Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)


















[1]    Zie in genoemde dissertatie met name 22-23, 65-110, 113-114, 687 en 807-811.












































[2]    Ald. 72.













[3]    Zie bijv. haar ‘Repliek: Wie organiseerde de straatfeesten in laatmiddeleeuws Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 2008, 155-162, ald. 159.


[4]    M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen, 305-378. Zie ook de los bijgevoegde plattegrond; De Bruijn, ‘Buurschap en gerecht. De ontwikkeling van twee samenhangende intellingen in middeleeuws Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 2008, 127-154, ald. 142-147.





















[5]    J.W. Marsilje, ‘Bestuur en rechtswezen’, in: J.W. Marsilje (red.), Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad. Dl. 1. Leiden tot 1574 (Leiden 2002) 59-93, ald. 85; K. Walle, Buurthouden. De geschiedenis van burengebruiken en buurtorganisaties in Leiden (14e-19e eeuw) (Leiden 2005) 15-18.


[6]    B.C.M. Jacobs, Justitie en politie in ’s-Hertogenbosch voor 1629
(Assen/Maastricht 1986) m.n. 159-162.


[7]    Zo begon men er pas in de zestiende eeuw met de protocollatie van de rechten op onroerend goed; in ’s-Hertogenbosch al in het midden van de veertiende eeuw (zie G. van Synghel, Actum in camera scriptorum oppidi de Buscoducis. De stedelijke secretarie van ’s-Hertogenbosch tot ca. 1450
(Hilversum 2007) 81-87.



[8]    S. Muller Fz., De Middeleeuwsche rechtsbronnen van de stad Utrecht I (Utrecht 1883) 338-340. Zie ook De Bruijn, ‘Gerecht en buurschap’, 258.


[9]   Zie De Bruijn, ‘Buurschap en gerecht’, 148-149.















[10]   J.J. Dodt van Flensburg (uitg.), Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht 1 (1838) 319-322.






















[11]   Mijn artikel ‘Buurschap en gerecht’ in het Jaarboek Oud-Utrecht 2008 beperkt zich tot de middeleeuwse buurschappen en gerechten.






























[12]   HUA, Stadsarchief, Supplement 149-170.





[13]   Dodt van Flensburg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen 7 (1848) 169.






















[14]   Dodt van Flensburg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen 1 (1838) 318.




















[15]   K. Heeringa (uitg.), Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, dl. 2, Rekeningen over het geestelijk gezag van de bisschop (Utrecht 1932) 287.


[16]   In 1567/69 leverde hij aan de aartsbisschop duizend exemplaren van een uitnodiging voor de aartsbisschoppelijke synode en even veel van een bevel tot het wegsturen van de bijzitten van de geestelijken (ald., 152-153). De index van de Rekeningen
(Utrecht 1932) 112, noemt hem abusievelijk ‘schout van het Bisschopshof’.


[17]   Heeringa, Rekeningen, 2, 273.


[18]   Voor de situering zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 82 en 111-120.


[19]   HUA, Archief van het kapittel van Sint-Marie 281.


[20]   Ald. 281 (afschrift) en 274 (origineel).















[21]   Zie Walle, Buurthouden, 22, voor Leiden, en in het algemeen R.R. Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580 (Utrecht-Antwerpen 1954) 68-69.











[22]   Voorbeelden bij Bogaers, Aards, betrokken en zelfbewust, 79-90.






















[23]   Zie M.W.J. de Bruijn, Resultaten van het archiefonderzoek naar de bebouwingsgeschiedenis van de Zilverstraat in Utrecht. Rapport Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum (Utrecht, december 1982) 10.


[24]   Met dank aan M.J. Bok, die mij deze suggestie deed.


[25]   Zie ook A.J. Brand, ‘Sociale omstandigheden en charitatieve zorg’, in: J.W. Marsilje (red.), Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad, dl. 1, Leiden tot 1574 (Leiden 2002) 113-149, ald. 131-133.













[26]   Afgebeeld bij Walle, Buurthouden, 31, met niet geheel correcte beschrijving van het randschrift. Ik heb er enige aarzeling over of dit reglement werkelijk uit 1473 dateert. Het maakt eerder een zestiende-eeuwse indruk en is alleen bekend uit een afschrift van het eind van deze eeuw.


