Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Jan van Scorel
Jan van Scorel op oudere leeftijd, geschilderd door zijn leerling Anthonis Mor.


[1] Wat de documentatie over Jan van Scorel betreft wil ik hier met name wijzen op: G.J. Hoogewerf, Jan van Scorel – peintre de la Renaissance hollandaise (’s-Gravenhage 1923);  M.A. (Molly) Faries, ‘Jan van Scorel. Additional documents from the church records of Utrecht’, Oud Holland 1970, 2-24; dezelfde, ‘Underdrawings in the workshop production of Jan van Scorel. A study with infrared reflectography’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1975, 89-228, ald. 91 en 202-203; Jan van Scorel in Utrecht. Altaarstukken en schilderijen omstreeks 1540. Documenten. Technisch onderzoek (Utrecht 1977); wat de literatuur over de kunstenaar betreft kan ik hier aanvullend verwijzen naar M.A. Fairies, Jan van Scorel. His style and its historical context [ongepubliceerde dissertatie] (Bryn Mawr 1972), en J.A.L. de Meyere, Jan van Scorel. Schilder voor prinsen en prelaten (Utrecht 1981).

[2] Het Utrechts Archief [HUA], 221 Archief van het kapittel van Sint-Marie [Sint-Marie], nr. 40-8, f. 174.

[3] Ald. f. 246v.-247.
Het huis van Jan van Scorel
aan de Nieuwegracht in Utrecht

door Martin W.J. de Bruijn

 
Het leven en werk van de veelzijdige zestiende-eeuwse kunstenaar Jan van Scorel is dankzij de goed bewaard gebleven archieven uit die tijd voortreffelijk gedocumenteerd.[1] Toch blijven er nog vragen onbeantwoord die alleen vanuit contextuele kennis kunnen worden beantwoord, en dan nog maar ten dele. Een ervan is de vraag waar de kunstenaar in Utrecht woonde en waar hij zijn atelier(s) had. Vaak vindt men vermeld dat hij met zijn levensgezellin Agatha van Schoonhoven en hun beider zes kinderen in het immuniteitsgebied van Sint-Marie woonde en dat hij zijn atelier had aan het zuideinde van de Nieuwegracht, dat toentertijd Onder de Linden werd genoemd. Ik heb hier mijn twijfels over.

Jan van Scorel bracht zijn leertijd door in Haarlem en Amsterdam en reisde tussen 1518 en 1520 via Duitsland en Oostenrijk naar Italië en het Heilig Land. In de korte tijd dat de Utrechter Adriaan Florisz. paus was, in 1522 en 1523, werd hij conservator van de pauselijke verzamelingen in Rome.
 
Na het overlijden van de paus kwam hij in Utrecht terecht. In 1524 noemde hij zich Jan van Scorel, canonick tUtrecht, maar een jaar later kreeg hij een vicariaat aangeboden bij het kapittel van Sint-Marie.[2] Er klopt dus iets niet. Mogelijk heeft hij de titel van kanunnik gekregen van de overleden paus, maar is deze niet geëffectueerd. Omdat in tegenstelling tot een kanunnik een vicaris priester moest zijn, zal hij in ieder geval tevoren tot priester zijn gewijd en wordt op 7 augustus 1525 ook als zodanig aangeduid.
 
Het kapittel van Sint-Marie was gevestigd in het westelijk deel van de toenmalige stad Utrecht. Er zijn nog steeds vrij veel resten van de kapittelbebouwing aanwezig. Ook de naam Mariaplaats herinnert nog aan dit college van kanunniken. Maar de kapittelkerk, die zich bevond ter plaatse van het tegenwoordige Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, is in het begin van de negentiende eeuw afgebroken.
 
Vanwege de onrustige situatie in Utrecht woonde Jan van Scorel na 1525 enige tijd in Haarlem. Op 16 oktober 1528 is hij daadwerkelijk kanunnik van het genoemde kapittel van Sint-Marie in Utrecht geworden.[3] Dit was een buitengewoon lucratieve positie, die hem volop tijd liet om zijn artistieke en andere kwaliteiten verder te ontplooien.
[4] Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografisch onderzoek naar de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 206-224.

[5] Ald. f. 295.

[6] Ald. f. 305.

[7] Ald. 340-2, f. 4v.

[8] Aan de geschiedenis van dit huis is een hele website met een rondgang door het huis in zijn tegenwoordige staat gewijd: www.achterclarenburg.nl.


Plattegrond van de immuniteit van Sint-Marie
Plattegrond van de immuniteit van Sint-Marie omstreeks 1400, het gebied op en rond de Mariaplaats. Jan van Scorel was tussen 1531 en 1539 in het bezit van het achtste claustrale huis ten zuidwesten van de kapittelkerk en vanaf 1539 van het dertiende ten noorden daarvan. Tek. A.F.E. Kipp, mede op aanwijzingen van M.W.J de Bruijn (Husinghe ende hofstede, 208).


Portret Agatha van Schoonhoven
De levensgezellin van de priester Jan van Scorel, Agatha van Schoonhoven, door hem geschilderd in 1529. Zij schonk hem zes kinderen.



[9] HUA, 701 Stadsarchief I [Stad I] 704, nr. 39 (1537.02.27), afgedrukt in Hoogewerff, Jan van Scorel, 120-121.

[10] Deze volgorde weet H. (Huib) Leeuwenberg, ‘“Een curieus paepgen”. Victor Scorel (ca. 1540-1617), kapittelvicaris, landmeter en missionaris’ Jaarboek Oud-Utrecht 2008 5-47, ald. 36-37, nt. 8, zeer aannemelijk te maken.

[11] HUA, Stad I, 704, nr. 39 (1537.02.27).

[12] HUA, 220 Kapittel van Sint-Pieter [Sint-Pieter], nr. 33 (1414.08.11): non debet admittere personam extraneam ex cuius exercicio vel conversacione laycali emunitas ledatur seu eciam ecclesia gravetur et dehonestetur, tam in puerperiis fovendis quam eciam in aliis sordidis et secularibus negociacionibus ibidem exercendis, que omnino prohibemus, prout eciam de iure sunt prohibita.

[13] HUA, 223 Kapittel van Oudmunster [Oudmunster], nr. 468‑2 (1509.03.07).

[14] Zie de webpagina’s > Het bisschopshof in Utrecht, en > Wijk- en buurtorganisatie in Utrecht.

[15] De Meyere, Jan van Scorel 1495-1562, 17-18.

[16] K. Heeringa (uitg.), Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, dl. 2 (Utrecht 1932) 152-153.
De claustrale huizen van Jan van Scorel
 
Het is niet duidelijk waar Jan van Scorel de eerste jaren in Utrecht gewoond heeft. Rondom de kerk stonden negentien huizen die claustrale huizen werden genoemd, omdat zij zich binnen het claustrum, het afgebakende kerngebied van het kapittel, bevonden. Binnen dit gebied gold niet het wereldlijke, maar het canonieke of kerkelijke recht. De rechten op de huizen vielen onder een apart juridisch statuut, dat zich laat aanduiden als claustraliteit.[4] Mogelijk heeft Jan van Scorel de eerste jaren van zijn canonicaat bij een van zijn collega’s ingewoond.
 
Op 28 september 1530 huurde hij een claustraal huis van Sint-Marie van de Utrechtse burger (!) Matheus Block. Het betrof hier een grote woning, het veertiende claustrale huis. Dit huis is nog aanwezig: Mariaplaats 14, de Sociëteit de Vereeniging. De huur voor het eerste jaar moest hij betalen met een schilderij, waarvoor Matheus hem overigens ook nog 8 rijnsgulden en 4 stuivers moest voldoen. De rente voor het tweede half jaar bedroeg 12 philipsgulden.[5]
 
Jan heeft alleen de eerste huurtermijn bijna volgemaakt, want al op 10 maart 1531 wist hij zelf een claustraal huis te verwerven binnen de genoemde immuniteit, en wel het achtste claustrale huis.[6] Dit huis stond op een betrekkelijk klein perceel, tussen de kapittelschool aan de oostzijde en de stadswal aan de westzijde. Aan de zuidkant bevond zich het erf van het zevende claustrale huis en aan de noordkant westelijk het smalle negende huis en ten oosten daarvan een stukje van het kerkhof.[7] Tegenwoordig bevinden zich daar de percelen Mariahoek 3 en 4.
 
