Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
[1] Voor de uitvoerige onderbouwing van het hierna volgende zie C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten (Utrecht 1995); Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 34-37; De eerste kerken op het Utrechtse Domplein. Een samenhangende visie (Utrecht 2013) 34. Verder met name de webpagina’s
Van tempeltje tot kathedraal

Utrechts eerste kerk en de
     vooringenomenheid van Bonifatius
Bonifatius als bouwer van de
     Sint-Salvatorkerk in Utrecht
719-2019: dertien eeuwen
Sint-Maarten in Utrecht

door Charlotte J.C. Broer en Martin W.J. de Bruijn

Er bestaat alle aanleiding om dit jaar te vieren en te herdenken dat Sint-Maarten, patroonheilige van stad en (aarts)bisdom Utrecht, dertien eeuwen geleden door Willibrord, aartsbisschop van de Friezen, geïntroduceerd is.[1]

Nederland kent een echte herdenkingsinflatie. Er hoeft niet dát zoveel eeuwen geleden gebeurd te zijn of er wordt een comité gevormd om naargelang de aard van het gebeuren een herdenking of viering uit te werken. Zo maakt Utrecht zich nu al op om in 2022 te vieren dat negen eeuwen tevoren, in 1122, al eerder verleende stadsrechten door de keizer van het Heilige Roomse Rijk werden bevestigd.
Aanvulling van 4 februari 2019:
Gezien de vele reacties die we de afgelopen dagen hebben gekregen, voorziet deze webpagina in een behoefte. De herovering van Utrecht en Dorestad door de Franken, de terugkeer in 718/19 van Willibrord en Bonifatius naar Utrecht, de herbouw van het Sint-Thomaskerkje aldaar en de wijding door Willibrord aan Sint-Maarten, blijken te kunnen rekenen op veel belangstelling. Dit geldt ook voor de missioneringsactiviteit die Bonifatius tussen 719 en 722 is gaan ontplooien vanuit Woerden, Attingahem (waarschijnlijk Breukelen) en Velsen. Deze werkzaamheden van Bonifatius worden vermeld in de vita van de Utrechtse abt Gregorius, welke levensbeschrijving is vervaardigd door de in 742 geboren Utrechtse missionaris Liudger. In ieder geval Woerden en Breukelen zijn van plan om deze missieactiviteiten in 720 te gaan herdenken. Ook Wijk bij Duurstede wil Bonifatius weer gaan herdenken, al is zijn persoon in deze periode niet aan Dorestad te koppelen.
Interessant is in dit verband verder dat de Utrechtse mediëviste J.E. (Janneke) Raaijmakers, in navolging van de Engelse mediëvist Ian Wood, de aan Bonifatius toegeschreven missieactiviteiten toepast op de werkzaamheden van... Liudger zelf. De kerstening vanuit de genoemde plaatsen Woerden, Attingahem en Velsen zou in dat geval pas meer dan een halve eeuw later hebben plaatsgehad (zie haar betoog en onze reactie daarop). We zijn benieuwd of zij haar opvatting nog een keer opnieuw en dan uiteraard beargumenteerd publiek gaat maken. Zo blijft de ‘Utrechtse’ historiografie over de Vroege Middeleeuwen, die zoals bekend alle kanten uitgaat, boeien!
In 2016 werd in Wijk bij Duurstede zelfs het feit gevierd dat de Engelse missionaris Bonifatius in 716 – dus dertien eeuwen eerder – waarschijnlijk over de Maas en de Lek via Dorestad naar Utrecht reisde. Vanhier uit wilde hij verdergaan met de missionering onder de Friezen die zijn oudere leraar en collega Willibrord, aartsbisschop van de Friezen, aan het eind van de zevende eeuw begonnen was.

De nog uit de Romeinse tijd daterende forten, castella, van Utrecht en Dorestad waren evenwel in die tijd echter niet in het bezit van de bekeerde Franken, maar van de nog heidense Friezen. Deze hadden van de verwarring na het overlijden van de Frankische heerser, hofmeier Pippijn de Middelste, in 714 gebruik gemaakt om het gebied langs de Rijn te heroveren. Bonifatius trof in 716 na zijn omreis via Dorestad in Utrecht de Friese ‘koning’ Radbod, stelde vast dat hij er niet met de kerstening kon beginnen en keerde onverrichter zake naar Engeland terug.

