Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F

Verdwenen bezittingen en rechten van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht, in Noord-Brabant en elders, maar vooral die in en bij Vught
door Charlotte J.C. Broer

Dit artikel is een paragraaf uit mijn in 2000 verschenen proefschrift Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht: haar plaats binnen de Utrechtse kerk en de ontwikkeling van haar goederenbezit (ca. 1000-ca. 1200), p. 250-259, over een onderwerp waarvan ik hoop dat er van welke kant ook nog eens iets naders en nieuws naar voren wordt gebracht en aldus over dergelijke geenszins onbelangrijke oude rechten zo mogelijk toch meer duidelijk wordt.

Te citeren als: C.J.C. Broer, Verdwenen bezittingen en rechten van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht, in Noord-Brabant en elders, maar vooral die in en bij Vught (www.broerendebruijn.nl/Vught.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).
De bezittingen van de gemeenschap op de Hohorst, later de Sint-Paulusabdij in Utrecht verworven van de bisschoppen Ansfried en Adelbold.
Tek. M.W.J. de Bruijn.









De schenking van bisschop Ansfried


Eemland

De Hohorst: landbezit; hieraan ontleend (later) bezit: novalia bij de Hohorst.
Leusden: kerk met de hiermee verbonden tienden in Eemland, dit wil zeggen tienden in Leusden, Soest en Hees en mogelijk Scherpen­zeel; tot het bezit van de kerk te herleiden latere rechten: patronaats­rechten van de kerken van Soest, Baarn, Scherpenzeel, Hoevela­ken, Ter Eem, Eem­nes-Buiten, Eemnes-Binnen en Bunschoten.
Soest en Hees: landbezit (8 hoeven in Soest en 7 in Hees), met inbegrip van de rechtsmacht en met als toebehoren landbezit op het Hogeland (bij Amersfoort) en op Zeisterover (bij Zeist), ook met inbegrip van de rechtsmacht.

De Veluwe en omstreken

Ermelo: kerk met tienden en eventueel landbezit met inbegrip van rechtsmacht; later gestichte dochterkerken van Ermelo: de kerken van Nun­speet, El­speet en Har­derwijk
Rheden: kerk met tienden en eventueel landbezit.

Het Midden-Nederlandse rivierengebied

Driel: een hof (curtis), landbezit, met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht.
Ophemert: een kerk (met tienden?).
Zandwijk: kerk (met tienden?).

Noord-Brabant

Vught: rechten ten aanzien van de helft van de (inkomsten uit) tol en munt.
Ruimel: (rechten in) bos.


De Hohorst of Heiligenberg
De Hohorst of Heiligenberg waar de kloostergemeenschap eerst gevestigd was. Foto C.J.C. Broer.
Bezittingen Sint-Paulus Ansfried en Adelbold

De schenking van bisschop Adelbold


Eemland

Soest: landbezit (6,5 hoeve), met inbegrip van de rechtsmacht.
Maarn:  ??
Hogeland: tienden (van het land van de abdij Amersfoort).
Zeisteroever: tienden (van het land van de abdij in Zeist).

Hamaland

Deventer: landbezit (een hoeve) met tienden.
Gietelo: tienden (van het eigen land van de abdij).
Oosterbeek: tienden (van het eigen land van de adbij).
Velp: landbezit (een hoeve) met tienden.
Twente (Ulft): een hof.
Windesheim: een hof (atrium)?

Het Midden-Nederlandse rivierengebied

Ophemert: landbezit (hof/atrium?).
Teisterbant/Avezaat: landbezit (3 hoeven).
Lienden: hof (atrium), landbezit met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht.
Elst: tienden.

Zuid-Holland/Maas-Merwedegebied

Rotte: kerk en tienden (in Rotte, Hillegersberg en Kralingen); tot het bezit van deze kerk te herleiden latere rechten: patronaats­rech­ten van de kerken van Hillegersberg, Kralingen, Rotterdam, Bleiswijk en Zevenhuizen.
Zwijndrechtse Waard: landbezit met inbegrip van hoge en lage rechtsmacht en tienden; hiertoe te herleiden latere rechten: recht ten aanzien van een kerk in de Zwijn­drecht­se Waard.
Noten

[1] Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, I, uitg. A.C.F. Koch (‘s-Gravenhage 1970) (Koch, OHZ, I), nrs. 70 en 81.

[2] Uniek in de stad, p. 337 e.v.

[3] Ald. p. 360 e.v.

[4] Deze tol werd de Utrechtse kerk geschonken door Otto I nadat deze haar ontnomen had aan graaf Waldger, (Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1300 (OSU) I, uitg. S. Muller Fz. en A.C. Bouman, (Utrecht-‘s-Gravenhage 1920), nr. 120); in 975 wordt deze schenking van Otto I door Otto II bevestigd en zelfs uit­ge­breid (OSU I, nrs. 134, 135).

[5] OSU  I, nr. 132.

[6] Otto III schonk in 985 aan graaf Ansfried rechten als allodium, die deze tevoren in leen had gehouden, waaronder naast bezittingen in Nedermaasland ook rechten in (West-)Friesland, met name Medemblik behoorden (Koch, OHZ I, nr. 54). De mogelijkheid bestaat dat van deze schenking ook tolrechten deel uitmaakten. Deze rechten zouden nadat Ansfried bisschop van Utrecht was geworden in 995 aan de Utrechtse kerk zijn gekomen.

[7] Koch, OHZ I, nr. 64.

[8] In 1046 kreeg de Utrechtse kerk van Hendrik III de munt, tol en rechtsmacht in Deventer geschonken (OSU I, nr. 202). Eerder verwierf de Utrechtse kerk al rechten in Groningen, waarbij tol en munt moge­lijk slechts terloops als pertinenties genoemd zijn (OSU I, nr. 193).

[9] In een bevestigingsoorkonde van keizer Hendrik VI uit 1193 wordt opgemerkt dat deze tol, die op dat moment in handen is van het kapittel van Sint-Marie – dat het waarschijnlijk bij zijn stichting van bis­schop Koenraad had gekregen – tevoren door een van Hendriks voorgangers aan de Utrechtse kerk geschonken was (OSU I, nr. 524). Waarschijnlijk ging het hier om een schenking ten tijde van bis­schop Bernold, die deze tol als onderdeel van de dos aan het kapittel van Sint-Jan overdroeg (E.N. Palm­boom, Het kapittel van Sint Jan te Utrecht. Een onderzoek naar verwerving, beheer en administratie van het oudste goederenbezit (elfde-veertiende eeuw) (Hilversum 1995), p. 103).

[10] Palmboom, Het kapittel van Sint Jan, p. 103.

[11] Uniek in de stad, p. 251, noot 5; Palmboom, Het kapittel van Sint Jan, p. 105.

[12] Koch, OHZ I, nr. 89.

[13] OSU I, nr. 524 (zie ook Uniek in de stad, p. 251, noot 6).

