Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Ontsnapt aan de ketel, gerehabiliteerd door de keizer
Een paragraaf uit de rechterlijke organisatie in de stad Utrecht
door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding

Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘Ontsnapt aan de ketel, gerehabiliteerd door de keizer’ (www.broerendebruijn.nl/Keukenstraat.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).
[1] C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 34-36; De eerste kerken op het Utrechtse Domplein (Utrecht 2013) 34.


[2] Een overzicht van deze ontwikkeling biedt mijn dissertatie Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994). Voor het proces van goederendeling binnen de Utrechtse kerk zie uitvoerig C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) 223-237.


[3] Ald. 305-307.


[4] Ald. 307-315. Dat het dagelijks gerecht van de dom zich aan de zuidzijde in ieder geval uitstrekte tot aan de Magdalenastraat, blijkt uit een oorkonde van 11 januari 1392, waarin Johan van den Rijn Woutersz. en zijn vrouw Beerte een perceel aldaar inder heeren gerechte vanden dom in erfelijke pacht gaven aan vrouwe Mechteld van Wulvenhorst, weduwe van heer Aleman. Waarschijnlijk betrof het hier Servaasbolwerk 8-9 en Magdalenastraat 22-32. Op dit perceel werd in 1395 het Maria-Magdalenagasthuis gesticht. Later werd hier Sint-Quintijn als patroon aan toegevoegd. Aan de zuidzijde van de Magdalenastraat ontstond iets later een convent van bekeerde vrouwen dat gewijd werd aan Maria Egyptiaca, maar later ook Maria-Magdalenaklooster werd genoemd. Het hoeft niet te verbazen dat hieruit verwarring is ontstaan. De bronnen betreffende het kloosterterrein aan de zuidkant van de Magdalenastraat vermelden overigens niet dat dit in het dagelijks gerecht van de dom lag. Zie als meest recente publicatie over gasthuis en klooster J.M. van Winter, ‘Uit de voorgeschiedenis van Leeuwenbergh’, in: E. Dijkhof en M. van Gent (red.), Uit diverse bronnen gelicht. Opstellen aangeboden aan Hans Smit ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag (Den Haag 2007) 153-366, ald. 356-357 de vermelding van de oorkonde waaruit blijkt dat de noordzijde van de Magdalenastraat ook tot het dagelijks gerecht van de dom behoorde.


[5] Elders soms ‘hofstedegeld’ genoemd. Omdat het begrip ‘hofstede’ tot verwarring aanleiding geeft, heb ik voor domus et area, in het Middelnederlands husinghe ende hofstede, de aanduiding ‘huis en erf’ gebruikt, voor het erf alleen de term ‘huiserf’, dus erf met een huis of waar een huis op gebouwd kan worden. De tijns die over die erven geheven werd, is door mij omschreven als ‘huiserventijns’. Zie Husinghe ende hofstede, 56-58.


[6] Husinghe ende hofstede, 258-259.


[7] Het Utrechts Archief [HUA], Archief van het domkapittel [Dom] 3143.


[8] HUA, Dom 1121-2.


[9] HUA, Archief van het kapittel van Oudmunster [Oudmunster] 934, f. 5: post quas areas incipit iurisdictio capituli sancti Martini; f. 5v.: in eadem parte occidentali dicte Oudelle in opposito iurisdictionis sancti Martini.


[10] HUA, Dom 1121-3.


[11] Ald. 1121-4.


[12] Ald. 1121-5.











































































































[13] Zie nt. 4.


[14] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 370.


[15] genoemd naar de schout van het kapittel in 1390 Jacob uter Coke.


[16] HUA, Dom 1121-118, afgedrukt in M.W.J. de Bruijn, ‘Opmerkingen bij het middeleeuwse recht van verval’, Pro Memorie 10 (2008) 149-165, ald. 161.

Als nederzetting van Romeinse en vroegmiddeleeuwse oorsprong heeft Utrecht op rechtshistorisch gebied een boeiende ontwikkeling gekend. Al omstreeks 720 verkreeg ‘de Utrechtse kerk’ onder aartsbisschop Willibrord het koninklijk privilege van immuniteit. Dit hield autonomie op het gebied van bestuur en rechtspraak in.[1] Vanaf de tiende eeuw werd het kerkelijk vermogen, dat ook het bestuur en de rechtspraak omvatte, gesplitst en verwierven de oudste Utrechtse instellingen, de vijf kapittels en de Sint-Paulusabdij, er jurisdictie van diverse aard. Binnen het stadsgebied waren dat onder meer zogeheten dagelijkse gerechten, waar de lage rechtspraak werd uitgeoefend over zowel de personen als het vastgoed.[2]
 
