Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina's
Domplein revisited
Utrechts eerste kerk revisited
PR1 en PR2 revisited
Vroegmiddeleeuwse munten revisited
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn
Vroegmiddeleeuwse munten
Enkele van de teruggevonden gouden en zilveren pseudotremisses. Uit Domplein revisited, 56, afb. 4.16.





















































Muntschat Remmerden
Een deel van de muntschat van Remmerden. Uit M. van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland (Utrecht 1995) 68.
Een van de intrigerendste resultaten van de opgraving van 2011 in werkput XIX van Van Giffen is de vondst van tientallen vroegmiddeleeuwse muntjes in de eerder uitgegraven en later teruggestorte grond. Dit gebeurde met behulp van een metaaldetector. Op twee zogeheten sceatta’s na gaat het hierbij om nabootsingen van muntjes die in Dorestad geslagen waren door de muntmeester Madelinus. Deze zogenaamde pseudotremisses zijn deels van goud en deels van zilver. De vondst hiervan is overigens al in 2014 bekendgemaakt. Bij de opgraving van 2011 werd ook nog een muntje aangetroffen in het profiel. De muntjes zijn bestudeerd door de numismaat A. (Arent) Pol. Zijn bevindingen zijn opgenomen in het opgravingverslag Domplein revisited van R.J.P. Kloosterman en R.D. Hoegen op pagina 55-57.

Opschriften munten
Overzicht van de pseudotremisses met verbasterde opschriften. De munten zijn dus met verschillende stempels geslagen. Uit Domplein revisited, 57, tabel 4.12.

De muntjes werden in 2014 zonder meer gepresenteerd als ‘muntschat’, maar in het het nieuwe verslag is de toon aanmerkelijk voorzichtiger. Pol zegt erover (p. 57):

‘De eerder bekende vondstexemplaren van tremisses van het Domplein, uit zowel de opgraving van 1949 als direct aan de werkputten van Van Giffen aangrenzende opgravingen uit de jaren dertig van de vorige eeuw, en het feit dat het hier een groot aantal munten van hetzelfde type betreft, lijken een interpretatie dat de muntjes een deel van een verstoorde muntschat zijn, te ondersteunen.’

Verder worden op verschillende plaatsen in het rapport opmerkingen over deze munten gemaakt die elkaar gedeeltelijk overlappen. In de samenvatting op pagina 6 wordt daarover gezegd:

‘Tijdens het proefonderzoek zijn veel metaalvondsten aangetroffen. Dit komt doordat er in 1949 nog geen metaaldetectie mogelijk was en de vondsten toen alleen op het oog konden worden gevonden. Het onderzoek heeft dan ook tot een grote kennisvermeerdering geleid wat betreft het gebruik van metaal op het Domplein. Een bijzondere categorie daarbinnen vormen de (laat) Merovingische pseudo-tremisses van de Madelinus/Dorestat-groep die in relatief grote getalen [sic] zijn gevonden. Een groot deel van deze muntjes is van hetzelfde type, waardoor sprake zou kunnen zijn van een verspreid geraakte muntschat. Dat lijkt bevestigd te worden door het ontbreken van aardewerk en andere [sic] materiaal uit deze periode, waardoor een levendige activiteit in de Merovingische periode niet zomaar kan worden aangetoond. De munten zijn mogelijk verstopt in de onrustige periode rond het jaar 700 toen Utrecht enkele keren het toneel was van de strijd tussen de Friezen en de Franken. In de tijd dat de funderingen van periode VIa werden uitgebroken – dus eind zevende eeuw of later –, is deze schat mogelijk al verstoord geraakt en zijn de tremissis [sic] en sceatta’s verspreid.’

En in de conclusie betreffende het teruggevonden metaal – de paragraaf als geheel staat op naam van N.D. Kerkhoven – op pagina 60 uitvoeriger:

‘Als meest bijzondere vondst geldt de groep van vroegmiddeleeuwse pseudo-tremisses van het Madelinus/Dorestat-type die door de gehele stort van werkput XIX uit 1949 is aangetroffen en waarvan bovendien één exemplaar geborgen is uit een gesloten context in het westelijke bodemprofiel. Laatstgenoemde vondst is met een datering terminus post quem van groot belang bij de herinterpretatie van de eerder door Van Giffen toegekende fasering en datering voor de sporen en structuren in de werkputten XIX en XX.
De vondstlocaties van de overige pseudo-tremisses varieerden van nagenoeg onder het huidige bestratingniveau tot en met het diepste niveau van het stortpakket. De aanwezigheid van meerdere vondstexemplaren van hetzelfde type munt bij opgraving van 1949 en bij oudere opgravingen op het Domplein maakt dat bij toekomstig onderzoek de kans groot is dat er nog meer exemplaren gevonden worden.
Ondanks het (nog) kleine aantal van twee sceatta’s kan een veronderstelling voor een mogelijke relatie tussen deze en de groep pseudo-madelinussen hier niet onvermeld blijven. Onder meer het geheel uitblijven van andere vroegmiddeleeuwse metaalvondsten lijkt het tegelijk voorkomen van beide munttypen te bevestigen.
Al lijkt de in de jaren ’80 van de vorige eeuw gevonden vroegmiddeleeuwse muntschat van Remmerden, door het in dit depot gezamenlijk voorkomen van tremisses, pseudo-tremisses en sceatta’s vooralsnog uniek,57 de vondst van de groep pseudo-madelinussen en sceatta’s van het Domplein is van een grote internationale betekenis voor de kennis van muntslag in de laat-Merovingische periode.’