[14] Met de naam 'Texandrië' werd een gebied aangeduid dat zich in de loop van de tijd qua omvang nogal eens gewijzigd lijkt te hebben. In de tiende eeuw lijkt het zijn grootste omvang te hebben gekend; glo­baal gesproken werd er toen mee bedoeld het gebied ten zuiden van de (Oude) Maas, in het westen begrensd door de Striene en wat tot in de tiende eeuw het graafschap Rien en daarna het markgraaf­schap Antwerpen was, terwijl in het oosten de Peelmoerassen een natuurlijke grens vormden. Zie over dit 'Texan­drië' B. Aarts, ‘'Texandrië', van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom. Hoofdlijn en vraagtekens’, in: Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg-Turnhout, H. van Dorenmalen e.a. red. (Tilburg-Turnhout 1992), p. 8-42, p. 14.

[15] Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, I, De meijerij van ‘s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), 2 stukken, uitg. H.P.H. Camps (‘s-Gravenhage 1979) (ONB), nr. 2.

[16] Echternach was later ook gegoed in het ten zuiden van Vught gelegen Esch (ONB I, nr. 10).

[17] Van de overdracht aan bisschop Notker van Luik van het graafschap Hoei, waarvan tevoren graaf Ans­fried afstand heeft gedaan, vernemen we in een schenkingsoorkonde van Otto III uit 985 (OSU I, nr. 141). Graaf in 'Brabant' wordt Ansfried genoemd door Alpertus van Metz (De diversitate temporum, uitg. H. van Rij m.m.v. A. Sapir Abulafia (Amsterdam 1980), I, par. 11). Met 'Brabant' wordt in de tiende eeuw bedoeld de streek tussen de Schelde en de Dijle (Aarts, 'Texandrië', p. 14). Zie voor Ansfried als 'graaf ergens binnen Brabant' ook Monna, 'Ansfried en de stichting van Thorn', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, 118 (1982), p. 59-85, p. 80-81.

[18] Zo was Anfrieds oom van vaderszijde, ook Ansfried geheten – en ter onderscheiding van zijn neef wel aangeduid als Ansfried senior –, graaf in Texandrië en trad er ten tijde van Ansfrieds dood in 1010 in Teisterbant een graaf Unroch op, die een verwant van Ansfried heet te zijn.

[19] Dit graafschap Rien lijkt te zijn opgegaan in het omstreeks deze tijd nieuw gevormde markgraaf­schap Antwerpen. Volgens Aarts ('Texandrië', p. 14) wordt ten onrechte aangenomen dat van dit graafschap Rien ook Texandrië deel uitmaakte.

[20] Uniek in de stad, p. 343 e.v.; p. 351 e.v., met betrekking tot de bezittingen die de gemeenschap op de Ho­horst van Ansfried verwierf in het Midden-Ne­derlandse rivierengebied (Ophemert, Driel).

[21] Koch, OHZ I, nr. 54.

[22] Thietmar van Merseburg, Thietmari Merseburgensis episcopi chronicon, uit. R. Holzmann, bew. en vert. W. Trillmich, Ausgewählte Quellen zur deutschen Geschichte des Mittelalters, 9 (Berlijn 1962) (Chronicon), IV, par. 32: Inde vero reversus abbaciam, que dicitur Torna, de hereditate propria construxit, ‑ ‑ ‑ sanctoque Lantperto pro remedio anime sue ex integro tradidit. Door Trillmich wordt deze passage ten onrechte vertaald als 'Nach der Heim­kehr erbaute er von sein Allod der Abtei Thorn, - - - und übergab alles zum Heile seiner Seele völlig dem hl. Lambert', waar­mee – in tegenstelling tot wat Thietmar werkelijk zegt, namelijk dat Ansfried de door hem ge­stichte en vanuit zijn erfgoed gedoteerde abdij van Thorn aan Sint-Lambertus (dit is de kerk van Luik) op­draagt – de indruk wordt gewekt dat Ansfried al zijn bezittingen aan Sint-Lambertus heeft overge­dra­gen. Zie voor de datering van de stichting van Thorn tussen 972, het jaar waarin bisschop Notker van Luik aantrad, en 995, het jaar waarin Ansfried bisschop van Utrecht werd Monna, 'Ansfried en de stichting van Thorn', p. 64-73, met name p. 73. Monna heeft getracht de stichtings­datum van Thorn nader te bepa­len en op­perde dat de stichting van Thorn zou hebben plaatsge­had na de dood van Ans­frieds vader Lambert, die in 981/983 nog optrad bij een schenking. Ansfried zou volgens Monna, die daarbij ver­wijst naar de hier aangehaalde passage bij Thietmar, voor Thorn als patroonheili­ge Lamber­tus hebben gekozen, waar­mee hij ook de herinnering aan zijn vader zou hebben willen eren. Onzes inziens berust dit idee op een on­juiste interpretatie door Monna van Thietmars mededeling. Wat Thiet­mar hier name­lijk stelt is niet dat Ansfried Thorn wijdde aan Sint-Lambertus, maar dat Ansfried het door hem gestichte klooster Thorn – dat, zoals we uit andere bronnen weten, gewijd was aan Onze-Lieve-Vrouw – heeft opgedragen aan de kerk van Luik, die als patroonheilige Sint-Lambertus had. De basis voor de nadere bepaling van de stich­tings­datum van Thorn vervalt hiermee.

[23] Het betreft hier bezittingen van Thorn in Geertruidenberg, Baarle en Gilze. In de stich­tingsoorkonde van Thorn, gedateerd 992, maar waarschijnlijk een falsum uit later tijd (Koch, OHZ I, nr. 61), wordt gesteld dat deze rechten geschon­ken zijn door Hilzonde, die optreedt als de stichtster van de abdij.

[24] Bezit en rechten van het kapittel van Hilvarenbeek in Lommel zouden bijvoorbeeld teruggaan op de dotering door Ansfried. Zie over deze kwestie Aarts, 'Texandrië', p. 16-17; dezelfde, 'Het "Ansfried-pro­bleem" in Hilvarenbeek en elders', in: Hilvarenbeek duizend jaar. Bijdragen tot een symposium over de geschiedenis der Brabantse dorpen, J. Scheirs red. (Hilvarenbeek 1988), p. 7-64, p. 25.

[25] F. Theuws en A.J.A. Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit', in: Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit, I. In den nördlichen Landschaften des Reichs, H.W. Böhme red. (Sigmaringen 1991), p. 109-146,  met name p. 124-130.

[26] Bruno's opvolgers in Keulen zouden een minder goede relatie hebben gehad met het hof, waardoor een einde zou zijn gekomen aan het zeer nadrukkelijk naar voren schuiven en begunstigen van de aartsbis­schoppen van Keulen door de koningen Otto II en III. Vanaf het laatste kwart van de tiende eeuw en in de elfde eeuw was het de bisschop van Luik, te beginnen bij Notker (972-1008), die onder meer in Texandrië door de koningen uitvoerig begunstigd werd en als steunpunt van het koninklijk gezag fun­geerde. Aan de verster­king van de positie van de bisschop van Luik lijkt onder meer ook de positie van de Ansfrieden te zijn opgeofferd. Keulen daarentegen is niet geheel van het Texandrische toneel ver­dwenen. Nog in veel later tijd, in de twaalfde en dertiende eeuw, maken de aartsbis­schoppen van Keu­len op veelal onbekende gronden aanspraken op goederen en rechten in Texandrië, die in vele gevallen reeds lang in andere handen waren. Het gaat bij deze aanspraken waar­schijnlijk steeds om een terug­grijpen op een oudere situatie van Keulse rechten, die samenhangen met de bemoeienissen met deze streken in de tiende eeuw (Theuws, Bijsterveld, a.w., p. 129-130).