Zoals uit omschrijvingen uit 1330 blijkt, omvatte de jurisdictie strafrechtelijk gezien alle rechtsuitoefening beneden de straffen aan lijf en lid, dus de doodstraf en verminkende straffen. Straffen aan huid en haar, zoals kaalscheren, brandmerken en geseling, maakten er dus wel deel van uit. Maar daar is niets van bekend; in de praktijk zal men zich beperkt hebben tot het opleggen van boeten. Verder behoorde in ieder geval ook de contentieuze en vrijwillige rechtspraak tot de competentie van deze dagelijkse gerechten.[3]
 
Het spreekt voor zich dat ook het belangrijkste Utrechtse kapittel, dat van de aan Sint-Maarten gewijde domkerk, dagelijks gerecht in een deel van de stad bezat. Maar dit blijkt zich in de veertiende eeuw merkwaardigerwijs slechts tot een enkele straat in het zuidoostelijk stadsgebied te beperken, de Keukenstraat.[4]
 
Aannemelijk is dat het domkapittel oorspronkelijk in een veel groter en belangrijker deel van de stad de lage jurisdictie uitgeoefend. Op de vooravond van het feest van Sint-Maarten, 11 november, betaalde de oudste schepen van de stad namelijk een bedrag van ‘vier pond goede tijnspenningen’ aan een gemachtigde van de domproost. Zoals ik elders heb uiteengezet, gaat het hier hoogstwaarschijnlijk om collectivisatie van de oude huiserventijns,[5] die tevoren uit ieder perceel in het betreffende gebied werd betaald. De tijns was doorgaans gekoppeld aan de jurisdictie, die met de collectivisatie overgegaan zal zijn aan de stad. Het zal hierbij met name om de percelen langs de hoofdader van de stad, de Oudegracht, zijn gegaan, waar men geen tijnzen van enkele penningen meer aantreft. Het is niet onaannemelijk dat de collectivisatie precies negen eeuwen geleden heeft plaatsgehad. Op 2 juni 1122 werd de stad door keizer Hendrik V bevestigd in de rechten die de bisschop haar had verleend. Een aanwijzing voor de door mij aangenomen collectivisatie van de door het domkapittel geheven tijns zou kunnen zijn dat een jaar later, dus in 1123, de huiserventijns in Deventer werd afgeschaft.[6] De vrijmaking van de grond van grondheerlijke lasten was een algemeen gebruikelijk verschijnsel in de steden van het Heilige Roomse Rijk. Maar een werkelijk bewijs dat de collectivisatie toen heeft plaatsgehad, heb ik niet.
 
Het dagelijks gerecht van de dom
 
Op 1 april 1330 werden waarschijnlijk vier kapittels en de Sint-Paulusabdij door de bisschop in hun dagelijks gerecht bevestigd, waarschijnlijk omdat de bevestigingsoorkonde slechts van vier van de vijf kapittels, die van Sint-Salvator of Oudmunster, van Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Marie, bewaard is gebleven. Van de dom en de Sint-Paulusabdij ontbreken ze. Van het laatstgenoemde gerecht zal dat ontbreken toeval zijn omdat het abdijarchief slecht bewaard is gebleven. Maar het domkapittel ontving niet op 1 april maar pas drie weken later, op 21 april 1330, zijn bevestiging. Mogelijk omdat de dom op dat moment geen dagelijkse rechtsmacht in de stad uitoefende, werd het kapittel op die datum bevestigd in zijn rechten in stad en diocees samen.[7]
 
Waar zich later in de veertiende eeuw het dagelijks gerecht van de dom bleek te bevinden, was er in 1325 sprake van één omvangrijk perceel, dat het kapittel op 17 januari van dat jaar in tijdpacht gaf aan Ave, weduwe van Barnier de Appelman.[8] Mogelijk duidde deze naam zijn beroep aan en bevond er zich een appelboomgaard. Dat het domkapittel over dit perceel de dagelijkse rechtsmacht bezat, blijkt uit de registers en rekeningen van het collega-kapittel van Oudmunster, die vanaf 1348 het dagelijks gerecht van de dom als belending vermelden.[9] Deze rechtsgebieden lagen geheel aan de zuidoostkant van de stad, dat van de dom ten zuiden van dat van Oudmunster.
 
Het genoemde stuk grond, dat  dus wel een boomgaard geweest zal zijn, werd op 30 april 1365 opnieuw in pacht, deze keer in lijfpacht, uitgegeven, en wel aan de Utrechtse burger Klaas Creyt en zijn dochter Aleid. Nu werd er echter gesproken van een hofstede, dit wil dus zeggen een huiserf,
also als si gheleghen is in d’Oudelle tUtrecht mit allen horen toe behoren, streckende van der straten die gheheyten is d’Oudelle oestwaert tot aen den sloet afterwaert aen der stat mure van Utrecht, daer die abdisse end! convent des cloesters van zinte Servaes tUtrecht an beyden ziden, als in die zuutzide ende in die noertzide, ghelant ziin ende daer Alijd Honaerts nu op woend aen die zuutzide ende Arnoud Rammekiin nu in bruecweer is aen die noertzide.
 