[27]   Ald., 40, 166 en 214.























[28]   Overigens was de benaming schout ook voor een niet-rechterlijke functionaris vanaf de Late Middeleeuwen niet ongebruikelijk.


[29]   Walle, Buurthouden, 7.













[30]   Aards, betrokken en zelfbewust, 110.
Wijk- en buurtorganisatie in Utrecht in de zestiende eeuw
door Martin de Bruijn


In haar dissertatie Aards, betrokken en zelfbewust. De verwevenheid van cultuur en religie in katholiek Utrecht, 1300-1600 (Utrecht 2008) heeft Llewellyn Bogaers uitvoerig aandacht besteed aan de buurten en het buurtleven in de stad Utrecht. Hoewel zij de periode 1300-1600 zegt te behandelen, ligt de nadruk hierbij nagenoeg geheel op de zestiende en zeventiende eeuw. De auteur gaat ervan uit dat deze buurten en hun organisaties, in samenhang met zogeheten dagelijkse gerechten voor de lage rechtspraak, al in de Middeleeuwen bestonden en functioneerden, en dit zowel in de stadsvrijheid als in de stad. Zelfs worden de buurschappen teruggeprojecteerd naar de vóór-Romeinse tijd.[1] Zij noemt de Utrechtse buurten ‘een uniek fenomeen binnen de Nederlandse cultuurgeschiedenis’. Maar is dat wel zo?

In mijn artikel ‘Buurschap en gerecht. De ontwikkeling van twee samenhangende instellingen in middeleeuws Utrecht’ in het
Jaarboek Oud-Utrecht 2008, als reactie op de verhandeling van Llewellyn Bogaers over het Utrechtse buurtleven, heb ik onder meer betoogd dat de buurschappen het begrip buurschap door de eeuwen heen verschillende betekenissen heeft gehad, zowel in territoriale als in institutionele zin en dat het daarom van belang is om dit begrip steeds in zijn context te bezien, zowel naar tijd als naar ligging als naar organisatie. In dit artikel werd onder meer vastgesteld dat de middeleeuwse buurschappen in de Utrechtse stadsvrijheid – het gebied rondom het eigenlijke stadsgebied – niet vereenzelvigd mogen worden met de buurschappen in de stad, dus in het gebied dat binnen de stadswal lag. Anders dan de buurten binnen het stadsgebied hadden de buurschappen in de stadsvrijheid een rechtbank die de lage jurisdictie, het dagelijks gerecht, uitoefende en vond er binnen deze buurschappen regelgeving en bestuur plaats. Binnen de stad waren deze functies echter in handen gekomen van de stedelijke schepenbank, de stadsraad en de hieruit voortgekomen functionarissen als de borgemeesters. Terwijl mijn artikel in het jaarboek de middeleeuwse buurschappen in de stad en de stadsvrijheid behandelde, wil ik in deze bijdrage iets meer vertellen over de buurtorganisatie binnen het stadsgebied van Utrecht in de zestiende eeuw.

Al in mijn artikel heb ik voorgesteld een onderscheid te maken tussen wijken en buurten, zoals dat ook in het moderne spraakgebruik gebeurt. Uit het hierna volgende zal blijken dat dit onderscheid ook gemaakt moet worden voor de zestiende-eeuwse stedelijke wijken en buurten in de stad Utrecht. Zoals nog steeds het geval is, was een wijk groter is dan een buurt en kon een wijk dus meerdere buurten omvatten.

Ook Llewellyn Bogaers lijkt dit onderscheid overigens wel te maken. Over de Utrechtse buurschappen zegt zij onder andere:

‘Op grond van de omschrijving van lagere gerechten en buurten uit de zestiende en zeventiende eeuw schat ik dat er in Utrecht zo’n tachtig buurten waren. (Er is geen lijst bewaard gebleven.) Zij bestonden uit een zestigtal families die samen zo’n 200 tot 250 mensen omvatten. Vaak bewoonden zij een (deel van een) straat, vaak met één of meer dwarsstraten.’[2]

Hoewel dit niet uit dit citaat blijkt, mag worden aangenomen dat zij haar schatting gebaseerd heeft op gegevens die er van en over de buurten uit de door haar genoemde periode – dus de zestiende en zeventiende eeuw – bewaard zijn gebleven. Maar uit de context waarin zij deze mededeling doet kan worden opgemaakt dat zij dit aantal ook voor een vroegere periode aanneemt.

