Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Utrecht en het Duitse Soest
in de zevende eeuw

Kanttekeningen bij de uitgave
Die Anfänge der Merowingerherrschaft am Niederrhein
van de hand van E.W. Oostebrink
door Martin W.J. de Bruijn
Omslag Oostebrink

Van de civiel ingenieur en amateurhistoricus E.W. (Edo Wilbert) Oostebrink uit Delft ontvingen we zijn pasverschenen Duitstalige boek Die Anfänge der Merowingerherrschaft am Niederrhein. Gregor von Tours, die Thidrekssaga und die Hervararsaga als Quelle (Delft 2017). Het is een vervolg op de eerder van zijn hand verschenen en aan ons toegezonden publicatie De Hunenslag bij Groningen/Die Hunenschlacht bei Groningen (Delft 2011). In beide gevallen gaat het om zeer verzorgde uitgaven.

Zoals de titel van zijn nieuwe boek aangeeft, behandelt Oostebrink hierin het ontstaan van de heerschappij van de Franken in onze streken. Hij gaat zorgvuldig te werk: zo vermeldt hij nauwkeurig de door hem gebruikte bronnen en literatuur. Spijtig is dat hij dit slechts doet in de achterin zijn boek geplaatste noten en dat hij geen aparte lijst van bronnen en literatuur heeft opgenomen; het door hem geraadpleegde materiaal is zeer omvangrijk. Wel verwijst hij bij iedere verkorte weergave van een bron of gebruikte literatuur naar de noot waarin de volledige titel wordt beschreven. Wat verder jammer is, is dat de publicatie geen landkaarten bevat, die zijn visie aanmerkelijk zouden hebben verduidelijkt.

Oostebrink neemt in zijn boek een aantal standpunten in die afwijken van het bestaande, min of meer geaccepteerde geschiedbeeld. Zijn visie en met name de afwijkingen van het bestaande beeld zijn mede gebaseerd op de identificatie van toponiemen die voorkomen in oude sagen. De Duitser Heinz Ritter Schaumburg (1902-1994), die onder meer Germanistik studeerde (zie zijn publicaties in nt. 49 van Oostebrinks boek), is hiervan de grondlegger geweest. Deze identificeerde tal van geografische aanduidingen in de sagen met plaatsen die hij voornamelijk in Duitsland situeerde. Zijn opvattingen zijn omstreden, maar we achten het zeer wel mogelijk, zelfs aannemelijk dat hij, en met hem dus ook Oostebrink, in een aantal gevallen gelijk heeft. De toeschrijvingen blijven echter ons inziens – maar wij voelen ons allerminst deskundig op dit gebied – toch in de meeste gevallen speculatief.

Los van deze problematiek, waarover we ons verder geen oordeel aanmeten, beperken wij ons hier verder tot Oostebrinks opvattingen betreffende de kerstening en het ontstaan van het bisdom Utrecht, die hij behandelt in de paragraaf 5.3. Friesland (p. 102-114). In vele gevallen sluit hij zich aan bij onze opvattingen daaromtrent en vanzelfsprekend stellen wij dat met genoegen vast.

Om te beginnen gaat hij in op de eerste vermelding van Merovingische invloed in Utrecht: de stichting in de burcht Traiectum onder koning Dagobert I (623-639) van een eerste kerk, gewijd aan de apostel Thomas (zie de webpagina’s Van tempeltje tot kathedraal en Utrechts eerste kerk revisited). Oostebrink stemt hiermee in, evenals met de parallel met een in de Westfaalse plaats Soest door koning Dagobert gebouwde en aan bisschop Kunibert van Keulen geschonken Sint-Thomaskerk. Hij voert hiervoor, afgezien van een valse oorkonde uit 1074, nog verschillende laatmiddeleeuwse bronnen aan (p. 105-106).

Verder verwijst hij naar Heinz Ritters opvatting, tevens de zijne, dat volgens de zogeheten Thidrekssaga Soest de hoofdstad van Hunaland was. Voor Oostebrink was Utrecht toen de hoofdstad van Friesland. Koning Dagobert zou aldus twee missiekerken in de hoofdsteden van de beide buurlanden van zijn rijk hebben gesticht (ald. 106). Ten onrechte zegt Oostebrink overigens dat meestal wordt aangenomen dat Utrecht vanouds tot het Merovingische rijk behoorde en dat het pas rond het midden van de zevende eeuw aan ‘het koninkrijk’ Friesland verloren ging (p. 105). Algemeen gaat men er in de historiografie van uit dat Utrecht Fries was toen de Frankische koning Dagobert het omstreeks 630 vanuit Keulen, wellicht via Nijmegen in bezit nam.