Dat er nu bebouwing op het perceel stond, blijkt uit de vermelding in de oorkonde van alsulke husinghe als op ter voerzeyder hofstede staen.[10]
 
In het kapittelarchief van de dom vinden we een aantal oorkonden die betrekking hebben op de uitgifte van percelen in het gebied. In de meeste gevallen gaat het om zogeheten erkenningsoorkonden, waarin de verkrijger erkent het goed verkregen te hebben. Het oudste voorbeeld dateert van 1 februari 1390, waarin weer een oorkonde is opgenomen van 4 juni 1389, waarin een uitgifte van 22 november 1387 erkend wordt.[11] Het gaat hierbij om twee erven aan de zuidkant van de straat. Van dezelfde datum dateert een oorkonde, waarbij één erf aan dezelfde kant van de straat werd uitgegeven.[12] Opmerkelijk is dat de afmetingen van de uitgegeven erven heel verschillend is en dat er dus van een regelmatige verkaveling geen sprake is geweest.
 
In de oorkonde van 1 februari 1390 is ook een oorkonde opgenomen die uitgevaardigd is door het dagelijks gerecht van de dom. In deze oorkonde, daterend van 30 november 1388, treden op
Jacob uter Koken, scoute, Johan van Tule, Aernd Willams soen, Jan Ouderidder ende Godevaert Godevaerts soen van Asperen, tynsghenoten ende buerlude indie Oudelle inder heren gherichte vanden doem tUtrecht.
 
Zij stonden over de overdracht van een erfelijke pacht van een huis en erf aan de zuidkant van de Keukenstraat. Deze laatste straat is hoogstwaarschijnlijk naar de genoemde Jacob uter Koken de Keukenstraat genoemd.

Keukenstraat - Van Deventer 1565 detail
Afb. 1. Het zuidoostelijk stadsgebied van Utrecht op de plattegrond van Jacob van Deventer van circa 1565 met daarin aangegeven de huidige straatnamen en de ligging van de Sint-Servaasabdij.

Keukenstraat - UDS Blok A66 Afb. 2. Plattegrond van de Keukenstraat en omgeving op een moderne huisnummerplattegrond. Naar het Utrechts Documentatiesysteem.

 
Het is de enige oorkonde die ik van het dagelijks gerecht van de dom heb kunnen traceren.[13] Dat is niet vreemd, maar zal te maken hebben met de pogingen van het stadsbestuur juist in die tijd om een eind te maken aan het functioneren van de dagelijkse gerechten in de stad. Al veel eerder in de veertiende eeuw was de aanval begonnen. Mogelijk hebben zelfs de bevestigingen uit 1330 door de bisschop hier al mee te maken gehad. Hoe dit ook zij, in 1414 beklaagden de kapittels er zich over dat die stat den ecclesien hoeren dagelixschen gerichten lange tijt onbruyck gemaect had, waarop de stedelijke raad op 12 oktober 1416 laconiek antwoordde:
Omdat die raet sach grote verschalkinge ende bedriechgenisse der lude, so heeft die raet een overdracht daerop gemaect op hoeren borgeren ende ondersaten om grote nutschap des gemeens.
 
Desalniettemin bleven de kapittels in hun uitgifteoorkonden vermelden dat een goed gelegen was in hun dagelijks gerecht. De vermelding had praktische betekenis, omdat de ‘pander’, de gerechtsdeurwaarder, van de instelling, beslag op de in het rechtsgebied gelegen goed kon leggen (‘panden’) om het zo nodig uit te winnen (evictie).[14] Nog in 1792 werd in een uitgifteoorkonde van het domkapittel van de ligging van een uitgegeven goed in de Keukenstraat[15] gezegd dat het gelegen was in onzer kerke gerechte van Oudelle.[16]

Keukenstraat vanaf de wal
Afb. 3. De Keukenstraat nu gezien vanaf de stadswal in de richting van de Nieuwegracht. Foto M.W.J. de Bruijn 2021.

[17] Ph. Maarschalkerweerd, ‘De overdracht van het wereldlijk gezag’, in Geschiedenis van de provincie Utrecht van 1528 tot 1780 (Utrecht 1997) 33-46; ald. L.C.J.J. Bogaers, ‘Politieke verwikkelingen’, 47-60.


[18] M.W.J. de Bruijn en M.A. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, in: C. Streefkerk en S. Faber, Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. mr. H. van der Linden bij zijn afscheid als hoogleraar in de Nederlandse rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit (Hilversum 1987) 55-81.


[19] Mogelijk was hij ook de bakker van het domkapittel. Het hierna te behandelen keizerlijk vonnis spreekt van backer ende roeydrager onser kercken ten dom tUtrecht.


[20] HUA, Archief van het stadsbestuur I (1122-1577) 13-22 (raadsdagelijks boek 1535-1539) f. 14v.-15; afgedrukt in J.J. Dodt van Flensburg (uitg.), Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen 7 (1848) 164.


