Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
[1] Het Utrechts Archief, Archief van het kapittel van Oudmunster 395, f. 106: F. XVo kal. [septembris] - - - obiit Walterus dyaconus, prepositus noster, qui dedit nobis unum mansum supra Venum - - -. Item edificari fecit duas domos lapideas versus orientem, quas legavit ecclesie nostre; item domum communem ad dormitorium quondam et ad scolas, ad cellarium et domum capitularem (Op de 15de kalenden (van september = 18 augustus) stierf diaken Wouter, onze proost, die ons een hoeve op het Veen schonk - - -. Ook liet hij twee stenen huizen naar het oosten (van de kerk) toe bouwen, die hij aan onze kerk schonk; eveneens een gemeenschappelijk gebouw bestemd eertijds tot slaapzaal, school, kelder en kapittelhuis).

[2] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 II, K. Heeringa (uitg.) (’s-Gravenhage 1940), nrs. 685-687 (1220, ca. 1220).

[3] Oudmunster 395, f. 102v.: IIo nonas augusti obiit Volsindis soror nostra, que contulit nobis dimidiam aream retro domum quondam dormitorii nostri a parte meridionali (op de 2de nonen van augustus [= 4 augustus] stierf onze zuster Volsind, die ons een half huiserf schonk achter het huis van onze voormalige slaapzaal aan de zuidkant).

[4] M.W.J. de Bruijn, ‘Datering en eerste bestemming van Wed 5-7 in Utrecht’, Maandblad Oud-Utrecht 63 (1990) 86-87; dezelfde, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de middeleeuwen (Utrecht 1994) 148.

[5] M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de singels. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht IIIA (’s-Gravenhage 1989) 195-199.



Plattegrond Wed 3A-9 en omgeving
Afb. 2. Plattegrondje uit: De Bruijn, 'Datering en eerste bestemming', 87 (zie nt. 4). Tek. M.W.J. de Bruijn.



[5a] Een dergelijke Wuwer wordt ook vermeld bij de noordelijke burchtgracht, aan de Vismarkt. Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 90 en 97-98.




De achtergevel van Wed 7
Afb. 4. De gedeeltelijk tufstenen achtergevel van Wed 7. Uit: Dolfin e.a., Utrecht, 197 (zie nt. 5).



[6] De Bruijn, a.w., 147-151.

[7] R.J. Stöver, De Salvator- of Oudmunsterkerk te Utrecht. Stichtingsmonument van het bisdom Utrecht (Utrecht 1997) 155-156 en 180, nt. 908.







































  [8] De Bruijn, a.w., 115-118.

[9] Oudmunster 442 (29 juli 1343): quamvis nos - - - murum protendentem ab ecclesia sancti Salvatoris Traiectensis versus austrum, inter cimiterium dicte ecclesie et ortum nostrum, nostris sumptibus fecerimus pro nostro comodo elevari, nichilominus recognoscimus in hiis scriptis quod dictus murus ad dictam ecclesiam hactenus pertinuit en pertinet nichilque iuris per hoc acquisivimus in eodem (hoewel wij - - - de muur strekkend van de Sint-Salvatorkerk in Utrecht naar het zuiden, tussen het kerkhof van genoemde kerk en onze tuin, op onze kosten in ons belang hebben laten verhogen, erkennen wij niettemin in deze oorkonde dat genoemde muur tot nu toe tot de genoemde kerk heeft behoord en (nog steeds) behoort en dat wij hierdoor geen recht daarop hebben verworven).

[10] B. (=A.J.) van den Hoven van Genderen, De heren van de kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late middeleeuwen (Zutphen 1997), 519-520; Stöver, a.w., 150 en 178, nt. 851 en 852.

[11] Van den Hoven van Genderen, a.w., 519.

