
| Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen
| Uitgaven
| Op
en rond het Domplein | Vrijwaring
| Contact |
|
| Zie
ook ► De
Hohorst of Heiligenberg bij Amersfoort Afb. 1. Charlotte J.C. Broer, Uniek in de stad (Utrecht 2000). [1] C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergeschiedenis op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht: haar plaats binnen de Utrechtse kerk en de ontwikkeling van haar goederenbezit (ca. 1000-ca. 1200) (Utrecht 2000), p. 250-259. [2] Oorkondenboek van Holland en Zeeland, uitg. A.C.F. Koch en J.G. Kruisheer, dl. I, eind van de 7e eeuw tot 1222 (’s-Gravenhage 1970) [Koch, OHZ I], nr. 76. [3]
Koch, OHZ I, nr. 81.
Afb. 4. Topografische kaart, detail, met de ten zuidoosten van de stad Amersfoort en ten noorden van het goed Lokhorst gelegen Heiligenberg. |
Munten van Sint-Paulus
geslagen in Vught door Charlotte J.C. Broer Te
citeren als: C.J.C. Broer, ‘Munten van Sint-Paulus
geslagen in Vught’
(www.broerendebruijn.nl/Vughtmunten.html,
versie van [datum], geraadpleegd op
[datum]).
In mijn in 2000 verschenen dissertatie Uniek in de stad, over de vroege ontwikkeling van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, na 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht, heb ik in de paragraaf ‘Verdwenen bezittingen en rechten in Noord-Brabant en elders’[1] aandacht besteed aan het bezit dat ze bij haar ontstaan omstreeks het jaar 1000 van bisschop Ansfried van Utrecht (995-1010) geschonken heeft gekregen in onder meer Vught en omgeving. Deze bisschoppelijke schenking is toen waarschijnlijk niet in een oorkonde vastgelegd, maar eerst later, samen met ook daarop volgende schenkingen van bisschop Adelbold (1010-1026), bevestigd in een keizerlijke oorkonde uit 1028[2] en een ter gelegenheid van de verplaatsing van de abdij van de Hohorst naar de stad Utrecht uitgevaardigde bisschoppelijke oorkonde uit 1050.[3] Mogelijk heeft in dat laatste geval de oorkonder bisschop Bernold (1027-1054) de schenkingen van zijn voorgangers niet enkel gepreciseerd, dat wil zeggen de omschrijving ervan enigszins uitgebreid, maar aan het beginbezit van de abdij ook nog het een en ander toegevoegd. Afb. 2. Amersfoort, Leusden en de Hohorst in het stroomgebied van de Eem en de beken die erin uitmonden. Tekening M.W.J. de Bruijn. Rechten in Vught: tol, munt en (konklijk) bos Voor wat betreft de door Ansfried geschonken bezittingen in en bij Vught spreekt de oorkonde van keizer Koenraad II (1024-1039) uit 1028 van: dimidium thelonarii census in Fugthe, ‘de halve tol’ (waarschijnlijk de helft van de opbrengst ervan) ‘in Vught’. In de oorkonde van bisschop Bernold uit 1050 is naast deze halve tol (in Fuhthe dimidium thelonei) ook sprake van [dimidium…] atque monete et foreste in Rumelo, et in quartam partem silve in Uothenholt, ‘(de helft van (de opbrengsten van)) de munt in Vught, het koninklijk woud in Ruimel en een kwart gedeelte van een bos in Uothenholt’, dit laatste waarschijnlijk wel te zoeken in de omgeving van Vught. Niet direct duidelijk is of de schenking van Ansfried behalve de halve tol (of de opbrengsten ervan) indertijd al meer rechten heeft omvat, zoals die ten aanzien van (een aandeel in de (opbrengsten van de)) munt, het koninklijk woud in Ruimel en het bos in Uothenholt; ze zouden in de oorkonde uit 1028 nog niet, maar nadien in betekenis toegenomen in de oorkonde uit 1050 wel het vermelden waard kunnen zijn geweest. Denkbaar is echter eveneens dat deze rechten (deels) pas later tot ontwikkeling gekomen of aan de Utrechtse kerk geschonken, eerst door bisschop Bernold eenvoudigweg aan de abdij zijn gelaten dan wel haar op een zeker moment alsnog toegekend. Bij het verschijnen van mijn dissertatie in 2000 was er buiten de vermeldingen ervan in de bewuste oorkonden verder niet veel naders bekend omtrent tol, munt en andere rechten in en bij Vught. Wat ik indertijd in mijn onderzoek heb trachten na te gaan was of het – in het licht van onze kennis over allerlei (andere) bezittingen en rechten, de positie van Ansfried en de situatie in Vught en omgeving – waarschijnlijk was dat er van een tol, munt en overige rechten aldaar sprake is geweest en één of misschien zelfs meer bisschoppelijke schenkingen als zodanig aan de gemeenschap op de Hohorst en de Sint-Paulusabdij in Utrecht hebben plaatsgehad. Koninklijke rechten of regalia Het recht op tolheffing en muntslag, maar ook visserij- en jachtrechten (foreest) in beginsel koninklijke rechten, zogenaamde regalia, werden in het algemeen gesproken uit naam van de koning beheerd door graven. De koningen hebben echter regelmatig bij wijze van begunstiging ook aan anderen dan de graven tol- en andere rechten toegekend, door deze bijvoorbeeld in leen uit te geven. In de loop van de tijd zijn voorts de graven, in oorsprong koninklijke ambtenaren, hun grafelijke functie en de verschillende daarmee verbonden rechten, waaronder dus ook regalia, als erfelijk bezit gaan beschouwen, dat hun door de koning niet meer zo maar was af te nemen. Hetzelfde gold voor andere koninklijke vazallen en hun leengoederen. Op die manier zijn dergelijke koninklijke rechten in handen van regionale en lokale heren geraakt. Daarnaast zijn door schenkingen van vooral de Ottoonse en Salische keizers in de tiende en elfde eeuw ook bisschopskerken en abdijen in het bezit van verschillende van deze koninklijke rechten gekomen. |
| De schenking van bisschop Ansfried Eemland De Hohorst: landbezit; hieraan ontleend (later) bezit: novalia bij de Hohorst. Leusden: kerk met de hiermee verbonden tienden in Eemland, dit wil zeggen tienden in Leusden, Soest en Hees en mogelijk Scherpenzeel; tot het bezit van de kerk te herleiden latere rechten: patronaatsrechten van de kerken van Soest, Baarn, Scherpenzeel, Hoevelaken, Ter Eem, Eemnes-Buiten, Eemnes-Binnen en Bunschoten. Soest en Hees: landbezit (8 hoeven in Soest en 7 in Hees), met inbegrip van de rechtsmacht en met als toebehoren landbezit op het Hogeland (bij Amersfoort) en op Zeisterover (bij Zeist), ook met inbegrip van de rechtsmacht. De Veluwe en omstreken Ermelo: kerk met tienden en eventueel landbezit met inbegrip van rechtsmacht; later gestichte dochterkerken van Ermelo: de kerken van Nunspeet, Elspeet en Harderwijk Rheden: kerk met tienden en eventueel landbezit. Het Midden-Nederlandse rivierengebied Driel: een hof (curtis), landbezit, met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht. Ophemert: een kerk (met tienden?). Zandwijk: kerk (met tienden?). Noord-Brabant Vught: rechten ten aanzien van de helft van de (inkomsten uit) tol en munt. Ruimel: (rechten in) bos. De schenking van bisschop Adelbold Eemland Soest: landbezit (6,5 hoeve), met inbegrip van de rechtsmacht. Maarn: ?? Hogeland: tienden (van het land van de abdij Amersfoort). Zeisteroever: tienden (van het land van de abdij in Zeist). Hamaland Deventer: landbezit (een hoeve) met tienden. Gietelo: tienden (van het eigen land van de abdij). Oosterbeek: tienden (van het eigen land van de abdij). Velp: landbezit (een hoeve) met tienden. Twente (Ulft): een hof. Windesheim: een hof (atrium)? |
![]() Afb. 6. De bezittingen van de gemeenschap op de Hohorst, later de Sint-Paulusabdij in Utrecht verworven van de bisschoppen Ansfried en Adelbold. Tek. M.W.J. de Bruijn. De schenking van bisschop Adelbold (vervolg) Het Midden-Nederlandse rivierengebied Ophemert: landbezit (hof/atrium?). Teisterbant/Avezaat: landbezit (3 hoeven). Lienden: hof (atrium), landbezit met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht. Elst: tienden. Zuid-Holland/Maas-Merwedegebied Rotte: kerk en tienden (in Rotte, Hillegersberg en Kralingen); tot het bezit van deze kerk te herleiden latere rechten: patronaatsrechten van de kerken van Hillegersberg, Kralingen, Rotterdam, Bleiswijk en Zevenhuizen. Zwijndrechtse Waard: landbezit met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht en tienden; hiertoe te herleiden latere rechten: recht ten aanzien van een kerk in de Zwijndrechtse Waard. |
Afb. 7. Vidimus uit 1307 (van een vidimus uit hetzelfde jaar) van de oorkonde uit 1050, waarin bisschop Bernold de abdij van Sint-Paulus in Utrecht bevestigt in het bezit van haar door zijn voorgangers Ansfried en Adelbold geschonken goederen en zelf ook - ter gelegenheid van de verhuizing van de abdij naar Utrecht en de inwijding van de kloosterkerk aldaar - een nieuwe schenking doet. Het Utrechts Archief, Sint-Paulus, inv. nr. 43. |
|
![]() [4] Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301, dl. I, uitg S. Muller Fz. (Utrecht 1920) [OSU I], nr. 101. Uit deze periode lijken evenwel nog geen in Utrecht geslagen munten bekend. [5]
OSU I, nr. 120.
[6]
Deze tol werd aan de Utrechtse kerk
geschonken door
keizer Otto I, nadat hij hem ontnomen had aan graaf Waldger (OSU
I, nr. 120); in 975 wordt deze schenking door keizer Otto II bevestigd
en zelfs
uitgebreid (OSU I, nrs 134, 135).
[7]
OSU I, nr. 132.
[8]
Keizer Otto III schonk in 985 aan graaf
Ansfried
rechten als allodium, die deze tevoren in leen had gehouden, waaronder
naast
bezittingen in Nedermaasland ook rechten in (West-)Friesland, met name
Medemblik behoorden (Koch, OHZ I, nr. 54). De mogelijkheid
bestaat dat
van deze schenking ook tolrechten deel uitmaakten. Deze rechten zouden
aan de
Utrechtse kerk zijn gekomen, nadat in 995 Ansfried
bisschop van Utrecht was geworden.
[9]
Koch, OHZ I, nr. 64. Dat bisschop
Ansfried
gebruik heeft gemaakt van het recht om (onder meer in Bommel, in het
graafschap
Teisterbant) munten te slaan, blijkt uit het feit dat er uit deze
periode
munten, penningen, op zijn naam zijn teruggevonden.
[10]
In 1046 kreeg de Utrechtse kerk van
keizer Hendrik
III de munt, tol en rechtsmacht in Deventer geschonken (OSU I,
nr. 202).
Eerder verwierf de Utrechtse kerk al rechten in Groningen, waarbij tol
en munt
mogelijk slechts terloops als pertinenties genoemd zijn (OSU I,
nr.
193).
[11]
In een bevestigingsoorkonde van keizer
Hendrik VI
uit 1195 wordt opgemerkt dat deze tol, die op dat moment in handen is
van het
kapittel van Sint-Marie in Utrecht – dat het waarschijnlijk bij zijn
stichting
van bisschop Koenraad had gekregen – tevoren door een van Hendriks
voorgangers
aan de Utrechtse kerk was geschonken (OSU I, nr. 524).
Waarschijnlijk
ging het hier om een schenking ten tijde van bisschop Bernold, die deze
tol
toen als onderdeel van de dos aan het kapittel van Sint-Jan
overdroeg
(E.N. Palmboom, Het kapittel van Sint Jan. Een onderzoek naar
verwerving,
beheer en administratie van het oudste goederenbezit (elfde-veertiende
eeuw)
(Hilversum 1995), p. 103.
[12]
Zie hiervóór, noot 8. Palmboom, Het
kapittel van
Sint Jan, p. 105.
[13]
Koch, OHZ I, nr. 89.
[14] OSU I, nr. 524 (zie hiervóór,
noot 11).![]() Afb. 10. Willibrords werkterrein. [15]
Met de naam ‘Texandrië’ werd een gebied
aangeduid
dat zich in de loop van de tijd qua omvang nogal eens gewijzigd lijkt
te
hebben. In de tiende eeuw heeft het mogelijk zijn grootste omvang
gekend.