[21] S. Muller Fz. (uitg.), Middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht, dl. II (’s-Gravenhage 1883) 305-309.


[22] Art. 2, afgedrukt ald. 306.


[23] Ald. 309-317.


[24] Ald, Inleiding (’s-Gravenhage 1995) 406.


[25] HUA, Dom 638-3 (manuaal over 1534). Hij was bezitter van het claustrale huis De Rode Poort (Domplein 4-5). In de rekening van de kleine kamer over 1534/35 – de rekeningen liepen van 1 oktober tot 30 september – staat hij nog als zodanig vermeld, maar in die van 1435/36 de domkanunnik Lambert ten Duynen (Dom 633-14 (1530-1544)). Tot en met 1533/34 was Frederik de Coninck kameraar van de Bona Divisa (Dom 639-4 (1500-1533)), niet meer in 1534/35 (Dom 639-5 (1534-1550). In 1534/35 was genoemde Lambert ten Duynen kameraar. In deze rekening worden ook nog de inkomsten van de erven van Jacob Lam vermeld (Item a Iacobo Lam alias ab Hermanno de Lynscoten - - -). De inkomsten van het kapittel over de erven bedroegen 26 pond 5 schellingen. Overigens zijn de goederen in 1539/40 weer overgedragen door de magistris fabricę ecclesię sancti Nicolai ende van den pott in eadem ecclesia aan een zekere Joost van (der) Riet (HUA, Dom 639-5).
Heroprichting?
 
Deze wat lange inleiding was nodig om een gebeurtenis uit 1534 in perspectief te plaatsen. Zes jaar tevoren, in 1528, had de bisschop zijn wereldlijke rechten, de ‘temporaliteit’, over het Sticht Utrecht, overgedragen aan keizer Karel V. De overdracht leidde tot tal van veranderingen in de rechterlijke organisatie.[17] Ook probeerden in de overgangsperiode sommige personen oude rechten in de bestaande organisatie te doen herleven. Het belangrijkste voorbeeld hiervan zijn de pogingen tot herstel van de oude burggrafelijke rechten in de stad Utrecht, gedaan door de toenmalige burggraaf, de heer van Brederode. Daar is hij ook gedeeltelijk in geslaagd.[18]
 
Mogelijk heeft er ook in 1534 iets dergelijks plaatsgehad. Toen werd Willem Willemsen backer, roeydrager in den doem ende scout in de Cokenstege binnen Utrecht, gearresteerd door de schout van de stad. De benaming roededrager was ontleed aan de roede die hij droeg als teken van zijn waardigheid. Hoewel roededrager en pander in beginsel niet dezelfde functies waren, was dit hier waarschijnlijk wel het geval was, terwijl, zoals uit het bovenstaande blijkt, voor Willem Willemsen ook nog de aanduiding schout gebruikt werd.[19] De beschuldiging van de Utrechtse schout tegen hem luidde – ik zie verder af van citaten, omdat ik de stukken als bijlage aan dit artikel heb toegevoegd – dat hij als schout zonder scepenen off enige gerechtslude daarvoor in te schakelen met de gezamenlijke geburen over een transactie gestaan had en daarover een oorkonde had laten opmaken, en wel met bezegeling van de domkanunnik Frederik de Coninck. Het betrof de overdracht of schenking van vijftien kameren – kleine huizen – aan de armennoodhulp van de Sint-Nicolaaskerk door een Jacob Lam Woutersen en zijn vrouw Marie. De Utrechtse schout concludeerde dat men de betreffende akte moest casseren en Willem als een vervalser met de ketel of op andere wijze moest straffen naar bevind van zaken. Dat dit geen loze eis was, blijkt uit het feit dat nog geen jaar later, op 28 mei 1535, een Hendrik Buys, die oorkonden vervalst, had door burgemeesters en schepenen veroordeeld werd in een ketel te sieden ter doet toe als een valscher, allen anderen ten exempel.[20] Willem Willemsen verklaarde dat hij alles gedaan had uit onwetendheid zonder daar enig profijt van te hebben gehad en sprak de hoop uit daarmee niets misdaan te hebben.
 
Meer beweegredenen staan in de hierna nog te behandelen rehabilitatie van Willem door de keizer. Daaruit blijkt dat Jacob Lam en zijn vrouw Marie hem hadden benaderd om ten overstaan van hem de overdracht te verrichten. Hij had hen daarop geantwoord dat hij dit moest doen ten overstaan van getuigen, dit wil zeggen van enkele inwoners van zijn schoutambt. Verder voerde hij aan dat hij niet wist hoever zijn ambtsgebied zich uitstrekte, aangezien hij daar zelden jurisdictie had uitgeoefend en dat deze jurisdictie meestal bestond in de overdracht van huizen en dergelijke. Vervolgens had hij als schout met enkele buren over de betreffende transactie gestaan en was de daarvan vervaardigde oorkonde, omdat hij geen zegel had, beoorkond door de domkanunnik Frederik de Coninck, zonder dat hij geweten had dat er iets niet aan die oorkonde deugde. Omdat de erfgenamen van Jacob Lam niet de in de oorkonde gemaakte testamentaire bepalingen (make) wilden aanvaarden, was de inhoud ervan ter kennis gekomen van de schout van de stad. Deze erfgenamen hadden aangevoerd dat de oorkonde vals was. Maar ze deden dit niet met het argument dat de getuigen van de rechtshandeling niet woonachtig waren in het gerecht waarin de kameren gelegen waren. Dit laatste werd los van de valsheid van de oorkonde aangevoerd om de ongeldigheid van de overdracht te beargumenteren. Tot zover het niet in het vonnis maar wel in de rehabilitatie (zie bijlage 2) opgenomen verweer van de aangeklaagde schout van de dom Willem Willemsen.
 