[12] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 147-148.
Wed 3A-9 in Utrecht
Een gemeenschappelijk kapittelgebouw van Sint-Salvator of Oudmunster
door Martin de Bruijn

In een necrologium – gedachtenisboek – van het kapittel van Oudmunster van rond 1380 wordt vermeld dat een diaken Wouter, proost van het kapittel, onder andere een gemeenschappelijk gebouw had laten bouwen dat had gediend als slaapzaal, school, kelder en kapittelhuis.[1] Genoemde prelaat leefde in het begin van de dertiende eeuw; zijn testament en andere testamentaire beschikkingen uit 1220 en rond dat jaar zijn bewaard gebleven.[2]

Een ander gegeven uit hetzelfde necrologium geeft een aanwijzing waar dit gemeenschappelijk gebouw zich bevond. Hierin staat dat een zekere Volsind – ‘onze zuster’, zegt het boek – een half huiserf had geschonken ‘achter het huis van onze voormalige slaapzaal aan de zuidkant’.[3] Zoals in een ouder necrologium, van rond 1300, wordt gezegd, was dit erf gelegen bij de ingang van het claustrum, het kapittelgebied, ‘op de plaats die oudtijds Wiuwer werd genoemd’. Andere gegevens maken duidelijk dat het bij dit laatste ging om het perceel op de hoek van de Oudegracht en het Wed (Oudegracht 166; later het huis Wuwer genoemd; zie afb. 2).[4]

Op deze manier kon niet alleen ongeveer de plaats van het kapittelgebouw worden aangegeven, maar is het zelfs nog grotendeels teruggevonden en gereconstrueerd. Grote delen ervan zijn nog aanwezig in de tegenwoordige panden Wed 3A, 5, 7 en het in 1963 afgebroken nummer 9. Bij elkaar ging het om een gebouw van 25 bij 9 meter. Het oostelijk deel, de nummers 5 en 7, is in 1977/79 ingrijpend gerestaureerd.[5]

Wed 3A-7 na de restauratie
Afb. 1. Wed 3A-7 na de restauratie in 1977/79. Wed 9, dat zich links bevond, was al in 1963 afgebroken ter verbreding van de Korte Nieuwstraat. Uit: Dolfin e.a., Utrecht, 197 (zie nt. 5).

Interessant is dat bij het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek dat vóór de restauratie plaatshad, de resten van een oost-west gelegen sloot zijn teruggevonden. Hoogstwaarschijnlijk betreft het hier een restant van de gracht van de burcht zoals die in de elfde eeuw zal zijn aangelegd. Ter plaatse van de hoek van de Oudegracht en het Wed mondde zij uit in de westelijke burchtgracht. Daar verwijst onder meer de naam Wiuwer naar, die ook in andere bronnen voorkomt.  W(i)uwer is afgeleid van vivarium of vijver, dit wil zeggen water waarin vis in leven wordt gehouden.[5a] Dit deel van de zuidelijke burchtgracht, dat mogelijk ook gebruikt is als vijver, is dus in ieder geval vóór de bouw van het gemeenschappelijk kapittelgebouw in het begin van de dertiende eeuw verdwenen.

Reconstructie van het gemeenschappelijk kapittelgebouw
Afb. 3. Reconstructie van het gemeenschappelijk kapittelgebouw door A.F.E. Kipp. Links de situatie na de bouw in het begin van de dertiende eeuw en rechts omstreeks 1350, toen het complex verdeeld was in drie claustrale huizen. Uit: Dolfin e.a., Utrecht, 198 (zie nt. 5).

Even interessant is dat het gebouw nagenoeg evenwijdig is aan de oost-westas van de kerk van Oudmunster (zie afb. 2). Ik acht het niet ondenkbaar dat het de bedoeling is geweest het door middel van een kruisgang met de kerk te verbinden. Het lijkt er overigens niet op dat die ooit tot stand is gekomen.

Zeker is dat minstens tegen het midden van de veertiende eeuw het gebouw in kwestie niet meer als gemeenschappelijk kapittelgebouw functioneerde, maar verdeeld was in een drietal ’claustrale’ huizen, bestemd voor geestelijken van het kapittel.[6] Verder werd in die tijd de ruimte oostelijk van het Bisschopshof, tussen het gebouw en de kerk, aangeduid als kerkhof (zie nt. 9).

Mede op grond van de omstandigheid dat het gemeenschappelijk gebouw  tegen het midden van de veertiende eeuw opgedeeld was in claustrale huizen stelde de architectuurhistoricus Jos (R.J.) Stöver in zijn proefschrift over de Oudmunsterkerk dat dit complex niet het door proost Wouter gestichte kapittelgebouw was, maar dat dit laatste tegen de zuidgevel van de kerktoren stond. Volgens Stöver was in het door hem aangewezen gebouw in ieder geval in 1349 de school gevestigd en omdat die niet als nieuw werd aangeduid moest dat dus al een oude situatie zijn.[7]

Oudmunsterkerk Afb. 5. De kapitttelkerk van Sint-Salvator of Oudmunster in de zestiende eeuw. De architectuurhistoricus Jos Stöver situeerde het gemeenschappelijk gebouw, gesticht door proost Wouter, tegen de toren. Daar bevond zich in het midden van de veertiende eeuw de school; het kapittelhuis echter in de bebouwing tegen het langgerekte koor van de kerk, boven de Sint-Barbarakapel. Uit: Van den Hoven van Genderen, De heren van de kerk, omslag (zie nt. 10).

