Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De stadswording van Utrecht
door Martin de Bruijn


In het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, kortweg Bulletin KNOB, jaargang 113 (2014) 113-131, is een artikel verschenen van de stadshistorici Reinoud Rutte en Bram Vannieuwenhuyze onder de titel ‘Stadswording in de Lage Landen van de tiende tot de vijftiende eeuw. Een overzicht aan de hand van vijfhonderd jaar ruimtelijke inrichting.’ Dit artikel beoogt niet alleen een globaal overzicht te geven van wat er pakweg de afgelopen honderd jaar over de stadswording in dit gebied is verschenen, maar ook wordt de ontwikkeling van een aantal steden kort behandeld. Zo wordt er op pagina 119 ook aandacht besteed aan de stadswording van Utrecht.
De stadswording Utrecht volgens Rutte en Vannieuwenhuyze
De weergave van de stadswording van Utrecht door Reinoud Rutte en Bram Vannieuwenhuyze in hun artikel in het Bulletin KNOB.

Nu kan moeilijk van de auteurs verwacht worden dat zij zich in detail in alle door hen te behandelen steden verdiepen. Maar toch heeft het aantal onjuistheden in hun voorstelling me hogelijk verbaasd, en dit te meer omdat zij zich blijkens hun literatuuropgaven baseren op enkele publicaties over Utrecht die een beeld geven dat in een aantal opzichten heel anders is dan dat van Rutte en Vannieuwenhuyze. Het gaat hierbij met name om het overzicht van de Utrechtse stadsgeschiedenis ‘Een paradijs vol weelde’, verschenen in 2000, en de Historische atlas van de stad Utrecht van 2005. In beide publicaties wordt de stadswording van Utrecht vanaf de Romeinse tijd uitgebreid behandeld.

Dat de auteurs Rutte en Vannieuwenhuyze van het daar geschetste beeld afwijken, is vanzelfsprekend hun keuze, maar als ze als onderzoekers serieus genomen willen worden, zullen ze daarover wel verantwoording dienen af te leggen. Dat is echter in geen enkel opzicht het geval.

Ik behandel hier een aantal punten in hun voorstelling die aantoonbaar onjuist of op zijn minst onaannemelijk zijn.

Om te beginnen zijn voor de wording van de stad Utrecht de rivieren de Rijn en de Vecht van groot belang. Bij Utrecht splitste de rivier de Vecht zich af van Rijn. De Rijn stroomde verder naar het westen om bij Katwijk in zee uit de monden, de Vecht naar het noorden om bij Muiden uit de monden in het Almere. In de buurt van de burcht lag de oversteekplaats, het Traiectum, waar Utrecht zijn naam aan ontleent.

Op de afbeelding beelden Rutte en Vannieuwenhuyze slechts dode rivierarmen af. Daar is op zich wat voor te zeggen, omdat deze rivierlopen met de omwalling van het stadsgebied inderdaad althans ten dele afgesneden zijn. Maar in het beeld dan de auteurs schetsen lijkt in het noordoosten de Vecht afkomstig te zijn uit de stadsbuitengracht (!), in het midden stroomt de Rijn uit in de veel later gegraven Vleutense wetering en in het zuiden lijkt de Rijn afkomstig te zijn uit de rond 1120 gegraven Vaartse Rijn en vervolgens via het tracé van de Oudegracht naar de Utrechtse burcht te stromen. Alleen al op deze ene afbeelding in dit opzicht dus drie miskleunen. Dat de rivierarmen en grachten niet met elkaar verbonden zijn, doet nog verdere afbreuk aan deze voorstelling van zaken.

In de tekst bij de afbeelding wordt over de rivierlopen gezegd dat in de elfde en twaalfde eeuw de bevaarbaarheid en de loop van de Vecht- en Rijnarmen veranderden en grachten werden gegraven. In werkelijkheid is het vlechten van de rivieren een langdurig proces geweest tot tegen 1122 de Rijn bij Wijk bij Duurstede is afgedamd.

Het noordelijk deel van de Oudegracht wordt door Rutte en Vannieuwenhuyze in de elfde eeuw gedateerd. Waarschijnlijk was het echter ouder en vormde het een verbinding tussen de Rijn en de Vecht om de bereikbaarheid van Utrecht te vergroten.

Over de stadsontwikkeling beweren de auteurs dat de bisschoppen zich in de eerste helft van de tiende eeuw in het ‘legerkamp’ vestigden en in de vroege elfde eeuw ‘de Domkerk’ werd gebouwd. De kerkelijke ontwikkeling in de Merovingische en Karolingische periode, waarin Utrecht al een antiquam civitatem, een oude stad, werd genoemd, wordt hier dus volledig weggelaten (zie hiervoor verschillende pagina’s op deze internetpresentatie; een overzicht van de ontwikkeling op de pagina De eerste kerken in Utrecht). Hier is sprake van een ernstige tekortkoming in het door Rutte en Vannieuwenhuyze geschetste beeld.