Maar Scorel was hier kennelijk op den duur niet tevreden mee. Op 9 december 1539 verkocht hij het huis voor 292 rijnsgulden en kocht daarvoor op dezelfde dag in de plaats voor 360 dergelijke guldens uit de nalatenschap van de kanunnik Antoon Buser het aanmerkelijk grotere dertiende claustrale huis. Het dertiende claustrale huis staat achteraan op het oorspronkelijke claustrale perceel en heeft nu als adres Achter Clarenburg 2, vóór 1922 Mariaplaats 16.[8] Aan de voorzijde van het perceel bevinden zich nu de in 1900 gebouwde panden Mariaplaats 16 en 17. Het dertiende claustrale huis is tot aan de dood van Jan van Scorel op 6 december 1562 in zijn bezit gebleven.

Gezin

Hoewel hij priester was, had Jan van Scorel een langdurige seksuele relatie. Zijn levensgezellin, Agatha Izaaksdr. van Schoonhoven, is in 1529 door Jan geportretteerd. Het is een van de mooiste vrouwenportretten die er in de Nederlanden gemaakt zijn. Toen Jan in 1537 zijn tweede testament maakte, bleken zij samen al vier kinderen te hebben: Peter, Pauwels, Marie en Anna.[9] De twee jongste kinderen die van het stel bekend zijn, Victor en Felix, zijn dus hierna nog geboren, Victor waarschijnlijk omstreeks 1540 en Felix circa 1543.[10]
 
Een aardige aanwijzing dat Agatha en de kinderen aan de Nieuwegracht woonden, biedt een aantekening onder het tweede testament van Jan van Scorel van 27 februari 1537 dat de beide oorkonden die daarvan werden gemaakt afgeleverd moesten worden tegen sunt Servaes over,[11] en dus niet in het claustrale huis bij de Mariakerk.
 
Ondanks het feit dat dit nadrukkelijk door de Kerk verboden was, hadden veel geestelijken in die periode een vriendin en kinderen. Maar dit betekende nog niet dat zij hiermee ongestoord samen konden wonen, en al helemaal niet binnen de immuniteit, het kerkelijk gebied, van een kapittel. De kapittelstatuten verboden bijvoorbeeld bevallingen en ‘kinderbedden’. Zo bepaalde een statuut op de claustrale huizen van het kapittel van Sint-Pieter uit 1414 dat er in de immuniteit geen persoon van buiten mocht worden toegelaten door wiens handelen of lekenomgang de immuniteit zou worden geschonden of de kerk ook zou worden bezwaard en onteerd, zowel in bevallingen alsook in het uitoefenen van andere vuile (!) en wereldlijke zaken, wat in het geheel verboden werd, zoals ze ook rechtens verboden waren.[12] Ook in een kapittelstatuut van Oudmunster uit 1509 treft men deze bepalingen letterlijk zo aan.[13] Ze zullen dus binnen de immuniteit van Sint-Marie evenzeer gegolden hebben. Niet dat er altijd gehandhaafd werd – in zoverre verschilt de laatmiddeleeuwse samenleving niet zo veel van de onze –, maar de regels waren, net als nu, in ieder geval vastgesteld.
 
Aan de voet van het bisschoppelijk paleis, in de Servetstraat in Utrecht – Onder die Borch –, woonde rond het midden van de zestiende eeuw de drukker Herman Berendsz. van Borculo.[14] Hij liet niet alleen in 1538, naar het voorbeeld van een schilderij van Jan van Scorel, een prent maken van de tempel van Jeruzalem,[15] maar drukte in 1567/69 in opdracht van de bisschop ook een plakkaat met het kerkelijk gebod aan de geestelijken van het bisdom Utrecht om hun concubines weg te sturen.[16] Jan van Scorel was toen al overleden, maar hij zou er zich net als zijn collega’s toen weinig van aangetrokken hebben.

Het huis aan de Nieuwegracht
 
De gegevens die tot nu toe over het huis van Jan van Scorel aan de Nieuwegracht zijn verstrekt, zijn niet eensluidend en kunnen op basis van nader archiefonderzoek worden gecorrigeerd en aangevuld.

Van Deventer, zuidelijk stadsgebiedHet zuidelijk stadsgebied op een plattegrond van Jacob van Deventer van circa 1570. Rechtsboven de kerk van de Sint-Servaasabdij. Links daarvan, tegenover de abdij, aan de andere zijde van de Nieuwegracht, de kapel van het Sint-Anna- of Arkelklooster. Ten zuiden daarvan stond het huis van Jan van Scorel.













[17] Mogelijk was Gerlach een zwager van de zojuist genoemde Godschalk Horenboghe en was Liesbet ook een Horenboghe. Maar dat is zonder nadere gegevens vanzelfsprekend niet zeker.















[18] Ik heb deze gegevens niet teruggevonden.



[19] HUA, Sint-Marie, nr. 360-2 (goederen mensurnaalkamer 1487) f. 20 en 20v.


























[20] HUA, Collectie Booth, oude inventaris nr. 143. Niet teruggevonden in de nieuwe inventaris.















































































[21] HUA, Sint-Marie 373-4 (rekeningen mensurnaalkamer 1519-1534) en 373-4 (idem 1535-1560).








































[22] HUA, 709 Bij het stadsarchief bewaarde archieven II [Bew. arch. II], Bartholomeusgasthuis 1623-4 (rekeningen 1523-1543).




































[23] Om deze reden gaat de opmerking van M.A. Fairies (‘Underdrawings’, 202-203, nt. 11) niet op dat de hoogte van de tijns of pacht direct te maken heeft met de omvang van het goed. Bovendien gold binnen de immuniteiten een ander recht (het kerkelijke), dan aan de Nieuwegracht (het wereldlijke).














[24] HUA, Stad I, 704 (1538) nr. 199 (1538.11.19).

































[25] HUA, Sint-Marie 1028 (1427.07.13; transsumpt van 1437.03.28).



[26] HUA, Stad I, 704 (1538) nr. 199 (1538.11.19).











































[27] Zie hiervoor M.W.J. de Bruijn en R.M. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, in: C. Streefkerk en S. Faber (uitg.), Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. mr. H. van der Linden (Hilversum 1987) 55-81.

















[28] Ald. 1-2. Deze kroniek is uitgegeven door N. van der Monde, Tijdschrift voor de geschiedenis, oudheden en statistiek van Utrecht VIII (1842) 181-196, 269-276, 305-312, 338-344; ald. VIII, 196.


[29] Zie J. Heniger, ‘Genealogische tabellen’, in: A.J.M. Koenhein e.a. (red.) Johan Wolfert van Brederode 1599-1655. Een Hollands edelman tussen Nassau en Oranje (Vianen 1999) 133-134.


[30] HUA, 88 Verzamelde stukken oud-katholieke kerk 622 (kopie van een kopie 1604.08.11). Zijn wettige erfgenamen waren Rheynerus (Reinoud) en Margriet.
Om te beginnen geven de registers en rekeningen van het kapittel van Sint-Marie hierover nadere informatie. Het register van de zogeheten mensurnaalkamer van het kapittel van omstreeks 1400 bevat een post, waarin om te beginnen gezegd wordt dat Gerlach de bakker, daarna Godschalk Horenboghe en vervolgens Pelgrim Horenboghe jaarlijks tien lood zilver betalen uit twee erven, waarvan er een gelegen was in de (Lange) Nieuwstraat aan de oostzijde van de straat. Daarop woonden Jan Bobbelaer en zijn vrouw Griet. Aan de bovenzijde – dit wil hier zeggen zuidwaarts – lag een erf van het kapittel van Oudmunster en aan de benedenzijde een erf van Aleid Hovaerts. Uit dit erf werd 8 lood zilver per jaar betaald. Het andere erf lag aan de westkant van de Oudelle – dit wil zeggen de Nieuwegracht – neffen (= tegenover) het Sint-Servaasklooster. Daarop placht Liesbet Gerlach Godschalks zwager te wonen.[17] Dit erf had dezelfde belendingen als het bovenstaande erf aan de Lange Nieuwstraat en strekte zich uit tot aan dit erf. Er werd jaarlijks twee lood zilver uit betaald tot het door brand verwoest zou worden. Dit zou opgenomen zijn in een oorkonde van donderdag na Sint-Victor 1368, waarvan een pachterkenning in het bezit was van het kapittel. Deze akte is ons overgeleverd in een zogeheten transsumpt van 12 februari 1376, waarover dadelijk meer.
 