Uit de ‘omschrijving’ van de door haar in dit citaat genoemde dagelijkse gerechten kan het aantal buurten in ieder geval niet worden afgeleid. Hoewel deze rechtbanken voor de lage jurisdictie in de stadsvrijheid tot 1811 zijn blijven bestaan, zijn zij binnen de stad al in de vijftiende eeuw aan hun eind gekomen – niet in de veertiende, zoals Bogaers beweert.[3] Bovendien waren de rechtsgebieden van deze gerechten, waarvan er zes konden worden getraceerd – toebehorend aan de vijf kapittels en de Sint-Paulusabdij –, in territoriale zin zo uitgestrekt dat het er alleen op die grond al in het hele stadsgebied nooit tachtig hadden kunnen zijn.[4] Daarom zou men de dagelijkse gerechten in de stad beter als wijken dan als buurten kunnen beschouwen. Maar deze gerechten besloegen niet het hele stadsgebied; afgezien van het dagelijks gerecht van het kapittel van Sint-Marie bevonden zij zich allemaal in het oostelijk stadsgebied. Het westelijk deel van de stad viel grotendeels rechtstreeks onder de jurisdictie van het stedelijk schepengerecht.

Wijkorganisatie

Alvorens ons met de buurten en hun organisatie te gaan bezighouden richten we ons eerst op de grotere administratieve eenheden, de wijken en hun organisatie. Omdat zoals we zullen zien deze wijken in Utrecht pas laat in de bronnen verschijnen, richten we onze aandacht eerst even op twee steden waar de wijkorganisatie oud en goed gedocumenteerd is: de Hollandse stad Leiden en de Brabantse stad ’s-Hertogenbosch. Beide hoorden zij, net als Utrecht, in de Late Middeleeuwen tot de grotere steden in de Nederlanden.

Leiden was vanaf de privilegiëring van de stad in de dertiende eeuw verdeeld in administratieve wijken, die hoofdmanschappen of bonnen werden genoemd. Aanvankelijk waren het er vier. Deze vierendelen waren genoemd naar belangrijke gebouwen: het Wanthuis, het Wolhuis, het Gasthuis en het Vleeshuis. Het aantal groeide snel met de uitbreidingen van de stad. In 1434 waren het er achttien. In de zestiende eeuw werd het kleine bon Levendaal bij Nieuwland gevoegd, zodat de stad tot aan de uitbreiding van 1611 zeventien bonnen telde. De bonnen waren belast met de organisatie van de brandpreventie en ‑bestrijding en de bewaking van de stad, maar ook met de invordering van de belastingen.[5]

Op soorgelijke wijze telde ’s-Hertogenbosch zogeheten blokken. Mogelijk waren er dit oorspronkelijk, net als in Leiden vier. Later waren het er acht of negen. De personen aan het hoofd van een blok werden aanvankelijk vuurmeester genoemd, zodat aangenomen mag worden dat de brandpreventie en bestrijding de eerste administratieve taak van de blokken was. Later werd ook een deel van de armenzorg en de bewaking van de stad via de blokken georganiseerd.[6] De taken kwamen in Leiden en ’s-Hertogenbosch dus voor een deel overeen.

Voor een grote en oude stad als Utrecht zou het voor de hand hebben gelegen dat ook hier al vroeg een organisatie in wijken tot stand zou zijn gekomen. Maar mogelijk omdat de bisschopsstad in bestuurlijk opzicht een ouderwetse stad was,[7] vindt men er niets van dit al. Er bestonden wel territoriale indelingen van het stadsgebied, maar die kunnen niet als wijken met een of meer welomschreven functies worden beschouwd. Zo werd er al in de dertiende eeuw onder andere voor de begrafenisstoeten onderscheid gemaakt tussen een boveneind (het zuidelijk deel) en een benedeneind (noordelijk deel). In 1442 werd er een ordonnantie vastgesteld van den brande te scutten, waarin het stadsgebied verdeeld werd in sestien vierendelen, die elk over een bepaalde hoeveelheid materieel voor het blussen van de branden moesten beschikken.[8] Hoe die indeling er in territoriaal opzicht uitzag is niet bekend en zij lijkt niet tot een welomschreven wijksgewijze organisatie geleid te hebben. Een dergelijke organisatie is evenmin waar te nemen in een indeling van de stad ten behoeve van de inning van een gedwongen lening in 1492.[9]

