Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Terug naar de kwartierstaat
Pieter Wijting, ‘kolonist’ in de Ommerschans
door Martin W.J. de Bruijn

Op 29 februari 1844 trouwde mijn betovergrootvader Arij Wijting (kwartierstaat nr. 30), schoenmaker, in Breda, met mijn betovergrootmoeder Christina Klijn (nr. 31). Als 27-jarige had hij volgens de wet nog toestemming van zijn ouders nodig. De toestemming van zijn vader, mijn oudvader Pieter Wijting (kwartier nr. 60), hoewel
regtens wonend te Leiden, werd gegeven vanuit de kolonie Ommerschans.
Vogelvluchtafbeelding van de Ommerschans
Vogelvluchtafbeelding van de Ommerschans als bedelaarskolonie.























[1] De oprichting had al plaats in 1819.





Deze ‘kolonie’ behoorde tot de zogeheten Maatschappij van Weldadigheid, in 1818 gesticht door een generaal, Johannes van den Bosch. De bedoeling was om armen – en die waren er in die tijd in het Koninkrijk der Nederlanden in overvloed – te leren door hard werken de eigen kost te verdienen. Hiertoe werden niet alleen zogenaamde ‘vrije koloniën’ gesticht, maar al in 1819 ook een inrichting voor de gedwongen opname van ‘luilevende armen’.

De bedoeling was dat met name bedelaars hier naartoe zouden worden gestuurd om te leren werken. Als plaats werd gekozen voor een middeleeuws verdedigingswerk, de Ommerschans, gelegen temidden van een uitgestrekt moerassig heidegebied ten noorden van het Overijsselse stadje Ommen. Het werkkamp zou zowel mannen als vrouwen en kinderen opnemen, overigens gescheiden van elkaar. In beginsel moest het om mensen gaan die konden werken, maar in de praktijk werd de Ommerschans een afvoerput voor allerlei soorten mensen die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Zo werden door met name de stadsbesturen tegen betaling op grote schaal ook kinderen, ouderen, zieken en gebrekkigen naar de schans gedeporteerd.

Een beschrijving van het kamp uit de tijd dat Pieter Wijting daar verbleef vinden we in A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden 8 (N en O) (Gorinchem 1846) 445-446: 

    
OMMERSCHANS, voorheen de SCHANS-TE-AVEREEST, voorm. schans, thans bedelaars- en strafkolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, in Zalland, prov. Overijssel, arr. en 7 u. N.O. van Deventer, kant., gem. en 1 u. van Ommen.