Onder de genoemde post in het register van circa 1400 zijn met latere handen de volgende gegevens over de opeenvolgende bezitters vermeld:
– Lambert Roelofsz. in de Tolsteeg acht lood en Daam van der Maet twee lood;
– Nicolaas van Zevenhuizen zes lood en Peter Hubertsz. twee lood;
– Aleid Cluetinc voor Nicolaas van Zevenhuizen;
– Jan Willemsz. in de Nieuwstraat voor vijf lood zilver;
Dan volgt de mededeling dat het kapittel de voorkoop heeft, zoals blijkt uit een afschrift van de akte op folio 87 en het protocol van (de secretaris) Amerongen op de folio’s 324 en 325 en 347 waar het gewijzigd was (ubi conversam).[18]
 
In een jonger register van de mensurnaalkamer van Sint-Marie komen twee afzonderlijke posten voor: een voor het erf in de Lange Nieuwstraat en een voor dat aan de Nieuwegracht.[19]
 
In de eerste post wordt onder de kop ‘In de Nieuwstraat aan de oostkant’ gezegd dat er vijf lood zilver met Pasen en op Sint-Victor (10 oktober) werd betaald uit een erf waarvan de ligging niet verder werd aangeduid. Als bezitter werd Jan Willemsz. vermeld en daaronder met andere handen:
– nu zijn weduwe;
– Jan Splinter de spiegelmaker;
– ‘Nu in het jaar 1613 het klooster van de zusters van Arkel’.
 
De tweede post onder de kop ‘In de Oudelle aan de westkant’ bevat de tekst dat er twee lood zilver met Pasen en op Sint-Victor werd betaald uit een erf achter het onmiddellijk voorgaande tegenover het Sint-Servaasklooster. Als bezitter werd mr. Jan Valc genoemd en daaronder met andere handen:
– nu zijn weduwe;
– Willem van Tiel, rentmeester (questor);
– mr. Jan van Scorel, ‘onze kanunnik’;
– ‘Nu in het jaar 1608 het klooster van de zusters van Arkel.
 

Een oorkonde van 12 februari 1376

Uit deze gegevens blijkt dat er zich de nodige wijzigingen in de bezitsgeschiedenis hebben voorgedaan en ook dat die gegevens niet volledig zijn. Gelukkigerwijs is er een oorkonde van 12 februari 1376 overgeleverd, waarin ook de oorkonde van 12 oktober 1368 is opgenomen. Het gaat hierbij om een zogenaamd transsumpt, waarin oorkonden over vroegere rechtshandelingen zijn opgenomen.[20]
 
In laatstgenoemde oorkonde geven deken en kapittel van Sint-Marie in pacht aan Godschalk Horenboghe en zijn vrouw Katrien
 
een hofstede also alse gheleghen is in dOudelle neffen sinte Servaes aen die westside vander Oudelle, vander stat strate op streckende aen onse hofstede daer Johan Bobbelaer ende Griete siin wijf nu op woenen ende die Goedscalc ende ziin wijf voerscreven oec van ons in pachte hebben, daer Lisebet Gheerlochs Goedscalcs swegher op plach tewoenen, also lang ende also breed alse Lisebet voerseyt de selve hofstede te bruken ende tebewoenen plach, tusschen hofstede der heren van Oudemunster aen die overside ende tusschen Aleyd Hovaerts aen die nederside, alse totten naesten brande toe, alse dat die hofstede mit brande gheavert ende gherumet wart, sonder arch, elx jaers om twe loet goet lodich zulvers.
 
Deze gegevens over het erf aan de Nieuwegracht komen overeen met die in het genoemde register van de mensurnaalkamer van het kapittel van omstreeks 1400. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat dit perceel niet gelegen was op de hoek van de Eligensteeg. Ik kom daar nog op terug.
 
Op 20 maart 1369 verschenen Godschalk Horenboghe en zijn vrouw voor schout en schepenen van Utrecht en droegen over (gaven) aan Hendrik Hendriksz. van Amersfoort en Johan de Vrese het genoemde erf voor de genoemde twee lood zilver en voor 10 pond stadsgeld, eveneens totten naesten brande toe. Ook droegen zij de huizen over die toen op het erf stonden. De jaarlijkse twee lood zilver moesten vanzelfsprekend betaald worden aan het kapittel van Sint-Marie en de tien pond aan de uitgevers Hendrik van Amersfoort en Johan de Vrese betaald worden.
 
Hendrik Hendriksz. van Amersfoort en Johan de Vreze de appelcoper 
verschenen op 10 december 1370 voor het schepengerecht om te verklaren

dat zi die husinghe ende hofstede voerscreven daer die voerseyde brief of spreect ghedeelt ende gheloet hadden ende Henric voerseyt mitten rechten lote ghevallen is die noertside vander husinghe ende hofstede voerscreven terechter middel toe, ende Johan de Vreze voerscreven is ghevallen mitten rechten lote die zuytside vander husinghe ende hofstede vorghenoemt terechter middel toe. Ende hijr mede zellen zi ende hoer nacomelinghe op beyden siden malc van anderen ghesceyden wesen ende elc sinen vryen wille tedoen mit zire voerseyder helfte vander husinghe ende hofstede vorghenoemt. Voert so loefden si elc den anderen alse dat elc siin helfte vanden voerseyden pacht van tween loet zulvers ende van tien ponden siaers tebetalen ende verwaren sel buten des anders cost ende scade ende zire nacomelinghen. Mede belyeden zi aen beyden ziden dat si den voerseyden scepenebrief bi hore beyder wille gheleghet hebben in Beernts hant van Dolre.
 
Zij verdeelden dus de huizen die op het perceel stonden, waarbij Hendrik het noordelijke en Johan het zuidelijke verkreeg. Mogelijk om kosten te sparen verklaarden zij dat Berend van Dolre de oorkonde zou bewaren.
 
Aan deze oorkonde was een oorkonde, een zogeheten transfix, gehecht, daterende van 14 november 1374, die luidde dat Johan de appelkoper deze oorkonde had overgedragen aan Hendrik van Endoghen en zijn vrouw Aleid. Johans zoon Reinier had ten behoeve van zijn vader afstand gedaan van alle onroerend goed dat deze van zijn moeder geërfd had.
 
Op 12 februari 1376 verschenen Hendrik van Endoghen, zijn vrouw Aleid en Hendrik Wegge voor het schepengerecht. Zij toonden daar om te beginnen de oorkonde van 10 december 1370 en de daardoor gestoken transfix van 14 november 1374. Daarna toonde Hendrik Wegge een zelfde oorkonde van 10 december 1370 als Hendrik en Aleid hadden getoond. Daardaan was een transfix gehecht van 19 juli 1373, waarin Hendrik Jacobsz. van den Rijn, zijn zoon Hendrik en zijn vrouw Ermtruid een oorkonde van 4 november 1371 toonden, waarin Hendrik Hendriksz. aan Hendrik Jacobsz. van den Rijn de oorkonde van 10 december 1370 en het daarin vermelde recht had gegeven, waarna Jacob voor zichzelf, voor zijn zoon Dirk en zijn vrouw Ermtrud, op genoemde datum 19 juli 1373 de oorkonde en het recht overdroegen aan Hendrik Wegge.
 