Nu is het in het algemeen moeilijk om uit wat er niet genoemd wordt iets af te leiden omtrent hoe iets wel geweest is. En wat is oud? Zoals gezegd werd het perceel op de hoek van het Wed in het necrolo­gium van circa 1300 al achter de voorma­lige slaapzaal gesitu­eerd. Aan die functie was dus toen al een eind gekomen. Over de oude school werd rond 1300 niet gesproken, maar ook die kon toen, net als de slaapzaal, al naar elders verplaatst zijn. Kortom, Stövers argument is op zich al weinig steekhoudend.

Maar bovendien is de situering bij het Wed op geen enkele wijze te verbinden met de Oudmunster­kerk en het daar tegen de toren aan gezette gebouw, waar rond het midden van de veertiende eeuw de school gevestigd was. Dit gebouw stond namelijk enkele tientallen meters verder naar het noorden toe (zie afb. 2). Tussen de toren en de bebouwing op de zuidhoek van het Wed en de Oude­gracht bevond zich niet alleen de toegang naar de Oudmunsterkerk – overigens aanmerkelijk smaller dan het huidige Wed –, maar ook de tuin van het bisschopshof.[8] Nog in 1343 verklaarde de bisschop dat hij de muur tussen zijn tuin en het kerkhof van Oudmunster naar het zuiden toe, waarvan hij erkende dat die aan Oudmunster toebehoorde, op eigen kosten had laten verhogen.[9] Klaarblijkelijk was hij niet gesteld op inkijk en hij was daarin niet de enige. De Utrechtse bronnen logenstraffen de vaak gehoorde bewering dat de middeleeuwers geen privacy kenden en er ook geen behoefte aan hadden.

Ten slotte, de omstreeks 1300 opgegeven belending van het perceel Wiuwer op de hoek van het Wed is veelzeggend; die luidde namelijk toen al: ‘achter de voormalige slaapzaal’. Wanneer hiermee een gemeenschappelijk gebouw tegen de toren was bedoeld, zou immers niet de voormalige slaapzaal maar de nog – of al – aanwezige school als belending zijn vermeld. Gezien de grote afstand tussen het huis Wuwer en de kerk zou dat overigens absurd geweest zijn. Voor het perceel Wed 3A klopte de belending niet alleen, maar had de vermelding van die voormalige slaapzaal ook zin, omdat een claustraal huis regelmatig van bezitter verwisselde.

Het is dus ondanks de tegenwerping van Jos Stöver volstrekt duidelijk dat de slaapzaal, de school en het kapittelhuis zich vanaf de bouw in het begin van de dertiende eeuw in het complex Wed 3A-9 hebben bevonden. Al in het begin van de veertiende eeuw was – gezien de aandui­ding quondam in het genoemde necrologium van circa 1300 – in ieder geval de slaapzaal, maar wellicht ook al de school en het kapittelhuis uit dit gebouw verdwenen. De school bevond zich, zoals hierboven is gezegd, later in de veer­tiende eeuw in een gebouw ten zuiden van de toren en het kapit­telhuis boven de Sint-Barbaraka­pel ten zuiden van het koor van de kerk.[10] Dit kapittelhuis was overigens in het midden van de veertien­de eeuw weer te klein geworden.[11]

Kortom, de latere huizen Wed 3A-9 zijn ontstaan uit het oorspronke­lijk gemeenschappe­lijke gebouw ter plaatse dat gesticht was door proost Wouter in het begin van de dertiende eeuw. Al vóór het midden van de veertiende eeuw werd het gesplitst in een drietal claustrale huizen. De behoefte aan dergelijke huizen en wellicht ook de te geringe omvang van het gebouw voor de oorspronkelijke functies zal tot deze wijziging hebben geleid.[12]


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012. - Gepubliceerd juli 2012; laatst bewerkt 5 december 2013.