Vervolgens werd door de burgemeesters en schepenen van de stad op 10 februari 1534 als vonnis gewezen dat de oorkonde in aanwezigheid van de beklaagde voor het gerecht vernietigd zou worden en dat hij voor het gerecht van schout en schepenen moest verschijnen en vanwege de keizer om vergiffenis moest vragen en nooit meer zijn ambt mocht uitoefenen. Klaarblijkelijk behoorde dit als openbare functie tot de bevoegdheid van het schepengerecht en niet van het kapittel van de dom, in wiens dienst hij feitelijk was. Verder moest hij ’s zondags voor Vastenavond vóór de processie in de Buurkerk uitgaan, blootshoofds en met een brandende wassen kaars in zijn hand, die hij na de processie aan het heilig Sacrament moest offeren. Verder moest hij een jaar lang binnen de stad blijven op straffe des doods en tot slot moest hij de kosten van het proces betalen (zie bijlage 1).
 
Bij dit vonnis wil ik opmerken dat nog in 1528, dus kort na de overdracht van de temporaliteit aan Karel V deze een voorlopige ordonnantie op onder meer de justitie in de stad Utrecht had vastgesteld.[21] Het belangrijkste hiervan was dat de macht van de gilden en hiermee ook van de stedelijke raad op dit punt geheel werd geëlimineerd.[22] Het wijzen van de vonnissen werd in handen gelegd van de twee burgemeesters en de twaalf schepenen. Op 3 april 1530 nieuwe stijl werd de ordonnantie uitgebreid,[23] maar het duurde tot 4 oktober 1536 nieuwe stijl dat zij onveranderd opnieuw werd vastgesteld en afgekondigd.[24] Dit alles gebeurde dus in dezelfde tijd dat de hier behandelde kwestie speelde.
 
Gratie en rehabilitatie door de keizer
 
Het was met de genoemde uitspraak namelijk niet gedaan. Willem Willemsen, vanzelfsprekend zwaar vernederd door het vonnis, richtte zich tot de keizer en deze verleende hem in zijn raad bij oorkonde van 14 juni 1535 volledige gratie; hij mocht zijn schoutambt van de dom weer op zich nemen – er staat niet dat hij in zijn schoutambt hersteld moest worden – en was ook benoembaar tot alle andere ambten. De hiervan uitgevaardigde keizerlijke oorkonde werd volledig afgeschreven in het raadsdagelijksboek van de stad (zie bijlage 2).
 
Het kan verbazing wekken dat een functionaris van een betrekkelijk laag niveau – schout en roededrager van een kapittel – ogenschijnlijk gemakkelijk rechtstreeks van de keizer volledige rehabilitatie heeft weten te verwerven. Ik denk dat hier een goede reden voor bestond en dat die reden de betrokkenheid van het domkapittel is geweest bij een poging om het dagelijks gerecht van de dom te laten herleven. Daar is om te beginnen de bezegelaar van de door het stadsbestuur gewraakte oorkonde voor Jacob Lam en zijn vrouw Marie. Het betrof hier de domkanunnik Frederik de Coninck. Hij was in 1533/34 niet alleen kanunnik maar ook kameraar – administrateur – van een beheerskamer, de zogeheten bona divisa, de verspreide goederen, van het kapittel, waartoe ook de percelen in het dagelijks gerecht van de dom behoorden.[25] Dat de kanunnik hier, voor zover althans bekend, buiten schot was gebleven, had nagenoeg zeker te maken met het feit dat hij als geestelijke onder de kerkelijke jurisdictie viel en dus niet door een wereldlijke rechter berecht kon worden. Overigens was De Coninck op 14 juni 1535, toen de rehabilitatie van Willem Willemsen door de keizer verleend werd, al overleden, zoals blijkt uit de aanduiding wylen in de betreffende oorkonde.

Keukenstraat - Aanhef rekening 1533/34
Afb. 3. Aanhef van de rekening van de domkanunnik Frederik de Coninck over de bona divisa van het Utrechts domkapittel betreffende het rekeningjaar 1533/34 (Dom 639-4 (rek. bona divisa 1500-1533). Deze luidt: Hec est computatio mei Ffrederici de Coninck, canonici Traiectensis, de anno millesimo quingentesimo tricesimo tertio de bonis divisis eiusdem ecclesie.