Op genoemde datum 12 februari 1376 ten slotte toonden Henrik van Endoghen, zijn vrouw Aleid en Hendrik Wegge nog een oorkonde zoals Hendrik van Endoghen en zijn vrouw Aleid getoond hadden – dus een oorkonde van 10 december 1370 – en gaven Hendrik en Aleid mit samender hant Henric Wegghen voerseyt hoer helfte ende alle rechts, enzovoorts.
 
Er kan in ieder geval uit het bovenstaande worden afgeleid dat Hendrik Wegge vanaf 12 februari 1376 beide huizen in bezit heeft gekregen en mogelijk weer samengevoegd tot één huis, zoals uit de registers van Sint-Marie kan worden afgeleid. Maar de rechtsopvolgers van Godschalk Horenboghe en zijn vrouw Katrien komen we niet in die registers tegen.


 
Aan de hand van de rekeningen van de mensurnaalkamer kan een en ander nog nader worden gespecificeerd.[21] Daaruit blijkt, net als in de registers, de verdeling in een tweetal posten. Wat in het register van 1487 wordt omschreven als ‘In de Nieuwstraat aan de oostzijde’ (last 5 lood zilver per jaar), wordt in de rekeningen gesitueerd ‘In de Sint-Nicolaasparochie’. Het andere perceel (last 2 lood zilver per jaar) wordt zowel in de registers als de rekeningen gesitueerd in de Oudelle (aan de westzijde).
 
De jaarlijkse rekeningen, lopend van Sint-Remeis (1 oktober) tot Sint-Remeis, leveren vanaf het rekeningjaar 1534/35 het volgende op:
 
Het eerstgenoemde perceel aan de Lange Nieuwstraat, steeds 5 lood zilver per jaar betalend:
1534/35-1537/38      Jan Splinter de spiegelmaker
1538/39-1545/46      Willem van den Broeck, kanunnik van Sint-Marie
1546/47-1548/49      Wolfert van Brederode, heer van Kloetinge
1549/50-1550/51      zijn erfgenamen
1551/52-1558/59      Willem Ellertsz. van Diemen van Amsterdam;
1559/60-                    het klooster van Arkel (Mariënhage)

Jan van Scorel komt er dus niet in voor.
 
Het tweede perceel aan de Nieuwegracht, steeds 2 lood zilver betalend:
-1534/35                   de procuratoren van het Sint-Bartholomeusgasthuis
1535/36-1545/46      Jan van Scorel, kanunnik van Sint-Marie
1546/47-1548/49      Wolfert van Brederode, heer van Kloetinge
1549/50-1550/51      zijn erfgenamen
1551/52-1558/59      Willem Ellertsz. van Diemen van Amsterdam
1559/60-                   het klooster van Arkel (Mariënhage).
 
Kortom, Jan van Scorel is in beginsel slechts in het bezit geweest van het waarschijnlijk kleine perceel aan de Nieuwegracht, en wel tussen 1535/36 en 1545/46. Van 1545/46 tot 1548/49 waren beide percelen in het bezit van Wolfert van Brederode, heer van Kloetinge, en van 1449/50 tot 1450/51 van diens erfgenamen.
 
De rekeningen van het Sint-Bartholomeusgasthuis bieden nadere informatie over het perceel aan de Nieuwegracht waaruit 2 lood zilver aan het kapittel van Sint-Marie werd betaald.[22] In de rekening van 1533/34 komt onder de paragraaf losrenten de volgende post voor:
 
Item Jan vander Borch.
Item onse gasthuijs heeft uut mr. Jan Valcx huijs tegen sinte Servaes over XX gl. tsiaers losrenten, den penninck XX, sestien st. voerden gulden, termynen Paesschen ende Victoris.
 
Het rekeningjaar daarna, 1534/35 bevat dezelfde post met een aantal doorhalingen en bijgeschreven tekst, waarna deze luidt:
 
Item mr. Jan van Schoerle.
Item onse gasthuijs heeft uut mr. Jan Valcx huijs tegen sinte Servaes over X gulden jaerlix losrenten, den penninck XX, XX stuvers voirden gulden, terminen ingaende Agnetis anno XXXV, ende het eerste termijn Jacobi ende het ander termijn Agnetis daer na.
Item hebben wij hem thuijs gegeven in arffpacht jaerlix op tien karolusgulden, te betalen Jacobi ende Agnetis.
  
Er is dus een nieuwe uitgifte door het gasthuis gedaan, waarin Jan van Scorel het goed voor 10 gulden per jaar in erfelijke pacht heeft gekregen. De betaaltermijnen waren niet meer Pasen en Sint-Victor (10 oktober), maar Sint-Jacob (25 juli) en Sint-Agnes (21 januari).
 
Hier zien we op treffende wijze de door mij elders gesignaleerde en benoemde gelaagdheid van rechten op de grond en zijn bebouwing (zie bijvoorbeelde de webpagina De middeleeuwen kenden geen eigendom): de hoogste in de hiërarchie, de allodist, dit wil zeggen degene die het goed van niemand ‘hield’, was hier het kapittel van Sint-Marie, dat een recht voor 2 lood zilver per jaar had uitgegeven. Dit uitgegeven (‘pacht’)recht was in het bezit gekomen van het Sint-Bartholomeusgasthuis, waarna dit gasthuis het op zijn beurt weer uitgaf aan een derde, eerst voor 20 en daarna, aan Jan van Scorel, voor 10 gulden per jaar. Dat dit laatste bedrag de helft lager was, zal ermee te maken hebben gehad dat Van Scorel een gedeeltelijke koopprijs voor het goed heeft betaald.[23]
 
De rekening van het gasthuis van 1535/36 vermeldt dat Jan van Scorel op Sint-Jacobsavond (dus 24 juli) 1536 de pacht voor 210 gulden had gelost, maar er bleef wel een losrente nu van 12 gulden op het goed rusten. Volgens een aantekening was die op 29 juli 1537 betaald. Zij komt ook voor in de rekening van 1536/37. De rekening van 1537/38 tot slot vermeldt dat de rente door Jan van Scorel was gelost en omgezet in een zogeheten koopmansbrief ten laste van Dirk de Goyer.
 
Zo is duidelijk dat lacunes in de transporten en plechten gedeeltelijk ondervangen kunnen worden door reeksen van jaarlijkse rekeningen, zogeheten seriële bronnen. Hier is dit het geval met bijvoorbeeld de rekeningen van het kapittel van Sint-Marie en het Sint-Bartholomeusgasthuis.
 
Wat het erf aan de Lange Nieuwstraat betreft, waaruit 5 lood zilver aan Sint-Marie werd betaald, beschikken we, naast de gegevens uit de rekeningen van Sint-Marie, over een transportakte, en wel van 19 november 1538.[24] Hierin draagt Roelof van Mekeren Lubbertsz., mede voor zijn vrouw Margriet Klaas Jansz. dochter aan de kanunnik van Sint-Marie Willem van den Broeck over
 
trechte derdendeel vanden drien cameren, van voeren tot afteren, mit allen hoeren toebehoeren alsoe die aen malcanderen gelegen zijn inde Nystraet aende oestzijde, dair heeren Cornelis uuten Eng, canonick ende scholaster der kercken van sunte Peters tUtrecht, boven ende meister Jan van Schoerll, canonick der kercken van sunte Marien tUtrecht voirs., naestgelegen zijn, streckende vande Nyestraet tot aen zeker erve toebehoerende meister Jan van Schoerll voirs., daer heren Willem voers. die ander tweedelen off toebehoeren.
 
Dit erf met drie kleine huizen, ‘kameren’, grensde dus beneden, dit wil zeggen noordwaarts, en ook aan de achterkant aan erf van Jan van Scorel. Ik houd dit erf voor het voormalige adres Lange Nieuwstraat 102 en mogelijk ook de nummers 104 en 106, dus nu ter plaatse van het Universiteitsmuseum. Volgens de rekeningen zal het goed in 1546 of 1547 overgedragen zijn aan Wolfert van Brederode.
 