Waarschijnlijk is er pas in de tweede helft van de zestiende eeuw in Utrecht een echte indeling in wijken tot stand gekomen. Om te beginnen werd in 1566 de stad ten behoeve van de bewaking ingedeeld in twaalf territoriaal omschreven waken. Volgens de gemaakte ordonnantie zouden die gebueren, in tyden van de noot, met haren schouten gehouden syn te vergaderen, ende te gaen by hoeren waykmeesters op hore geassigneerde loopplaetsen, en wel:
–    voor Sinte Catrine poort
–    by de Weerdpoort
–    opte Breestraet voor ’t Bagynhof
–    aende Wittevrouwenbrug
–    aen de Wittevrouwenpoort
–    op sunt Jansdam
–    opte Neude
–    opte Rodenborgerbrug
–    aen sunt Servaesheck
–    voor de Tollesteegpoort
–    opte Smeebrugge
–    op sunte Marienplaets.
[10]
Hiernaast moest de geestelijkheid met haar dienaren en de ridderschap, de leden van het stadsbestuur, alle die borgeren, die opten raithuyse waecken en de beambten en dienaren van de stad zich verzamelen aen de Plaetse, dit wil zeggen op de Stadhuisbrug.

Deze verdeling van de stad is niet gebruikt toen er enkele jaren later, in 1572/73, in Utrecht voor het eerst een echte wijkindeling tot stand kwam. In deze jaren werd het stadsgebied voor de stadsverdediging verdeeld in een achttal wijken. Elke wijk moest een compagnie of vendel gewapende burgers leveren. De namen van deze wijken waren Oranjestam, Pekstokken, Handvoetboog, Turkije, Zwarte Knechten, Papenvaandel, Fortuin en Bloedkuil. In 1795, na de komst van de Fransen, kregen zij een letteraanduiding van A tot en met H. Inmiddels is de kennis van deze wijken nagenoeg verdwenen. Alleen de naam Wijk C leeft nog in het moderne spraakgebruik door.

Buurten en buurtorganisatie in de zestiende eeuw

Bovengenoemde wijkorganisatie is dus opgelegd door de stad, met andere woorden: tot stand gekomen van bovenaf. Opmerkelijk is dat binnen deze organisatie ook ‘buren’ en hun ‘schouten’ functioneerden. Hiermee komen we te spreken over een kleinere indeling dan die van de wijken, te weten de buurten. Nader onderzoek, dat ik naar aanleiding van Llewellyn Bogaers’ standpunten over de Utrechtse buurten heb verricht, hebben voor de zestiende eeuw[11] nieuwe gegevens aan het licht gebracht die de aanwezigheid van een hoog aantal in deze periode bevestigen, maar die tevens de overtuiging versterken dat deze buurten en hun organisatie niet mogen worden vereenzelvigd met de laatmiddeleeuwse buurschappen en dagelijkse gerechten, noch met die op het platteland en in de stadsvrijheid noch met de buurten en gerechten binnen het eigenlijke stadsgebied binnen de singels. De opvattingen van Bogaers over de continuïteit in de buurtorganisatie en de gerechten komen hiermee verder onder druk te staan.