Dat hiervan geen sprake is geweest en dat Dagobert zijn kerk bouwde in de Friese hoofdstad van een ‘rijk’ dat grensde aan het zijne, zoals Oostebrink stelt (p. 106), lijkt ons wel erg anachronistisch geredeneerd. Om te beginnen kan men zich sterk afvragen of Germaanse ‘heidense’ machthebbers wel nieuwe, sterk afwijkende vormen van religie in hun machtssferen hebben toegestaan. Verder is de benaming hoofdsteden anachronistisch. Voorts, anders dan bij de Romeinen, hebben we bij de Germanen niet te maken met territoriale staten of rijkjes, maar met machtsconcentraties gebaseerd op stamverbanden. Het betrof hierbij hoofdzakelijk agrarische samenlevingen. Bij wat Oostebrink steden noemt ging het in werkelijkheid om burchten, versterkingen waaromheen zich mogelijk een of meer gehuchten en/of verspreide bebouwing hebben bevonden. Tot slot, voor de al in de zesde eeuw ‘bekeerde’ en geromaniseerde Franken kwamen in ieder geval de Romeinse burchten hun als opvolgers van de Romeinen rechtens toe. Dit blijkt ook uit de bekende brief van Bonifatius uit 752/53, waarin deze zegt dat Dagobert het castellum samen met de Sint-Thomaskerk aan de bisschop van Keulen had geschonken. Dit alleen al maakt Oostebrinks veronderstelling dat Utrecht toen in Friese handen was of was gebleven onwaarschijnlijk.

We houden dan ook vast aan het bestaande beeld dat Utrecht – en waarschijnlijk ook Soest, maar dat laten we hier in het midden – omstreeks 630 in bezit is genomen door de Frankische koning Dagobert en dat het na diens dood in 639  en de dood van zijn hofmeier Pippijn I kort daarna weer voor de Franken verloren is gegaan. Dit laatste is verreweg het meest in overeenstemming met de bronnen uit en over de tweede helft van de zevende eeuw.
















[1] S. Loewenfeld (uitg.), Gesta abbatum Fontanellensium. Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum ex monumentis Germaniae historicis recusi (Hannover 1886) 21.





[2] Ald. 35-36.














[3] Ch. Plummer (uitg.), ‘Beda Venerabilis, Historia ecclesiastica gentis Anglorum’, in: Venerabilis Bedae opera historica I (Oxford 1896) 1-360, ald. 303.




[4] O. Holder Egger (uitg.), ‘Liudgeri vita Gregorii abbatis Traiectensis’, in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XV-1 (Hannover 1887) 63-79, ald. 75.





[5] A. Hofmeister (uitg.), ‘Vita Lebuini antiqua’, Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXX-2 (Leipzig 1934) 789-795, ald. 791: - - - conscensa navi beatus Lebuinus Gregorium sacerdotem adiit, qui tunc temporis Traiectum castrum, quod antiquo nomine Wiltenburch appellabatur, episcopi vice presbiter rexit.











[6] Afgezien van de Romeinse vermeldingen: M. Gysseling en A.C.F. Koch (uitg.), Diplomata Belgica ante annum millesimum scripta, dl. I (Brussel 1950) nr. 173: uillam uel castrum nuncupante Fethna sitam in pago Nifterlaco. Als Feedna ook in de Utrechtse goederenlijst uit de negende eeuw (Diplomata Belgica I, nr. 195).

[7] A.C.F. Koch (uitg.), Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, dl. I (’s-Gravenhage 1970) nr. 153.

[8] S. Muller en A.C. Bouman, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, dl. I (Utrecht 1920) nr. 466: decimam in Uuilteburg.

[9] C. Dekker, Het Kromme Rijngebied  in de Middeleeuwen (Utrecht 1983) 75-76, 78-80, 158, 241, 286, 305, 348-350, 360, 415, 429, 431, 441, 518, 524, 526 en 576.


[10] J.W.J. Burgers (uitg.), Rijmkroniek van Holland (366-1305) door een anonieme auteur en Melis Stoke (Den Haag 2004) 694.