Vatten we alle gegevens samen, dan komen we tot de volgende reeks bezitters:
 
Lange Nieuwstraat
                     Gerlach de bakker (voor 8 lood zilver)
                     Godschalk Horenboghe (voor 8 lood)
– 1400 –       Pilgrim Horenboghe (voor 8 lood)
                     Lambert Roelofsz. in de Tolsteeg (voor 8 lood)
1427.07.13   Sint-Marie > Nicolaas van Zevenhuizen (Sevenhusen)
                     (voor 6 lood)
1437.28.03   > Aleid Clutinc[25]
–1487–         Jan Willemsz. in de Nieuwstraat (voor 5 lood)
                     zijn weduwe
1538.11.19   Jan Splinter de spiegelmaker > Willem van den Broeck,
                     kanunnik van Sint-Marie[26]
1546/47        Wolfert van Brederode en zijn vrouw Marigje Sapeels
1548–           zijn weduwe en kinderen
 
Nieuwegracht
                      Gerlach de Bakker (2 lood)
                      kapittel van St.-Marie
1368.10.12    het kapittel > Godschalk Horenboghe en zijn vrouw Katrien
                      tot de volgende brand
1369.03.20    Godschalk Horenboghe en zijn vrouw Katrien
                       > Hendrik Hendriksz. van Amersfoort en
                       Jan de Vreze de appelkoper
1370.12.10    bij splitsing noordelijk deel > Hendrik Hendriksz. van Amersfoort
                       zuidelijk deel > Jan de Vreze de appelkoper
1371.11.04     noord: Hendrik Hendriksz. van Amersfoort
                       > Hendrik Jacobsz. van den Rijn, zoon Dirk
                       en vrouw Ermtruid
1373.07.19     noord: Hendrik Jacobsz. van den Rijn > Hendrik Wegge
1374.11.14     zuid: Jan de Vreze de appelkoper
                       > Hendrik van Endoghen en zijn vrouw Aleid
1376.02.12     zuid: Hendrik van Endoghen en zijn vrouw Aleid
                       > Hendrik Wegge
                       bewoonster: Liesbet Gerlach Godschalks zwager
–ca. 1400–     Pelgrim Horenboghe (voor 2 lood)
                       Daam van der Maet (voor 2 lood)
                       Peter Hubertsz. (voor 2 lood)
–1487–           mr.Jan Valc (voor 2 lood)
                       zijn weduwe (voor 2 lood)
                       Willem van Tiel, rentmeester (questor), waarschijnlijk de
                       huismeester van het Sint-Bartholomeusgasthuis (voor 2 lood)
–1535/36–      Jan van Scorel, kanunnik van Sint-Marie (voor 2 lood)
–1546/47–      Wolfert van Brederode
1548–             zijn weduwe en kinderen
  

Wolfert van Brederode

Het is de moeite waard hier even stil te staan bij Wolfert van Brederode (1494-1548). Hij was een zoon van Walraven (II, 1462-1531) en jongere broer van Reinoud van Brederode (III, 1492-1556), die onder meer burggraaf van Utrecht was. Deze laatste was juist in de jaren dertig van de zestiende eeuw druk bezig om de oude burggrafelijke rechten nieuw leven in te blazen.[27] Mogelijk zijn de beide broers elkaar hierbij behulpzaam geweest en heeft hij daartoe het goed in Utrecht aan de Lange Nieuwstraat en de Nieuwegracht gekocht.

Het wapen van de familie Brederode
Het familiewapen van de Van Brederodes met de rode leeuw van de graven van Holland. Zij dichtten zichzelf een hoogadellijke afkomst toe.

Reinoud III van Brederode






Reinoud III van Brederode, die onder meer burggraaf van Utrecht was en een verbeten strijd met het stadsbestuur voerde over zijn al dan niet vermeende rechten. Hij was een broer van Wolfert, tussen 1546 en 1548 de bezitter van het huis aan de Nieuwegracht. Het portret is geschilderd door Jan van Scorel.


Dat de verhouding met het stadsbestuur niet geweldig was, valt af te leiden uit het volgende verhaal, dat vermeld wordt in de kroniek van het klooster Nazareth in het Gein:[28]
 
Ao 1572 sijn de conventualen voort verlopen, omme de geuserie ende de oorlogen, die toen opstonden, ende huerden een huys tegens S. Servaes, daer Joncker Wolfart van Bredenrode plach te wonen, die, als men hem geboot leeren emmeren, nae de geboote totten brant dienende, uyt te hangen, dselve tot spot van de magistraet dede schilderen aen de mueren, gelijck men die noch lange by onsen tyden daer heeft connen sien, alwaer sy een kercxken van de conventualen van St. Annen vonden, die aldoen, overmits armoede, versonden waren.
 
Wolfert was voor de eerste maal gehuwd met Adriana Back, vrouwe van Asten in het huidige Noord-Brabant. Behalve heer van Asten werd hij heer van Kloetinge in Zeeland en Voshol, dit wil zeggen Zwammerdam en omgeving. Hij bezat een kasteeltje in het Brabantse Oisterwijk, Durendaal, waar hij in 1548 is overleden. Hij werd bij zijn voorouders in Vianen begraven. Zijn zoon Reinoud of Reinier uit zijn eerste huwelijk (IV; 1520-1584), genoemd naar zijn oom, volgde hem op als heer van Brederode, Kloetinge, Asten en Voshol.[29]
 
Wolfert trouwde voor de tweede keer met Marigje Sap(p)eels, wat men voor zover ik weet nergens vermeld vindt. Hij zal haar hebben leren kennen in Oisterwijk, waar de niet-adellijke familie Sappeels tot het patriciaat behoorde. Er is een afschrift van Wolferts laatste, op 13 oktober 1548 in Oisterwijk opgemaakte testament bewaard gebleven, waarin ook de tweede echtgenote en haar kinderen en verder Wolferts onwettige kinderen werden bedeeld.[30] Zoals hieronder blijkt, is bij de verdeling van de boedel Marigje in het bezit van het Utrechtse goed gesteld.


Plattegrond van het zuidwestelijk deel van de Oudelle
Het zuidwestelijk deel van de Oudelle op een moderne huisnummerplattegrond, ontleend aan het Utrechts Documentatiesysteem. Het noorden ligt links.

Detail van de plattegrond van Braun en Hogenberg
Vogelvluchtafbeelding van het zuidwestelijk deel van de Oudelle op de plattegrond van Braun en Hogenberg van omstreeks 1570. Het noorden ligt links. De kapel, bij het cijfer 18, lijkt op de hoek van de Eligenstraat te staan. Dit werd overgenomen op de latere plattegronden van het stadsgebied. In werkelijkheid stond de kapel één erf van de hoek af. Ook lijkt er op deze plattegrond geen ruimte te zijn voor het huis van Jan van Scorel naast de kapel, ter plaatse van het tegenwoordige Nieuwegracht 181 en 183, of het moet om de hier afgebeelde lage bebouwing van de oostzijde van de pandhof zijn gegaan. De twee afgebeelde huizen ten zuiden daarvan zullen Nieuwegracht 187 en 189 zijn geweest. Overigens moet men bedenken dat deze plattegronden tamelijk figuratief waren en konden afwijken van de werkelijkheid.


[31] HUA, Stad I, 704 (1551) nr. 14.







[32] Ald. (1551) nr. 142.
Onder de Linden
Het zuidwestelijk deel van de Oudelle, Onder de Linden genaamd, gezien vanuit het noordoosten. Krijttekening van Herman Saftleven uit het midden van de zeventiende eeuw. Geheel rechts het hoekhuis met de Eligenstraat en daarnaast de kapel van het Arkelklooster. Links van de kapel stond het huis van Jan van Scorel, waarschijnlijk met de nok evenwijdig aan de straat.

Onder de Linden nu
Een deel van Onder de Linden nu. Van links naar rechts de ingang van de Oude Hortus, rechts daarnaast de plaats waar het huis van Jan van Scorel stond (nu de twee negentiende-eeuwse huizen Nieuwegracht 181 en 183), vervolgens het huis waarin zich de kapel van het Sint-Annaklooster bevond (Nieuwegracht 165) en geheel rechts het hoekhuis van de Telingstraat (Nieuwegracht 163). Tussen 165 en 181 bevindt zich de gang die leidde naar de voormalige nummers 167 tot en met 179 oneven. Foto M.W.J. de Bruijn 27 maart 2020.