In het stadsarchief van Utrecht worden gegevens over Utrechtse buurten vanaf het eind van de zestiende eeuw bewaard, die er overigens inderdaad op wijzen dat de buurten toen betrekkelijk klein waren. Van sommige van deze buurten zijn reglementen en buurtboeken overgeleverd: van de Ambachtstraat (1783-1821), de Boothstraat (1669-1806), het Hoogt en de Telingstraat (1813), Jansveld/Voorstraat (1784-1844), de Kromme Nieuwegracht (Regenboog van Sint-Pieter; 1683-1827), Lange Minderbroedersstraat (1686-1737), Lichte en Donkere Gaard (1614), de Oudegracht achter het Abraham Doleklooster (dit wil zeggen ten zuiden van de Hamburgerstraat; zeventiende eeuw), het westeinde van het Oudkerkhof (1773-1822), de Snippevlucht (een stukje langs de Oudegracht ten noordwesten van de Stadhuisbrug; 1630-1793), de Springweg tussen de Brandsteeg en het huis Scherpenburg (Springweg 69-71) (1820-1821), het benedeneind (noordelijk deel) van de Twijnstraat (1776-1822) en het boveneind (zuidelijk deel) van deze straat (1745-1825). Hiernaast wordt er melding gemaakt van een buurtschout van de Breedstraat aan het Begijnhof (1748), van welke buurt er ook lijsten en rekeningen betreffende het gebruik van de brandpomp en het riool van 1712 tot 1812 zijn bewaard. Verder is er een lijst overgeleverd van de bewoners van Sint-Jans Oudwijk (de Plompetorengracht) van omstreeks 1660, een verzoek van de bewoners van de westzijde van de Oudegracht tussen de Reguliersbrug en de Smeebrug om de benoeming van een buurtschout (1644) en een legger van de buurten en huizen die moesten bijdragen aan de trap tegenover de Zadelstraat, de zogeheten Zaeltrap (1698).[12] Al deze buurten omvatten op zijn hoogst enkele straten, soms zelfs slechts een deel van een straat, zodat het door Bogaers genoemde totaalaantal van tachtig in de zestiende en zeventiende eeuw voor het Utrechts stadsgebied zeker niet onaannemelijk is. Om een ouder – overigens niet door haar vermeld – voorbeeld van zo’n kleine buurt te noemen: in 1536 kregen die thien bueren onder sunte Meertyns toern van stadswege het bevel om een brandladder met een haak en nog een kleine ladder te laten maken.[13] Het zal hierbij om de buren van de Servetstraat zijn gegaan. Ik kom zo dadelijk op dit buurtje terug.

Opmerkelijk is wel dat de bewaard gebleven gegevens niet verder teruggaan dan het eerste kwart van de zeventiende eeuw. Llewellyn Bogaers vult dit aan met enkele gegevens uit het eind van de zestiende. Mijn eigen nader onderzoek heeft aangetoond dat er al iets eerder, namelijk in het derde kwart van deze eeuw, buurten met een zekere organisatie zijn geweest. Het betreft archiefgegevens die Bogaers niet opgemerkt of althans niet gebruikt heeft. Omdat het mijn opzet was op zoek te gaan naar buurtorganisaties, heb ik vooral gezocht naar het optreden van functionarissen als buurtschouten en buurtmeesters. De resultaten mogen opmerkelijk genoemd worden.

Buurtschouten
 
Buurtmeesters ben ik in het geheel niet tegengekomen, wel buurtschouten. Als oudste vermelding van buurtschouten trof ik de hierboven al vermelde bepaling uit een ordonnantie op de dag- en nachtwacht van 3 augustus 1566 aan:

Item also geordineert syn binnen desen stadt sekere loopplaetsen, soe sullen die gebueren in tyden van de noot met haren schouten gehouden syn te vergaderen ende te gaen by hoeren waykmeesters op hore geassigneerde loopplaetsen.[14]

Er bestonden dus toen al buurtschouten in Utrecht.

De eerste afzonderlijke buurtschout die ik tot nu toe in Utrecht heb kunnen traceren betreft de zojuist genoemde buurt onder de domtoren. In de concept-rekening van de aartsbisschop over 1570/71 komt de volgende post voor:


Item solvi Hermanno de Borculoe, sculteto vicinorum sub aula archyepiscopali Traiectensi, pro II vasis cervisie, una circa festum Marie Magdalene et altero in Bacchanalibus, iuxta quitantiam eiusdem
II f. VIII st.