Globaal gesproken werd er toen mee bedoeld het gebied ten zuiden van de
(Oude)
Maas, in het westen begrensd door de Striene en wat tot in de tiende
eeuw het
graafschap Rien en daarna het markgraafschap Antwerpen was, terwijl in
het
oosten de Peelmoerassen een natuurlijke grens vormden. Zie over dit
gebied, B.
Aarts, ‘Texandrie’, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het
hertogdom.
Hoofdlijn en vraagtekens’, in: Geworteld in Texandrië. Historische
aspecten
van de relatie Tilburg-Turnhout, H. van Doremalen e.a. red.
(Tilburg-Turnhout 1992), p. 8-42, p. 14.
[16] Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312,
I ,
De Meierij van ’s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), 2
stukken, uitg.
H.P.H. Camps (’s-Gravenhage 1979) [ONB I], nr. 2.[18] Van de overdracht aan bisschop Notker van Luik van het graafschap Hoei, waarvan tevoren graaf Ansfried afstand had gedaan, vernemen we in een schenkingsoorkonde van Otto III uit 985 (OSU I, nr. 141). Graaf in ‘Brabant’ wordt Ansfried genoemd door Alpertus van Metz (De diversitate temporum, uitg. H. van Rij m.m.v. A. Sapir Abulafia (Amsterdam 1980), I, par. 11). Met ‘Brabant’ wordt in de tiende eeuw bedoeld de streek tussen de Schelde en de Dijle (Aarts, ‘Texandrië’, p. 14). Zie voor Ansfried als ‘graaf ergens binnen Brabant’ ook: A.D.A. Monna, ‘Ansfried en de stichting van Thorn’, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, 118 (1982), p. 59-85, p. 80-81. [19]
Zo was Ansfrieds oom van vaderszijde, ook
Ansfried
geheten en ter onderscheiding van zijn neef wel aangeduid als Ansfried
senior,
graaf in Teisterbant en trad er ten tijde van Ansfrieds dood in 1010 in
Teisterbant een graaf Unroch op, die een verwant van Ansfried heette te
zijn.
[20] Dit
graafschap
Rien lijkt te zijn opgegaan in het omstreeks deze tijd nieuw gevormde
markgraafschap
Antwerpen. Volgens Aarts ('Texandrië', p. 14) wordt ten onrechte
aangenomen dat
van dit graafschap Rien ook Texandrië deel uitmaakte. [21]
Uniek
in de
stad, p. 343 e.v.; p.
351 e.v.,
met betrekking tot de bezittingen die de gemeenschap op de Hohorst van
Ansfried verwierf in het Midden-Nederlandse rivierengebied (Ophemert,
Driel).
[22]
Koch, OHZ
I, nr. 54; (zie noot 6).
[23] Thietmar
van
Merseburg, Thietmari Merseburgensis episcopi chronicon, uit. R.
Holzmann, bew. en vert. W. Trillmich, Ausgewählte Quellen zur deutschen
Geschichte des Mittelalters, 9 (Berlijn 1962) [Chronicon], IV,
par. 32: Inde
vero reversus abbaciam, que dicitur Torna, de hereditate propria
construxit, ‑ ‑ ‑
sanctoque Lantperto pro remedio anime sue ex integro tradidit. Door
Trillmich wordt deze passage ten onrechte vertaald als 'Nach der
Heimkehr
erbaute er von sein Allod der Abtei Thorn, - - - und übergab alles zum
Heile
seiner Seele völlig dem hl. Lambert', waarmee – in tegenstelling tot
wat
Thietmar werkelijk zegt, namelijk dat Ansfried de door hem gestichte
en vanuit
zijn erfgoed gedoteerde abdij van Thorn aan Sint-Lambertus (dit is de
kerk van
Luik) opdraagt – de indruk wordt gewekt dat Ansfried al zijn
bezittingen aan
Sint-Lambertus heeft overgedragen. Zie voor de datering van de
stichting van
Thorn tussen 972, het jaar waarin bisschop Notker van Luik aantrad, en
995, het
jaar waarin Ansfried bisschop van Utrecht werd Monna, 'Ansfried en de
stichting
van Thorn', p. 64-73, met name p. 73. Monna heeft getracht de
stichtingsdatum
van Thorn nader te bepalen en opperde dat de stichting van Thorn zou
hebben
plaatsgehad na de dood van Ansfrieds vader Lambert, die in 981/983
nog optrad
bij een schenking. Ansfried zou volgens Monna, die daarbij verwijst
naar de
hier aangehaalde passage bij Thietmar, voor Thorn als patroonheilige
Lambertus
hebben gekozen, waarmee hij ook de herinnering aan zijn vader zou
hebben
willen eren. Onzes inziens berust dit idee op een onjuiste
interpretatie door
Monna van Thietmars mededeling. Wat Thietmar hier namelijk stelt is
niet dat
Ansfried Thorn wijdde aan Sint-Lambertus, maar dat Ansfried het door
hem
gestichte klooster Thorn – dat, zoals we uit andere bronnen weten,
gewijd was
aan Onze-Lieve-Vrouw – heeft opgedragen aan de kerk van Luik, die als
patroonheilige Sint-Lambertus had. De basis voor de nadere bepaling van
de
stichtingsdatum van Thorn vervalt hiermee.[24] Het betreft hier bezittingen van Thorn in Geertruidenberg, Baarle en Gilze. In de stichtingsoorkonde van Thorn, gedateerd 992, maar waarschijnlijk een falsum uit later tijd (Koch, OHZ I, nr. 61), wordt gesteld dat deze rechten geschonken zijn door Hilzonde, die optreedt als de stichtster van de abdij. [25] Bezit
en rechten
van het kapittel van Hilvarenbeek in Lommel zouden bijvoorbeeld
teruggaan op de
dotering door Ansfried. Zie over deze kwestie Aarts, 'Texandrië', p.
16-17;
dezelfde, 'Het "Ansfried-probleem" in Hilvarenbeek en elders', in: Hilvarenbeek
duizend jaar. Bijdragen tot een symposium over de geschiedenis der
Brabantse
dorpen, J. Scheirs red. (Hilvarenbeek 1988) p. 7-64, p. 25.
[26]
F.
Theuws en
A.J.A. Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und
salischer
Kaiserzeit', in: Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit, I.
In
den nördlichen Landschaften des Reichs, H.W. Böhme red.
(Sigmaringen 1991)
p. 109-146, met name p. 124-130.
[27] Bruno's
opvolgers
in Keulen zouden een minder goede relatie hebben gehad met het hof,
waardoor
een einde zou zijn gekomen aan het zeer nadrukkelijk naar voren
schuiven en
begunstigen van de aartsbisschoppen van Keulen door de koningen Otto
II en
III. Vanaf het laatste kwart van de tiende eeuw en in de elfde eeuw was
het de
bisschop van Luik, te beginnen bij Notker (972-1008), die onder meer in
Texandrië door de koningen uitvoerig begunstigd werd en als steunpunt
van het
koninklijk gezag fungeerde. Aan de versterking van de positie van de
bisschop
van Luik lijkt onder meer ook de positie van de Ansfrieden te zijn
opgeofferd.
Keulen daarentegen is niet geheel van het Texandrische toneel
verdwenen. Nog
in veel later tijd, in de twaalfde en dertiende eeuw, maken de
aartsbisschoppen
van Keulen op veelal onbekende gronden aanspraken op goederen en
rechten in
Texandrië, die in vele gevallen reeds lang in andere handen waren. Het
gaat bij
deze aanspraken waarschijnlijk steeds om een teruggrijpen op een
oudere
situatie van Keulse rechten, die samenhangen met de bemoeienissen met
deze
streken in de tiende eeuw (Theuws, Bijsterveld, a.w., p. 129-130). [28]
Vergelijk
Monna,
'Ansfried', p. 60, die in dit verband de vertaling van Trillmich en
niet de
tekst van Thietmar (zie hiervóór, noot 23) lijkt te volgen en neigt tot
het
idee dat Ansfried zo niet alle, dan toch de meeste familiebezittingen
aan
Thorn heeft overgedragen.
[29]
Chronicon, IV, par. 35: Sed postquam
Evergerus
Coloniensis archiepiscopus suffraganeorum consensu imperatori sibique
in
medium consuluit, vellet nollet ad episcopum acclamatur. Non multo post
quinque
curtes de sua proprietate beato Martino tradidit, fideli inquam
fideiussori
talionis earum. Uit deze passage blijkt dat het onjuist is ervan
uit te
gaan dat alle familiebezittingen van Ansfried, vóór of op het moment
dat hij
bisschop van Utrecht werd, aan de eerder door hem gestichte abdij van
Thorn
zouden zijn geschonken.
[30]
OSU I, nr. 143: quod ego Ansfridus,
Dei solummodo
gratia sanctę Traiectensis ęcclesię presulindignus, ‑ ‑ ‑
quandam mei
iuris hereditatem, quam antea potestative possederam infra comitatum,
Rien nuncupatum,
quorum locorum hęc sunt nomina: Westerlo, Odlo, Bolo, Mierbeke,
Honbeke, Buronte,
‑ ‑ ‑ cum omnibus ad hęc pertinentibus ęcclesiis, ędificiis,
mancipiis, agris, pascuis, pratis cultis et incultis, silvis, aquis
aquarumve
decursibus, trado ad ęcclesiam sanctę Marię semper Virginis [bedoeld
wordt
Sint-Salvator of Oudmunster] sanctique Martini in Traiecto, ad
restaurandum
ibidem Dei servicium. Zie voor wat betreft deze Zuid-Kempische
bezittingen
van de beide Utrechtse kapittels met name E. van Ermen, 'De Utrechtse
kapittels
Sint-Maarten en Sint-Salvator (Oudmunster) en hun bezittingen in de
Antwerpse
Kempen (ca. 1000-1620)', in: Pascua Mediaevalia. Studies voor prof.
dr. J.M.
De Smet, R. Lievens e.a. red., Mediaevalia Lovaniensia, I, 10
(Leuven
1983), p. 28-51, p. 31-33. Ons inziens ten onrechte is de
laatste
zinsnede 'tot herstel van de dienst Gods aldaar' wel beschouwd als een
indirect
dateringselement in deze oorkonde. Ze zou verwijzen naar een
verwoesting van
de kerken in Utrecht, hetgeen in verband zou staan met het verschijnen
van de
Noormannen voor Utrecht in 1006 of 1007, en de schenking zou dus nadien
moeten
hebben plaatsgehad. Het is Alpertus van Metz die over deze 'aanval'
bericht (De
diversitate temporum, I, par. 10). Hij vertelt dat de Utrechters,
toen zij
vernamen dat de vreemdelingen in aantocht waren, zelf de
koopmanswijk bij de
burcht in brand hebben gestoken, opdat de Noormannen zich daar niet
zouden
kunnen verschansen als zij de burcht wilden belegeren. De Noormannen
die voor
de stad verschijnen tonen zich verbaasd over deze actie, omdat zij,
naar zij
stelden, geen kwaad in de zin hadden. En hoewel zij eenvoudig de
burcht hadden
kunnen veroveren, zijn zij, zo stelt Alpertus, uit eerbied voor de
Utrechtse
kerk en haar bisschop Ansfried weggetrokken, zonder enige schade aan
de stad
toe te brengen (Et quanvis facillima expugnatio esset, tamen
cognoscentes
sanctum locum et tantum sacerdotem suis fortunis alias obsistere
posse, nullam
lesionem civitati inferentes abierunt.) Van een verwoesting van de
binnen
de Utrechtse burcht gelegen kerken is dus in het geheel geen sprake
geweest. De
zinsnede 'tot herstel van de dienst Gods aldaar' dient onzes inziens
veel
algemener te worden beschouwd als verwijzing naar het
hervormingsstreven van
die tijd, herstel en zo mogelijk vermeerdering van de dienst en lof
Gods, dat
we hier dus ook bij Ansfried aantreffen (zie voor dit
hervormingsstreven en
de bisschoppelijke taakopvatting op dit terrein Uniek in de stad,
hoofdstuk 2, p. 90-94, en hoofdstuk 3, p. 121 e.v.).
[31] De
bezittingen
die de kapittels van Oudmunster en dom in later tijd in genoemde
plaatsen
hebben blijken oorspronkelijk direct geëxploiteerd, dus waarschijnlijk
domaniaal, rond een hof georganiseerd te zijn. In de loop van de
dertiende
eeuw kwam aan de directe exploitatie van dit bezit door het kapittel
een eind
en werden de goederen verpacht (Van Ermen, 'De Utrechtse kapittels', p.
