Afbeelding Utrecht Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in Over kaken, broodbanken en etstoelen. Sporen van Middeleeuws Nederland, onder redactie van Esther Koch, Erwin Mantingh, Jos Stöver en Kaj van Vliet (Utrecht 1995) 31.

Voor een uitvoeriger bespreking van de situatie en ontwikkelingen in en rond Soest (en Eemland als geheel) kan worden verwezen naar mijn artikel ‘Ontginningen in Eemland in de Middeleeuwen’
in het Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 20-31, maar vooral mijn dissertatie, Uniek in de stad uit 2000, waarin ook nadere literatuur is te vinden. Toespitst op de situatie in het naburige Baarn is in 2002 verschenen het artikel ‘De Sint-Paulusabdij in Utrecht en haar rechten in Baarn en omgeving’, Tussen Vecht en Eem. Tijdschrift voor regionale geschiedenis 20, Themanummer Baarn, 71-80.







Luchtfoto Soester Eng
Luchtfoto van het zuidelijk gedeelte van de Soester Eng, waarop goed te zien is het verkavelingpatroon met kleine smalle percelen in overwegend zuidwest-noordoostelijke richting, met aan de randen een parcellering in een ietwat afwijkende richting. Archief Topogr. Dienst Delft (1947), overgenomen uit: Gottschalk, ‘Historisch geografische ontwikkelingen in en om Soest’, Jaarboek Oud-Utrecht 1970, p. 103-132, p. 109.


Topografische kaart Soester Eng
Topografische kaart, detail, met de Soester Eng, met ten noordoosten daarvan de Brink en ten zuidwesten het Soesterveen.

De Soester Eng
door Charlotte Broer


Een opvallend element in het landschap rond Soest – herkenbaar op kaarten, op luchtfoto’s, maar bijvoorbeeld ook vanuit de trein tussen Utrecht en Baarn – is de ovale, enigszins kussenvormige hoogte temidden van overwegend lager gelegen gronden. Het gaat bij deze hoogte, de zogeheten Soester Eng, om een natuurlijke zandige heuvel, die door eeuwenlang gebruik als bouwland en het daarmee gepaard gaande opbrengen van mest en plaggen tot het huidige niveau is opgehoogd.


Blik op de Soester Eng

Met de benaming ‘eng’ werd in Midden-Nederland het complex van oorspronkelijke akkers aangeduid, zoals dat behoorde tot oude middeleeuwse nederzettingen. Het betreft in het algemeen hogere gronden, gelegen in de directe omgeving van de woonkern met de boerderijen. Die hogere gronden waren met eenvoudige middelen te bewerken en werden daarom het eerst als permanent bouwland in gebruik genomen. Deze ontwikkeling, het ontstaan van de eng als een duidelijk afgerond geheel van intensief gebruikt akkerland, valt globaal te plaatsen in de achtste en negende eeuw. Land dat nadien werd ontgonnen, dat wil zeggen tot bouwland gemaakt, werd niet meer tot de eng gerekend. De aanwezigheid van een eng vormt aldus een belangrijke aanwijzing voor de ouderdom van een nederzetting.

Tot elk van de boerenbedrijven of hoeven, die vanouds deel hadden uitgemaakt van de nederzetting, behoorde in beginsel een zekere hoeveelheid land. Dat was meestal verdeeld in diverse percelen, die verspreid over de eng gelegen waren. In de loop van de tijd zijn de oorspronkelijke hoeven in delen uiteengevallen en in verschillende handen geraakt. De kavels bouwland op de eng zijn daarbij steeds verder opgesplitst. Dit verleende de verkaveling op de eng vaak een lappendekenachtig karakter. Rechten op de eng werden van groot belang geacht omdat ze ook een aandeel verschaften in de collectieve gebruiksrechten op de zogenaamde meentgronden, zoals hooi- en weilanden, velden, bossen, venen en heide. In variërende mate aanwezig, waren deze gronden onmisbaar voor het agrarisch bedrijf en het dagelijks leven. Al in de Middeleeuwen zijn echter stukken van deze meentgronden onder de gerechtigden verdeeld en vervolgens ontgonnen.

In Soest, dat als nederzetting voor het eerst in de vroege negende eeuw in een oorkonde wordt genoemd, zijn de verschillende onderdelen van de middeleeuwse agrarische nederzetting nog heel aardig herkenbaar. Vooral op oudere luchtfoto’s is de verdeling van de Eng in kleine smalle percelen in een overwegend zuidwest-noordoostelijke richting nog duidelijk te zien. Aan de randen zijn enkele stukken land met een verkaveling in een afwijkende richting gelegen. Dit zullen de oudste uitbreidingen van het landbouwareaal zijn geweest, die vermoedelijk plaatsvonden in de negende eeuw, voor het begrip eng versteende en nieuw ontgonnen land niet meer gerekend werd tot de Eng. De boerderijen zijn gelegen in de directe nabijheid van de Eng, waarschijnlijk al vanouds ten noordoosten ervan, aan wat in Soest de Brink heet.

Verder naar het noordoosten en ten oosten van de Eng, op de lager gelegen gronden aan weerszijden van de Eem, waren de oorspronkelijke weiden en hooilanden van Soest gelegen. In de veertiende eeuw is een deel van dit vanouds gemeenschappelijk gebruikte hooi- en weiland verdeeld en omgezet in bouwland. De grootschalige lange-strokenverkaveling in dit gebied wijst op een systematische aanpak van deze ontginning. Hetzelfde geldt voor het ten zuidwesten van de Eng gelegen, thans voor een deel met huizen bebouwde Soesterveen.

© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 1995-2012. - Gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 18 september 2012.