Er werd dus 2 gulden 8 stuivers betaald aan Herman van Borculo, schout van de buren onder de zaal van het aartsbisschoppelijke paleis van Utrecht, voor het kopen van twee vaten bier rond het feest van Maria Magdalena (22 juli) en vastenavond (in 1571 op 27 februari). Aan dezelfde buren werd in de rekening van 1570/71 ook nog een bedrag van 6 gulden betaald in recreationem suam et celebrationem iubilei quolibet septennio celebrari soliti (voor hun ontspanning en de viering van het jubeljaar dat iedere zeven jaar gehouden werd). Ook in de voorgaande rekening, over 1569/70, werd aan Herman nomine vicinorum sub aula archyepiscopali – dus namens de buren onder de aartsbisschoppelijke zaal – 2 gulden 8 stuivers voor de viering van Maria Magdalena en vastenavond voldaan.[15] De bekende drukker Herman van Borculo zal dus in de genoemde jaren buurtschout zijn geweest van de buren in de Servetstraat,[16] de hiervóór al ter sprake gekomen ‘buurt’. Al in de rekening van 1561/62 werd er namelijk een gelijk bedrag betaald aan de buren sub turri,[17] onder de (dom)toren, zonder dat hierbij overigens een buurtschout werd genoemd.[18] In de aartsbisschoppelijke rekeningen van 1561/62, 1569/70 en 1570/71 – die over de tussenliggende jaren ontbreken – komen ook posten voor van betalingen aan buren bij de aartsbisschoppelijke stal (Lange Jufferstraat) en het Oudkerkhof. Schouten worden hierbij echter niet vermeld.

De eerstvolgende vermeldingen van Utrechtse buurtschouten na het jaar 1566 werd door mij getraceerd in een archiefstuk van het stadsbestuur uit 1588. Het heeft betrekking op een riool in de Mariastraat en op de Mariaplaats. In dit stedelijk stuk worden vermeld de schouten van[de] buyrten van Sint Marien straet, van Sint Marien plaetse, van Saelstraet, van Donckerstraet ende van Botterstraet, en verder Gerrit Wacker, schout vande Steenwech, Caerl Tack ende Jan van Blaeel van wegen de buyrten van Clarenborch mit mr. Basilius van wegen ’t capittel van Sint Marien.[19]  De buurten van Clarenburg hadden toen mogelijk (nog) geen buurtschouten. Opmerkelijk is dat in een ouder document betreffende dit riool, daterend van 4 december 1559, wel sprake is van die gemeijn bueren, maar niet van dergelijke schouten.[20] Geen van de hier genoemde zestiende-eeuwse vermeldingen van buurtschouten en buren wordt vermeld in de dissertatie van Llewellyn Bogaers.

Toezicht op het buurtleven

Zoals we gezien hebben oefende het stadsbestuur aan het eind van de zestiende eeuw controle uit op het functioneren van de buurten, waarbij de buurtschouten als intermediair tussen de buren en het bestuur zijn ingeschakeld, zoals de door mij genoemde voorbeelden uit 1566 en 1588 aangeven. Mijn onderzoek heeft uitgewezen dat dit ook al het geval was zonder dat er nog sprake was van buurtschouten of andere buurtfunctionarissen.

Llewellyn Bogaers heeft in haar dissertatie royaal aandacht besteed aan het buurtleven, althans voor wat de zestiende eeuw en zeventiende eeuw betreft; de laatmiddeleeuwse periode blijft nagenoeg buiten beschouwing. Voor de zestiende en vooral de zeventiende eeuw stelt Bogaers vast dat de buren actief waren bij de gebruiken rond geboorte en doop, huwelijk en overlijden. Van het lezen van eerste missen door priesters uit een buurt – in de Middeleeuwen een veel voorkomend verschijnsel –[21] maakt zij geen melding. Wel van de organisatie van buurtfeesten, waarbij de nadruk wordt gelegd op de viering van vastenavond. Ter bekostiging hiervan werd onder meer de inhoud van de zogeheten buurbussen gebruikt. Hierin werden de boeten bewaard die waren opgelegd voor het veronachtzamen van de verplichtingen die uit het buurtwezen voortvloeiden, zoals de aanwezigheid bij begrafenissen of het onderhouden en schoonhouden van straten, wedden, grachten, putten, pompen en dergelijke.