Verder spreken deze auteurs van de verplaatsing in de twaalfde eeuw van een handelsnederzetting langs de Vecht naar ‘de buurt van het bisschoppelijk centrum’. Mogelijk baseren zij zich hierbij op enkele artikelen van de archeoloog Cees van Rooijen (zie voor de bestrijding van zijn opvattingen hierover de webpagina De vicus Stathe), maar deze worden in hun literatuuropgave niet vermeld, evenmin als de bestrijding die ervan heeft plaatsgehad.

In werkelijkheid bevond zich al in de Vroege Middeleeuwen een handelsnederzetting onmiddellijk ten westen van de burcht, nadat er al in de Romeinse tijd een vicus had gelegen. Later, minstens vanaf de twaalfde eeuw, werd deze koopliedenwijk Stathe genoemd, een plaats waar schepen konden ‘staan’, dit wil zeggen aan land getrokken.

De auteurs maken melding van de bouw van kerken rondom de bisschoppelijke burcht; inderdaad een belangrijke ontwikkeling van het kerkelijk centrum van Utrecht. De datering van deze stichtingen – elfde eeuw – laten zij echter weg. Dat doen ze eveneens met een zeer wezenlijk gegeven voor de stadswording: de bouw van de eerste parochiekerk, de Buurkerk, in de wijk Stathe, waarschijnlijk in het begin van diezelfde elfde eeuw. Nog in de twaalfde eeuw werd die ene stadsparochie, gewijd aan Maria, gesplitst: naast de Buurkerk werden toen de Sint-Jacobskerk (in het geprotestantiseerde jargon Jacobikerk), de Sint-Nicolaaskerk (Nicolaï- of Klaaskerk) en de Sint-Geertruidkerk (Geertekerk) als nieuwe parochiekerken gesticht.

Bij de Sint-Nicolaaskerk lag toen niet alleen een agrarische nederzetting, zoals Rutte en Vannieuwenhuyze vermelden, maar waarschijnlijk ook een handelsnederzetting, net als een stuk ten oosten daarvan in Abstede. Deze laatste wijk kwam bij het graven van de stadsbuitengrachten en de aanleg van de stadswal omstreeks 1120 buiten het eigenlijke stadsgebied te liggen, maar nog wel binnen de stadsvrijheid.

Er is natuurlijk nog veel meer te vertellen over het stadswordingsproces van Utrecht en ik begrijp ook wel dat Rutte en Vannieuwenhuyze zich in hun overzicht moesten beperken. Maar geconstateerd moet worden dat hun beknopte samenvatting lijdt aan wel erg veel onjuistheden en de weglating van essentiële elementen. Er moet helaas gesproken worden van nattevinger- en zelfs van dikkeduimenwerk. Dit klemt te meer omdat er met de aanwezigheid van de bovengenoemde publicaties redelijk betrouwbare gedetailleerde overzichten van de Utrechtse stadsontwikkeling bestaan.

Het is te hopen dat de weergave van de ontwikkeling van andere steden door Reinoud Rutte en Bram Vannieuwenhuyze zorgvuldiger is gebeurd dan die van Utrecht. Als dat niet het geval is, zullen ook hun algemene beschouwingen over de stadswording in de Nederlanden vanzelfsprekend aan ernstige tekortkomingen lijden. Er kan dan niet gesproken worden van zorgvuldige en verantwoor(den)de wetenschap. En ik neem aan dat de auteurs dat toch ambiëren.
Utrecht en directe omgeving omstreeks het jaar 1000, dus nog vóór de omwalling in het eerste kwart van de twaalfde eeuw. Ook in de details zonder enige twijfel aanmerkelijk beter beantwoordend aan de historische werkelijkheid dan de weergave van Rutte en Vannieuwenhuyze. Uit ‘Een paradijs vol weelde’, 55.
Rivierlopen circa 1000
Hoewel er wel een aantal kanttekeningen bij te maken is, geeft de reconstructie van de situatie rond 1150 door Hans Renes in
De historische atlas van de stad Utrecht
 (Amsterdam 2005), 14, een veel beter beeld van de stadswording van Utrecht dan het door Rutte en Vannieuwenhuyze in hun artikel geschetste. Helaas ontbreekt op deze plattegrond, net als op de weergave van Rutte en Vannieuwenhuyze, de bocht met het ontstaan van de Vecht, die voor de vorming van het stadsgebied van Utrecht van essentieel belang was.
Utrecht omstreeks 1150 volgens Renes


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2014. - Gepubliceerd 20 oktober 2014; laatst bewerkt 9 november 2014.