 
Dit alles wijst erop, al kan ik dat niet bewijzen, dat het niet Willem Willemsen, maar het domkapittel zelf, en wel met behulp van zijn kanunnik Frederik de Coninck, is geweest, dat geprobeerd heeft de dagelijkse jurisdictie te herstellen, zoals de toenmalige burggraaf, de heer van Brederode, dat in dezelfde tijd met zijn burggrafelijke rechten in Utrecht heeft proberen te doen. Toen die pogingen niet alleen mislukten, maar ook de schout-roededrager van het kapittel Willem Willemsen daar zwaar de dupe van was geworden, zal het machtige en invloedrijke domkapittel van Utrecht hem de helpende hand hebben toegestoken en heeft hij aldus ten slotte, na eerst nauwelijks ontsnapt te zijn aan de ketel, volledige rehabilitatie van de keizer zelf verworven.
 
Wat tot slot overigens nog opmerkelijk aan deze zaak is, is dat blijkens de uitspraak van de keizer de lage jurisdictie van het domkapittel nog volledig erkend werd, terwijl, zoals we gezien hebben, althans de feitelijke uitoefening daarvan door een besluit van het stadsbestuur al sinds het begin van de vijftiende eeuw tenietgedaan was. Zoals uit de bronnen, of beter gezegd de afwezigheid daarvan, blijkt, is het tot herstel daarvan niet meer gekomen.

Keukenstraat - Post Lam
Afb. 4. Post in de rekening van de bona divisa van het Utrechts domkapittel van 1535/36 (HUA, Dom 639-5 (rek. bona divisa 1534-1550), ongef.). Hierin betaalden de fabriekmeesters van de Sint-Nicolaaskerk en de armenpot aldaar, eertijds Jacob Lam, aan het kapittel een aantal loden zilver uit een huis en huiserven in de Keukenstraat. De tekst luidt: Item a magistris fabrice ecclesie sancti Nicolai ende vanden pott in eadem ecclesia, alias a Iacobo Lam, de una area continente II virgatis II loot argenti; adhuc ab eisdem de una area continente II virgatis II loot argenti; adhuc ab eisdem de una area continente III virgatis IIIIor argenti; adhuc ab eisdem de una area continente IIIIor virgatis V loot argenti, fac. simul XIII loot argenti; et adhuc ab eisdem de una domo et II areis met een gheer; et adhuc ab eisdem de una area continente II½ virgatis simul de istis ex nova conventione facta post guerras II loot argenti, pro quolibet loot iuxta ordinationem capituli XXI stuferos Traiectenses, sed non plus solvit quam XIIII stuferos Hollandenses pro quolibet loot, fac. XXVI lb. V s. Uit deze post blijkt dat de schenking van Jacob Lam Woutersen en zijn vrouw Marie uiteindelijk is geëffectueerd, ongetwijfeld door middel van een rechtsgeldige akte.


Bijlagen
 
Bijlage 1   1534 februari 10
 
Het Utrechts Archief, 701 Stadsbestuur I (1122-1577) nr. 13-21 (raadsdagelijksboek 1528-1534) f. 162v.-163.
Editie: J.J. Dodt van Flensburg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen 7 (1848) 157-158.
Bewerkt naar het origineel.
 