[11] H. Bruch (uitg.), Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant (’s-Gravenhage 1982) 4-7.

[12] Zie hierover uitvoerig C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Antonina, Wiltenburg, Traiectum. De kennis van het Romeinse verleden van Utrecht door de eeuwen heen’, Jaarboek Oud-Utrecht 1997, 97-124, ald. 103-107. Hoofdstuk III van de Nederlandstalige Beke begint als volgt: Hoe die Slaven, die men Wilten hiet, dit lant wonnen (Croniken, 6).

[13] F. Kurze, ‘Annales regni Francorum inde ab a. 741 usque ad a. 829, qui dicuntur Annales Laurissenses maiores et Einhardi, Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum 6 (1895) 1-178, ald. 84: DCCLXXXVIIII. Inde iter permotum partibus Sclavaniae, quorum vocabulum est Wilze, Domino adiuvante.
Een interessante, maar gewaagde stelling van Oostebrink luidt verder dat Utrecht niet aan het eind van de zevende eeuw, maar pas omstreeks 719 bisschopszetel is geworden. Vóór die tijd zou de bisschopszetel van Willibrord in Maastricht gestaan hebben.

Het kernbewijs daarvoor vormt een vermelding in een negende-eeuwse kroniek, de geschiedenis van de abten van het Franse klooster Fontenelle (Saint-Wandrille), gelegen in Normandië in het departement Seine-Maritime. Deze kroniek spreekt van een klooster

in Traiecto castro - - -, quod antiquo gentium illarum verbo Viltaburg, id est oppidum Viltorum, vocabatur, nunc vero lingua autem Gallica Traiectum nuncupatur,[1]

dus een klooster in de burcht Traiectum die in de oude taal van die mensen Viltaburg werd genoemd, dit wil zeggen burcht van de Wilten, nu echter in de Gallische taal Traiectum. Volgens een tekst verderop in dezelfde kroniek was abt Wando in 717 naar deze burcht verbannen en de chroniqueur kan met dit Traiectum alleen Maastricht bedoeld hebben, omdat hij spreekt van een klooster in Traiecto castro, in monasterio videlicet beati Servatii confessoris Christi (in de burcht Traiectum, namelijk in het klooster van de heilige belijder van Christus Servaas.[2]

De identificatie van Traiectum met Viltaburg komt in nagenoeg dezelfde bewoordingen voor in verschillende oudere kronieken, om te beginnen in het beroemde geschiedwerk van Beda Venerabilis over de geschiedenis van de Engelsen uit de eerste helft van de zevende eeuw. Deze zegt over de Angelsaksische missionaris Willibrord onder meer:

Donavit autem ei Pippin locum cathedrae episcopalis in castello suo inlustri, quod antiquo gentium illarum verbo Viltaburg, id est Oppidum Viltorum, lingua autem Gallica Traiectum vocatur.

Nagenoeg exact dezelfde bewoordingen als in de kroniek over het klooster Fontenelle dus.[3]

Dat hiermee in de achtste eeuw – dus vóór de vermelding in de Gesta abbatum Fontanellensium – Utrecht en niet Maastricht werd bedoeld, blijkt uit de vermelding van de zinsnede in de levensbeschrijving van de onmiskenbaar Utrechtse abt Gregorius door zijn leerling Liudger, die vermeldde dat Willibrord zijn bisdom had gesticht in loco qui nuncupatur Traiectum et alio nomine Wiltaburg.[4] Hier is dus geen sprake van een oude en een nieuwe naam, maar van een plaats die zowel Traiectum als Wiltaburg wordt genoemd. Liudger wist waarover hij sprak, want hij was afkomstig uit het bij Utrecht gelegen Zuilen.

In de oudste levensbeschrijving van de missionaris Lebuinus uit de eerste helft van de negende eeuw ten slotte wordt gesproken van het Traiectum castrum, quod antiquo nomine Wiltenburch appellabatur.[5]

Het pleit voor de wetenschappelijke integriteit van E.W. Oostebrink dat hij al deze vermeldingen in zijn publicatie weergeeft. Merkwaardig is echter dat hij de hierboven als eerste genoemde – en waarschijnlijk de jongste van alle – met haar identificatie met Maastricht als juist interpreteert en alle andere dus als verkeerd.