[27] Vergelijk Monna, 'Ansfried', p. 60, die in dit verband de vertaling van Trillmich en niet de tekst van Thietmar (zie hiervóór, p. 253, noot 4) lijkt te volgen en neigt tot het idee dat Ansfried zo niet alle, dan toch de meeste familiebe­zittin­gen aan Thorn heeft overgedragen.

[28] Chronicon, IV, par. 35: Sed postquam Evergerus Coloniensis archiepiscopus suffraga­ne­orum consensu imperatori sibique in medium consuluit, vellet nollet ad episcopum acclamatur. Non multo post quinque curtes de sua proprietate beato Martino tradidit, fideli inquam fideiussori talionis earum. Uit deze pas­sage blijkt dat het onjuist is ervan uit te gaan dat alle familiebezittingen van Ansfried, vóór of op het moment dat hij bisschop van Utrecht werd, aan de eerder door hem gestichte abdij van Thorn zouden zijn geschonken.

[29] OSU I, nr. 143: quod ego Ansfridus, Dei solummodo gratia sanctę Traiectensis ęcclesię presul indig­nus, ‑ ‑ ‑ quandam mei iuris hereditatem, quam antea potestative possederam infra comitatum, Rien nun­cu­patum, quorum locorum hęc sunt nomina: Westerlo, Odlo, Bolo, Mierbeke, Honbeke, Bur­on­te, ‑ ‑ ‑ cum omnibus ad hęc pertinen­tibus ęcclesiis, ędificiis, mancipiis, agris, pascuis, pratis cultis et in­cul­tis, silvis, aquis aquarumve decursibus, trado ad ęcclesiam sanctę Marię semper Virginis [be­doeld wordt Sint-Salvator of Oudmunster] sanctique Martini in Traiecto, ad restaurandum ibidem Dei servici­um. Zie voor wat betreft deze Zuid-Kempische bezittingen van de beide Utrechtse kapittels met name E. van Ermen, 'De Utrechtse kapittels Sint-Maarten en Sint-Salvator (Oudmunster) en hun bezittin­gen in de Antwerpse Kempen (ca. 1000-1620)', in: Pascua Mediaevalia. Studies voor prof. dr. J.M. De Smet, R. Lievens e.a. red., Mediaevalia Lovaniensia, I, 10 (Leuven 1983), p. 28-51, p. 31-33. Ons inziens ten onrechte is de laatste zinsnede 'tot herstel van de dienst Gods aldaar' wel beschouwd als een indirect dateringselement in deze oorkonde. Ze zou ver­wij­zen naar een verwoesting van de kerken in Utrecht, hetgeen in verband zou staan met het verschij­nen van de Noormannen voor Utrecht in 1006 of 1007, en de schenking zou dus nadien moeten hebben plaatsge­had. Het is Alpertus van Metz die over deze 'aanval' bericht (De diversitate temporum, I, par. 10). Hij vertelt dat de Utrechters, toen zij vernamen dat de vreemdelingen in aantocht wa­ren, zelf de koop­mans­wijk bij de burcht in brand hebben gestoken, opdat de Noormannen zich daar niet zouden kunnen verschansen als zij de burcht wilden belegeren. De Noorman­nen die voor de stad ver­schijnen tonen zich verbaasd over deze actie, omdat zij, naar zij stelden, geen kwaad in de zin hadden. En hoe­wel zij eenvoudig de burcht hadden kunnen verove­ren, zijn zij, zo stelt Alpertus, uit eerbied voor de Utrechtse kerk en haar bisschop Ansfried weg­getrokken, zonder enige schade aan de stad toe te brengen (Et quanvis facillima expugnatio esset, tamen cognoscen­tes sanctum locum et tantum sacerdo­tem suis fortunis alias obsistere posse, nullam lesionem civitati inferentes abierunt.) Van een verwoes­ting van de binnen de Utrechtse burcht gelegen kerken is dus in het geheel geen sprake geweest. De zinsnede 'tot herstel van de dienst Gods aldaar' dient onzes inziens veel algemener te worden be­schouwd als verwij­zing naar het hervor­mingsstreven van die tijd, herstel en zo mogelijk vermeerde­ring van de dienst en lof Gods, dat we hier dus ook bij Ansfried aantreffen (zie voor dit hervormings­stre­ven en de bisschop­pelij­ke taakopvatting op dit terrein Uniek in de stad, hoofdstuk 2, p. 90-94, en hoofdstuk 3, p. 121 e.v.).

[30] De bezittingen die de kapittels van Oudmunster en dom in later tijd in genoemde plaatsen hebben blij­ken oorspronkelijk direct geëxploiteerd, dus waarschijnlijk domaniaal, rond een hof georgani­seerd te zijn. In de loop van de dertiende eeuw kwam aan de directe exploita­tie van dit bezit door het kapittel een eind en werden de goederen verpacht (Van Ermen, 'De Utrechtse kapittels', p. 34, p. 40-41; p. 49-50). Eerst in de zeventiende eeuw deden na afkoop de kapittels defini­tief afstand van deze bezittingen (Van Ermen, a.w., p. 48-49; Aarts, 'Het "Ansfriedprobleem" in Hilvaren­beek en elders', p. 9).

[31] Zie in dit verband ook Van Ermen, 'De Utrechtse kapittels', p. 33.

[32] Zie voor deze hof in Driel Uniek in de stad, p. 342 e.v.

[33] Hoewel de passage in deze oorkonde (in Fuhthe dimidium thelonarii atque monete et foreste in Rumelo) zo kunnen worden uitgelegd als zou de munt niet in Vught, maar in Ruimel gevestigd zijn geweest, lijkt het toch het meest waarschijn­lijk dat de munt samen met de tol in Vught gesitueerd moet worden.