Aan het eind van de zevende eeuw had Willibrord bij zijn aankomst in Utrecht in het castellum een tot op de bodem verwoest kerkje aangetroffen. Dit kerkje was meer dan een halve eeuw eerder, rond 630, gebouwd door de Frankische koning Dagobert I (623-638/39), die toen waarschijnlijk vanuit Keulen de Friezen had verslagen en de burchten Utrecht en Dorestad in bezit had genomen. De koning had dit gebouwtje aan de apostel Thomas gewijd. Maar na zijn dood in 638/39 en die van zijn hofmeier Pippijn de Oudere in 640 was de burcht Utrecht door de Friezen heroverd en was het kerkje tot op de bodem verwoest. Rond 690 hadden de Franken onder aanvoering van hofmeier Pippijn de Middelste (687-914) de burchten Utrecht en Dorestad en het gebied eromheen weer heroverd.

Toen Willibrord er omstreeks 695 met zijn missionering begon, bouwde hij niet eerst, zoals vaak wordt aangenomen, het verwoeste Sint-Thomaskerkje weer op, maar herstelde hij het nog uit de Romeinse tijd daterende hoofdgebouw van de burcht en vestigde daarin een kerk en een klooster, die hij beide aan Sint-Salvator, de Verlosser, wijdde. In deze kerk plaatste hij de doopvont en zijn bisschopszetel. Van hofmeier Pippijn ontving hij voorts ook een belangrijk privilege, bestaande uit het tiende deel van de koninklijke inkomsten uit landbouw, nijverheid en handel uit een niet nader omschreven gebied om het missioneringswerk mogelijk te maken.

Het is overigens de vraag of dit gebied zich ook ten noorden van Utrecht uitstrekte. We treffen Willibrord in deze periode vooral aan ten zuiden van de rivier de Rijn, zelfs van de Maas. Na het overlijden van hofmeier Pippijn in 714 stortte het Frankische gezag opnieuw in. Maar Pippijns opvolger als hofmeier Karel Martel (717-741) versloeg vier jaar later, dus omstreeks 718, de Friezen en bracht de castella Utrecht en Dorestad weer in Frankische handen. Willibrord, die gedurende de voorafgaande jaren in het zuiden – in een van zijn kloosters Susteren of Echternach – had doorgebracht, keerde onder bescherming van de Franken naar Utrecht terug om zijn bekeringswerk te hervatten. Een jaar later, in 719, stierf koning Radboud en het lijkt erop dat de missionering nu, onder bescherming van de Frankische machthebbers, ook in het Friese gebied ten noorden van de Rijn kon worden uitgeoefend.

In ieder geval kon Bonifatius, die opnieuw uit Engeland overkwam om de veel oudere Willibrord, aartsbisschop van de Friezen, te gaan helpen, niet alleen gaan kerstenen langs de Oude Rijn (vanuit Woerden) en de Vecht (Attingahem, waarschijnlijk Breukelen), maar zelfs vanuit het Oer-IJ (Velsen), waar zich eveneens forten uit de Romeinse tijd bevonden.
De tekst van een domtafel
De tekst van een ‘overoude tafel’, die handelt over de geschiedenis van de domkerk, in een vijftiende-eeuws afschrift. Het eerste deel luidt: Tempore Francorum Dagoberti regis in illo presenti fundo conditur ecce decens primitus ecclesia sancti Thome prope castrum Traiectum, quam gens Frisica fregit atrox. Sed prior antistes dominus Clemens ob honorem sancti Martini post renovavit eam presidis Hildrici sub tempore regis. In vertaling: Zie, ten tijde van de koning der Franken Dagobert werd op deze grond hier bij de burcht Traiectum voor de eerste keer een welgevormde kerk gebouwd, gewijd aan de heilige Thomas, welke kerk het woeste Friese volk heeft verwoest. Maar de eerste bisschop, heer Clemens (Willibrord), heeft haar ter ere van Sint-Maarten vernieuwd ten tijde van de nietsdoende koning Hilderik. Met  deze Hilderik is waarschijnlijk de schijnkoning Chilperik bedoeld, die ‘regeerde’ van 719-721. Stadtbibliothek Trier, hs. 1288/79, 4o, f. 88v.
Hoogstwaarschijnlijk heeft Willibrord in deze periode het verwoeste Frankische Sint-Thomaskerkje weer vanaf het fundament opgebouwd en vervolgens aan Sint-Maarten gewijd, de patroonheilige van de Frankische koningen. Hij zal dit gedaan hebben uit erkentelijkheid aan zijn beschermers, die zijn terugkeer mogelijk hadden gemaakt. Volgens een middeleeuws tekstbord (zie hiernaast) dat vroeger in de domkerk hing, gebeurde die wederopbouw en herwijding onder de Frankische ‘nietsdoende’ koning Childerik, met wie waarschijnlijk koning Chilperik II (719-721) bedoeld is.