Het spreekt voor zich dat dergelijke activiteiten en vooral verplichtingen nogal eens tot excessen leidden. We zien dan ook dat het stadsbestuur af en toe ingrijpt om al te grote uitwassen te voorkomen. Zo werd verboden om medeburen te verplichten om aan festiviteiten deel te nemen. Ook werd tegengegaan dat buren elkaar op kosten joegen bij de plechtigheden rond doop en begrafenissen.[22]

Dat het soms slecht gesteld was met het onderhoud van het brandgereedschap blijkt bijvoorbeeld uit een brand die in de zomer van 1538 woedde in de Zilverstraat. Hoe groot de omvang van de brand was kon niet worden achterhaald, maar aangenomen mag worden dat die aanzienlijk geweest is. Het vuur heeft waarschijnlijk alle bebouwing aan de zuidkant van de Zilverstraat in de as gelegd. Van de tegenwoordige nummers 34, 36 en 38 werd gesproken als van twe ledich erffgens daer seecker getimmert op gestaen heeft, gelegen in de Sulverstraet ende God betert verbrant sijn ende nu weder tot een woeninge opgetimmert sel werden. De stadsrekening van 1538 bevat een uitgavepost van 1 pond, 7 schellingen en 6 penningen, die aan een kuiper waren betaald om in de tijt ende noeyt van den leste grote brant vijf grote wijnvaten doormidden te zagen diewelcke aen halve gesaicht zijnde, heeft men gebrocht op sijnen cost overall in den brant dair ’t meest van noode was, omme water dairinne te halen. Dat het hierbij om de bovengenoemde brand is gegaan, kan worden afgeleid uit twee verordeningen van de stedelijke raad betreffende het onderhoud van de brandtrappen naar de Oudegracht tegenover de Brandsteeg en de Zwaansteeg en twee stenen trappen vóór het regulierenklooster. Ook met de conditie van het blusmateriaal was het in deze tijd niet bijster goed gesteld, zoals blijkt uit een aantekening bij de daarvoor jaarlijks uitgetrokken post in de stadsrekening van 1538: Zij goede toesicht gehouden dat alle gereetscap toten brande dienende in goeder reparatien gehouden werdden.[23]

Ter vergelijking

De buurtorganisatie met buurtschouten is in Utrecht van betrekkelijk recente datum: de tweede helft van de zestiende eeuw. Ook was zij minder ontwikkeld dan bijvoorbeeld in Leiden. Tijdens het onderzoek naar de buurschappen en wijken in middeleeuws Utrecht werd ik geattendeerd op de wijk- en buurtindeling in de sleutelstad.[24] Het boek van K. Walle, Buurthouden. De geschiedenis van burengebruiken en buurtorganisaties in Leiden (14e-19e eeuw) (Leiden 2005), gaat minutieus in op de Leidse buurten en het buurtleven aldaar.[25] In Leiden zijn veel meer gegevens over de kleinste burenorganisaties – dit wil ook hier zeggen niet de door de stad ingestelde wijken, die in Leiden bonnen worden genoemd – bewaard gebleven dan in Utrecht. In de sleutelstad zou al in 1473 een buurtreglement voor een van de ‘gebuurten’ zijn vastgesteld. Dit reglement, bewaard in een laat-zestiende-eeuws afschrift, werd uitgevaardigd door Johan van der Laen, bij der gracien Gods grave van den lande van Pryly, heere van der Noterdijc, palensgrave van der Steinschuer, heere van Breynloos. Deze schertsende toon wordt in de hele tekst volgehouden. Naast deze ‘buurtgraaf’ functioneerden er in de burenorganisatie raadsheren, een rentmeester-generaal, een stadhouder-generaal, een kanselier, een schout en leenmannen, benamingen ontleend aan die bij het Hof van Holland. De ‘graaf’ van deze buurt beschikte zelfs over een bewaard gebleven draagpenning in de vorm van een zegel met als randschrift S(EGEL) * GRAEF* VA(N) * PRYLI * HEER * VA(N) * NOTERDIJ(C). Helmteken op het afgebeelde wapenschild is waarschijnlijk een koeiekop met een koevoet erbovenop. Ook in het schild zelf komt zo’n koeiepoot voor. Midden in het zegel staat ook nog PRYLY.[26] De komische toon betekende overigens niet dat de in het reglement opgenomen verplichtingen niet werden gehandhaafd.