      Deze schans, welke aangelegd was, ten einde het stroopen der Spanjaarden te beletten, was in 1628 eene redoute, welke men in overweging nam, om met vier bolwerken te vergrooten. Later is zij door den beroemden COEHOORN aanmerkelijk versterkt.
      – – –.
      De later verlatene schans werd, in het jaar 1824,[1] met de daarin gevonden wordende gebouwen en daartoe behoorende gronden, door ’s Lands Regering, aan de Maatschappij van Weldadigheid in vruchtgebruik gegeven, ten einde de bedelaars en landloopers daarin op te nemen, terwijl er voor een zeker aantal bedelaars een contract gesloten werd. Men stichtte hier een gebouw van ruim een halve morgen (ongeveer 5 v.r.) oppervlakte, en de luiaards en ledigloopers werden opgepakt en derwaarts gebragt. Na alle de van tijd tot tijd ontslagenen, bevinden er zich nog ruim duizend, behalve zes en tachtig, die nog tot straf aldaar verblijven; want deze kolonie kreeg weldra nog een ruimere bestemming; zij werd eene strafplaats voor onzedelijke, liederlijke meisjes en voor onwillige, ongehoorzame kolonisten. Deze laatsten worden hier, door berooving hunner vrijheid, door meerdere ontberingen en strengere vordering tot arbeid, voor hun slecht gedrag gestraft, maar ook, bij betuigd berouw en geblekene verbetering, wederom naar hunne vorige hoeven verplaatst. Het gesticht is inwendig in twee deelen gescheiden: links zijn de zalen voor de mannen, regts die voor de vrouwen, alsmede eene voor de kinderen. De keukens zijn in de hoeken der zalen, en de opzienerswoningen in het midden of in sommige hoeken der zalen, met eenen afzonderlijken ingang. Elke voormalige bedelaar, thans kolonist, heeft zijne eigene zitplaats op de banken die langs den muur loopen; onder deze zitplaats heeft hij eene lade en daarboven hangt zijne hangmat, welke des avonds naar beneden gelaten wordt. Op het middenplein is aan elke zijde een afzonderlijk gebouw, met twee werkzalen. Aan de manszijde zijn weefgetouwen, en op de bovenzaal werkplaatsen voor kleeder‑ en schoenmakers enz. Aan de vrouwenzijde wordt gesponnen en er is boven een vertrek voor naaisters enz. Hiertoe gebruikt men de vrouwelijke kolonisten, welke geen veldarbeid kunnen verrigten; doch zij, die sterk genoeg zijn, moeten op het veld werken. In de kinderzaal worden de kinderen van de weinige gehuwde kolonisten opgenomen, zoodra zij kunnen gaan, opdat zij de ouders niet van hun werk zouden houden. Zij zijn door een schut afgescheiden van het binnenplein der vrouwen. Boven de achterpoort vindt men het magazijn van kleeding, zijnde de kledingstukken door de kolonisten zelve vervaardigd, vooral gedurende den wintertijd.
      – – –.
      Men heeft hier eene school, welke, tweemaal daags, door de kinderen bezocht wordt. Des avonds moeten niet alleen de jonge lieden, die des daags op de akkers werkzaam zijn, maar ook de volwassenen deel aan het schoolonderrigt nemen, met dien verstande, dat op den eenen dag de mannen en op den anderen de vrouwen zich te dien einde vereenigen.
[2] Men zie hiervoor bijv. A. van de Sande, Prins Frederik der Nederlanden 1797-1881. Gentleman naast de troon (Nijmegen 2015) 45-52.




[3] G. Mak en M. Mathijsen, De zomer van 1823. Lopen met Van Lennep. Dagboek van zijn voetreis door Nederland (Zwolle 2010) hoofdstuk V.





[4] Een zeer aansprekend verhaal, helaas voornamelijk over het eerste decennium, is geschreven door W. Schackmann, De bedelaarskolonie de Ommerschans, het eerste landelijk gesticht voor luilevende armen (Amsterdam 2013).


















[5] Stadsarchief Leiden III (1816-1929), inv.nr. 1816 (1838-1843) en 1817 (1844-1851) Opzendingen van wezen, bedelaars en landlopers naar Hoorn, Ommerschans en Veenhuizen 1819-1851. Zie bijv. ook G.P.M. Pot, Arm Leiden. Levensstandaard, bedeling en bedeelden, 1750-1854 (Hilversum 1994) 239. Tussen 1822 en 1851 werden vanuit Leiden in totaal 924 personen, waaronder 160 kinderen, naar de Ommerschans gedeporteerd. Piekjaren waren 1842 en 1846 (114 transporten) en 1847 (188 transporten).
In deze tijd werd geprobeerd de staatsfinanciën weer enigszins op orde te brengen. Na het onverantwoordelijke autocratische beleid van koning Willem I, die onder meer het leger na de Belgische opstand negen jaar gemobiliseerd had gehouden, maar ook het staatsbudget min of meer als zijn eigendom beschouwde, was de Nederlandse staat vrijwel failliet.
 