Overdrachten

In de rekeningen van Sint-Marie van 1548/49 tot en met 1550/51 werden de weduwe en haar kinderen als bezitters van het oorspronkelijke perceel aan de Lange Nieuwstraat vermeld.

Maar dan doet zich in 1551 iets vreemds voor. Op 17 januari van dat jaar droeg Jan van Scorel namelijk aan de genoemde Willem Ellertsz. van Diemen over
 
die alinge huijsinge ende hofstede, gelegen neffens sunte Servaes convent over, mitten hoff ende erve uutgaende in de Nyestraet, mitsgaders die stallinge daer after aen ende die cameren in de Nijestraet ende het erff ende getimmer daeraen gecoft is bij selige joncker Wolfert van Brederoede, ende mit alle zijnen toebehoerten van voeren tot afteren soe selige joncker Wolfert van Brederoede dat in zijnen leven toe te behoeren ende te bewoenen plach, mit twee koetsen ofte bedsteden ende allet houtwerck dat hij comparant daer inne gecoft ende getimmert heeft, nijt uutgesondert.[31]
 
Onbegrijpelijk is voor mij de zinsnede daeraen gecoft is bij selige joncker Wolfert van Brederoede. In het handschrift staat tussen de woorden is en bij ook nog een kommateken, wat het geheel nog problematischer maakt. Ik vraag me af of hier niet had behoren te staan: gecoft is van selige joncker Wolfert van Brederode.

Het bovenstaande lijkt strijdig te zijn met de vermeldingen in de rekeningen van de mensurnaalkamer van Sint-Marie tot 1551, waarin we de weduwe van Wolfert van Brederode en haar kinderen als bezitters vermeld vinden. Hoe dit ook zij, dat de weduwe en haar kinderen wel degelijk nog rechten bezaten blijkt uit een tweetal schepenakten van 9 juni 1551, dus nog uit hetzelfde jaar dat Jan van Scorel zijn rechten heeft overgedragen. Op laatstgenoemde datum transporteerde de weduwe, mede namens haar kinderen, aan Willem Ellertsz. van Diemen:
 
den statbrieff van Utrecht ende alle alsulcke erffpacht, beterschap, rechts ende toeseggens alse zy comparant ende hoer kynderen in eniger wys hebben aender huysinge ende hoffstede mit alle zynen toebehoeren gelegen inde Oudelle, streckende vande Nyegraft aende Nyestraet, daer dan selven brieff off sprect, dair onse etc., so hoer comparante off hoer kynderen die aengecomen ende bestorven is doer cracht van zeker makinge voer schout ende schepenen gesciet off anders overmits dode joncker Wolfert voirs.[32]


[33] Over het verschil tussen een stadsoorkonde en een schepenoorkonde, scepene brief, zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 300-303. Aan een stadsoorkonde werd het stadsgrootzegel gehangen, een schepenoorkonde werd bezegeld met de zegels van de bij de rechtshandeling aanwezige schepenen.

























[34] Ald. nr. 145.




[35] Zie Heniger, ‘De Roos’, 92.




[36] HUA, Stad I, 704.




[37] Ald. 705 (najaar 1558) 4.





















[38] Zie hierna.





[39] Maandblad Oud-Utrecht 41 (1968) 1-5.
De weduwe en de kinderen beschikten dus over een statbrieff, een stadsoorkonde,[33] waaruit hun rechten bleken aan het huis en erf in de Oudelle, dat zich uitstrekte van de Nieuwegracht tot aan de (Lange) Nieuwstraat.

Die rechten omvatten ook erfelijke pacht en beterschap. Met dit laatste wordt de verbetering van een goed bedoeld, doorgaans in de vorm van (nieuwe) bebouwing. Ik houd het erop dat Van Brederode een huis heeft gebouwd aan de Nieuwegracht en dat dit verder als de voorzijde van het perceel werd aangemerkt.
 
De erffpacht zal in dit geval het erfelijk pachtrecht hebben bevat dat gehouden werd van het kapittel van Sint-Marie voor in totaal 8 lood zilver per jaar. Dit zal ook de reden zijn geweest dat Wolfert van Brederode en na zijn dood zijn weduwe en kinderen in de rekeningen van Sint-Marie zijn vermeld en niet Jan van Scorel.
 
De akte van 9 juni 1551 zegt verder dat de verkrijger van deze rechten, Willem Ellertsz. van Diemen, op dezelfde dag een losrente van 24 karolusgulden ten bate van de weduwe en kinderen op het goed gevestigd had. Deze rente kon worden afgelost met 400 soortgelijke guldens.
 
De akte van deze transactie werd op dezelfde dag opgemaakt. De 24 gulden zou jaarlijks op 1 april worden betaald. Voor de betaling verbond Willem
 
die alinge huijsinge ende hoffstede mit alle zyn toebehoeren gelegen inder Oudelle, streckende vande Nygraft inde Nijstraet, dair die procureur van sunt Anthonis zuytwerts ende Alyt Hamer (?) off daer zyt mit recht gelaten heeft noertwerts naestgelegen zyn ter cause der coop vande selver huysinge.[34]
 
Hier worden ook de belendingen van het goed genoemd: aan de zuidkant erf van het Sint-Anthonisklooster in Belle in West-Vlaanderen (waarschijnlijk tussen Nieuwegracht 183 en 191)[35] en aan de noordkant een erf van Aleid Hamer (?). Bij dit laatste zal het om Nieuwegracht 165 zijn gegaan. Zie hierna.
 
Een algemeen probleem is dat in deze tijd de registers van transporten (overdrachten) en plechten (hypotheken) nog lacuneus zijn. De akten tot 1552[36] staan niet in een register, maar bestaan uit losse papieren vellen. Er zullen er nogal wat verloren zijn gegaan. We hebben hier dus met een legpuzzel te maken, waarin stukjes (kunnen) ontbreken. In ieder geval heb ik geen akte kunnen traceren, waarin de erfgenamen van Wolfert van Brederode rechten op het complex aan Jan van Scorel hebben overgedragen.
 
Wel heeft het er alle schijn van dat Jan van Scorel rechten heeft gehad op in ieder geval de twee percelen waaruit toen respectievelijk 5 en 2 lood zilver per jaar werden betaald aan het kapittel van Sint-Marie, maar mogelijk ook nog een of meerdere percelen waarmee Van Brederode dit complex uitgebreid had. Wellicht heeft Jan het erf en de bebouwing van Wolfert van Brederode gekocht, maar nog niet voor het gerecht laten overdragen. Wat hieruit ook blijkt, is dat de voorzijde van de twee samengevoegde percelen aan de Nieuwegracht lag en niet aan de Lange Nieuwstraat.
 
Er zijn gelukkig, behalve het transport van 17 januari 1551, wel enkele latere akten overgeleverd die meer duidelijkheid over de situering van het complex in zijn geheel verschaffen. In een transportakte van 30 juni 1558 droeg Johan Madder, mede voor zijn vrouw Dirkje en onmondige kinderen, over aan het klooster van Mariënhage (Arkel)[37]
 
den vryen eygendom vander huysinge ende hofstede mit die zijdel woeninge twelck voertyts drie cameren geweest zijn, wuytgaende int Teerlings steechgen, alsoe die staende ende gelegen is aen die west zyde van die Nije grafte alhier bynnen Utrecht, daer Willem Ellertssoen van Diemen boven ende die kerck van sunte Geerte, wesende thoeckhuys van het Teerlingxsteechgen, beneden naestgelegen zijn, streckende van voren vande Nyegraft voers. tot after aen den bleyckhoff van Willem Ellertssoen van Diemens erffve voers.
 