34, p.
40-41; p. 49-50). Eerst in de zeventiende eeuw deden na afkoop de
kapittels
definitief afstand van deze bezittingen (Van Ermen, a.w., p. 48-49;
Aarts,
'Het "Ansfriedprobleem" in Hilvarenbeek en elders', p. 9). [32]
Zie
in dit
verband ook Van Ermen, 'De Utrechtse kapittels', p. 33.
[33]
Zie
voor deze hof
in Driel Uniek in de stad, p. 342 e.v.
[34]
Hoewel
de passage
in deze oorkonde (in Fuhthe dimidium thelonarii atque monete et
foreste in
Rumelo) zo kan worden uitgelegd als zou de munt niet in Vught, maar
in
Ruimel gevestigd zijn geweest, lijkt het toch het meest waarschijnlijk
dat de
munt samen met de tol in Vught gesitueerd moet worden.
[35] Voor
wat betreft
de Sint-Lambertuskerk hebben opgravingen geen resten aan het licht
gebracht,
die veel verder teruggaan dan de dertiende eeuw (W.H.Th. Knippenberg,
'De twee
oudste kerken van Vught, provincie Noord-Brabant', in: Berichten ROB,
14
(1964), p. 150-159). Gezien het feit echter dat het archeologisch
onderzoek
beperkt van opzet was, moet niet uitgesloten worden geacht dat resten
van een
oudere (houten) kerk over het hoofd zijn gezien. Naar de in 1885
afgebroken
Sint-Pieterskerk zijn geen opgravingen gedaan. Beide kerken zouden
echter wel
van vóór 1200 hebben gedateerd (T. Kappelhof, 'Vught in de Middeleeuwen
(900-1300). Het raadsel van de twee kerken', in: J. van den Eijnde
red., Vught
vanouds, Vughtse Historische Reeks, 2, (z.pl. z.j. [Vught 1995]),
p. 12).
Vooral op grond van de latere tiendverdeling in Vught – de oude
tiend
behoorde aan de pastoor van de Sint-Lambertuskerk; de nieuwe tiend
was met de
Sint-Pieterskerk in Vught in handen van de hertog van Brabant, terwijl
ze in
1399, toen de Sint-Pieterskerk werd geïncorporeerd bij het kapittel
van
Eindhoven, naar deze instelling ging – lijkt bovendien te mogen worden
aangenomen dat de Sint-Lambertuskerk ouder is dan de Sint-Pieterskerk
en oorspronkelijk
de enige parochiekerk van Vught is geweest (a.w., p. 10). In zijn
conclusie
stelt Kappelhof (a.w., p. 29) dat de ouderdom van de
Sint-Lambertuskerk zelfs
terug te voeren zijn tot de tijd van de kerstening of kort daarna
(circa 700)
en die van de Sint-Pieterskerk tot de tiende eeuw, toen de Keulse kerk
hier
zijn invloed deed gelden (vergelijk evenwel dezelfde, a.w., p. 11-12,
waar
opgemerkt wordt dat van zowel Keulse als Luikse bezittingen of invloed
in en
rond Vught nauwelijks sporen te vinden zijn).![]() Afb. 15. Opmeting van de Sint-Lambertuskerk in Vught door Hendrik Verhees in 1787, met ingetekend de fundamenten van een oudere kerk die zijn aangetroffen bij de reatauratie van de kerk in 2007. Overgenomen uit: Ton Kappelhof, 'Vught in de middeleeuwen (900-1300), deel 1, het raadsel van de twee kerken', in: Schatten van Vught (2019), nr. 4, p. 15-31, p. 17. [37] Dat de Utrechtse kerk in de elfde eeuw gegoed is in de buurt van Vught zou, zo merkt P.A. Henderikx , 'Onecht of echt? De bevestigingsoorkonde van bisschop Bernold van 25 juni 1050 voor de Sint-Paulusabdij te Utrecht’, in: Feestbundel aangeboden aan prof. dr. D.P. Blok ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag en zijn afscheid als hoogleraar in de nederzettingsgeschiedenis in verband met de plaatsnaamkunde aan de Universiteit van Amsterdam, J.B. Berns e.a. red. (Amsterdam 1990), p. 122-143', p. 142, noot 47) op, ook kunnen blijken uit het feit dat gravin Adelheid, waarschijnlijk weduwe van graaf Hendrik (II van Leuven), tussen 1076 en 1099 haar goed te Orthen aan de Utrechtse kerk overdraagt, om voorts ditzelfde goed in leen en nog andere goederen in precaria terug te ontvangen (ONB I, nr. 32). Deze schenking buiten het bisdom wordt althans begrijpelijk wanneer de kerk van Utrecht in de directe omgeving al meer bezit heeft gehad. [38] De plaats dient naar alle waarschijnlijkheid gezocht te worden in de omgeving van Vught. Zie in dit verband R.E. Künzel e.a., Lexicon van nederlandse topniemen tot 1200 (Amsterdam 1988), p. 375, waar de naam wordt herleid tot een samenstelling van het Oudnederlandse holt, 'hout, bos', waarschijnlijk met de plaatsnaam Vught. Als mogelijkheid is ook wel geopperd dat met het Uothenholt (in het vidimus van de oorkonde van 1050 in het abdijarchief, RAU, nr. 43) of Votherholt (in het afschrift van de oorkonde van 1050 in het archief van het Hof van Utrecht, HUA, Hof van Utrecht, nr. 67, p. 29-30) bedoeld zou zijn Udenhout, gelegen ten zuidwesten van Vught. De variant Fugthhoute in het falsum van 1006, dat waarschijnlijk in de dertiende eeuw is opgemaakt mede op basis van de oorkonde van 1050, zou dan een herinterpretatie kunnen zijn van een toen al niet meer precies bekende/herkende plaats in de buurt van Vught waar de abdij ooit rechten genoten had. |
Afb. 8. Munten van Otto I, tiende eeuw: In 936 kreeg de Utrechtse bisschop Balderik van koning Otto I het recht om in Utrecht munt te slaan. Er zijn echter geen Utrechtse munten van vóór het jaar 1000 bewaard gebleven. Mogelijk sloeg men aanvankelijk imitaties van oudere, elders geslagen munten. De oudst bewaarde herkenbaar Utrechtse munten lijken te dateren uit de tijd van keizer Hendrik II (1002-1024) en bisschop Adelbold (1010-1026). Er werden in onze streken wel munten geslagen op naam van de keizer, onder andere in Deventer. Op deze sterk vergrote zilveren pennin is waarschijnlijk keizer Otto II (983-1002) afgebeeld. Op de keerzijde ziet men als randschrift nog restanten van het woord DAVANTRE. Het gewicht bedraagt 1,04 gram, de diameter 18 millimeter. Zo verleende in 936 keizer Otto I aan bisschop Balderik (918-972) de inkomsten uit een op waarschijnlijk toen nog te richten keizerlijke munt in Utrecht;[4] een recht dat in 953 werd omgezet in een recht van de bisschop om in Utrecht munten te slaan,[5] wat sindsdien ook lijkt te zijn gebeurd. Aanvankelijk geschiedde dit nog op naam van de keizer, maar later ook op die van de bisschoppen zelf. Munten lieten de bisschop voorts ook slaan in andere plaatsen binnen het bisdam, zoals in Deventer, Groningen en Stavoren. Sinds bisschop Bernold (1027-1054) zijn er penningen bekend op naam en met de beeldenaar van de bisschop. De Utrechtse kerk onder leiding van haar bisschoppen kreeg in de loop van de tiende eeuw door koninklijke schenkingen, vooralsnog in het eigen bisdom, eveneens tol- en andere rechten, namelijk in Muiden (953),[6] misschien al in Deventer (975),[7] via Ansfried wellicht in Medemblik[8] en ten slotte ook in Bommel (999).[9] Later, in de elfde eeuw, werden door de Duitse koningen en keizers aan de Utrechtse kerk in elk geval in Deventer en waarschijnlijk ook in Groningen vergelijkbare rechten geschonken.[10] Ze verwierf door een koninklijke schenking, mogelijk omstreeks deze zelfde tijd, eveneens de tol bij Smithuizen, gelegen aan de Rijn bij Emmerik.[11] Aldus maakten sinds de tiende eeuw verspreid over het bisdom tol-, munt- en andere rechten deel uit van het door verschillende koninklijke schenkingen groeiend algeheel kerkelijk vermogen van de Utrechtse kerk (het zogenaamde bisdomsgoed). Onderdelen hiervan of de inkomsten daaruit werden voorts in de elfde eeuw door de bisschoppen ook toegekend aan de afzonderlijke instellingen binnen de Utrechtse kerk (goederendeling). Tot de door bisschop Bernold omstreeks 1050 aan het kapittel van Sint-Jan toegewezen dos ('bruidsschat' of beginschenking) behoorde naast de genoemde tol bij Smithuizen waarschijnlijk ook een rente van tien pond uit de kort tevoren door bisschop Bernold van keizer Hendrik III (1039-1056) verworven munt te Deventer.[12] De tol bij Smithuizen is door een ruilovereenkomst in 1085 weer in handen van de bisschop gekomen,[13] waarna ze enige jaren later is overgedragen aan het kapittel van Sint-Marie.[14] Mogelijk is dit gebeurd bij de stichting van dit kapittel en heeft dus ook hier de tol onderdeel uitgemaakt van de dos. Denkelijk golden juist dergelijke rechten, die op directe wijze geldelijke inkomsten met zich brachten, naast andere bezittingen (nog onontgonnen gronden), die dat waarschijnlijk eerst op termijn of ‘slechts’ in natura deden, als een bijzonder passend en praktisch bezit voor een nog jonge instelling, die deze inkomsten in haar beginfase zonder meer nodig gehad zal hebben, voor het onderhoud van de kanunniken, maar ook de bouw en uitstoffering van haar kerk. Dat dus eerder al, in het begin van de elfde eeuw, door bisschop Ansfried aan de toen nieuwe monastieke gemeenschap op de Hohorst inkomsten uit in elk geval een tol bij Vught (en misschien meer aan koninklijke rechten) zijn overgedragen, lijkt daarmee geenszins op zich te staan en daarom wel te mogen worden aangenomen. De nadere herkomst van rechten in Vught De inhoud van de schenking voor wat betreft deze rechten in Vught – die overigens anders dan de hiervoor genoemde tol- en muntrechten die aan de kapittels werden toegekend, gelegen waren buiten het eigen bisdom Utrecht – stelt ons voorts voor de vraag naar de nadere herkomst van die rechten. Putte bisschop Ansfried voor zijn schenking ten behoeve van de kloosterlingen op de Hohorst uit het vermogen van de Utrechtse kerk, het bisdomsgoed, en betrof het in dat geval oud bezit van die Utrechtse kerk dan wel eerst recentelijk, bijvoorbeeld door een koninklijke schenking, verworven rechten? Of dienen we – juist vanwege die ligging buiten het bisdom Utrecht, binnen het bisdom Luik – de herkomst van deze bezittingen elders en vooral bij Ansfried zelf te zoeken? ![]() Afb. 9. Willibrord afgebeeld als aartsbisschop met het pallium, geflankeerd door twee diakens, op een afbeelding uit de elfde eeuw. Het is de oudste afbeelding die van deze heilige bewaard is gebleven. Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. lat. 10510, f. 20. Vught was gelegen in het onder het bisdom Luik ressorterende Texandrië,[15] waar van rechten van de Utrechtse kerk vóór de tijd van bisschop Ansfried geen sprake lijkt te zijn geweest. Weliswaar was Willibrord, als aartsbisschop van de Friezen zetelend in Utrecht, in deze streken actief geweest als missionaris, maar veel van de hem daar door Frankische grootgrondbezitters geschonken bezittingen – onder meer ook in de omgeving van Vught in Ruimel en in Thede en Gemonde (beide onder Sint-Michielsgestel)[16] – waren in handen gekomen van de abdij van Echternach[17] en niet die van de Utrechtse kerk. Aangezien ook nadien niets blijkt van rechten van de Utrechtse kerk in dit gebied, schenkingen door de koningen van rechten buiten het diocees bovendien ongebruikelijk waren, achten we het onwaarschijnlijk dat Ansfried voor zijn schenking aan de gemeenschap op de Hohorst voor wat betreft de rechten in Vught putte uit (oud) bezit van de Utrechtse kerk. Zeer reëel is daarentegen de mogelijkheid dat Ansfried vanuit zijn eigen (familie)bezit in deze streken – goederen en rechten die hij dus al bezat toen hij in 995 bisschop van Utrecht werd – de gemeenschap op de Hohorst heeft begunstigd. Ansfried en zijn bezit en rechten Door Bas Aarts is samengevat waar Ansfried vóór zijn bisschopsbenoeming graaf is geweest en waar hij in die hoedanigheid bezittingen kan hebben gehad. Graaf was hij in elk geval in Hoei en ergens in ‘Brabant’, dit wil zeggen in de omgeving van Leuven en Brussel.[18] In verschillende andere gebieden, zoals Teisterbant (Midden-Nederlands rivierengebied) en Texandrië, zouden ook familieleden van Ansfried maar niet hijzelf graaf zijn geweest.