Des dijnsdages den thyenden in februario.
In der saicken tusschen die scout van keyserlicke majesteyten wegen ter eenre ende Willem Willemssen backer, roeydrager in den doem ende scout in de Cokenstege binnen Utrecht in der heeren gerecht van den doem, alsnu geapprehendeert wesende van den schout voerscreven, ter andere zijden, bevindende dat die (f. 162v.) scout voirscreven den voirscreven Willem Willemssen voer ’t gerecht aengeseyt heeft dat hij als scout van der heeren wegen van den doem voirscreven bij hem selven sonder scepenen off enige gerechtslude daerover roepende of by te nemen daerover gestaen, oick segel ende brieff wairinne Jacob Lam Wouterssen ende Marie zijn wyff zestien cameren overgegeven ofte gemaict souden hebben die kerck van sunte Nyclaes ende den armennoethulp aldaer, ende dat voer hem als scout ende die gemeen bueren, ende daeraff onder gebeden segel van heer Vrederick die Coninck na voerder luydens derselver brieff aff soude hebben laten passeren ende van hem gegeven buyten enige forme off wege van rechte, concluderende daeromme die scout voirscreven dat men die zegele ende brieff voirscreven behoirde te casseren ende den voirscreven Willem Willemssen als een valscher criminelicken mitten ketel an zijn lyff te iusticeren off anders criminelicken off civilicken na gelegentheyt van de saicken ende zynre misdaet. Waerop Willem Willemssen voirscreven zyn confessie verhoert is daerinne hy belyt daerover gestaen te hebben, sonder enige gerechtslude daerover te roepen ten versoecke ende vervolge van Jacob Lam voirscreven, dan dat hij sulcx uut onnoselheyt , onwetende, sonder enich gelt off goet dairaff te nemen off te genieten, gedaen hadde, na breder luydens zijnre confessie etc., verhopende daeromme nyet misdaen te hebben. Alsoe dan aengesien ende rypelicken overwegen bij borgmeysteren ende scepenen die aenspraeck van den scout ende dairtoe die confessie ende excusatie van Willem Willemssen voirscreven ende voert alle stucken ende munimenten ’tgene dat by partyen voirscreven overgelevert ende daervan te overwegen was, soe wesen dairomme borgermeysteren ende scepenen, des van den scout van keyserlicke maiesteyts wegen vermaent wesende, voer recht ende wysen voer recht mitsdesen, aengemerct dat Willem voirscreven ditselve gedaen heeft uut groet arroer ende grovicheyt, sonder enich profyt daeraff te hebben, alse dat daeromme alsulcke brieve daeraff wesende voir den gerechte in synre presentien gecancelleert sellen werden ende voertaen (f. 163) nul ende van onweerden gehouden wesen, ende dat hij komen sel voer ’t gerecht van scout ende scepenen tUtrecht ende bidden der keyserlicke maiesteyt ende zyn majesteyt justitie om vergiffenisse, ende en sel ’tselve officie nyet meer moegen bedienen tot gheenre tijt. Voert sel hij des sonnendages groet vastelavont naestkomende gaen voer der processien te Buerkerck bloetshoefts met een bernende wassen toertse in zyn hant, die hij na der processien offeren sel voer ’t heylige sacrament aldaer, ende voerts gebannen wesen bynnen der stadt van Utrecht te bliven een heel jaer lanck naestkomende bij ’t verboeren zijns lijfs, condemnerende hem voert in den oncosten tot taxatie ende moderatie van den gerechte.

 
Bijlage 2   1535 juni 14
 
Het Utrechts Archief, 701 Stadsbestuur I (1122-1577) nr. 13-22 (raadsdagelijksboek 1535-1539) f. 19-20v.
Editie: J.J. Dodt van Flensburg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen 7 (1848) p. 164.
Bewerkt naar het origineel.
 