Uit deze akte blijkt dat boven (is hier zoals in Utrecht gebruikelijk aan de zuidkant) Willem Ellertsz. van Diemen geërfd was en aan de noordkant het hoekhuis van de huidige Eligenstraat. Het gaat hier dus om het tegenwoordige Nieuwegracht 165, dat door het klooster verbouwd is tot kapel. Het perceel van Madder was blijkbaar ondiep: het grensde aan de achterkant aan het bleekveld van Willem van Diemen. Deze zal dus bezitter zijn geweest van het zuidwaarts aangrenzende perceel, dit wil zeggen ter plaatse van het tegenwoordige Nieuwegracht 181 en 183, tot aan het perceel 185 dat pachtplichtig was aan het kapittel van Oudmunster.[38]
 
Misverstanden in de literatuur

Er bestaan nogal wat misverstanden over het percelencomplex in zijn geheel. In 1968 publiceerde P.J.B. Luykx al een artikel in het Maandblad Oud-Utrecht onder de titel ‘Het huis Nieuwegracht 165, een overblijfsel van het voormalige Arkelklooster’.[39] Hierin schrijft hij dat het betreffende klooster, gevestigd in Arkel, vanwege de onveiligheid een huis, ‘mogelijk het tegenwoordige nr. 167’, had gekocht. Dit huis zou volgens hem bewoond zijn geweest door de edelman Wolfert van Brederode en later gekocht zijn door de schilder Jan van Scorel, die het in 1551 weer verkocht aan Willem Elbertsz. van Diemen. Na de aankoop door de zusters van het klooster zouden zij er het klooster in gevestigd hebben en ernaast, hoek Eligenstraat, een kapel hebben gebouwd. ‘Deze kapel is thans het huis nr. 165,’ aldus Luykx.
 
Maar noch de aankoop van Wolfert van Brederode noch deze nummering klopt. Het hoekhuis is niet nummer 165, maar 163. Volgens de oudere plattegronden (zie de afbeelding) zou de kapel op de zuidhoek van de Eligenstraat hebben gestaan, waar zich nu Nieuwegracht 163 bevindt. Alleen op de oudste plattegrond, die van Jacob van Deventer van omstreeks 1570, lijkt de kapel iets van de hoek af te hebben gestaan. Zoals hierboven al is vastgesteld, bevond zich ten noorden van het latere perceel van Jan van Scorel al in de veertiende eeuw nog een huiserf, en dat zal het tegenwoordige nummer 163 op de hoek van de Eligenstraat zijn geweest. Ten zuiden van het nummer 165 bevond zich niet nummer 167 – dit nummer behoorde met de nummers 169, 171, 173, 175, 177 en 179 tot de later gebouwde achtergelegen ‘kameren’, dit wil zeggen huisjes – maar de nummers 181 en 183.
Het huis De Roos (Nieuwegracht 187)
Het huis De Roos (Nieuwegracht 187) met rechts daarnaast de ingang van de Oude Hortus. Foto M.W.J. de Bruijn 27 maart 2020.


[40] J. Heniger, ‘De Roos onder de Linden’, Jaarboek Oud Utrecht 1974, 64-95.

[41] Ald. 68, afb. 2; 70, afb. 3; 78-79
.
[42] Faries, ‘Underdrawings’, 202-203, nt. 11. De Utrechtse historicus Huib Leeuwenberg ten slotte zegt in een artikel in het Jaarboek Oud-Utrecht 2008, zonder een datum en bron te vermelden en naar is gebleken abusievelijk, dat Jan van Scorel dit huis had gekocht van Wolfert van Brederode, heer van Kloetinge: ‘“Een curieus paepgen”. Victor Scorel (ca. 1540-1617) kapittelvicaris, landmeter en missionaris’, 5-47, ald. 37, nt. 9.

[43] HUA, Stad I (voorjaar 1559) blz. 80-82.


Nieuwegracht 165 (kapel Arkelklooster)
Nieuwegracht 165, met daarin gewelfresten van de kapel van het Arkelklooster. Foto M.W.J. de Bruijn 27 maart 2020.




































[44] HUA, 702 Stadsarchief van 1577 tot 1795 [Stad II] 1079, f. 126-126v. F. 125-125v. betreft de verkooop van het hoeckhuys staende op den hoeck vande Teerlingsteech aan Joost Verblack voor waarschijnlijk1320 gulden; het bedrag is niet goed leesbaar.












[45] Ald. f. 127-127v.

[46] Ald. f. 128.

[47] HUA, 708 Bij het stadsarchief bewaarde archieven II [Bew. arch. II], nr. 1449.

[48] Zie hierover Heniger, ‘De Roos’, 71-72 en 94-95.

[49] De gegevens wijken voor een deel af van de bevindingen van Heniger.

[50] Zie de vermeldingen hierboven
.
[51] Zie de vermeldingen hierboven.

[52] HUA, Oudmunster 976-23 (1540.12.10).

[53] HUA, Oudmunster 976-22 (1538.03.12): twe hoffsteden mitter husingen ofte cameren daer op staende. Op 10 december 1540 heeft het Sint-Anthonisklooster van Belle in West-Vlaanderen de noordelijke – eene hofstede mitten camer ofte getimmer daer op staende – in erfelijke pacht gekregen van het kapittel van Oudmunster (ald. 976-24). In 1543 vestigde het klooster een hypotheek op eenre huysinge, hofstede ende cameren mit allen hoeren toebehoren alsoe die gelegen zijn neffens sunte Servaes cloester over, daer het convent van sunte Agnyeten binnen Utrecht boven ende meyster Jan van Schoerel, canonick sunte Maryen tUtrecht, beneden naest gelegen zijn (HUA, Stad I, 704 (1543) nr. 36 (1543.03.06). Dit zal het hele complex van het klooster hebben omvat van waarschijnlijk Nieuwegracht 185 tot en met 191.

[54] HUA, Stad II, 1079, f. 334-334v.


Standbeeld van Jan van Scorel
Het beeld van Jan van Scorel op het pleintje bij de Jan van Scorelstraat in Utrecht-Oost. Foto M.W.J. de Bruijn 27 maart 2020.
In 1974 publiceerde J. Heniger in het Jaarboek Oud-Utrecht het artikel ‘De Roos onder de Linden’ over het huis De Roos, Nieuwegracht 187 naast de ingang van de Oude Hortus (met daarachter vroeger Oudegracht 185).[40] Heniger besteedt ook tamelijk uitvoerig aandacht aan de directe omgeving en haar geschiedenis. Zelfs de parcellering komt hierbij aan de hand van de bronnen gedetailleerd aan bod, wat in Utrecht zeer uitzonderlijk is. Heniger laat de percelen behorende tot het kapittel van Oudmunster echter naar het noorden toe doorlopen tot aan de Eligenstraat, wat vanzelfsprekend niet juist is.[41] Kort hierna heeft hij overigens nog aanvullende informatie verstrekt aan M.A. Fairies over de percelen van Sint-Marie waarin Wolfert van Brederode en Jan van Scorel gerechtigd zijn geweest.[42]
 
Zoals we gezien hebben, verkreeg het klooster op 30 juni 1558 het huis waarin de kloosterkapel gebouwd werd en huurde het mogelijk vanaf die tijd ook het complex van Willem van Diemen ter plaatse van Nieuwegracht 181 en 183, zoals blijkt uit twee akten van 17 maart 1559.[43] In de eerste transporteerde deze voor zichzelf, zijn vrouw Ida Wolfertsdr. en zijn erfgenamen en rechtsopvolgers

die alinge huysinge ende hofstede, van voeren tot afteren, gelegen aende Nygraft neffens over tconvent van sunte Servaes, mitsgaders alsulcken erve, hoff, cameren ende vuytganck daer after aen behoerende, wuijtgaende ende mede forterende (!) (= sorterende?) inde Nystraet, in allen manieren alse Laurens van Rynevelt die selve lest gebruyct heeft ende die pater, mater ende tgemeen convent van Mariënhage voers. op dese tyt (ruimte opengelaten) ende gebruyck syn.

Restant van het gewelf van de kapel van het Arkelklooster
Restant van het houten gewelf van de kapel van het Arkelklooster in het pand Nieuwegracht 165. Foto uit de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 (Utrecht z.j.) 179.