Deze Chilperik was eerst koning van het West-Frankische Rijk (Neustrië). Als zodanig had hij in nog 717 een verbond met Radbod gesloten tegen hofmeier Karel Martel. Deze laatste steunde toen echter koning Chlotarius IV, die hij liet ‘regeren’ over het Oost-Frankische Rijk (Austrasië), maar die begin 719 overleed, net als Radbod later in hetzelfde jaar. Inmiddels had Karel Martel ook Neustrië veroverd en herbenoemde vervolgens Chilperik tot koning van het hele Frankische Rijk.

Aangenomen mag worden dat de herbouw van het Sint-Thomaskerkje en de wijding aan de Frankische heilige Martinus, Sint-Maarten, onder koning Chilperik in 719 of 720 heeft plaatsgehad. Wat deze aanname ondersteunt is een oorkonde uit 752/53. In deze oorkonde bevestigt de voormalige hofmeier, maar inmiddels koning der Franken geworden Pippijn de Jongere de Sint-Maartenskerk in Utrecht in haar immuniteit. Er wordt verwezen naar een eerdere immuniteitverlening en -bevestiging door de koningen Chlotarius en Theodebertus. Wat deze laatste betreft gaat het hoogstwaarschijnlijk om Theodericus, met wie Theuderik IV zal zijn bedoeld, die in 721 koning was geworden. De oorspronkelijke verlener van het privilege was dan Chlotarius IV, die in 718/19 ‘regeerde’ in Austrasië.

Het heeft er dus alle schijn van dat de immuniteitverlening samenvalt met de herbouw van de door koning Dagobert I gebouwde Sint-Thomaskerk door bisschop Willibrord, die op zijn beurt de opnieuw opgebouwde kerk gewijd heeft aan de heilige Martinus, de patroonheilige van de Frankische koningen. Hij zal dit hebben gedaan in 719 als eerbetoon aan zijn Frankische beschermers.

Sint-Maarten is tevens de patroonheilige van stad en (aarts)bisdom Utrecht geworden. Zijn feestdag, 11 november, is hier sindsdien ieder jaar met luister gevierd. De laatste jaren gebeurt dit onder meer met een prachtige lampionnenoptocht door de binnenstad. Dit jaar 2019 kunnen we bovendien vieren dat het dertien eeuwen geleden is dat Sint-Maarten in Utrecht door Willibrord, aartsbisschop van de Friezen, geïntroduceerd is.
Aanvulling van 9 maart 2019:
Hoe hardnekking het misverstand is dat bestaat over de herbouw van de Sint-Thomaskerk en de wijding van die herbouw aan Sint-Maarten blijkt weer uit een tekst bij de op 8 maart geopende tentoonstelling in het Catharijneconvent over de domschat van Munster. Deze tekst luidt: Rond 695 liet de eerste Utrechtse bisschop, de Engelse missionaris Willibrord (ca. 658-739) in Utrecht een kerk gewijd aan Sint-Maarten bouwen. In werkelijkheid heeft hij toen als eerste kerk de Sint-Salvator gebouwd. Zoals ook hiernaast weer eens is beargumenteerd, heeft de herbouw van de Sint-Thomaskerk en de wijding daarvan aan Sint-Maarten door Willibrord in werkelijkheid pas omstreeks 719 plaatsgehad.
Sint-Maarten in de lampionnenoptocht
Sint-Maarten in de jaarlijkse lampionnenoptocht. Foto Utrechts Documentatiesysteem, Jean Penders 8 november 2014.


© 2019 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 25 januari 2019; laatst bewerkt 9 maart 2019.