse van de oudste bronnen die melding maken van de naam Bac blijkt tevens duidelijk dat naamgeving, zowel van voor- als achternamen, niet volgens vaste lijnen verliep. Met de toename van het aantal vermeldingen in de veertiende eeuw neemt ook dit verschijnsel alleen maar toe. Gelukkig hebben de vermeldingen van personen en families vaak plaats in een geografische context; in de meeste gevallen worden niet alleen meer familieleden genoemd, maar ook hun bezittingen en de ligging daarvan. Naarmate de bronnen beter beschikbaar worden, zal ook de afstamming duidelijker worden en kunnen er betere genealogieën samengesteld worden. Helaas zullen publicaties hierover niet kunnen voorkomen dat er in de genealogie eindeloos door dilettanten verder geprutst zal worden (zie de pagina ► Genealogie tussen wetenschap en dilettantisme). Door het toenemend gebruik van kunstmatige ‘intelligentie’ zal de onzin hierover op het wereldwijde web nog veel gaan toenemen. Ik denk niet dat het zorgvuldig bronnenonderzoek hier tegen opgewassen zal zijn. Zoals altijd zijn inhoudelijke reacties welkom op mijn internetadres. |
|