[34] Voor wat betreft de Sint-Lambertuskerk hebben opgravingen geen resten aan het licht gebracht, die veel verder teruggaan dan de dertiende eeuw (W.H.Th. Knippenberg, 'De twee oudste kerken van Vught, provincie Noord-Brabant', in: Berichten ROB, 14 (1964), p. 150-159). Gezien het feit echter dat het arche­ologisch onderzoek beperkt van opzet was, moet wellicht niet uitgesloten wor­den geacht dat resten van een oudere (houten) kerk over het hoofd zijn gezien. Naar de in 1885 afge­broken Sint-Pieterskerk zijn geen opgravingen gedaan. Beide kerken zouden echter wel van vóór 1200 hebben gedateerd (T. Kappelhof, 'Vught in de Middeleeuwen (900-1300). Het raadsel van de twee kerken', in: J. van den Eijnde red., Vught vanouds, Vughtse Historische Reeks, 2, (z.pl. z.j. [Vught 1995]), p. 12). Vooral op grond van de latere tiend­ver­de­ling in Vught – de oude tiend behoorde aan de pastoor van de Sint-Lambertus­kerk; de nieu­we tiend was met de Sint-Pieterskerk in Vught in handen van de hertog van Brabant, terwijl ze in 1399, toen de Sint-Pieterskerk werd geïncorpo­reerd bij het kapittel van Eindhoven, naar deze instelling ging – lijkt boven­dien te mogen worden aangenomen dat de Sint-Lamber­tuskerk ouder is dan de Sint-Pieters­kerk en oor­spronke­lijk de enige parochie­kerk van Vught is geweest (a.w., p. 10). In zijn conclu­sie stelt Kap­pelhof (a.w., p. 29) dat de ouderdom van de Sint-Lambertus­kerk zelfs terug te voeren zijn tot de tijd van de kerste­ning of kort daarna (circa 700) en die van de Sint-Pieterskerk tot de tiende eeuw, toen de Keul­se kerk hier zijn invloed deed gelden (vergelijk evenwel dezelfde, a.w., p. 11-12, waar opgemerkt wordt dat van zowel Keulse als Luikse bezittin­gen of invloed in en rond Vught nauwe­lijks sporen te vinden zijn).

[35] Uniek in de stad, p. 354.

[36] We vernemen van deze rechten in 1237 wanneer, na toestemming van de proost (ONB I, nr. 182), het kapittel haar rechten op goederen, waaronder een curtis, in Berlicum afstaat aan de abdij van Berne, die daarvoor ten behoeve van Oudmunster binnen het bisdom Utrecht goederen zal kopen ter waarde van 165 pond Utrechts (ONB I, nr. 183). In 1240 wordt in een verklaring vastgelegd dat Berne, in plaats van deze goederen te kopen, aan het kapittel van Oudmunster het bedrag van 165 pond betaald heeft. Bij de overdracht van de curtis ontving Berne ook het patro­naats­recht van de kerk in Berlicum, waarbij bepaald werd dat de abdij het kapittel jaarlijks twintig schellingen Utrechts zou beta­len. In 1252 ten slotte dragen deken en kapittel van Oudmunster aan de abdij van Ber­ne alle tienden en tijnzen in Berli­cum, met uitzondering van de tienden van nabijgelegen buurschap Mid­delrode, over tegen een eeuwig­durende jaarlijkse betaling van een pond Utrechts (ONB I, nr. 244).

[37] Dat de Utrechtse kerk in de elfde eeuw gegoed is in de buurt van Vught zou, zo merkt P.A. Henderikx , 'Onecht of echt? De bevestigingsoorkonde van bisschop Bernold van 25 juni 1050 voor de Sint-Paulusabdij te Utrecht’, in: Feestbundel aangeboden aan prof. dr. D.P. Blok ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag en zijn afscheid als hoogleraar in de nederzettingsgeschiedenis in verband met de plaatsnaamkunde aan de Universiteit van Amsterdam, J.B. Berns e.a. red. (Amsterdam 1990), p. 122-143', p. 142, noot 47) op, ook kunnen blijken uit het feit dat gravin Adelheid, waarschijn­lijk weduwe van graaf Hendrik (II van Leuven), tussen 1076 en 1099 haar goed te Orthen aan de Utrechtse kerk overdraagt, om voorts ditzelf­de goed in leen en nog andere goederen in precaria terug te ontvangen (ONB I, nr. 32). Deze schen­king buiten het bisdom wordt althans begrijpelijk wanneer de kerk van Utrecht in de directe omgeving al meer bezit heeft gehad.

Vervolg van de noten in de kolom hiernaast.


Sint-Paulus - Korte Nieuwstraat reconstructieKipp
Reconstructie van de westgevel van de kerk van de Sint-Paulusabdij in Utrecht. Tek. A.F.E. Kipp.
Van een deel van de door Ansfried en Adelbold aan de ge­meenschap op de Ho­horst geschonken bezittingen zoals die in de – voor wat betreft dit klooster oudste – oorkonden van 1028 en 1050 genoemd zijn,[1] vinden we nadien niets meer terug in de bronnen. Dat geldt voor de rechten in en bij Vught in Noord-Brabant, die door Ansfried aan de monniken werden overgedragen. Maar ook rechten, door Adelbold geschonken, in Ulft, Oosterbeek, Gietelo, Deventer, Windes­heim en tenslotte in Elst komen in later tijd niet meer voor als abdijbezit. De reden van het verdwijnen van dit bezit kan zijn gelegen in verkoop door de abdij of in ruil tegen andere bezit. In het algemeen is daarover echter niets bekend. Opvallend is dat het bij het verdwenen bezit in vrijwel alle gevallen gaat om ver weg en ten opzichte van het andere abdijbezit geïsoleerd gelegen bezittingen (Vught, Twente) of om enigszins beperkte rech­ten (een enkele hoeve met het recht op de tienden ervan). De abdij kan dergelijk bezit om praktische redenen al dan niet na usurpatie ervan door derden hebben afgestoten.

Voor kennis van de inhoud van deze rechten in de elfde eeuw bieden ook latere bron­nen geen houvast. Wanneer we echter deze rechten en bezittingen beschouwen in het licht van andere, bekende bezittingen van de abdij zelf en van andere gerechtigden in de ge­noemde plaatsen of de omgeving ervan, dan valt er in een aantal gevallen over de nadere herkomst van de rechten alsmede de context van de bisschoppelijke schenkingen aan de abdij toch nog wel iets te zeggen. Met het oog daarop laten zich de bezittingen die de abdij in de elfde eeuw moet hebben gehad in Ulft, Oosterbeek, Gietelo, Deventer en Win­des­heim het beste bepreken in verband met de overige omvang­rijker bezittingen op de Veluwe en in de aangrenzende delen van Overijssel,[2] terwijl de rechten in Elst aandacht krijgen in het kader van de bezittin­gen van de abdij in het Midden-Ne­derlandse rivierenge­bied in de Betuwe.[3]

Voor de rechten die de kloos­tergemeenschap van Ansfried kreeg ten aanzien van een tol in Vught, de munt, een foreest of koninklijk woud en bos in de omgeving is het niet mogelijk ze te behandelen in verband met andere en eventueel latere bezittingen en rech­ten van de abdij. In Noord-Brabant heeft de abdij nooit andere bezittingen gehad dan deze rechten waarvan in de oorkonden van 1028 en 1050 melding wordt gemaakt. En nergens anders heeft ze vergelijk­bare rechten gehad op grond waarvan eventueel iets afgeleid zou kunnen worden omtrent de rechten in Vught. Slechts enkele, meer algemene opmerkingen en enkele voorzichtige veronderstel­lingen zijn er met betrekking tot dit abdijbezit te ma­ken.