[19] Wel blijkt hij hier en nog elders als grootgrondbezitter aanwijsbaar. Bijvoorbeeld is dat het geval geweest in het graafschap Rien, dit is de streek rondom Antwerpen,[20] in Teisterbant,[21] maar ook in het graafschap (West-) Friesland en in Nedermaasland. In dat laatste gebied kreeg hij in 985 van de keizer verschillende goederen en rechten die hij tevoren in leen had gehouden overgedragen als eigen goed (allodium).[22] Uitgebreide bezittingen en rechten had Ansfried ten slotte ook in de Maasgouw (het huidige Limburg). Hier stichtte hij waarschijnlijk tussen 972 en 995 de abdij van Thorn, die hij volgens de kroniekschrijver Thietmar van Merseburg met verschillende bezittingen en rechten in de directe omgeving en elders begiftigde.[23] Uit Ansfrieds eigen bezit of dat van zijn echtgenote Hilzonde waren wellicht ook afkomstig goederen en rechten die Thorn in later tijd in Texandrië bezat en heetten terug te gaan tot de stichtingstijd.[24] De traditie wil voorts dat ook de kerk van Hilvarenbeek door Ansfried of Hilzonde is gesticht en daarbij vanuit het familiebezit in deze streken van een dos is voorzien.[25] ![]() Afb. 11. Romaans gedeelte van de westbouw van de Stiftskerk van Thorn, daterend uit de elfde eeuw. Uit: Hartwig Kersken, Zwischen Glaube und Welt. Studien zur Geschichte der religiösen Frauengemeinschaft Thorn von der Gründung bis zur Mitte des 14. Jahrhunderts (Hilversum 2016), p. 90. Door Arnoud-Jan Bijsterveld is de mogelijkheid geopperd[26] dat, nadat in 925 Lotharingen en daarmee Texandrië definitief bij het Oost-Frankische rijk kwam en in 939 Giselbert als hertog van Lotharingen ten val was gekomen, keizer Otto I (936-973) zich gedurende enige tijd actief met dit gebied en de integratie ervan in het rijk heeft beziggehouden. Als uitgangspunt voor de versteviging van het koninklijk gezag dienden in deze streken nog voor handen zijnde koninklijke domeingoederen. Sinds 953 zou het Otto’s broer Bruno, aartsbisschop van Keulen en tegelijkertijd hertog van Lotharingen (953-965), zijn geweest die hier naar voren werd geschoven als vertegenwoordiger van de koninklijke macht. In deze hoedanigheid zal Bruno hebben kunnen beschikken over de nog aanwezige koninklijke domeingoederen en eventueel nog andere koninklijke rechten.[27] In deze context van pogingen tot versterking van het koninklijk gezag, die wellicht ook gepaard gingen met een zekere herordening van het koninklijk domeingoed in deze streken, is het niet ondenkbaar dat naast de aartsbisschop van Keulen als voornaamste pijler van het koninklijk gezag toch ook andere koningsgetrouwen met goederen en rechten zijn begunstigd en aldus evenzeer als steunpunten ingeschakeld. Dit kan gegolden hebben voor Ansfried sr. of eventueel nog andere leden van de familie der Ansfrieden. Ansfried jr., de latere bisschop van Utrecht, zou dan over een deel van door de koning aan zijn familie geschonken rechten hebben kunnen beschikken. Mogelijk is eveneens dat hij zelf als getrouwe van keizer Otto I door schenking verschillende rechten in de omgeving verworven had. Hoe dan ook, geenszins uitgesloten kan worden geacht dat Ansfried door erfenis, door zijn huwelijk of door ons onbekende koninklijke schenkingen, vergelijkbaar met die in West-Friesland, Nedermaasland of Teisterbant (Driel), ook bezittingen en rechten heeft gehad in Texandrië. Ansfried als bisschop van Utrecht: schenkingen aan zijn kerk Zowel bij de stichting van Thorn alsook zijn benoeming tot bisschop van Utrecht in 995 heeft Ansfried geen afstand gedaan van al zijn bezittingen in deze contreien.[28] Als bisschop namelijk deed hij uit eigen bezit schenkingen aan de Utrechtse kerk en de verschillende instellingen die er deel van uitmaakten. Zo vermeldt Thietmar van Merseburg in zijn Chronicon dat Ansfried na zijn benoeming tot bisschop, aan de Utrechtse kerk vanuit zijn eigen bezit vijf hoeven schonk.[29] Waar deze precies gelegen waren wordt helaas niet vermeld. In een ongedateerde oorkonde van bisschop Ansfried is sprake van een schenking aan de Utrechtse kerken van Sint-Salvator (Oudmunster) en Sint-Maarten (de dom) van bezit dat hij zelf geërfd heette te hebben en dat gesitueerd werd binnen het graafschap Rien, onder andere in de plaatsen Westerlo, Olen en hoogstwaarschijnlijk ook Westmeerbeeke, dus buiten het bisdom Utrecht zelf.[30] ![]() Afb. 12. De grenzen van het bisdom Utrecht en het Sticht en de omliggende bisdommen. Het Sticht is grijs gearceerd (links-midden het Nedersticht en rechts-boven het Oversticht). Tek. A.F.E. Kipp. Legenda: 1. grenzen van het bisdom Utrecht; 2. grenzen van het Sticht; 3. grenzen van de omliggende bisdommen; 4. de plaatsen van de bisschopszetels. Hoe zich de mededeling van Thietmar en de gegevens uit de genoemde oorkonde van Ansfried precies tot elkaar verhouden, is onduidelijk, met andere woorden moeilijk uit te maken is of het om verschillende of deels dezelfde schenkingen gaat. In de oorkonde wordt niet expliciet gesproken van (domaniale) hoven (curtes); toch kan het daar bij de begunstiging van de twee Utrechtse kerken wel degelijk om zijn gegaan.[31] Rekening houdend met de mogelijkheid dat in deze tijd, waarin de goederendeling en fondsvorming binnen het algemeen kerkelijk vermogen zich eerst beginnen te voltrekken, het onderscheid tussen schenkingen aan de Utrechtse kerk en schenkingen aan afzonderlijke instellingen niet altijd even duidelijk is geweest, moet niet uitgesloten worden geacht dat de mededeling van Thietmar over de schenking van de vijf hoven aan de Utrechtse kerk als geheel mede betrekking heeft gehad op de schenking van Ansfried aan Sint-Salvator en Sint-Maarten.[32] Denkbaar is dan evenzeer dat tot die vijf hoven ook gerekend moet worden de hof in Driel in de Bommelerwaard, die door Ansfried aan de gemeenschap op de Hohorst werd geschonken.[33] Hoe het ook zij, duidelijk is dat bisschop Anfried aan de Utrechtse kerk en verschillende geestelijke instellingen aldaar goederen en rechten heeft geschonken die afkomstig waren uit zijn eigen geërfd of door schenking verworven bezit. Ook in het geval van de aan Hohorst geschonken rechten ten aanzien van in elk geval (opbrengsten van) de halve tol in Vught is, naar mag worden aangenomen, van dergelijk eigen bezit sprake geweest.![]() Afb. 13. Politiek-geografische eenheden in het Maas-Demer-Schelde-gebied en aangrenzende streken in de tiende eeuw. Aangegeven is de ligging van Vught, op het punt waar Dommel en Dieze samenkomen, nabij de rivier de (Oude) Maas, destijds de grens tussen de bisdommen Utrecht en Luik. Tekening Universiteit van Amsterdam, Inst. Voor Prae- en Protohistorie, F. Theuws. Overgenomen uit: Bas Aarts, ‘Texandrië, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom. Hoofdlijnen en vraagtekens’, in: Geworteld in Texandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg-Turnhout (1992). Aangevuld met de ligging van Vught door M.W.J. de Bruijn 2026. ![]() Afb. 14. De ligging van Vught en omgeving ten zuiden van de stad 's-Hertogenbosch. Vught in de elfde eeuw Over Vught in de elfde eeuw is behalve wat de oorkonden van 1028 voor de gemeenschap op de Hohorst en van 1050 voor de Sint-Paulusabdij in Utrecht aan informatie bieden, weinig of niets naders bekend. De gunstige ligging van Vught bij de Dommel, waar deze overgaat in de Dieze, en in de nabijheid ook van de (Oude) Maas, maakt evenwel een tol niet onwaarschijnlijk, waarbij het echter niet duidelijk is of het hier ging om een rivier- dan wel een markttol. Of er omstreeks 1000 ook al een munt gevestigd is geweest, die in de Bernoldoorkonde van 1050 wordt vermeld,[34] is voorts niet zeker. Aangenomen evenwel dat sprake was van een economisch centrum, heeft het gebied denkelijk wel een koninklijk domein gevormd of er althans deel van uitgemaakt. De aanwezigheid van een in oorsprong koninklijk jachtgebied (forestis) in het nabijgelegen Ruimel wijst daar evenzeer op. Door koninklijke schenking kunnen dergelijke domeingoederen en verschillende daarmee verbonden rechten geheel of gedeeltelijk in handen van Ansfried zelf of eerder al van leden van zijn familie zijn gekomen. Op het belang van eertijds Vught wijst ook het feit dat er – mogelijk al vroeg – sprake is geweest van twee parochiekerken, waarvan de waarschijnlijk oudste van de twee gewijd was aan Sint-Lambertus.[35] Aan deze heilige, de patroonheilige van het bisdom Luik, zijn verschillende kerken – bijvoorbeeld in Ophemert en Avezaat – gewijd, die mogelijk door Ansfried of zijn familie als eigenkerken zijn gesticht. Over het bestaan van een kerk in Vught in de elfde eeuw zijn we helaas niet ingelicht, maar misschien mag toch wel worden aangenomen dat een centrum zoals Vught in die tijd geweest moet zijn, een kerk heeft gehad. En geenszins uitgesloten lijkt dan dat die oudste kerk van Vught, gewijd aan Sint-Lambertus, een door Ansfried zelf dan wel leden van zijn familie op eigen bezit gestichte kerk is geweest. ![]() Afb. 16. Afbeelding van de Sint-Lambertuskerk in 1729. Van het middenschap was het dak in 1603 verwoest. Overgenomen uit: Ton Kappelhof, 'Vught in de middeleeuwen (900-1300), deel 1 het raadsel van de twee kerken', in: Schatten van Vught 2019, nr. 4, p. 15-31, p. 29. Heeft misschien een curtis Berlicum deel uitgemaakt van de door Thietmar gememoreerde schenking van Ansfried aan de Utrechtse kerk van vijf hoven uit zijn eigen bezit? Het lijkt ons zeker niet onmogelijk, waarmee dan het interessante perspectief ontstaat van een goederen- en rechtencomplex van een zekere omvang in de omgeving van Vught, waarover Ansfried geheel of gedeeltelijk zou hebben beschikt ten behoeve van de Utrechtse kerk (bisdomsgoed) en ook verschillende van haar instellingen (met op den duur afzonderlijke fondsen met bepaalde bestemming, namelijk het onderhoud van de eigen geestelijken). Het zou een voorbeeld zijn van hoe – naast toebedeling van delen van het (oude) bezit van de Utrechtse kerk aan kapittels en abdij – ook nieuwe schenkingen, door de bisschop als privépersoon mogelijk direct aan of ten behoeve van de instellingen gedaan, hebben bijgedragen aan de fonds- en vermogensvorming binnen het vermogen van de Utrechtse kerk, zoals die zich in de elfde eeuw duidelijk gaat aftekenen. Hoe interessant het ook is de mogelijkheid te overwegen dat Ansfried meer bezit in Vught en omgeving aan de Utrechtse kerk heeft overgedragen,[37] concrete gegevens erover zijn niet voorhanden. Feitelijk is uiteindelijk alleen de schenking van Ansfried aan de gemeenschap op de Hohorst bekend. Wat echter hield deze schenking op het moment dat ze werd gedaan precies in? Ook daaromtrent zijn er wel enkele vragen, die niet zonder meer en met zekerheid zijn te beantwoorden. |
| [39] Eerder werd
opgemerkt dat in de
tiende eeuw in Texandrië mogelijk de aartsbisschop van Keulen in deze
streken
is opgetreden als vertegenwoordiger van het koninklijk gezag. Hoewel
we met
betrekking tot Vught nooit met zoveel woorden rechten van Keulen
vermeld
vinden, moet niet uitgesloten worden geacht dat bepaalde koninklijke
rechten en
bezittingen hier aan de Keulse kerk zijn toegevallen. Gerechtigden die
we in
later tijd in Vught tegenkomen kunnen op een of andere wijze hun
rechten ontleend
hebben aan rechten van de Keulse kerk.