In de conclusies van het hele rapport ten slotte staat op pagina 66:

‘Het proefsleuvenonderzoek heeft geleid tot een grote kennisvermeerdering wat betreft het metaal van het Domplein. Een bijzondere categorie daarbinnen vormen de (laat)Merovingische pseudo-tremisses van de Madelinus/Dorestat-groep die in relatief grote getalen [sic] zijn gevonden. Door het formaat van deze muntjes kunnen deze zonder detector gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Een groot deel van deze muntjes is van hetzelfde type, waardoor sprake zou kunnen zijn van een verspreid geraakte muntschat. Het ontbreken van aardewerk en ander materiaal uit deze periode wijst erop dat deze muntjes niet zonder meer te beschouwen zijn als getuige van een levendige activiteit in de Merovingische periode, maar eerder als een verstoorde muntschat. De munten zijn mogelijk verstopt in de onrustige periode voor en na 700 wanneer Utrecht een aantal keren door de Friezen op de Franken wordt veroverd.59 In de periode van het uitbreken van de funderingen van periode VIa is deze schat mogelijk al verstoord en zijn de tremissis [sic] en sceatta’s vermoedelijk ter plaatse verspreid.’


Wat de noten betreft:
Noot 57 luidt: ‘Pol 1988, 39-47 (= A. Pol, ‘Remmerden 1988: een vondst van vroegmiddeleeuwse munten bij Rhenen’, De Beeldenaar 13 (1989) 2, 39-47. Moet dus eigenlijk zijn: Pol 1989.
Noot 59 betreft: ‘Van Vlierden 1995, 23 en 25’ (is niet opgenomen in de literatuurlijst; het gaat nagenoeg zeker om M. van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland (Utrecht 1995); de correcte pagina-aanduiding is dan 23-25).
Over de bijna onvoorstelbare slordigheid bij het annoteren in dit rapport zie de webpagina Domplein revisited.
Aanvulling van 5 september 2017:
Voor de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter staat dat muntateliertje inmiddels al vast. Het zou gevestigd zijn geweest in het driebeukig gebouw van 15 meter breed, dat wij als de Karolingische kathedraal beschouwen (zie de webpagina De Karolingische domkerk). Volgens haar zou het zuidelijke zijarmpje van de Heilig-Kruiskapel van ongeveer 3 x 3 meter binnenwerks de kathedraal zijn geweest. Voor onze bedenkingen tegen een en ander zie de webpagina Een huiskamertje als kathedraal?.
We hebben hierbij als niet-archeologen en niet-numismaten enkele vragen. Onder een muntschat wordt in de archeologie een verzameling – een aantal munten bij elkaar in samenhang – verstaan. Deze munten worden vaak teruggevonden in een pot of in een al dan niet vergane beurs van leer of stof. Stel dat het hier inderdaad om een dergelijke schat is gegaan, wanneer zijn dan om te beginnen deze munten verspreid geraakt? De in profiel aangetroffen munt bevindt zich in een laag die in ieder geval nog Pre-Romaans lijkt, waarschijnlijk Karolingisch. Maar dan moeten we ervan uitgaan dat die munt ook tot die schat behoord heeft.

Verder vragen wij ons af hoe een dergelijke schat onopgemerkt is gebleven. Van afzonderlijke muntjes kunnen we ons dat voorstellen – ook Van Giffen heeft ze nagenoeg allemaal over het hoofd gezien – maar een verzameling in een pot of beurs? Dat lijkt ons heel wat minder waarschijnlijk.

En wanneer het geen schat is geweest: mogen we dan denken aan handelsactiviteit in een bepaalde periode, waarbij nogal slordig met geld is omgesprongen? Of zelfs aan een muntateliertje? We kunnen ons voorstellen dat die muntjes, met een mager goud- en zilvergehalte, op een onverharde bodem moeilijk terug te vinden waren. Maar hun waarde was toch wel zo groot dat er naar gezocht zal zijn. Het is jammer dat geen overzicht wordt gegeven van de muntjes van dit type die elders op het Domplein aangetroffen zijn en de bodemlaag waarin deze zijn gevonden.

Al met al lijkt het ons te vroeg om aan deze intrigerende vondsten nu al verstrekkende conclusies te verbinden. Maar dat doen de verslagleggers ook niet. We hopen dat nader onderzoek ons verder zal brengen.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2016. - Gepubliceerd 16 januari 2016; laatst bewerkt 5 september 2017.