Allereerst kan dan worden gesteld dat de schenking als zodanig geloofwaardig­heid verdient. Ze wordt door betrouwbare oorkonden bevestigd, maar valt vooral ook te plaat­sen binnen de ontwikkeling van het vermogen van de Utrechtse kerk als geheel en dat van de verschillen­de geestelijke instellingen in het bijzonder.

Het recht van tolheffing en muntslag, maar ook visserij- en jachtrechten (foreest) zijn in beginsel koninklijke rechten, zogenaamde regalia. Namens de koning werden dergelijke rechten in het algemeen gesproken beheerd door graven. De koningen hebben echter re­gel­matig bij wijze van begunstiging ook aan anderen dan de graven tol- en andere rechten toegekend, door deze bijvoorbeeld in leen te geven. In de loop van de tijd zijn de graven, in oorsprong koninklijke ambtena­ren, hun grafelijke functie en de verschil­lende daarmee verbonden rechten, waaronder regalia, als erflijk bezit gaan beschouwen, dat hun door de koning niet meer zonder meer was af te nemen. Hetzelfde geldt voor de andere koninklij­ke vazallen en hun leengoederen. Op deze manier zijn dergelijke koninklijke rechten in han­den van regionale en lokale heren geraakt. Daarnaast zijn door schenkingen van vooral de Ottoonse en Salische koningen ook bisschops­kerken en abdijen in het bezit van ver­schil­lende van deze koninklijke rechten gekomen.

Ook de Utrechtse kerk verwierf in de loop van de tiende eeuw door koninklijke schen­kingen in het eigen bisdom tol- en andere rechten, namelijk in Muiden (953),[4] misschien al in Deventer (975),[5] via Ansfried wellicht in Me­demblik[6] en ten­slot­te ook in Bommel (999).[7] Later, in de elfde eeuw, werden door de Duitse konin­gen aan de Utrechtse kerk in elk geval in Deventer en waar­schijn­lijk ook in Groningen tolrech­ten geschonken.[8] Deze verwierf door een koninklijke schenking, mogelijk om­streeks deze zelfde tijd, eveneens de tol bij Smithui­zen, gelegen aan de Rijn bij Emme­rik.[9]

Niet alleen maakten aldus sinds de tiende eeuw verspreid over het bisdom tolrechten en dergelijke deel uit van het door verschillende konink­lijke schenkingen groeiende kerke­lijk vermogen of bisdomsgoed. We constateren ook dat in de elfde eeuw deze rechten of inkomsten daaruit door de bisschop­pen worden toegekend aan de afzonder­lijke instellingen binnen de Utrechtse kerk. Tot de door bisschop Bernold omstreeks 1050 aan Sint-Jan toege­wezen dos behoorde naast de genoemde tol bij Smithui­zen[10] waar­schijn­lijk ook een rente van tien pond uit de kort tevoren door bisschop Bernold van Hendrik III verworven munt te Deventer.[11] De tol bij Smithui­zen is door een ruilover­eenkomst in 1085 weer in han­den van de bisschop gekomen,[12] waarna ze enige jaren later is overge­dra­gen aan het ka­pit­tel van Sint-Marie;[13] mogelijk is dit gebeurd bij de stichting van dit kapittel en heeft ook hier de tol onderdeel uitgemaakt van de dos. Dat eerder, aan het begin van de elfde eeuw, door Ansfried aan de gemeenschap op de Hohorst inkomsten uit een tol en eventu­eel nog ande­re in oorsprong konink­lijke rechten in Vught zijn overgedra­gen lijkt daarmee geens­zins op zich te staan.

De inhoud van de schenking voor wat betreft deze rechten in Vught stelt ons voor de vraag van de nadere herkomst van die rechten. Putte Ansfried voor zijn schenking ten behoeve van de monniken op de Hohorst uit het vermogen van de Utrechtse kerk, het bisdomsgoed, en betrof het in dat geval oud bezit van die Utrechtse kerk of eerst recente­lijk, bijvoorbeeld door een koninklijke schenking, verworven rechten? Of dienen we de herkomst van deze bezittingen bij Ansfried zelf te zoeken?

In het onder het bisdom Luik ressorterende Texandrië, het gebied waartoe Vught be­hoorde,[14] lijkt van rechten van de Utrechtse kerk vóór de tijd van Ansfried geen sprake. Weliswaar was Willi­brord in deze streken actief geweest als missionaris. Erfge­naam van de hem door Frankische grootgrondbezitters geschonken bezittin­gen – onder meer in de omgeving van Vught in Ruimel en in Thede en Gemonde (beide onder Sint-Michiels­­gestel) –[15] was echter de abdij van Echter­nach[16] en niet de Utrechtse kerk. Aangezien ook nadien niets blijkt van rechten van de Utrechtse kerk in dit gebied, schenkingen door de koningen van rechten buiten het diocees bovendien ongebruikelijk waren, achten we het onwaarschijnlijk dat Ansfried voor zijn schenking aan de gemeen­schap op de Hohorst voor wat betreft de rechten in Vught putte uit (oud) bezit van de Utrechtse kerk. Zeer reëel lijkt daarente­gen de mogelijkheid dat Ansfried vanuit zijn eigen bezit in deze streken – goede­ren die hij nog bezat toen hij bisschop van Utrecht werd – de gemeenschap op de Hohorst heeft begun­stigd.

Door Aarts is samengevat waar Ansfried, vóór hij in 995 bisschop van Utrecht werd, graaf is geweest en waar hij bezittingen kan hebben gehad. Graaf was Ansfried in elk geval in Hoei en ergens in 'Brabant'.[17] In verschillende andere gebieden, zoals Teister­bant en Texandrië, zouden weliswaar familieleden van Ansfried maar niet hijzelf graaf zijn geweest.[18] In deze en nog andere gebieden blijkt Ansfried echter wel als grootgrondbezit­ter aanwijsbaar. Dat is het geval in het graafschap Rien, dat wil zeggen de streek rondom Antwer­pen,[19] en in Teisterbant,[20] maar ook in het graafschap (West-)Friesland en in Ne­der­maas­land, waar hij in 985 verschillende goederen en rechten, die hij tevoren in leen had gehouden, als eigen goed van de keizer kreeg overge­dra­gen.[21] Uitgebreide bezittin­gen en rechten had Ansfried ten slotte ook in de Maasgouw (in het huidige Limburg). Hier sticht­te hij waarschijn­lijk tussen 972 en 995 de abdij van Thorn, die hij volgens Thietmar met verschil­lende bezittingen en rechten in de directe omgeving en elders begiftig­de.[22] Uit Ansfrieds eigen bezit of dat van zijn echtgenote Hilzonde waren wellicht ook afkom­stig goederen en rechten die Thorn in later tijd in Texandrië bezat en heten terug te gaan tot de stichtings­tijd.[23] De traditie wil voorts dat ook de kerk van Hilvaren­beek door Ans­fried of Hilzonde is gesticht en vanuit het familiebezit in deze streken is gedoteerd.[24]