[40]
Henderikx,
'Onecht of echt?', p. 133.
[41]
Vergelijk
Henderikx, 'Onecht of echt', p. 133.
[42]
Met die laatste mogelijkheid – dat het
omstreeks
1000 niet al bisschop Ansfried maar eerst bisschop Bernold circa 1050
is
geweest, die na verdere keizerlijke schenkingen aan zijn kerk, in
aanvulling op
de helft van de tol ook (de helft van) het muntrecht in Vught aan
Sint-Paulus
schonk – heb ik in mijn dissertatie eigenlijk niet echt rekening
gehouden, maar
dit ben ik thans echter wel meer geneigd aan te nemen. Zie voor wat dit
betreft
hierna.
[43]
A.J.A.
Bijsterveld, 'Een zorgelijk bezit. De benedictijnenabdijen van
Echternach en
Sint-Truiden en het beheer van hun goederen en rechten in Oost-Brabant,
1100-1300', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 6 (1989), p.
7-44, p.
21-26. Zie in dit verband ook Van Ermen ('De Utrechtse kapittels', p.
37), die
schetst hoe de Utrechtse kapittels voor wat betreft hun Zuid-Kempische
bezittingen
in de twaalfde eeuw te maken kregen het opdringen van de
premonstratenzer abdij
van Tongerlo, maar ook de machtsuitbreiding van de hertog van Brabant
en
lokale heren, waardoor ze in de tweede helft van de twaalfde en het
begin van
de dertiende eeuw geleidelijk de greep op hun goederen dreigden te
verliezen.
[44]
Zo
stelt G.
Albrecht, Das Münzwesen im Niederlotharingischen und Friesischen
Raum vom
10. bis zum beginnenden 12. Jahrhundert (Hamburg 1959), I, p. 104,
dat er
geen in Vught gemunt geld bekend is.
[45]
in de
loop van de elfde eeuw en twaalfde eeuw
verwierf de graaf van Leuven, later hertog van Brabant, een steunpunt
in het
niet ver van Vught gelegen Orthen (ONB I, nrs. 32, 36), vanwaar
uit hij
waarschijnlijk ook in de omgeving zijn macht uitbreidde. Op het
grondgebied
van Orthen wordt aan het eind van de twaalfde eeuw door de hertog
's-Hertogenbosch gesticht. Zie in dit verband onder meer Kappelhof,
'Vught in
de middeleeuwen', p. 16-22.
[46]
In
1219 treedt
bij een overdracht van een stuk land aan het klooster Postel Boudewijn,
heer
van Vught, op (ONB I, nr. 116). In 1232 is sprake van een
overeenkomst
tussen waarschijnlijk diezelfde Boudewijn van Vught en de hertog van
Brabant,
Hendrik I, die onder meer inhoudt dat Boudewijn de villa Vught
met alle
toebehoren, met uitzondering van datgene dat hij in leen houdt van de
graaf
van Gelre, zal delen met de hertog, zodanig dat de hertog de ene en
Boudewijn
de andere helft zal hebben (ONB I, nr. 160: Hec est forma
compositionis
inter Henricum ducem Lotharingie ex una parte et virum nobilem
Balduinum de
Uucht ex altera, ‑ ‑ ‑. Villam que vocatur Uucht cum omnibus
pertinenciis excepto eo quod a comite de Gelre tenet duci
participavit, ita
quod dux habebit unam medietatem et Balduinus alteram; et si in aliquo
prefatam
villam possint meliorare, simili modo participabunt. Mogelijk is
dat
Boudewijn door deze overeenkomst geacht werd geen heer van Vught meer
te zijn,
want hij wordt in 1232 slechts aangeduid als vir nobilis. Zeker
is dat
in 1257 het geval, wanneer hij voormalige allodiale goederen aan de
hertog
verkoopt, en zichzelf nadrukkelijk betitelt als vir nobilis
Balduinus olim
dominus de Wght (ONB I, nr. 266). Bij deze verkoop gaat het
om
goederen die hij in 1232 aan de hertog had opgedragen en toen in leen
had
terugontvangen. Van rechten in Vught van de graaf van Gelre, gehouden
door
Boudewijn wordt niet meer gerept en nadien wordt er ook van de Van
Vughts
weinig of niets meer vernomen.
|
In de oorkonde uit 1028, waarin keizer Koenraad II de kloostergemeenschap op de Hohorst bevestigt in het bezit van de eerder door Ansfried geschonken rechten, is sprake van dimidium thelonarii census in Fughte, de helft (van de inkomsten) van de tol in Vught. In de bevestigingsoorkonde van bisschop Bernold voor de abdij in Utrecht uit 1050 is de omschrijving uitvoeriger en wordt gesproken over: in Fuhthe dimidium thelonei atque monete et foreste in Rumelo et quartam partem silve in Uothenholt, dat wil zeggen in Vught van in elk geval de tol, maar mogelijk ook de munt aldaar en het koninklijk woud of jachtgebied in Ruimel de helft alsmede een kwart gedeelte van een bos in het niet precies te localiseren Uothenholt.[38] Gezien het feit dat in beide oorkonden sprake is van een schenking aan de gemeenschap op de Hohorst van de helft van (de inkomsten van) de tol en eventueel nog andere rechten kan men zich tevens de vraag stellen naar de andere helft van die inkomsten en rechten. Wie of welke instelling daarover in de elfde eeuw beschikte is niet bekend. Zo vinden we geen van de instellingen die we elders aantreffen als vermoedelijke erfgenamen of rechtsopvolgers van Ansfried – we denken dan in de eerste plaats aan de abdij van Thorn, maar eventueel ook aan de Utrechtse kerk – in Vught zelf terug als gerechtigde naast de gemeenschap op de Hohorst of de abdij van Sint-Paulus in Utrecht. Dat Ansfried – als graaf dan wel als bisschop – beschikt heeft over de volledige tol, munt en foreest in Vught is daarom allerminst zeker. Als de bezittingen in Vught en omgeving behoord hebben tot het familiebezit van de Ansfrieden, kan er in verband met vererving ervan al eerder in de tiende eeuw een deling van dit bezit hebben plaatsgehad, waardoor Ansfried jr. omstreeks 1000 slechts kon beschikken over de toen aan de gemeenschap op de Hohorst geschonken helft van rechten in Vught. De andere helft zou dan in handen kunnen zijn gebleven van leden van Ansfrieds familie en hun rechtsopvolgers. Uitgesloten is echter evenmin dat nog andere gerechtigden, ook op basis van een koninklijke toekenning, rechten in Vught hebben gehad, waaronder eventueel ook de andere helft van de tol.[39] Met betrekking tot de inhoud van de schenking van Ansfried aan de Hohorst is voorts van belang het opmerkelijk verschil in de omschrijving ervan in de oorkonden van 1028 en 1050. Niet enkel is er in 1028 sprake van de helft van de tol als zodanig. In 1050 is naast de halve tol ook sprake van verschillende andere rechten, namelijk aandelen in een munt, een koninklijk jachtgebied in Ruimel en een bos in Uothenholt. Mogelijk is dat, zoals Henderikx veronderstelt, in 1028 de omschrijving ‘de helft van de inkomsten uit de tol’ staat voor de inkomsten uit een complex van rechten door Ansfried geschonken, waarvan op het moment van schenking de tol het belangrijkste was.[40] Inkomsten uit de munt alsmede uit rechten op het koninklijk jachtgebied en een bos zouden bij de schenking van de tolinkomsten inbegrepen zijn geweest, zonder dat ze in de oorkonde van 1028 vermeld werden. Ook met betrekking tot verscheidene andere door de bisschoppen Ansfried en Adelbold aan de gemeenschap op de Hohorst geschonken bezittingen hebben we in ons onderzoek kunnen vaststellen dat in de keizerlijke oorkonde van 1028 vergeleken met de bisschoppelijke oorkonde van 1050 de omschrijving van diverse bezittingen veel beperkter is. In de meeste van die gevallen is voorts gebleken dat de uitbreiding van de omschrijving in 1050 verband heeft gehouden met het inmiddels in belang toegenomen zijn van bepaalde rechten, die in 1028 kennelijk het afzonderlijk vermelden niet waard werden geacht. In hoeverre dit ook voor de rechten van de abdij in Vught en omgeving heeft gegolden, het verschil verder ook verband heeft gehouden met een nadere verdeling van de Vughtse goederen tussen de abdij en andere, ons onbekende partijen, is moeilijk te zeggen.[41] Uiteindelijk dient er met betrekking tot – de vergeleken met 1028 in 1050 – meer genoemde rechten juist in het geval van Vught waarschijnlijk ook rekening mee worden gehouden dat er – zonder dat dit in de oorkonde expliciet vermeld is – sprake is geweest van een aanvullende schenking door bisschop Bernold, die toen als hoofd van zijn kerk kennelijk over dergelijke rechten heeft kunnen beschikken en dat ter gelegenheid van de verplaatsing van de abdij kort tevoren van de Hohorst naar de stad Utrecht ook heeft gedaan.[42] Al met al hebben we – bij ons toenmalig onderzoek en de publicatie van Uniek in de stad in 2000 – moeten vaststellen dat we over onvoldoende gegevens beschikten om over de elfde-eeuwse verhoudingen in Vught alsmede plaats en functioneren van de gemeenschap op de Hohorst en de abdij van Sint-Paulus in Utrecht als (al dan niet bescheiden) gerechtigde aldaar met zekerheid erg veel te kunnen zeggen. Na de vermeldingen in 1028 en 1050 vernemen we niets meer van rechten van de abdij in Vught en omstreken. Hoe, wanneer en aan wie de abdij haar rechten is kwijtgeraakt, is niet bekend. In welke context het is gebeurd, laat zich evenwel ongeveer raden. Teloorgang van de rechten van Sint-Paulus Door Arnoud-Jan Bijsterveld is geschetst hoezeer abdijen als Echternach en Sint-Truiden met uitgebreide bezittingen in Texandrië gedurende de twaalfde en dertiende eeuw, eerst tegenover een opkomende lokale en regionale elite en vervolgens tegenover de hertogen van Brabant, moeite hebben gehad greep op die bezittingen te behouden.[43] Hoeveel te meer zal dit hebben gegolden voor Sint-Paulus met haar toch wel beperkte (maar zonder meer ook voor anderen aantrekkelijke) rechten in Vught. Uiteindelijk is het alleszins waarschijnlijk dat de rechten van de abdij in Vught en omgeving al vroeg, misschien zelfs al spoedig na de verwerving ervan in de loop van elfde of vroege twaalfde eeuw, verloren zijn gegaan. Ze kunnen zonder meer in andere hand zijn overgegaan. Het feit dat we niets meer vernemen van deze rechten kan echter ook verband houden met verdwijnen van de Vughtse tol en munt op een gegeven moment. De indruk bestaat dat ze niet erg lang hebben bestaan.[44] Door een eventuele opheffing of wellicht verplaatsing naar elders, wanneer dan ook, kunnen de rechten van de abdij (en ook een eventuele andere gerechtigde) ernstig zijn uitgehold. De overige rechten, op aandelen in bossen in de omgeving van Vught, kunnen voorts des te gemakkelijker in andere hand zijn overgegaan. In de dertiende eeuw, wanneer we voor het eerst weer iets vernemen over Vught en de verschillende gerechtigden aldaar, is er van rechten van de Sint-Paulusabdij en eventueel de Utrechtse kerk geen sprake meer. We zien dat de hertog van Brabant, waarvan niet precies bekend is hoe hij in Vught voet aan de grond heeft gekregen,[45] ten koste van Boudewijn van Vught als de lokale machthebber en de graaf van Gelre als gerechtigde van buiten in het gebied zijn macht weet uit te breiden.[46] Denkbaar is dat in dit proces, waarvan we slechts een laatste fase waarnemen, al veel eerder rechten, zoals de verder weg gelegen gemeenschap op de Hohorst en abdij van Sint-Paulus deze ooit bezaten, verloren zijn gegaan. |
|
[47]
In de loop der jaren trachtte ik
enigszins
ontwikkelingen en resultaten van voortgezet onderzoek met betrekking
tot Vught
bij te houden, in de hoop dat er met betrekking ook tot het bestaan van
tol en
munt in Vught iets naders bekend zou worden. Kennis nam ik onder meer
van: Bas
Aarts, ‘Maurick, een mogelijke motte-burcht’, in: Schatten van Vught 2018, nr. 2, p. 4-14; Ton
Kappelhof, ‘Vught in de middeleeuwen
(900-1300)’ Deel
1, ‘Het raadsel van de twee kerken’, in: Schatten
van Vught 2018, nr.
