Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Een oudere versie van deze webpagina met ongeautoriseerde wijzigingen is opgenomen in de aan Ronald Peeters opgedragen bundel De verbeelding van Tilburg (Tilburg 2016).
Schôon en lillek
De teloorgang van een Tilburgs wevershuis
door Martin W.J. de Bruijn
 

1975. Het Monumentenjaar. In Tilburg wordt op maandag 17 maart begonnen met de sloop van het leegstaande fabriekscomplex Pieter van Dooren. ‘Met vliegende haast’, zoals de plaatselijke krant, Het Nieuwsblad van het Zuiden, het zegt. Het gebeurt vijf dagen nadat b. en w. het besluit tot sloop genomen hebben. De haast is niet toevallig: de gemeente wil op het terrein een nieuw ziekenhuis laten bouwen, maar er ligt een rappport dat de grote monumentale waarde van het complex benadrukt. De gemeenteraad komt nog dezelfde dag bijeen. Een verzoek tot opschorting van de sloop wordt echter met 17 tegen 14 stemmen verworpen. Hiermee is het lot van Pieter van Dooren bezegeld.

Tilburg is sowieso al niet monumenten-minded. Het vrij abrupte verdwijnen van de textielindustrie maakt de sympathie voor historische bebouwing er in die tijd niet groter op. Hoe vaak kon je toen niet horen desse diejen aawe troep mar gaaw moesen oprööme (spelling-Sterenborg). Toch is de onverhoedse sloop van het monumentale fabriekscomplex Pieter van Dooren sommige Tilburgers te gortig. De plaatselijke afdeling van de PPR (Politieke Partij Radikalen, later opgegaan in GroenLinks) neemt het initiatief voor een monumentenverordening met een monumentencommissie die het gemeentebestuur gaat adviseren. Hiermee loopt Tilburg landelijk gezien tamelijk voorop.

De verordening en de commissie komen er snel, al in 1976. Maar dan ontstaan er ook meteen problemen. Want wat moet er wel en wat niet bewaard worden? Een overzicht van de belangrijk geachte historische bebouwing, een monumentenlijst, is er nog niet. Zo moet de commissie vooralsnog ad-hocbesluiten nemen over de behoudwaardigheid van een gebouw. Vaak gebeurt dit wanneer er een sloopvergunning is aangevraagd. Besluit de commissie dat het pand niet op de lijst zal komen, dan is het doorgaans verloren. In een artikel in een themanummer ‘Industrie en monument’ in Actum Tilliburgis. Tijdschrift van de Heemkundekring “Tilborch” (jrg. 9, nr. 2, mei 1978), spreek ik van de afgifte van vogelvrijverklaringen door de monumentencommissie. Het wordt me niet in dank afgenomen, al is het nog zo waar. Of misschien wel juist daarom…

Uiteindelijk komt er een beargumenteerde lijst, waarin de monumenten ook in hun ruimtelijke context worden bezien. Er vinden daarna nog aanvullingen plaats. Van zo’n aanvulling wordt melding gemaakt in een speciaal monumentennummer van Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur (jrg. 7, nr. 2, juni 1989). Als eerste wordt een pand genoemd in de Hasseltstraat, nummer 170.
Aanvulling gemeentelijke monumentenlijst

Ik ken dit karakteristieke huis al vanaf 1954, toen ons gezin in de Hasselt is gaan wonen. Juist in de tijd dat de monumentenbeschrijving wordt gemaakt, houd ik mij, samen met Hub. Ruiter en Ineke Strouken, bezig met de Tilburgse textielgeschiedenis. Centraal staat daarin – na een voorafgaand onderzoek van het ‘fabriekshuis’ Veldhovenring 90-94 – de wijk Hasselt, waar enkele zogeheten wevershuizen bewaard zijn gebleven. Onder zo’n wevershuis wordt het huis van een thuiswever verstaan, een wever die thuis zijn beroep uitoefende. Ook Hasseltstraat 170 blijkt tot die categorie te behoren. Enkele jaren later komt ons verslag uit: Drapiers en buitenwevers. Een onderzoek naar de huisnijverheid in de Tilburgse wollenstoffenindustrie (Utrecht 1992). De term ‘buitenwever’ is de gebruikelijke aanduiding vanuit het perspectief van de fabrikanten. De ‘drapiers’ waren de min of meer zelfstandige voorlopers van deze thuis- of buitenwevers. In de tijd vóór er fabrieken waren, werkten zij voor een ‘koopman van wol en wollen lakens’.