Laten we eerst enige aandacht besteden aan de vraag hoe deze vermeldingen geïnterpreteerd moeten worden. Het meest aannemelijk is dat dit te maken heeft gehad met het feit dat er zich enkele kilometers ten zuidoosten van Utrecht een Romeinse burcht heeft bevonden die aanmerkelijk groter was dan de burcht Traiectum. Deze burcht heette Vechten, en was dus genoemd naar de rivier de Vecht, die zich hier in de Romeinse tijd van de Rijn zal hebben afgesplitst. In 723 werd deze burcht samen met Traiectum en het hele omliggende gebied door de Frankische hofmeier Karel Martel aan aartsbisschop Willibrord als hoofd van de Utrechtse kerk geschonken.[6]

Opmerkelijk nu is dat onmiddellijk bij dit castrum al in de Hoge Middeleeuwen de naam Wiltenburg wordt vermeld, voor de eerste keer in 1162 en kort daarna in 1169. In 1162 wordt zelfs gesproken van bezit bij Utrecht in de hof Vechten, een bedehuis van Maria in Wiltenburg: iuxta Traiectum in curte de Vethten, in Wiltenbur oratorium beatę Marię.[7] Zeven jaar later is sprake van een tiend in Wiltenburg.[8] Voor de betekenis van een en ander en latere gegevens verwijzen we naar uitvoerige beschouwingen van C. (Cornelis) Dekker in zijn standaardwerk Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen.[9] Het toponiem Wiltenburg is nog steeds in gebruik.

Dit alles maakt een identificatie bij Maastricht wel heel onaannemelijk, want het zou betekenen dat deze gegevens vandaar overgebracht moeten zijn naar Utrecht. Trouwens, wanneer hier Maastricht bedoeld was, zou de ‘Utrechter’ Liudger hier zeker melding van hebben gemaakt. Met andere woorden: tegenover één relatief late vermelding in een negende-eeuwse kroniek verwijzen de oudere alle naar Utrecht, en dat niet alleen, ook de hele verdere overlevering van de vermelding bij Beda loopt via Utrecht en niet via Maastricht. Zo spreekt de ‘Hollandse’ kroniek van Melis Stoke uit het eind van de dertiende eeuw dat Willibrord quam tUtrecht, dat Wiltenborch hiet te voren.[10] De veertiende-eeuwse ‘Utrechtse’ kroniek van Jan Beke heeft een gecompliceerder verhaal. Hoofdstuk II van deze kroniek heeft als kop in de Nederlandstalige versie: Van Antonius, die dat ierste casteel timmerde, daer nu Utrecht staet, ende noemdet Antonina. De Wilten zouden deze burcht vernield hebben en daarna een nieuwe burcht gebouwd: Wiltenborch. Maar ook dit kasteel werd verwoest, en wel door keizer Valentinianus in 409, waarna koning Dagobert dede weder maken een casteel van sunderlingen groten tymmere, ende dedet noemen te Latine Trajectum, dat is Duutsce een overveer.[11]

Wij houden de naam Viltaburg voor een verwijzing naar de West-Slavische stam van de Wilten of Wiltzen. Dit gebeurde in Utrecht overigens al op een van de twee zogeheten ‘domtafelen’, dertiende- of vroegveertiende-eeuwse borden in de domkerk. Deze koppelen de naam aan de Abrotiden. Het betrof hier de eveneens Slavische stam van de Abodrieten.[12]

In de historiografie worden de Wilten voor de eerste keer vermeld in de Frankische rijksannnalen, en wel voor de ‘Wiltentocht’ van Karel de Grote in 789.[13] Wanneer Beda een burcht van deze stam bedoeld heeft, dan betekent dit dat deze ‘wilde’ volksstam al eerder een plaats in de historiografie heeft verworven. Van een latere invoeging kan geen sprake zijn, omdat de oudste handschriften van Beda’s Historia al van kort na zijn dood in 735 dateren.






















[14] Diplomata Belgica I, nr. 175.