4, p. 15-31; dez., ‘Vught in de
middeleeuwen (900-1300)’ Deel 2, ‘De Heren van Vught en de Duitse
Orde’, in: Schatten
van Vught 2019, nr. 1, p.
12-25; Annemarie
Pels-Ouweneel, KNA-archeoloog MA, en drs.
Michiel Kruithof,
‘De muntschat van Vught’, in: Schatten
van Vught 2020, nr. 3,
p. 4-11; Eugene Ball en Antoinette
Huijbers,
‘Archeologie in Vught anno 2020. Een blik terug en een blik vooruit’,
in: Schatten
van Vught 2020, nr. 3, p.
37-46; Lauran Toorians, ‘Vught in het
historische landschap’, in: Schatten
van Vught 2021, nr. 3, p.
4-13;
dez., ‘Vught in het historische landschap (2)’, in: Schatten van
Vught
2021, nr. 4, p. 4-13. Zie ook hierna, noot 75.
[48]
Zie hiervóór, noot 42. Ook het onder
numismaten als
standaardwerk geldende Die deutschen Münzen der sächsischen und
fränkischen
Kaiserzeit I, van H. Dannenberg (1876), p. 211, noemt onder
verwijzing naar
de schenking van Ansfried aan de gemeenschap op de Hohorst en de
bevestiging
van de schenking door Bernold in 1050 Vught wel als plaats waar de
Utrechtse
bisschop het muntrecht bezat, maar geeft niet te kennen dat er munten
bekend
zijn die er geslagen zouden zijn.
[49] Volgens Trostyanskiy is Rusland altijd al
een
belangrijk centrum geweest voor de bestudering van munten uit (onder
meer het
huidige) Nederland uit de elfde eeuw; munten die door toenmalige
handelaren uit Frisia die op
de Finse Golf voeren, gebruikt werden als betaalmiddel
voor
producten vandaar. Vele duizenden munten die werden geslagen in wat nu
Nederland is, zijn in Rusland, veelal in ooit begraven maar later
teruggevonden
muntschatten, aangetroffen. Verschillende typen denarii of
penningen uit
de Nederlanden zijn enkel en alleen bekend uit Russische muntschatten,
zoals
bijvoorbeeld ook de eerste munten van de graven van Holland, te weten
van graaf
Floris I.![]() Afb. 19. Handel in de elfde eeuw: de aankoop van een vogel voor de valkenjacht. De verkoper heeft de koopsom al ontvangen uit de beurs die de koper in de hand heeft, alvorend de vogel wordt overgedragen. ![]() ![]() Afb. 20. Munten uit de vondst, in 1936 gedaan in Kuusala (Estland). Overgenomen uit: Ivar Leimus, ‘Villa Evithe. Eine unbekannte Münzstätte aus dem Utrechter Raum’, in: Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 103 (2016), p. 59.68, p. 59. [zie hierna: Cat. type II]. [50]
Ivar Leimus, ‘Villa Evithe – eine
unbekannte
Münzstätte aus dem Utrechter Raum’, in: Jaarboek voor Munt- en
Penningkunde
103 (2016), p. 59-68. H. Dannenberg (1876), p. 477,
heeft onder nr. 1259 een dergelijke munt al beschreven,
verwezen
ook naar een ander exemplaar, maar daarbij opgemerkt: “Mir ist übrigens
der
deutsche Ursprung dieser Münze nicht ganz unbedenklich”. Of Dannenberg
daarmee
ook een Utrechtse herkomst van de munt niet waarschijnlijk vond, is dan
de
vraag. Leimus (o.a. a.w., p. 60) zag – op
basis van inmiddels meerdere bekende exemplaren van dit
type munt –
deze vermoedelijke herkomst kennelijk wel.
[51]
Dannenberg, a.w., nr. 1259: ‘LLA . EVIIH’.
[52]
O. Trostyanskiy, ‘Van Trier tot Leiden.
In het spoor
van de Meester van Villa Evithe’, in: De Beeldenaar, jrg. 41,
nr. 1
(januari-februari 2017), p. 19-25.
[53]
Mail van oktober 2021: “Another thing I want
to pay
attention to is the following. Founder of the community (ca. 1000)
which later
(in 1050) became the abbey of Saint Paul was Ansfried, who donated some
(landed) property and rights to the community, originally situated on
the
Hohorst near Amersfoort (ca. 20 km northeast of Utrecht). Among this
property
and rights were also named in 1028: dimidium thelonarii census in
Fughte
(transl.: half of [the income of] the toll in Vught); but in 1050 (in
the
charter of Bernold!) these rights are called: et in Fuhthe dimidium
thelonei
atque monete […] (transl.: and in Vught half of [the income of] the
toll
and the mint […]). In my thesis I mentioned these rights of course, but
couldn’t really say more about it; because it was the only mentioning
of these
rights of Saint Paul’s, but also the only mentioning of a mint in Vught
(province of (North)Brabant, south of Utrecht). What I said about it
was that
mints (as were tolls and other rights (regalia)) were donated by kings
and
emperors of the Holy Roman Empire to bishops and that bishops in some
cases
donated these rights to for example chapters and maybe abbeys. So I
didn’t
doubt the possibility that Ansfried donated rights in Vught to the
community on
the Hohorst, later Saint Paul’s, but in later times I didn’t find any
mentioning of it anymore; the abbey could have lost these rights in a
very
early time. That was, in short said, what I knew and dared to say then.
When I
now think about your find of a coin – from the period of bishop
Bernold, but on
which also seems to be named Saint Paul’s and VILLA EVITHE – I’m
beginning to
think: could it be a coin minted in Vught? If it’s so, then it would be
an
interesting and – as far as I know – unique specimen.”
[54]
Later heb ik in dat verband nog gewezen
op de
mogelijkheid dat een ogenschijnlijke letter I ietwat gebroken <
ook een letter C kon zijn, waarmee de
lezing
‘FUCTHE’ wel heel nabij scheen.
[55]
Mail van eind oktober 2021: “I am grateful to
you for
the information about coinage in Vught. Numismatists are aware of the
coinage
in this city in the 11th century and for more than 100 years they have
been
trying to answer the question of which coins were minted in this city.
But I
have not found information anywhere that the coinage in this city is
connected
with St. Paul’s Abbey. And now the puzzle has formed almost completely.
I would
be very grateful if you could give me a link to the publication of the
charter
of Bernold (1050). I am going to publish my article in Russia in the
spring or
summer of next year, later I will translate it into English and offer
it for
publication in the Netherlands. But in your country this process is
quite long
and could take some years.”
[57]
Mail van 26 oktober 2021. Trostyanskiy zond
daarop ook
enkele nadere (algemene) gegevens over muntplaatsen en muntrechten van
deze of
gene en meer specifiek een en ander over munten, geslagen vanwege de
bisschoppen Bernold en Willem (mail d.d. 2021.10.27).
[58]
Mail van 9 november 2021. Bij dit artikel was
ook
gevoegd de ‘catalogus’ van munten, met beschrijvingen van de beeldzijde
en
keerzijde (met randschriften) ervan, zoals die later ook bij het
definitieve
artikel was opgenomen en zoals die hier als bijlage
is overgenomen. Trostyanskiy
gaf hierbij in zijn mail aan dat de bevindingen ook waren voorgelegd
aan
collegae-numismaten.
[59]
Mail van 13 november 2021. Mijn commentaar betrof
de lezing
FUITHE en FUIHTE (zie hiervóór nt. 54) en (een nader argument voor) de
datering
van de Sint-Paulusmunten na 1050; mijn vragen of er andere (dan de
Sint-Paulus-)munten bekend waren die geslagen zouden zijn in Vught en
wat er
gedacht moest worden van de afbeelding van een kerk op de
Sint-Paulusmunten:
kwam die ook op andere munten voor of was die specifiek voor
Sint-Paulus? In
een mail van 22 november 2021 antwoordde Trostyanskiy: “As for the
coinage in
Vught –
I think the bishops of Utrecht minted coins there from about 1046 to
1070.
Previously. These coin types were presumably attributed to Zaltbommel,
but there
is no information about the minting in Zaltbommel around 1050. There is
no name
of the bishop on these coins, only the name Heinrich, the staff of the
clergyman, and various variants of the inscription TRAECTUM or
XPRISTIANA
RELIGIO. As to the image of the church on the coins- it’s unique for
the
Utrecht region, but has an analogue on denars of Trier, where the
famous Porta
Nigra are depicted. The issue of coins to finance the construction of
the
church is recognized by numismatists for this period for Metz and
Trier. It is
very likely that it was the same with St. Paul’s Church. But most
numismatists
usually have a negative attitude to finding connections between the
image on
the coin and a specific building. Now the prevailing opinion is that
most of the
images are symbolic.”
[60]
Mail van 18 december 2021: “The chief
specialist,
Professor Ilisch from Munster, made several comments, but of a
technical and
numismatic, which do not relate to the main idea of the article. In
February of
March, a short version will be published in De Beeldenaar to stake out
the
topic. In January, I will translate the full version of the article
into
English and this article will be offered to numismatic Dutch Jaarboek.
I will
send you this translation in advance.”
[61]
Mail van 24 januari 2022.
[62]
Mail van 1 februari 2022: “It took me some
time – I’m
not used to the anyway technical articles of the numismatists – but I
have read
it now, and thought it very interesting and convincing. Even more I
think it
also offers me ground for working out some ideas about the development
of Saint
Paul’s Abbey. In that respect – the early history of the monastic
community in
Utrecht – I have some suggestions for
small changes in your text (see the attachment). It’s up to you to
decide
whether these changes are still usefull and/or possible. Finally, I
have a few
comments and considerations, which are no longer relevant for this
article, but
which may be of interest for further research. First of all I don’t
think it
very convincing/understandable the disappearance of the letter
I within
the name FVITHE. More reasonable seems to me – I suggested it earlier –
that an
original letter C in the name was read and (in somewhat crooked form)
written
as an I. Such variations and descriptions (wrong transfers) are not
uncommon in
written texts. [….].” Zie hiervóór noot 54.
[63]
Mails van 16 september 2022 en 9 oktober 2022.
[64]
Oleg Trostyanskiy (+), ‘The coinage of
Saint Paul’s
Abbey in Utrecht’, in: Revue Belge de Numismatique et de
Sigillographie,
CLXIX (2023), p. 341-359.
[65]
[Nécrologies – Overlijdensberichten]
‘Oleg
Trostyanskiy’ (R. Van Laere), in: Revue Belge, CLXIX (2023), p.
446 e.v.
![]() Afb. 22. Bisschop Bernold. Dit portretje is opgenomen in het oudste necrologium of ‘dodenboek’ van het kapittel van Sint-Pieter. Het Utrechts Archief, Sint-Pieter, inv. nr. 74. [66]
Trostyanskiy, ‘The coinage of Saint
Paul’s Abbey in
Utrecht’, p. 343-345.
[67]
A.w. p. 344-345.
![]() Afb. 24. De gebouwen en omgeving van de abdij van Sint-Paulus in Utrecht. [68]
Uniek in de stad, o.m.
(samengevat) p.
607-609.
[69]
A.w. (samengevat) p. 609-610.
![]() Afb. 25. Reconstructie van de westgevel van de kerk van de Sint-Paulusabdij in Utrecht. Tek. A.F.E. Kipp. [70]
Zie hiervóór noot 59.
[72]
Trostyanskiy, ‘The coinage of Saint
Paul’s Abbey in
Utrecht’, p. 347. “To date, there are
no coins known that can be attributed to Saint Paul’s Abbey after 1100.