Uit de zestiende eeuw zijn in Leiden meer van dergelijke reglementen bewaard gebleven, die – anders dan het reglement van Pryly – minder schertsend waren en die door het stadsbestuur erkend werden. Rond het jaar 1550 bestonden er in Leiden 73 van dergelijke kleine buurten.[27] Aan het hoofd van elke buurt stond een man die titels kreeg als keizer, graaf of heer. Later werd het aantal buurten nog veel groter, door splitsing en het ontstaan van nieuwe buurschappen. Anders dan in Utrecht hadden deze buurten eigen buurtnamen. Volgens de bekende Leidse stadssecretaris Jan van Hout waren de oudere ‘gebuurten’ ontstaan op initiatief van de buren zelf en had de stad er in oorsprong niets mee te maken. Aan die zelfstandigheid werd in 1593 op voorstel van de genoemde secretaris door de stad een eind gemaakt. Er kwam toen één reglement voor alle buurten. Het hoofd van een buurt werd sindsdien ‘heer van de gebuurte’ genoemd.

Al was Leiden Leiden en Utrecht Utrecht, er is gezien het bovenstaande reden om aan te nemen dat de buurschappen in het stadsgebied van Utrecht eenzelfde oorsprong hebben gehad als de Leidse gebuurten: ontstaan uit de buurt zelf met een al dan niet op schrift gesteld reglement. In mijn artikel ‘Buurschap en gerecht’ heb ik in algemene zin melding gemaakt van de geringe autonomie van de buurschappen in het territoir van de stad en de stadsvrijheid. Ik wil daar dus een nuance in aanbrengen. Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat de buurschappen die wij vanaf de zestiende eeuw binnen de stad Utrecht aantreffen, een autonome oorsprong hebben gehad, met andere woorden, dat zij vanuit de buren zelf zijn ontstaan. Dit laatste is waarschijnlijk ook het geval geweest met de buurtschouten, die de buren zelf uit hun midden gekozen zullen hebben. De benaming ‘buurtschout’ in Utrecht zal hetzelfde geïnterpreteerd moeten worden als keizer, graaf of heer in de gebuurten in Leiden, namelijk als een min of meer schertsend bedoelde titel.[28] In Gent en Haarlem werden de hoofden van een buurt ‘dekens’ genoemd.[29]

Conclusies

Gezien dit alles mag worden aangenomen dat de functie buurtschout in Utrecht niets van doen heeft gehad met die van de schouten in de dagelijkse gerechten, met andere woorden: dat er niet gesproken kan worden van enige continuïteit tussen de schouten van de gerechten en de buurtschouten. Alleen de benaming schout zal van de gerechtsfunctionarissen afgeleid zijn.

In mijn artikel ‘Buurschap en gerecht’ is de suggestie gedaan dat de Utrechtse buurten binnen het stadsgebied na de overdracht in 1528 door de bisschop van het wereldlijk gezag aan keizer Karel V aan belangrijkheid hebben gewonnen. De Utrechtse gilden, die enkele eeuwen lang het politieke toneel in Utrecht hadden bepaald, zijn toen hun macht kwijtgeraakt. Gezien het bovenstaande acht ik het nog aannemelijker dan al in mijn artikel is geponeerd dat er binnen het Utrechts stadsgebied geen continuïteit heeft bestaan tussen de dagelijkse gerechten uit de Late Middeleeuwen en de buurten. Een ontstaan van een burenorganisatie met onder meer buurtschouten in de zestiende eeuw – en dan waarschijnlijk pas in de tweede helft ervan – ligt voor Utrecht meer voor de hand. Het is niet uitgesloten dat nader onderzoek hierover in de toekomst meer gegevens zal opleveren, maar zoals het zich naar de stand van het onderzoek laat aanzien was het Utrechtse buurtwezen bepaald niet door
zijn complexiteit en lange duur [...] een uniek fenomeen binnen de Nederlandse cultuurgeschiedenis’, zoals Llewellyn Bogaers in haar dissertatie met grote stelligheid poneert.[30] Integendeel, het lijkt er veeleer op dat de buurtorganisatie hier ontleend is aan die van Leiden, waar zij al tegen het midden van de zestiende eeuw in meer uitgewerkte organisatievorm bestond, en mogelijk ook aan de buurtorganisatie van andere Hollandse steden.

Dit alles laat overigens onverlet dat al vóór die tijd binnen het Utrechts stadsgebied tal van zaken door de buren van de verschillende buurten in buurtverband zijn verricht. In ieder geval geven met name de bronnen vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw blijk van een actief buurtleven binnen het Utrechts stadsgebied.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2011-2012. - Gepubliceerd 2011; laatst bewerkt 8 september 2012.