[15] Ald. nr. 177.
Waarschijnlijk heeft het nagenoeg letterlijk overnemen van een vermelding bij Beda door de chroniqueur van Fontenelle in de negende eeuw te maken met de waarde die in de Middeleeuwen werd gehecht aan de woorden van wie of wat als autoriteit werd beschouwd. Dit gold in de eerste plaats voor de bijbel als het woord van God, maar bijvoorbeeld ook voor de kerkvaders en zelfs de ‘heidense’ Griekse en Romeinse geleerden. En ook iemand als de eerbiedwaardige geschiedschrijver Beda, Beda Venerabilis, zal gegolden hebben als iemand aan wiens woord niet of nauwelijks getwijfeld werd. Dat de tekst op een verkeerde plaats werd toegepast, was daarbij van minder belang, al hoeft de chroniqueur niet te kwader trouw te zijn geweest. Waarschijnlijk kende hij noch Utrecht noch Maastricht van nabij. In zijn algemeenheid kan men zeggen dat dit autoriteitsdenken de ontwikkeling van de wetenschap ernstig belemmerd heeft. Eigenlijk heeft men zich pas in de zestiende eeuw hiervan weten los te maken.

Nog een gegeven dat tegen Oostebrinks onaannemelijke stelling pleit, is overigens het feit dat Willibrord voor de Utrechtse kerk al van hofmeier Pippijn de Middelste, overleden in 714, een belangrijk privilege ontvangen heeft, namelijk het tiende deel van de koninklijke inkomsten aldaar. Deze schenking, die de Utrechtse kerk een eerste materiële basis zal hebben verschaft, is daarna vele malen op naam van Sint-Maarten bevestigd, om te beginnen door koning Pippijn op 23 mei 753,[14] maar ook al weer door koning Karel de Grote op 1 maart 769.[15] Tot slot wordt de vermelding in de kroniek van Fontenelle op geen enkele manier gekoppeld aan de missionarissen Willibrord en/of Bonifatius. Bij alle andere vermeldingen, inclusief die van Beda, is dat juist wél het geval.

De aanwezigheid van Willibrords missieklooster en bisschopszetel in Utrecht zal overigens niet betekend hebben dat van hieruit van meet af aan gemissioneerd zal zijn ten noorden van de Rijn. Integendeel, Willibrords missiegebied zullen we vóór 714 vooral moeten zoeken in Fresia Citerior, dit wil zeggen het gebied ten noorden van het Zwin, toen Sincfal geheten en verder oostwaarts ten noorden van de Maas en ten zuiden van de Rijn, kortom in het Midden-Nederlands rivierengebied. De schenkingen door Frankische grootgrondbezitters aan Echternach tussen 695 en 714 in het huidige Noord-Brabant en Belgisch Limburg, ten zuiden van de Maas in de gouw Texandrië, hoeft men niet in eerste instantie te zien in verband met het begin van de missionering. Deze zal daar al eerder hebben plaatsgehad door en onder de Maastrichtse bisschoppen Amandus (tot circa 680), en vooral Lambertus (circa 670-705). Het ging hierbij om Frankische en niet om Angelsaksische missionarissen zoals Willibord. Deze laatste hadden hun werkterrein hoofdzakelijk in de Friese gebieden en het latere Duitsland. Dit laat, gezien de overgeleverde schenkingen en kerkwijdingen in dit gebied, onverlet dat Willibrord hier aanvullende missioneringswerkzaamheden zal hebben verricht. Dat het hierbij niet om activiteiten ten behoeve van de Utrechtse kerk is gegaan, blijkt echter mede uit het feit dat de schenkingen gedaan zijn aan Willibrords klooster Echternach en niet aan de Utrechtse kerk.

Gezien dit alles concluderen we dat Willibrord wel degelijk vanaf het eind van de zevende eeuw, waarschijnlijk 695, zijn kerk, klooster en bisschopszetel, gewijd aan de Verlosser, Sint-Salvator, in Utrecht heeft gehad, zoals altijd vrijwel algemeen is aangenomen.

Nog een enkel punt: Oostebrink spreekt op p. 113-114 als zijn mening uit dat de uitdrukking prope castrum op een van de domtafelen voor de plaats van de eerste kerk inhoudt dat het hoofdgebouw, de principia, als castrum werd beschouwd. Echter, de Romeinse burcht was nog in de tiende of de elfde eeuw aan de westzijde uitgebreid, terwijl de principia toen juist gesloopt is (zie de webpagina’s De burcht Trecht en De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel). We houden daarom vooralsnog vast aan onze opvatting dat in de tijd dat het tekstbord gemaakt werd, waarschijnlijk omstreeks 1300, het bisschopshof in het zuidwesten van de vroegere burcht als de burcht zelf beschouwd werd (zie de webpagina Het bisschopshof).


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2017. - Gepubliceerd 25 augustus 2017; laatst bewerkt 26 augustus 2017.