Tezelfdertijd leefden koning Willem II (1840-1849) en zijn broer Frederik – onder andere met behulp van het door hun vader voor een flink deel aan de schatkist ontstolen vermogen – zich uit in kostbare bouwactiviteiten, vooral in en rond Den Haag. De koning legde in die tijd een omvangrijke kunstcollectie aan, waar nog steeds stukken van door de Oranjes worden verkocht. Bovendien gaven Willem en zijn broer enorme feesten en partijen, waarvoor vaak honderden gasten werden uitgenodigd.[2]

De Ommerschans daarentegen was van meet af aan een oord van verschrikking. De rondreizende studievrienden Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp, uiteraard afkomstig uit ‘de betere standen’, die bepaald niet uitmuntten in waardering voor ‘het volk’ (zie hieronder), konden er bij het zien en horen van alle ellende hun tranen niet bedwingen. Zij weten de wantoestanden overigens – heel interessant! – aan... het liberalisme.[3]

De voeding was in het kamp volstrekt onvoldoende. Brood werd voor de dwangarbeiders nog te goed gevonden; zij kregen een vrijwel oneetbaar gebakken mengsel van rogge- en aardappelmeel voorgezet. De warme maaltijd bestond hoofdzakelijk uit bonen. Wie niet voldoende presteerde, kreeg slechts halve porties warm eten, waardoor de gevangenen, terwijl ze doorgaans al niet sterk waren, nog meer verzwakten en dus in een vicieuze cirkel terechtkwamen.[4]

Toch is Pieter Wijting driemaal achtereen ‘opgenomen’ geweest in de Ommerschans, telkens met de vermelding ‘zonder straf’ en ‘zonder desertie’, de eerste keer op 26 oktober 1838 (stamboeknummer 765). Hij was toen 64 jaar oud, voor die tijd al een bejaarde. Precies een jaar later werd hij uit zijn gevangenschap ontslagen. In beginsel zal hij dus toen voldoende gewerkt hebben om zijn vrijheid te herwinnen.

Ik denk overigens dat zijn invrijheidstelling minder te maken zal hebben gehad met de omstandigheid dat hij hard genoeg gewerkt had, maar eerder dat de kosten voor zijn opvang, hoe bekrompen ook, hoger zullen zijn geweest dan zijn productie, waardoor zijn opname voor de Maatschappij van Weldadigheid nog onaantrekkelijker is geweest dan voor de meeste gedetineerden toch al het geval was.

Maar zijn vrijheid was van korte duur. Op 18 januari 1841 werd hij opnieuw opgenomen (stamboeknummer 2657). De plaats van ‘opzending’ was Dedemsvaart, in de onmiddellijke nabijheid van de schans. Wellicht had hij hier nog tijdelijk werk en onderdak kunnen vinden. Na zijn nieuwe opname op 18 januari 1841 werd hij pas drieënhalf jaar later, op 20 juli 1844, ontslagen.

De derde maal werd hij opgenomen op 15 januari 1845 (stamboeknummer 4937); plaats van opzending was toen Zwolle. Het lijkt er dus op dat hij geprobeerd heeft in deze Overijsselse stad, niet ver van de Ommerschans, nog enigszins in zijn onderhoud te voorzien. De derde opname in de schans zou zijn dood betekenen, overigens op 72-jarige leeftijd, wat in die tijd aanzienlijk was.[5]









Overlijdens in de Ommerschans
Overzicht van de overledenen in de Ommerschans: van 1821 tot 1889 in totaal 5448 personen. 1847, toen mijn oudvader Pieter Wijting er overleed, was het ‘topjaar’: toen stierven er maar liefst 204 mannen en 75 vrouwen. Zoals ik uit het overlijdensregister van dat jaar heb kunnen aflezen, waren hieronder ook veel kinderen.


























[6] Waarschijnlijk ten gevolge van de syfilis of juist de behandeling tegen die geslachtsziekte met kwik.




[7] M. Mathijsen, Waarde Van Lennep. Brieven van De Schoolmeester, toegelicht door Marita Mathijsen (Amsterdam 1977) 122-123 (brief vanuit Londen van 15 april 1848).

Pieter overleed in de Ommerschans op 18 juni 1847. De verblijfplaats van zijn vrouw heette in de overlijdensakte onbekend te zijn geweest. Maria Sliedrecht woonde toen echter nog in Leiden. Zij overleed daar in hetzelfde jaar, op 26 augustus 1847, in de Stratenmakersstraat, waarschijnlijk in het daar gevestigde Gereformeerd Minnehuis. Omdat in haar overlijdensakte ‘gehuwd met’ staat en niet ‘weduwe van’, zal zij bij haar overlijden niet meer op de hoogte zijn geweest van de dood van haar man, twee maanden tevoren.