Door Bijsterveld is de mogelijk­heid geopperd dat, nadat in 925 Lotharingen en daar­­mee Texandrië definitief bij het Oost-Frankische rijk kwam en in 939 Giselbert als hertog van Lotharingen ten val was gekomen, Otto I zich gedurende enige tijd actief met dit gebied en de integratie ervan in het rijk heeft bezigge­houden.[25] Als uitgangspunt voor de versteviging van het koninklijke gezag dienden in deze streken nog voor handen zijnde koninklijke domeingoederen. Sinds 953 zou het Otto's broer Bruno, aartsbisschop van Keulen en tegelij­kertijd hertog van Lotharingen (953-965), zijn geweest die hier naar vo­ren werd geschoven als de vertegenwoordi­ger van de koninklijke macht. In deze hoedanig­heid zal Bruno hebben kunnen beschik­ken over de nog aanwezige koninklijke domeingoe­deren en eventueel nog andere koninklijke rechten.[26] In deze context van versterking van het koninklijk gezag, die wellicht ook gepaard ging met een zekere herorde­ning van het koninklijk domeingoed in deze streken, is het niet ondenkbaar dat naast de aartsbisschop van Keulen als voornaamste pijler van het koninklijk gezag toch ook andere koningsge­trouwen met goederen en rechten begunstigd en aldus evenzeer als steunpunt ingeschakeld zijn. Dat kan bijvoorbeeld hebben gegolden voor Ansfried sr. of eventueel nog andere leden van de familie der Ansfrie­den. Ansfried jr. zou dan later wellicht over een deel van door de koning aan zijn familie geschonken rechten hebben kunnen beschikken. Mogelijk is ook dat hij zelf als getrouwe van Otto I door schenking verschillende rechten in de omgeving verworven had. Hoe dit alles zij, geenszins uitgeslo­ten moet worden geacht dat Ansfried door erfenis, door zijn huwelijk of door ons onbekende koninklijke schenkingen, vergelijk­baar met die in West-Friesland en Neder­maasland of Driel, bezittingen en rechten heeft gehad in Texandrië.

Noch bij de stichting van Thorn, noch bij zijn benoeming tot bisschop van Utrecht in 995, blijkt Ansfried afstand te hebben gedaan van al zijn bezittin­gen in deze contreien.[27] Als bisschop namelijk doet hij uit eigen bezit schenkin­gen aan de Utrechtse kerk en de verschillen­de instel­lingen die er deel van uitmaakten. Zo is er de mededeling van Thietmar van Merseburg in zijn Chronicon dat Ansfried, na zijn benoeming tot bisschop, aan de Utrechtse kerk vanuit zijn eigen bezit vijf hoven schonk[28]. Waar deze vijf hoven gelegen waren wordt helaas niet vermeld. In een ongedateerde oorkonde van bisschop Ansfried is sprake van een schenking aan de Utrechtse kerken van Sint-Salvator of Oudmunster en Sint-Maarten van bezit dat hij zelf geërfd heet te hebben en gesitu­eerd wordt binnen het graaf­schap Rien, onder andere in de plaatsen Westerlo, Olen en hoogstwaarschijnlijk ook West­meerbeeke.[29]

Hoe zich de mededeling van Thietmar en de gegevens uit de oorkonde van Ansfried precies tot elkaar verhouden is onduidelijk, met andere woorden moeilijk uit te maken is of het om verschil­lende of deels dezelfde schenkingen gaat. In de oorkonde wordt niet expliciet gesproken van hoven; uitgesloten is echter niet dat het daar bij de begunsti­ging van de twee Utrechtse kerken om ging.[30] Rekening houdend met de mogelijk­heid dat in deze tijd, waarin de goederendeling en fondsvorming binnen het algemeen kerkelijk ver­mogen zich eerst beginnen te voltrek­ken, het onderscheid tussen schenkingen aan de Utrechtse kerk en schenkingen aan de afzonder­lijke instellingen niet altijd even duidelijk geweest is, moet niet uitgesloten worden geacht dat de medede­ling van Thietmar over de schenking van de vijf hoven aan de Utrechtse kerk als geheel mede betrekking heeft gehad op de schenking van Ansfried aan Sint-Salvator en Sint-Maarten[31]. Denkbaar is dan even­zeer dat tot die vijf hoven ook gerekend moet worden de hof in Driel in de Bommeler­waard, die door Ansfried aan de gemeenschap op de Hohorst werd geschonken[32]. Hoe dit zij, duidelijk is dat Ansfried aan de Utrechtse kerk en verschillen­de geestelijke instellingen aldaar goederen en rechten heeft geschonken, die afkomstig waren uit zijn eigen geërfd of door schenking verworven bezit. Ook in het geval van de aan Hohorst geschonken rechten in Vught is, naar we aannemen, van dergelijke eigen bezittin­gen sprake geweest.

Over Vught in de elfde eeuw is behalve wat de oorkonden van 1028 en 1050 aan informatie bieden weinig of niets naders bekend. Aan te nemen valt evenwel dat Vught, toen de gemeenschap op de Hohorst hier circa 1000 rechten verwierf, een niet onbelang­rijke plaats was. Gunstig gelegen bij de Dommel, op de plaats waar verschil­lende rivier­tjes overgaan in de Die­ze, en in de nabijheid van de Maas, was het de vestigings­plaats van een tol, waar­van overigens niet bekend is of het hier gaat om een rivier- dan wel een markttol. Wel­licht was er ook al een munt, die in de Bernold­oorkonde van 1050 wordt genoemd.[33] Van dit economisch centrum mag wel worden aangenomen dat het ooit een koninklijk domein vormde of daarvan deel heeft uitgemaakt. Daarop wijst ook de aanwe­zigheid in de omge­ving van Vught, in Ruimel, van een in oorsprong koninklijk jachtge­bied (forestis). Door koninklijke schenking kunnen dergelijke domein­goederen en verschil­lende daarmee ver­bonden rechten geheel of gedeelte­lijk in handen van Ansfried zelf, of eerder al van leden van zijn familie, zijn gekomen.

Wellicht interessant is het er hier op te wijzen dat een van de twee parochiekerken die Vught in later tijd had, en het gaat dan naar het zich laat aanzien om de oudste van de twee, gewijd was aan Sint-Lam­bertus.[34] Aan deze heilige, de patroonheilige van het bis­dom Luik, zijn verschillende kerken – bijvoorbeeld in Ophe­mert en Avezaat – gewijd, die moge­lijk door Ansfried of zijn familie als eigenkerken zijn gesticht.[35] Over het bestaan van een kerk in Vught in de elfde eeuw zijn we helaas niet ingelicht, maar misschien mag toch wel worden aangenomen dat een centrum, zoals Vught in die tijd geweest moet zijn, een kerk heeft gehad. Geenszins uitgesloten lijkt dan dat die oudste kerk van Vught, ge­wijd aan Sint-Lambertus, een door Ansfried of leden van zijn familie op eigen bezit ge­stichte kerk is geweest.