Most
likely, at the end of the 11th century, the minting of coins on behalf
of the
abbey stopped and was never resumed.” Of de munten met de beeltenis van
Sint-Paulus van het type VI (zie bijlage), die
op de keerzijde het randschrift
LIN/ICIVDNI of
LIN/G (of D?)NIDNI hebben, zoals Trostyanskiy suggereert,
zouden zijn geslagen in Lienden – waar de
Sint-Paulusabdij vanouds ook niet onbelangrijk bezit had –
daarvan ben ik niet volledig overtuigd en
daarom niet zeker.
[73]
Uniek in de stad, o.m.
(samengevat) p.
602-604, 612 e.v.
[74]
Misschien is ook een gang van zaken als
die rond
rond de tol bij Smithuizen voorstelbaar; was dit recht eerst door de
bisschop,
waarschijnlijk wel bij de stichting van het kapittel omstreeks 1050,
geschonken
aan Sint-Jan, later moet de bisschop dit recht weer aan zich hebben
getrokken
en het bij de stichting van een nieuw, vijfde en laatste kapittel
omstreeks.1088, geschonken hebbe aan Sint-Marie. Deze gang van zaken
geeft wel
zeer duidelijk aan hoezeer een dergelijk recht als dat van een tol, dat
– net
als een munt – directe inkomsten opleverde, zeer geschikt was om als
onderdeel
van de dos geschonken te worden aan een nieuwe geestelijke
instelling.
Eenmaal gevestigd in Utrecht en voorzien van een aanzienlijke abdijkerk
en
andere gebouwen kan zo al in de loop van de elfde eeuw het muntrecht in
Vught
de abdij door de bisschop ook weer zijn ontnomen, waarna dan met de al
dan niet
geleidelijke teloorgang van de bisschoppelijke macht aldaar de munt kan
zijn
verplaatst van Vught naar elders dan wel eenvoudigweg zijn opgeheven.
![]() Afb. 26. Impressie van de elfde-eeuwse abdij van Sint-Paulus in Utrecht, waarbij alleen het immuniteitsterrein, de kerk en de feitelijke kloostergebouwen in hun situering zijn weergegeven. Over de bijgebouwen in die tijd is weinig naders bekend. [75]
Zonder meer interessant is in dit verband
dat bij
opgravingen in Vught (langs de Boxtelseweg, ter hoogte van het
Maurickplein, in
een graf op het kerkhof van de voormalige Sint-Pieterskerk) in
2018-2019 onder
meer een muntschat is gevonden. Van de 158 munten (zilveren denarii
of
penningen) zijn er 157 van een type dat wel is toegeschreven aan
bisschop
Hartbert (1139-1150), en de ene andere aan zijn opvolger bischop Herman
(1150-1156). In het artikel over deze muntschat stellen de auteurs
((Pels-Ouweneel en Kruithof, ‘De muntschat van Vught’, p. 10-11) dat de
enkele
munt qua type tegenwoordig aan Deventer en om precies (?) te zijn aan
bisschop
Burchard en zijn opvolgers wordt toegeschreven, met als datering
1100-1150; de
overige munten worden thans voorlopig gedateerd op het midden van de
twaalfde
eeuw, met evenwel de aantekening dat nader onderzoek nodig is. Geen
van de
munten wordt in verband gebracht met het muntatelier dat Vught eertijds
moet
hebben gehad.
[76] OBNB I, nr. 32. Op het eind van
twaalfde eeuw
werd door de hertog van Brabant op het domeingoed Orthen de stad
’s-Hertogenbosch gesticht (Kappelhof, ‘Vught in de middeleeuwen’, p.
16-22;
P.Th.J. Kuijer, ’s-Hertogenbosch. Stad in het hertogdom Brabant ca.
1185-1629
(Zwolle-’s-Hertogenbosch z.j.) p. 29-31, p. 33-41). |
Voorlopige
conclusies, nieuwe gegevens en bevindingen Tot zover reikte in 2000 mijn – toegegeven, zeer bescheiden – kennis over Vught en de rechten ten aanzien van tol, munt, foreest en bos zoals de gemeenschap op de Hohorst van bisschop Ansfried dan wel de Sint-Paulusabdij van bisschop Bernold geschonken kreeg.[47] Wat met betrekking tot die bevindingen zeker niet in positieve zin bijdroeg, was dat er vooralsnog ook geen munten leken te bestaan die naar Vught of zelfs Sint-Paulus verwezen. Zo stelde ik in mijn dissertatie op gezag van G. Albrecht dat er geen in Vught gemunt geld bekend was.[48] ![]() Afb. 17. Routes en contacten: Europa tussen de negende en de elfde eeuw, met aangegeven de verschillende contacten, w.o. die vanwege handelsactiviteiten, tussen verschillende gebieden. Overgenomen uit: D.E.H. de Boer e.a., Middeleeuwen (Groningen 1989) p. 75. ![]() Afb. 18. Europa omstreeks 1028, met aangegeven de verschillende producten die werden verhandeld en over vaak grote afstanden werden vervoerd. Overgenomen uit: Colin McEvedy, The Penguin Atlas of Medieval History (1961; reprint 1979) p. 59. Wie schetst dan ook mijn verbazing en uiteraard ook opwinding dat ik in oktober 2021 – in beginsel via Academia.edu, waarop een samenvatting van mijn dissertatie in het Engels staat – een mail ontving van de Russische numismaat Oleg Trostyanskiy, mij en waarschijnlijk ook vele Nederlandse historici niet bekend, maar op het gebied van de muntkunde in het Westen zeker geen onbekende, vooral ook gezien zijn publicaties – al dan niet samen met collegae uit het Westen – in zowel Nederlandse alsook Belgische tijdschriften. In een aantal hiervan had hij zich het hoofd gebogen over tal van – soms zelfs al veel langer geleden – in diverse muntschatten in onder meer Rusland, maar vooral ook de Baltische gebieden (Estland) teruggevonden Neder-Lotharingse zilveren munten (penningen) uit de elfde eeuw. [49] Daaronder ook een tweetal munten met daarop een afbeelding van Sint-Paulus (Afb. 20; zie hiervoor ook de bijgevoegde ‘catalogus’, type II), welke – zo had in 2016 de Estse numismaat Ivar Leimus, met wie Trostyanskiy in contact stond, gesteld – qua type uit het bisdom Utrecht zouden moeten stammen (Afb. 21).[50] Een aantal van deze munten met Sint-Paulus op de beeldenaar vertoonden op de keerzijde niet alleen een aanzienlijk stenen kerkgebouw met twee torens, maar tevens – niet altijd goed leesbaar – het randschrift ‘EVITHE’ (zie: ‘catalogus’, type I).[51] 'In villa Evithe' Over de lokalisering van ‘EVITHE’, al dan niet in combinatie met de beeltenis van Sint-Paulus, bleek al vaker te zijn geschreven, waarbij – onder meer ook door Trostyanskiy zelf [52] – verschillende suggesties waren gedaan, die allemaal zo hun voor, maar vooral ook hun tegen hadden en daarom onbevredigende oplossingen waren. De Sint-Paulusmunten bleven Trostyanskiy evenwel intrigeren en hij gaf in zijn mails aan mij aan hierover een artikel in voorbereiding te hebben. Via Academia.edu dus kennis genomen hebbend van het bestaan van mijn daarop vermelde dissertatie Uniek in de stad – althans de samenvatting ervan in het Engels – legde Trostyanskiy in zijn mail(s) mij in eerste instantie de kwestie voor van de kennelijk als Utrechts te typeren Sint-Paulusmunten, zoals die uit verschillende begraven muntschatten in Rusland en elders bekend waren. Kon ik die – mij volledig onbekende munten – plaatsen en wellicht in verband brengen met de Sint-Paulusabdij in Utrecht? En was ik ooit in documenten de naam VILLA EVITHE of iets dergelijks tegengekomen in relatie tot de Sint-Paulusabdij? Verrast door deze belangstelling voor de Utrechtse Sint-Paulusabdij vanuit onverwachte hoek en enigszins overvallen door de vraag, stelde ik in een eerste reactie niet bekend te zijn met (fysieke) munten van Sint-Paulus en legde ik – curieus genoeg – ook nog geen verband met het toch wel in (de oudste) oorkonden genoemde recht van de abdij om in Vught munten te slaan. Ik betwijfelde derhalve of ik verder zou kunnen helpen. In enkele mails over en weer zijn voorts enige misverstanden uit de wereld geholpen met betrekking tot wie de abten van Sint-Paulus en wie de bisschoppen in die tijd waren geweest, en is gesproken over de mogelijkheid dat met ‘VILLA EVITHE’ Deventer bedoeld zou zijn geweest, wat overigens, omdat er geen duidelijke link was met Sint-Paulus, ook weer verworpen werd. Bij gebrek aan verdere bronnen – niet ongebruikelijk voor de tiende en elfde eeuw – meende ik weinig naders te kunnen zeggen over een en ander. Geprikkeld evenwel door de vasthoudendheid van Trostyanskiy, die kennelijk toch een spoor naar in elk geval Sint-Paulus vermoedde, zond ik hem alsnog meer specifieke informatie over de gemeenschap op de Hohorst en de abdij van Sint-Paulus, waaronder nu ook wat ik – uitvoeriger dan in de ‘summary’ op Academia.edu – in mijn dissertatie zelf over Vught had geschreven. Heel voorzichtig opperde ik daarbij de mogelijkheid dat de Sint-Paulusmunten in Vught geslagen zouden zijn i.c. dat met de ‘VILLA EVITHE’ zelfs Vught bedoeld kon zijn.[53] Was er aldus een belletje gaan rinkelen, nu leken er wel (dom)klokken te gaan luiden. Besloten werd de uitwisseling van gegevens gemakkelijker te maken door in plaats van te blijven communiceren via Academia.edu e-mailadressen uit te wisselen en zo directer en aan de hand ook van afbeeldingen van de betreffende munten van gedachten te kunnen wisselen. Trostyanskiy reageerde welhaast per omgaande en haakte – onder verwijzing naar een eigen publicatie en het artikel van Ivar Leimus uit 2016 – direct in op de problematiek rond ‘EVITHE’ (varianten: ‘EVITHEI’, ‘EVIIHE’) (zie ‘catalogus’, type I, R3 tot en met 12 (13)); een randschrift dat – opmerkelijk genoeg – ook zou voorkomen als ‘FVITHE’ en ‘FVTHE’ (zie: ‘catalogus’, type I, R1 en R2), waarmee – rekening houdend met de mogelijkheid van zowel verbasterde alsook afgesleten en daarmee moeilijk leesbare randschriften – niettemin de verwijzing naar Vught duidelijk leek.[54] Op zich (kennelijk vooral vanuit de secundaire literatuur) niet onbekend met Vught als muntplaats, waarvan dan niet alleen geen munten, maar bij numismatici ook geen band met Sint-Paulus in Utrecht bekend waren, was Trostyanskiy – die meende dat hiermee de puzzel bijna compleet leek en een artikel aankondigde in zowel het Russisch (lente/zomer 2022) alsook het Engels in een Nederlands(talig) tijdschrift – zeer geïnteresseerd in de precieze vermeldingen van Vught in oorkonden, met name die van bisschop Bernold uit 1050 voor de abdij van Sint-Paulus.[55] Ik zond hem daarop een link naar de Digitale Charterbank Nederland en de digitale versie van het Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301.[56] Hierop ontspon zich een gedachtenwisseling over de vraag of dimidium betrekking had op alleen de tol of op zowel tol als munt. Trostyanskiy wees in dat verband op het bestaan van een groep van munten, geslagen vanwege de bisschop van Utrecht, weliswaar niet in Utrecht, maar wel zeer gelijkend op de munten met en van Sint-Paulus. Naar aanleiding hiervan heb ik allerlei gegevens doorgestuurd met betrekking tot de kloostergemeenschap op de Hohorst en Sint-Paulusabdij, alsmede de bisschoppelijke schenkingen aan haar gedaan, waaronder ook die van tol- en muntrechten in het economisch centrum dat Vught in die tijd kennelijk was. Nadere informatie waarover ik beschikte, die de context van een en ander duidde, zoals de mogelijke herkomst van deze rechten en het proces van goederendeling binnen het vermogen van de Utrechtse kerk, zond ik hem eveneens toe.[57] Muntrecht van Sint-Paulus in Vught Waar ik dus in mijn dissertatie uit 2000 – vanuit een zeer brede context – het bestaan van onder meer een munt in Vught nog slechts aannemelijk meende te kunnen maken, bleek het nu aantoonbaar een recht dat niet enkel aan de abdij door de bisschop was geschonken, maar – nog veel verrassender – gedurende een zekere periode zelfs ook feitelijk vanwege de abdij leek te zijn uitgeoefend. In november 2021 zond Trostyanskiy mij een concept-artikel – een verkorte versie voor publicatie in een numismatisch tijdschrift in Nederland, waarvan hij hoopte dat het in februari of maart (2022) geplaatst zou worden – waarin hij een en ander nader had uitgewerkt omtrent het slaan van munten in Vught en het in omloop geweest zijn van de verschillende Sint-Paulusmunten.