Het kerkhof van de Ommerschans
Het restant van het kerkhof van de Ommerschans, nu in een idyllische omgeving. In totaal 5448 kampgevangenen werden hier naamloos begraven. Foto M.W.J. de Bruijn 31 maart 2017.

Pieter zal in zijn werkzame leven ongeschoold arbeider zijn geweest. Op 5 september 1801 trouwde hij, wonend in Leiden in de Kruisstraat, met Maria Sliedregt (later Sliedrecht), wonende aldaar aan het Galgewater. Als zijn beroepen worden vermeld glazenmakersknecht en verversknecht. Hij zal dus als losarbeider deel hebben uitgemaakt van het Leidse proletariaat.

Over de hoedanigheden van het gewone Leidse volk in de eerste helft van de negentiende eeuw schreef de dichter Gerrit van de Linde, alias ‘De Schoolmeester’, vriend van de hierboven genoemde Jacob van Lennep, in 1848, toen kortstondig net als elders in Europa ook in Nederland de revolutie dreigde uit te breken:

Doch, ’t geen mij boven maat verontwaardigt, is dat zulk zwak en slap en flaauw gespuis, als ’t Leidsch gemeen, zulk ziekelijk en aangestoken pooieraars volkjen, zulk besmet vee, ’t geen uit wandelen gaat met drie neusgaten en geen neus;[6] dat zulk verpest ongediert zonder verhemelte mede, naar mij ’t dagblad aankondigt, den Godtergenden dwaalschreeuw, den oproer-gil dezer eeuwen uit het stinkend en schorgezopen keelgat al huilend durft voortrochelen, ja dit gaat verstand en geduld te boven! Verdwijn, ongeneesbaar gebroed, in den draf der stedelijke huisjens ....[7]

Daar kon het Leidsch gemeen het mee doen. Waarschijnlijk school er wel enige overdrijving en had onze Schoolmeester, die zelf overigens ook geen brandschoon Leids verleden had, alleen het meest problematische deel van het volkje op het oog. Hoe dit ook zij, Pieters zoon Arij, mijn betovergrootvader (kwartier nr. 30), verdiende als schoenmaker, later sigarenmaker, zelf de kost. Hij trouwde op 29 februari 1844 in Breda met Christina Klijn (nr. 31), dochter van de kleermaker, kleerkoper en kleermakerszoon Adrianus Klijn (nr. 62). Hierbij was Arij’s moeder Maria Sliedrecht, als naaister wonende in Leiden (nr. 61), aanwezig, terwijl haar man toen in de Ommerschans opgesloten zat. Zij tekende de huwelijksakte van haar zoon in een duidelijk handschrift als Maria Sliederegt.

Al een paar maanden later, op 9 mei 1844, werd uit het huwelijk van Arij en Christina in Breda mijn overgrootmoeder Elisabeth Weijting (kwartier nr. 15) – dus Weijting met een e; Arij ondertekende ook zo – geboren (zie verder de webpagina (Arij Wijting: een protestantse Leidse schoenmaker en zijn katholiek Brabants nageslacht).

Wat in dit verhaal ten slotte opvalt, is dat het echtpaar Wijting-Sliedrecht verschillende kinderen had die in Leiden woonden. Het waren allemaal arbeiders, waarbij de 'verversknechten', dus huisschilders, ruim vertegenwoordigd waren. Breed zullen ze het niet gehad hebben, maar dat in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw zelfs een bijdrage aan het onderhoud van hun oude vader er klaarblijkelijk niet inzat, is wel merkwaardig. Zouden ze om een of andere reden van hem af gewild hebben? Misschien kan ook dat, naarmate de bronnen verder ontsloten worden, nog wel eens achterhaald worden.


© 2019 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 27 februari 2019; laatst bewerkt 13 maart 2019.