In verband met de rechten in Vught is voorts van belang te wijzen op de bezittingen en rechten die het kapittel van Oudmunster in de dertiende eeuw in de omgeving van Vught, in Berlicum, blijkt te hebben.[36] Wanneer en op welke wijze het kapittel hier ge­goed is geraakt is niet bekend. Het feit echter dat het hier gaat om een complex van rech­ten – een curtis, de kerk, tienden en tijnzen – wijst op een hoge ouderdom van dit bezit. In het licht van de elfde-eeuwse van Ansfried verkregen rechten van de abdij van Hohorst in Vught valt voor wat betreft de latere Berlicumse rechten van Oudmunster wellicht even­eens te denken aan een schenking door Ansfried. Heeft misschien een curtis Berlicum deel uitgemaakt van de door Thietmar gememoreerde schenking van Ansfried aan de Utrechtse kerk van vijf hoven uit zijn eigen bezit? Het lijkt ons zeker niet onmoge­lijk, waarmee dan het interessante perspec­tief ontstaat van een goederen- en rechtencom­plex van een zekere omvang in de omgeving van Vught, waarover Ansfried geheel of gedeelte­lijk ten behoeve van de Utrechtse kerk (bisdomsgoed) en wellicht verschil­lende van haar instellingen (fond­sen met een bepaalde bestemming) zou hebben beschikt. Het zou een voorbeeld zijn van hoe – naast toebedeling van delen van het (oude) bezit van de Utrechtse kerk aan abdij en kapittels, waarvan voorbeelden elders aan de orde komen – ook nieuwe schenkingen, door de bisschop als privépersoon moge­lijk direct aan of ten behoeve van de instellingen ge­daan, hebben bijgedra­gen tot de fonds- en vermo­gensvor­ming binnen het vermogen van de Utrechtse kerk, zoals die zich in de elfde eeuw duide­lijk gaat afteke­nen.

Hoe interessant het ook is de mogelijkheid te overwegen dat Ansfried meer bezit in Vught en omgeving aan de Utrechtse kerk heeft overgedragen,[37] concrete gegevens er­over zijn niet voorhanden. Feitelijk is uiteinde­lijk alleen de schenking van Ansfried aan de Hohorst bekend. Wat hield deze schenking op het moment dat ze gedaan werd in? In de oorkonde van 1028, waarin keizer Koenraad II de abdij bevestigt in het bezit van de door Ansfried geschonken rechten, is sprake van dimidium theolonarii census in Fugthe, de helft van de inkomsten van de tol in Vught. In de bevestigingsoorkonde van bisschop Bernold uit 1050 is de omschrijving uitvoeriger en wordt gesproken over: in Fuhthe dimi­dium the­lonei atque monete et foreste in Rumelo et quartam partem silve in Uothen­holt, dat wil zeggen de helft van de tol en de munt in Vught, van het koninklijk woud of jacht­gebied in Ruimel en een kwart gedeelte van een bos in het niet precies te localiseren Uo­thenholt.[38]

Gezien het feit dat hier sprake is van een schenking aan de Hohorst van de helft van de inkomsten uit de tol en eventueel nog andere rechten kan men zich de vraag stellen naar de andere helft van de inkomsten en rechten. Wie of welke instelling daarover in de elfde eeuw beschikte is niet bekend. Zo vinden we geen van de instellin­gen die we elders aantreffen als vermoede­lijke erfgena­men of rechtsop­vol­gers van Ansfried – we denken dan allereerst aan Thorn, maar eventueel ook aan de Utrechtse kerk – in Vught zelf terug als gerechtig­de naast de Hohorst. Dat Ansfried beschikt heeft over de volledige tol, munt en foreest in Vught is daarom allerminst zeker. Als bezittingen en rechten in Vught en omge­ving inderdaad hebben behoord tot het familiebezit van de Ansfrie­den, kan er in verband met vererving ervan al eerder in de tiende eeuw een deling van dit bezit hebben plaatsge­had, waardoor Ansfried omstreeks 1000 slechts beschikte over de aan Hohorst geschonken helft van de rechten in Vught. De andere helft zou dan in handen kunnen zijn gebleven van leden van Ansfrieds familie en hun rechtsopvol­gers. Uitgesloten is echter evenmin dat nog andere gerech­tig­den, ook op basis van een koninklijke toekenning, rech­ten in Vught hebben gehad, waaronder eventueel ook de andere helft van de tol.[39]

Met betrekking tot de inhoud van de schenking van Ansfried aan de Hohorst is voorts van belang het opmerkelijk verschil in de omschrijving ervan in de oorkonden van 1028 en 1050. Niet alleen is er in 1028 sprake van de helft van de inkomsten uit de tol in Vught, terwijl in 1050 gesproken wordt van de helft van de tol als zodanig. In 1050 is naast de tol ook sprake van verschillende andere rechten, namelijk een munt, een konink­lijk jachtgebied in Ruimel en een bos in Uothenholt. Mogelijk is dat, zoals Henderikx veronderstelt, in 1028 de omschrijving 'de helft van de inkomsten uit de tol' staat voor de inkomsten uit een complex van rechten door Ansfried geschonken, waarvan op het mo­ment van schenking de tol het belangrijkste was.[40] Inkomsten uit de munt alsmede uit rech­ten op het konink­lijk jachtge­bied en een bos zouden bij de schenking van de tolin­komsten inbegrepen zijn geweest, zonder dat ze in de oorkonde van 1028 vermeld wer­den.

Ook met betrekking tot verscheidene andere door Ansfried en Adelbold aan de Ho­horst geschonken bezittingen, die in hiernavolgende paragrafen aan de orde komen, zullen we zien dat in de oorkonde van 1028 vergeleken met de oorkonde van 1050 de omschrij­ving van diverse bezittingen veel beperkter is. In de meeste van die gevallen blijkt dat de uitbreiding van de omschrijving in 1050 verband houdt met het inmiddels in belang toege­no­men zijn van bepaalde rechten, die in 1028 kennelijk het afzonderlijk vermelden niet waard werden geacht. In hoeverre dit ook voor de rechten van de abdij in Vught en omge­ving heeft gegolden en of het verschil bijvoorbeeld verder ook verband houdt met een nadere verdeling van de Vughtse goederen tussen de abdij en andere, ons onbekende par­tijen is moeilijk te zeggen.[41]

Al met al moeten we vaststellen dat we over onvoldoen­de gegevens beschik­ken om over de elfde-eeuwse verhoudingen in Vught alsmede plaats en functio­neren van de Ho­horst als (kleine) gerechtigde aldaar met zekerheid erg veel te kunnen zeggen. Na de ver­meldingen in 1028 en 1050 vernemen we niets meer van rechten van de abdij in Vught en omstreken. Hoe, wanneer en aan wie de abdij haar rechten hier is kwijtge­raakt is niet bekend. In welke context het gebeurd is, laat zich evenwel ongeveer raden.