Dat het complex verhuurd was – aan het klooster, tevoren aan Laurens van Rijneveld – blijkt behalve uit het hierboven weergegeven kroniekbericht uit het feit dat Willem van Diemen op 17 maart 1559 niet het goed zelf transporteerde, maar ‘de vrije eigendom’ daarvan. Dit was de gebruikelijke formulering wanneer er altijddurende of tijdelijke rechten van derden op een goed rustten. Deze ‘vrije eigendom’ moet niet verward worden met de eigendom zoals wij die kennen (zie hiervoor bijvoorbeeld de webpagina De middeleeuwen kenden geen eigendom).
 
De andere akte van dezelfde datum 17 maart 1559 betreft de erkenning door het klooster van de overdracht op de last van 7 lood (inderdaad 5 en 2) zilver aan het kapittel van Sint-Marie en verder van 24 karolusgulden per jaar aan de weduwe van Wolfert van Brederode, Marigje Sapeels, en hun beider kinderen. Verder moesten aan Willem van Diemen nog 20 gulden per jaar worden betaald voor het restant van de koopprijs. Deze 20 gulden jaarlijks konden gelost worden met 400 karolusgulden. Het klooster heeft dus de hele koopprijs niet in één keer kunnen betalen.
 
Toen in 1632 het kloosterterrein met uitzondering van de kapel verkocht werd, bleken er ten westen van de kapel twee huizen te hebben gestaan, die beide tot dit complex behoorden. Ten zuiden van de kapel stond een huis dat omschreven werd als
 
de huysinge by Jan Mom bewoont aende suydzyde vande voors. kercke mette gang naest de kercke, zulcx dat de zuydsydelmuyr vande kercke sal gemeen weesen breedt voor aende straet 40 voet tot inde lengte vande kerck ende achter de kerck breedt 44 voeten tot aende gang van dit erff achter t’huysken van Ruijtenberch, lang 131 voeten, in welcke lengte mede comt een gedeelte vant pandt, gelyck t’selve es offgekerft ende breedt aldaer by de gang 42 voeten ende vandaer lang 76 voeten ende breedt 48 voeten, wesende de geheele lengte van vooren tot achteren 256 voeten.
 
Het werd door de bewoner gekocht voor 1200 gulden.[44]
 
Hiernaast stond een huis dat omschreven werd als
 
de huysinge gelegen ten suyden de wooninge die Jan Mom gebruyct, mitsgaders seecker gedeelte vandt pandt gelijck t’selve es affgekerft, met een erff daerachteraen, mitsgaders seecker gedeelte vandt pandt gelijck t’selve es affgekerft, met een erff daerachteraen, breedt voor aen de straet 39 voeten ende achter gelijcke 39 voeten, wesende te samen lang het getimmer ende erve te samen van voren tot achteren 256 voeten, edoch alles in conformite vande gedane offkerningen ende affpalingen aldaer, naer dewelcke den coper hem sal hebben te reguleren.
 
Dit huis werd verkocht aan Jacq Verbeek, die het overdroeg aan oud-schepen Cornelis Knijff voor 800 gulden.[45] De tuin van het klooster aan de westkant van de Lange Nieuwstraat werd verkocht voor 435 gulden aan Willem Knijff, de zoon van Cornelis, die vervolgens de koop aan zich trok.[46]
 
Cornelis Knijff was rentmeester van onder meer het Arkelklooster. Op 18 januari 1639 stelde een andere zoon, Joannes Knijff, dominee in Breukelen, als uitvoerder van het testament van zijn vader voor een schuld die deze als rentmeester nog ten bate van het klooster schuldig was als hypotheek
 
sijne zalige vaders huysinge ende hoffstede, van voren tot achteren, mit allen sijnen toebehooren, aert ende nagelvast, staende ende gelegen aende westsijde vande Nieuwe grachte tegenover Sint Servaes, daer Jan Mom noortwaerts naestgelegen is, streckende voor uytter stadts grachte tot achter ande Nieustraet toe, sulcx sijns comparants vader zaliger d’selve vande heeren regeerders deser stadt als directeurs vande goederen vanden convente van Arckel voors. gecoft ende nagelaten heeft.[47]
 
Helaas wordt de zuidelijke belending niet vermeld. Waarschijnlijk was dit de grond tussen Nieuwegracht 183 en 187, waar twee kameren stonden en zich nu de toegang tot de Oude Hortus van de universiteit bevindt.[48] De huizen van Mom en Knijff zullen dan respectievelijk ter plaatse van de nummers 181 en 183 en de grond ten zuiden daarvan – thans toegangspoort tot de Oude Hortus – hebben gestaan. Zie hierboven.
 
De akten en andere gegevens van rond het midden van de zestiende eeuw maken duidelijk dat zich van noord naar zuid de volgende percelen bevonden:[49]
– de kapel van het Arkelklooster (nu Nieuwegracht 165; de nummers167 tot en met 179 betreffen later gebouwde achterliggende kameren);[50]
– het goed van Jan van Scorel (nu Nieuwegracht 181 en 183;[51]
– het huis De Roos de toegang van de Oude Hortus tot en met Nieuwegracht 187);[52]
– twee erven met huizen en kameren van Griet Hermansdr. (Nieuwegracht 189-191).[53]
 
Op 14 februari 1659 ten slotte werd ook de kapel van het Arkelklooster, nu Nieuwegracht 165, verkocht, samen met het patershuis van het Agnietenklooster, voor 466 gulden aan Rochus Adriaansz.[54]
 
Conclusies
 
Wat heeft het bovenstaande ons aan (nieuwe) gegevens opgeleverd?
 
In de eerste plaats dat Jan van Scorel slechts een beperkte tijd, van 1535/36 tot 1545/46 een klein deel van het hele complex in zijn bezit heeft gehad. Het idee dat hij daar ooit zijn atelier heeft gehad, komt hiermee verder onder druk te staan, of hij moet het deel van het complex dat in het bezit was van Jan Splinter de spiegelmaker en later van de kanunnik Willem van den Broeck en ten slotte Wolfert van Brederode als zodanig gebruikt hebben.

Ik houd het erop dat hij in zijn deel van het complex, gelegen aan de Nieuwegracht 181 en ook het perceel van 183 omvattend, zijn levensgezellin Agatha van Schoonhoven en hun beider tot zes uitgroeiende kinderschaar heeft gehuisvest. Waar ze na 1545/46 hebben verbleven, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Dat zij binnen de immuniteit van Sint-Marie hebben kunnen wonen, acht ik nagenoeg uitgesloten.
 
Het andere deel van het complex, waaruit 5 lood zilver betaald werd, zal aanvankelijk zijn voorkant hebben gehad aan de Lange Nieuwstraat, maar waarschijnlijk is dit veranderd in de Nieuwegracht toen aldaar de hoofdbebouwing werd opgetrokken. Dit kan gebeurd zijn door Wolfert van Brederode, maar misschien ook al door zijn voorganger en kanunnik van Sint-Marie Willem van den Broeck. Diens voorganger Johan Splinter de spiegelmaker heeft mogelijk nog in de Lange Nieuwstraat gewoond.
 
Dit complex omvatte niet het huidige Nieuwegracht 165, maar 181 en 183. De kapel van het klooster werd in het tevoren van Johan Madder aangekochte huis 165 gevestigd. Op de hoek van de Eligenstraat stond nog een ander huis, thans Nieuwegracht 163. Noch het perceel nummer 165 noch 163 heeft tot het erf van Sint-Marie behoord.
 
Al met al heeft mijn onderzoekje enkele problemen min of meer opgelost, maar ook nieuwe vragen opgeroepen, om te beginnen over de bezitsgeschiedenis van het complex, maar bijvoorbeeld ook over de vraag waar het gezin van Jan van Scorel na 1548 heeft gewoond. Het is denkbaar dat zijn levensvriendin Agatha toen was overleden en dat de kinderen elders gescheiden zijn ondergebracht. Mogelijk brengt voortgezet onderzoek in de rijke Utrechtse archieven dat nog eens aan het licht.


© 2020 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 27 maart 2020; laatst bewerkt 27 maart 2020.