Willem Willemssen die backer, roeydrager in den doem, heeft den schout op huyden getoent zyn zegel ende brieff van octroeye beruerende reabilitatie van der slytinge by borgermeesteren ende scepenen hem den Xen februarii anno XVC XXXIIII gesleten ende gewesen, ende is alsoe voertan geconsentiert ende belieft nae hoer forme ende [sic] geregistreert te worden, ende is luydende van woerde te woerde aldus:
Kaerle, byder gracien Goids keyser van Roomen, altyt vermeerer srycx, coninck van Germanien, van Castillien, van Leon, van Granade, van Arragon, van Navarre, van Naples, van Cecillien, van Maillorque, van Sardanie, van den eylanden van Indien ende vaster eerde der zee occeane, eertzhartoge van Oistenryck, hertoge van Bourgoingien, van Lothric, van Brabant, van Limborch, van Luxembourch etc., grave van Vlaenderen, van Artois, van Bourgognen palsgrave, ende van Henegouwe, van Hollant, van Zeelant, van Ferrette, van Haguenault, van Namen etc., marcgrave des heylichs rycx, heere van Vrieslant, van Zalins, van Mechelen, der stadt, steden ende (f. 19v.) landen van Utrecht ende van Overyssel, ende dominateur in Asie ende in Africke, onsen lieven ende getruwen stadthouder, eerste raedt ende luyden onser camere van den rade tUtricht, schout ende gerichte onser stadt Utricht ende allen anderen onsen richteren, iusticieren ende officieren, hueren stedehouderen ende elcken van hun besundere soe hem dat aengaen mach, salut ende dilectie.
Wy hebben ontfanghen die oitmoedige supplicatie van Willem Willemssen, backer ende roeydrager onser kercken ten dom t’Utricht, inhoudende hoe dat die domdeken ende capittel van den dom voirscreven seeckere schoutampt ende lege jurisdictie hebben over een deel huysen ende straten bynnen onser stadt Utricht, dairover zy den suppliant eertyts hueren schout geordonneert hebben, soe es by hem gecomen eenen Jacob Lam Wouters zoen mit Marie zyn huysvrouwe, begerende dat hy daer over staen wilde als schout daer zy sekere cameren onder zyn schoutampt gelegen overgeven souden willen, dairop hy suppliant hunluyden geantwoerdt heeft dat hy hebben most sekere bueren onder zynen schoutampte geseten die daer kennesse van behoerden te dragen. Dus zyn den suppliant, nyet wetende hoe verre zyn jurisdictie strecte soe hij selden daer iurisdictie exerceert hadde ende dexecutie van der voirscreven jurisdictie meest consisteert in overgevinge van huysen ende diergelycke, heeft dairover gestaen dat de voirgenoemde overgifte geschiet es mitten voornoemden bueren, ende zyn daer brieven aff gemaict inhoudende dat voir hem als schout mit sulcke ende sulcke [sic] bueren van den heeren gerichte van den dom sulcke overgifte van sulcke cameren geschiet was. Ende es den voirnoemde brieff ter bede van den suppliant, soe hy gheen segel en hadde, besegelt bij wylen heren Frederic de Coninc, in zynre tyt canonic onser voirscreven kercken ten dom, sonder dat die suppliant hier yet meer op gedocht ofte geweten heeft datter enich gebreck in den brieff wesen mocht. Nochtans es duer eenige oirsake ’t inhouden van den voirnoemden brieff gecomen tot kennesse van den schout onser stadt van Utricht, want die erffgenamen van den voirnoemden Jacop Lam Wou(f. 35)ters zoen de voerscreven make naer zyn doot nyet volgen en wilden, seggende dat den brieff valsch was, ende dat overmits dien die bueren in den brieff genoempt in der heeren gerecht vanden dom nyet en woenden, maer int gericht van den heeren van Oudemunster dat daer vast aengelegen es, dat mitsdien die voergenoemde overgifte nyet gerechtelicken geschiet ende daerom van geenre weerden en was, dairover onse voirnoemde schout van Utricht den suppliant geapprehendeert heeft gehadt. Ende hoewel hy suppliant versochte te rechte gestelt ende in justicie ontfangen te moegen werden, nochtans en heeft hij daertoe nyet connen geraken, maer hebben de burgermeesteren ende scepenen onser voirscreven stadt Utricht kennende by huerluyder sententien van den Xden februarii anno XXXIIII, stilo Traiectensi, dat de suppliant sulcx gedaen hadde vuyt erreure ende grovicheyt sonder enich profyt daeraff the hebben, verclaert dat de voirgenoemde brieven voerden gerichte in zynre presentie gecancelleert ende voertaen van geenre weerden gehouden souden werden, daerbenevens dat hy komen soude voer ’tselve gerichte ende bidden ons ende onser justicie om vergeffenisse; dat hy oic ’t voirscreven officie niet meer bedienen en soude mogen, ende dat hij des sonnendages tegroet Vastellavont daeraen volgende ghaen soude voer die processie te Buerkercke, bloetshoefs mit een barnende wassen toertse in zyn hant, die hy na der processien offeren soude voer tweerdighe heylighe sacrament aldaer, ende voirts gebannen wesen een jaer lang bynnen onser voirscreven stadt Utricht te blyven by ’t verbueren van zyn lyff, condempnerende hem voerts in den oncosten ter taxacie van den voirscreven gerichte, welcker sentencie de suppliant naederhant voldaen heeft.
Doch zoe hy daerduer grotelicken gediffameert ende dit by erreure ende sonder enige fraude gebuert es als voirscreven staet, heeft hy ons om gracie gebeden ende hem daer op te verleenen onse opene brieven, dair toe dienende, soe ees ’t dat wy de saicken voirscreven over(f. 20v.)merckende, genegen wesende ter bede van den voornoemden suppliant ende willende hem in desen gracie prefereren voor riguer van iusticien, sunderlinge in consideratie dat ’t gebreck hierinne gevallen toegecomen es bij erreure ende sonder enige fraude, denselven suppliant hebben in den gevalle als boven geoctroeyeert, geoirloft ende geconsenteert, octroieren, oirloven ende consenteren vuyt onser sunderlinger gracie by desen dat nyettegenstaende de voirscreven erreur ende faulte noch oick de condempnatie daernae gevolcht hy van nu voertaen ontfangen ende geadmitteert werde tot zynen voirscreven schoutampte ende alle andere officien daer hy toe gecoeren ende gepromoveert zal werden, ende hebben hem dairtoe gereabiliteert ende reabiliteren by desen, restituerende ende stellende hem wederom t’zynre goede fame, name ende vermaertheyt in aller manieren als hy was voer derselver condempnatie.
Ontbieden u dairom ende bevelen dat ghy den voirnoemden suppliant van deser onser tegenwoerdiger gracie ende reabilitatie ende van al den inhouden van desen doet, laet ende gedoocht rustelick ende vredelick genyeten ende gebruycken sonder hem te laeten geschien enich hynder, letsel ofte moeyens ter contrarien, want ons alsoe gelieft.
Gegeven in onser stadt van Bruesel den XIIIIen dach van junio int jaer ons Heeren duysent vyffhondert vyffendedertich, van onsen keyserrycke ’t XVIe ende van onsen anderen rycken, van Germanien, Castillien etc. ’t XXe.
Ende was ondergescreven: by den keyser in zynen rade, ende onderteyckent: Herdinck.


© 2022 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 17 maart 2022; laatst bewerkt 17 maart 2022.