Door Bijsterveld is geschetst hoezeer abdijen als Echternach en Sint-Truiden met uitge­breide bezittingen in Texandrië gedurende de twaalfde en dertiende eeuw, eerst tegen­over een opkomende lokale en regionale elite en vervolgens tegenover de hertogen van Brabant, moeite hebben gehad greep op die bezittingen te behouden.[42] Hoe­veel te meer zal dit heb­ben gegolden voor Sint-Paulus met haar toch zeer beperkte rechten in Vught. Uit­einde­lijk is het alleszins waarschijnlijk dat de rechten van de abdij in Vught en omgeving al vroeg, misschien zelfs al spoedig na de verwerving ervan in de loop van de elfde eeuw verloren zijn gegaan. Ze kunnen zonder meer in andere hand zijn overgegaan. Het feit dat we niets meer vernemen van deze rechten in Vught kan echter ook verband houden met het ver­dwijnen van de Vughtse tol en munt op een gegeven moment. De indruk bestaat dat ze niet erg lang hebben bestaan.[43] Door een eventuele opheffing (of wellicht verplaat­sing naar elders) wanneer dan ook, kunnen de rechten van de abdij ernstig zijn uitgehold. De overi­ge rechten, op aandelen in bossen in de omgeving van Vught, kunnen voorts des te ge­makkelijker in andere hand zijn overgegaan.

In de dertiende eeuw, wanneer we voor het eerst weer iets vernemen over Vught en de verschil­lende gerechtigden aldaar, is er van rechten van de abdij geen sprake meer. We zien dat dan de hertog van Brabant – waarvan niet precies bekend is hoe hij in Vught voet aan de grond heeft gekregen –[44] ten koste van Boudewijn van Vught als de lokale macht­hebber en de graaf van Gelre als gerechtigde van buiten in het gebied zijn macht weet uit te breiden.[45] Denkbaar is dat in dit proces, waarvan we slechts een laatste fase waarne­men, al veel eerder rechten zoals de abdij van Hohorst die bezat verloren zijn ge­gaan.

Noten (vervolg)

[38] De plaats dient naar alle waarschijnlijkheid gezocht te worden in de omgeving van Vught. Zie in dit verband R.E. Künzel, e.a., Lexicon van nederlandse topniemen tot 1200 (Amsterdam 1988), p. 375, waar de naam wordt herleid tot een samenstelling van het Oud­ne­derlandse holt, 'hout, bos', waarschijn­lijk met de plaatsnaam Vught. Als mogelijk­heid is ook wel geop­perd dat met het Uothen­holt (in het vidimus van de oorkonde van 1050 in het abdijarchief, RAU, nr. 43) of Votherholt (in het afschrift van de oorkonde van 1050 in het archief van het Hof van Utrecht, HUA, Hof van Utrecht, nr. 67, p. 29-30) bedoeld zou zijn Udenhout, gelegen ten zuidwesten van Vught. De variant Fugthhoute in het falsum van 1006, dat waar­schijnlijk in de dertiende eeuw is opge­maakt mede op basis van de oorkonde van 1050, zou dan een herinter­preta­tie kunnen zijn van een toen al niet meer precies bekende plaats in de buurt van Vught waar de abdij ooit rechten genoten had.

[39] Eerder werd opgemerkt dat in de tiende eeuw in Texandrië mogelijk de aartsbisschop van Keulen in deze streken is opgetreden als vertegenwoor­diger van het konink­lijk gezag. Hoewel we met betrek­king tot Vught nooit met zoveel woorden rechten van Keulen vermeld vinden, moet wellicht niet uitgesloten worden geacht dat bepaalde koninklijke rechten en bezittingen hier aan de Keulse kerk zijn toegevallen. Gerechtig­den die we in later tijd in Vught tegenkomen kunnen op een of andere wijze hun rechten ont­leend hebben aan rechten van de Keulse kerk.

[40] Henderikx, 'Onecht of echt?', p. 133.

[41] Vergelijk Henderikx, 'Onecht of echt', p. 133.

[42] A.J.A. Bijsterveld, 'Een zorgelijk bezit. De benedictijnenabdijen van Echternach en Sint-Truiden enhet beheer van hun goederen en rechten in Oost-Brabant, 1100-1300', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 6 (1989), p. 7-44, p. 21-26. Zie in dit verband ook Van Ermen ('De Utrechtse kapit­tels', p. 37), die schetst hoe de Utrechtse kapittels voor wat betreft hun Zuid-Kempische bezittin­gen in de twaalfde eeuw te maken kregen het opdringen van de premonstratenzer abdij van Tongerlo, maar ook de machtsuitbrei­ding van de hertog van Brabant en lokale heren, waardoor ze in de tweede helft van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw geleide­lijk de greep op hun goederen dreigden te verlie­zen.

[43] Zo stelt G. Albrecht, Das Münzwesen im Niederlotharingischen und Friesischen Raum vom 10. bis zum beginnenden 12. Jahrhundert (Hamburg 1959), I, p. 104, dat er geen in Vught gemunt geld bekend is.

[44] Wellicht in de loop van de elfde eeuw en twaalfde eeuw verwierf de graaf van Leuven, later hertog van Brabant, een steunpunt in het niet ver van Vught gelegen Orthen (ONB I, nrs. 32, 36), vanwaar uit hij waar­schijnlijk ook in de omgeving zijn macht uitbreidde. Op het grondge­bied van Orthen wordt aan het eind van de twaalfde eeuw door de hertog 's-Hertogenbosch gesticht. Zie in dit verband onder meer Kappelhof, 'Vught in de middeleeuwen', p. 16-22.

[45] In 1219 treedt bij een overdracht van een stuk land aan het klooster Postel Boudewijn, heer van Vught, op (ONB I, nr. 116). In 1232 is sprake van een overeen­komst tussen waar­schijnlijk diezelfde Boude­wijn van Vught en de hertog van Brabant, Hendrik I, die onder meer inhoudt dat Boudewijn de villa Vught met alle toebehoren, met uitzonde­ring van datgene dat hij in leen houdt van de graaf van Gelre, zal delen met de hertog, zodanig dat de hertog de ene en Boudewijn de andere helft zal hebben (ONB I, nr. 160: Hec est forma compositionis inter Henricum ducem Lotharingie ex una parte et virum nobilem Balduinum de Uucht ex altera, ‑ ‑ ‑. Villam que vocatur Uucht cum omnibus pertinenciis ex­cepto eo quod a comite de Gelre tenet duci participavit, ita quod dux habebit unam medietatem et Balduinus alteram; et si in aliquo prefatam villam possint meliorare, simili modo participabunt. Moge­lijk is dat Boudewijn door deze overeen­komst geacht werd geen heer van Vught meer te zijn, want hij wordt in 1232 slechts aangeduid als vir nobilis. Zeker is dat in 1257 het geval, wanneer hij voormalige allodiale goederen aan de hertog verkoopt, en zichzelf nadrukkelijk betitelt als vir nobilis Balduinus olim domi­nus de Wght (ONB I, nr. 266). Bij deze verkoop gaat het om goederen die hij in 1232 aan de hertog had opgedragen en toen in leen had terugontvan­gen. Van rechten in Vught van de graaf van Gelre, gehouden door Boudewijn wordt niet meer gerept en nadien wordt er ook van de Van Vughts weinig of niets meer vernomen.


© 2021 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 25 november 2021; laatst bewerkt 25 november 2021.