[58] Mij kwam het artikel vrij technisch en specifiek numismatisch voor, maar het zette me zonder meer wel aan het denken over het hoe, wanneer en waarom de abdij (een aandeel in) het muntrecht in Vught had verworven en ook wanneer en waarom dit recht uiteindelijk ook weer verloren was gegaan. Behalve mijn commentaar op een enkel punt en een nadere vraag, zond ik op verzoek gegevens over mijn dissertatie (exacte titel, paginanummers) en de wijze waarop ik in een dankbetuiging wilde worden vermeld, en – omdat Trostyanskiy aangaf tot nog toe alleen over een samenvatting van mijn proefschrift te beschikken – een Engelse vertaling van de bewuste paragraaf over verdwenen bezittingen van de Sint-Paulusabdij in Noord-Brabant in casu Vught.[59] In een daaropvolgende mail berichtte Trostyanskiy dat het artikel, voorgelegd aan de specialist op het gebied van munten uit deze tijd en in dit gebied, prof. Peter Ilisch uit Munster, overtuigend was bevonden.[60] Reeds een maand later volgde de aankondiging van de Engelse versie van het volledige artikel voor het ‘Dutch Jaarboek’ en de toezending ervan, met de uitnodiging tot nader commentaar.[61] Omdat, als gezegd, het artikel vrij technisch en specifiek numismatisch van aard was, kostte het me enige tijd om het te lezen, te doorgronden en uiteraard me ten volle te realiseren wat een en ander zou kunnen betekenen voor het beeld dat zich van de positie en ontwikkeling van de kloostergemeenschap op de Hohorst en de Sint-Paulusabdij in Utrecht viel te vormen.[62] Na een laatste mail begin februari 2022 ging het contact met Trostyanskiy min of meer verloren. Wel bleek hij mijn naam te hebben doorgespeeld aan iemand met een vraag over een andere kwestie. In september van genoemd jaar – na een bezoek aan de bibliotheek om te kijken of er in De Beeldenaar inmiddels het aangekondigde artikel was verschenen – informeerde ik bij de redactie naar de stand van zaken, waarop ik vernam dat de publicatie in De Beeldenaar vanwege de oorlog in de Oekraïne voor onbepaalde tijd was uitgesteld. Het artikel zou nu verschijnen in België in de tweede helft van het volgend jaar (2023). [63] Waarschijnlijk zou het evenwel binnen enkele maanden eerst worden gepubliceerd in het Russisch. Ten opzichte van de eerdere versies die mij waren voorgelegd, zouden er geen significante wijzigingen meer zijn aangebracht. Daarna is nog over en weer over andere kwesties gecorrespondeerd, tot in december 2022 opnieuw het contact verloren ging. Eerst later vernam ik dat Oleg Trostyanskiy eind december 2022 plotseling was overleden en dat het aangekondigde Engelstalig artikel – afgemaakt door zijn echtgenote – in de loop van 2023 gepubliceerd was in België.[64] In dezelfde aflevering van Revue Belge verscheen een overlijdensbericht van Trostyanskiy van de hand van R. Van Laere,[65] die wel met Trostyanskiy had samengewerkt en zo vriendelijk was mij een overdruk van het artikel uit de Revue Belge toe te zenden. Met gebruikmaking van Trostyanskiy’s numismatische gegevens, gelukkig (in het Engels) neergelegd in voornoemd artikel, was het voorts voor mij mogelijk over de Sint-Paulusabdij en haar muntrecht in Vught in de elfde eeuw het een en ander nader te overwegen. Nieuwe en nadere inzichten Zo zijn er dus Sint-Paulusmunten, die door Trostyanskiy gedateerd worden in de tweede helft van de elfde eeuw, ten tijde van de bisschoppen Bernold (zie: ‘catalogus’, type I en II) en Willem (idem, type III en IV, wellicht ook V)[66] Eveneens zijn er munten van met name bisschop Bernold (overl. 1054) die niet enkel lijken op die Sint-Paulusmunten, maar eventueel ook met de ‘VILLA EVITHE’ in casu Vught in verbinding zijn te brengen.[67] Daarmee zou wellicht het punt zijn opgelost in wiens handen toentertijd de andere helft van de munt en vóór de schenking aan de Sint-Paulusabdij de munt als geheel is geweest. Waarschijnlijk is het dus de Utrechtse kerk, en uit hoofde van zijn functie de bisschop van Utrecht geweest, die over dit recht op het moment van de schenking aan de kloostergemeenschap niet slechts voor de helft die toen aan de abdij werd overgedragen, maar waarschijnlijk toch wel als geheel moet hebben kunnen beschikken en voor wat betreft de helft ervan afstand deed ten behoeve van de abdij. Wat voorts (nog steeds) niet duidelijk is, is of het al de in 995 tot bisschop van Utrecht benoemde voormalig graaf Ansfried (overl. 1010) is geweest die ofwel vanuit zijn eigen familiebezit dan wel op basis van keizerlijke schenkingen aan hemzelf ooit gedaan ten behoeve van zijn kerk, behalve over het tolrecht in Vught toen ook reeds over het muntrecht en nog andere rechten in Vught en omgeving heeft kunnen beschikken. Denkbaar is namelijk dat dit toch niet het geval is geweest en er veeleer nadien nog sprake is geweest van een uitbreiding van rechten aldaar door nadere, maar ons verder onbekende (koninklijke) schenkingen van ook het muntrecht in Vught aan de Utrechtse kerk, eventueel zelfs ten tijde van bisschop Adelbold (1010-1026) of anders onder bisschop Bernold. ![]() afb. 23. Plattegrond Braun en Hogenberg; Utrecht met de verschillende kapittelkerken, de abdijkerk van Sint-Paulus en de Buurkerk. Hoe dan ook heeft waarschijnlijk wel deze laatste – toen hij de inmiddels waarschijnlijk door zijn voorganger Adelbold tot benedictijner abdij georganiseerde kloostergemeenschap omstreeks 1050 van de Hohorst verplaatste naar Utrecht, om daar naast haar zusterinstellingen, de kapittels, een plek in te nemen rondom de oudere kerken van Sint-Salvator/Oudmunster en de Sint-Maartensdom – haar bezittingen en rechten zoals ze die van de bisschoppen Ansfried en Adelbold had verkregen, niet enkel bevestigd, maar deze ook uitgebreid. Een en ander werd toen vastgelegd in een door Bernold uitgevaardigde oorkonde (afb. 7). De uitbreiding gold in de eerste plaats voor zogenaamde toebehoren, bijvoorbeeld nog onontgonnen gronden die op het moment van schenking waarschijnlijk al wel samen met reeds in cultuur gebracht (bouw)land aan de kloostergemeenschap waren toegevallen, maar niettemin eerder in 1028, toen keizer Koenraad II de abdij in haar bezit bevestigde, nog niet het vermelden waard werden geacht. Ten tijde van de verhuizing en uitvaardiging van de oorkonde in 1050 waren ze dat naar alle waarschijnlijkheid inmiddels wel, en werd het bezit ervan vooral daarom toen samen met de eerdere schenkingen meer expliciet bevestigd.[68] Voorts betrof de uitbreiding ook een nadere schenking van bisschop Bernold van zowel bezittingen in de nabije omgeving van de nieuwe vestigingsplaats, zoals landbezit in Papendorp,[69] als naar het nu schijnt ook meer specifieke rechten elders, waarvan – zoals met name van de helft van de munt in Vught – mag worden aangenomen dat ze direct zekere geldelijke inkomsten met zich meebrachten die konden worden aangewend voor de noodzakelijke bouw en uitstoffering van een kerk en gebouwen voor de abdij in Utrecht zelf. In dit verband opmerkelijk te noemen is dan het feit dat op de keerzijde van de munten die in de tweede helft van de elfde eeuw vanwege de Sint-Paulusabdij (en ook de toenmalig bisschop) in Vught zijn geslagen een aanzienlijk kerkelijk bouwwerk met dubbele torens is afgebeeld. Hoewel dus mag worden aangenomen dat de opbrengsten van een muntrecht dat aan een instelling werd geschonken in beginsel wel bedoeld is geweest en in elk geval gebruikt werd voor de bouw van met name kerken, meent bij navraag van mijn kant Trostyanskiy dat een afbeelding van een kerk op munten zeker niet zonder meer een altijd gelijkende weergave van zo’n kerk is, maar waarschijnlijk meer symbolisch moet worden opgevat.[70] Daar deze afbeelding behalve op de Sint-Paulusmunten evenwel ook op andere Utrechtse munten uit die tijd voorkomt, mag ze dan toch wel gezien worden als verwijzing naar met name bisschop Bernolds – door mij uitvoerig beschreven – uitgebreide kerkelijke bouwactiviteiten in Utrecht maar ook elders en specifiek ook de betekenis die hieraan toen werd gehecht.[71] Het einde van de (munt)activiteiten (van Sint-Paulus) in Vught Aan de muntactiviteiten vanwege de Sint-Paulusabdij vanaf ongeveer 1050 lijkt voorts ook al weer spoedig in diezelfde tweede helft van de elfde eeuw, mogelijk al ten tijde van Bernolds opvolgers bisschop Willem (1054-1076), misschien bisschop Koenraad (1076-1099) (afb. ??; zie ook: ‘catalogus’, type VI), een einde te zijn gekomen.[72] Sint-Paulusmunten van na die tijd zijn er voor zover bekend niet overgeleverd. Een en ander past op zich bij ontwikkeling zoals die in mijn dissertatie Uniek in de stad is geschetst, namelijk dat naast de toentertijd in Utrecht belangrijk geworden, of zelfs nog belangrijker wordende kapittels de Sint-Paulusabdij als echt monastieke (zuster)instelling weliswaar nog een plaats had, maar allengs van haar toch een meer teruggetrokken, minder bij het (ook wereldlijk) bestuur van de Utrechtse kerk betrokken positie en rol werd verwacht.[73] Misschien is ze mede daarom – maar misschien ook omdat inmiddels voor de bouw van de abdijkerk de directe inkomsten uit tol en munt minder nodig waren – bereid dan wel gedwongen geweest haar positie en rechten in het verre, in elk geval buiten het bisdom gelegen Vught op te geven.[74] Niet duidelijk is evenwel of een en ander toen ook reeds het einde betekend heeft van de rol van Vught als muntplaats, van de Utrechtse bisschop of zelfs überhaupt. Uitgesloten is dit echter ook niet. We vernemen er hoe dan ook niets meer over. En van munten die er nadien nog zouden zijn geslagen, is evenmin iets bekend.[75] In dat opzicht zijn we dan weer aanbeland bij wat al in mijn dissertatie aan de orde is geweest over het verlies van bezit en rechten door de Sint-Paulusabdij in verder weg gelegen contreien. Voor wat betreft evenwel haar vroegste geschiedenis, de begintijd in Utrecht en mogelijk dus ook – binnen het kader van de algehele bouwactiviteiten van bisschop Bernold in die periode – de bouw van de abdijkerk en de financiering hiervan door middel van een feitelijk door bisschop én abdij uitgeoefend muntrecht in Vught, zijn we door de identificatie van in Rusland teruggevonden munten het nodige te weten gekomen. Wie weet wat ‘nieuwe’ gegevens, juist ook uit andere disciplines, in de toekomst nog meer opleveren. Afb. 27. Bisschop Bernold op een muurschildering uit 1490 in het dwarsschip vóór het koor van de Utrechtse Sint-Pieterskerk met om hem heen de vier door hem gebouwde kerken, zoals afgebeeld op een tekening van Pieter Saenredaem. Het betreft de kerken van Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Paulus in Utrecht en Sint-Lebuinus in Deventer. |
|
Bijlage: catalogus van munten geslagen door de Sint-Paulusabdij Aangepast overgenomen uit: Oleg Trostyanskiy (+), ‘The coinage of Saint Paul’s Abbey in Utrecht’, in: Revue Belge de Numismatique et de Sigillographie, CLXIX (2023), p. 348-355 en 357-358. ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
|
|
© 2026-heden C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 4 juni 2026; laatst bewerkt 4 juni 2026. |
|