Het grote wevershuis, dat bouwkundig gedocumenteerd is door bouwhistoricus Hub. Ruiter, blijkt heel interessant. Het werd in 1868 gebouwd door de Tilburgse wever Augustinus – in de wandeling ongetwijfeld Guus – de Laat, die later in hetzelfde jaar trouwde met Johanna Catharina van Baest. Beiden hadden zij kinderen uit een eerder huwelijk, die voor een deel nog minderjarig waren. Daarom werd er een volledige beschrijving gemaakt van de goederen die zij in de huwelijksgemeenschap inbrachten (Regionaal Archief Tilburg, Notarieel archief Tilburg 341, nr. 101). Hiermee bezitten we, naast de bouwhistorische documentatie van het pand, onder meer de volledige inventaris van een Tilburgs thuisweversgezin in het derde kwart van de negentiende eeuw.






Achteraanzicht wevershuis
Achteraanzicht van Hasseltstraat 170. Het woongedeelte (links) had aan de achterzijde een kelder/opkamer, met daarnaast de ‘geut’ met een klein raampje daarboven en de achterdeur. De weefkamer (rechts) had vijf ramen voor een goede lichtinval – twee vóór, twee opzij en één achter – en een eigen deur naar buiten. Het veelruitsschuifraam is een reconstructie. Tek. Hub. Ruiter.

Plattegrond wevershuis
Plattegrond van Hasseltstraat 170 naar de opmeting van bouwhistoricus Hub. Ruiter. De weefkamer voor twee weefgetouwen (bijna 8 x 6 m) had een groter oppervlak dan de rest van het huis (ongeveer 8 x 5 m). Tek. Hub. Ruiter.
Zijaanzicht wevershuis
Zijaanzicht van Hasseltstraat 170 met de in oude Tilburgse huizen veel voorkomende praktische deur naar de zolder, die wel de woldeur wordt genoemd, omdat aangenomen wordt dat de wol voor de weefsels op zolder werd bewaard.
In de grote weefkamer stonden twee weefgetouwen, die werden getaxeerd op 20 gulden. Ook ander gereedschap voor het lakenweven werd opgesomd en gewaardeerd. Tuingereedschap, een varken en een geit ontbraken in de inventaris evenmin. Waarschijnlijk is het wevershuis Hasseltstraat 170 het best gedocumenteerde huis van een Tilburgse thuiswever uit de negentiende eeuw.

Helaas moet ik nu zeggen: was. Want bij het begin van het nieuwe millennium staat het huis leeg en is het ernstig in verval geraakt. Eigenaar is een projectontwikkelaar, die het pand wil slopen en dreigt met een schadeclaim wanneer hij daarvoor geen toestemming krijgt. De buurt komt in het geweer, overigens met verschillende motieven. Enkelen hebben oog voor de monumentale waarde van het pand en zijn omgeving, de meesten vrezen vooral schaalvergroting en het daarmee gepaard gaande ontnemen van licht, lucht, uitzicht en privacy. De gemeente vraagt uiteindelijk een advies aan de Monumentenwacht Noord-Brabant. Deze acht herstel niet meer mogelijk. Weer een vogelvrijverklaring door een monumenteninstelling! De gemeente geeft daarop een sloopvergunning af. Het niet beschermde, maar wel beeldondersteunende buurpand Hasseltstraat 172 uit 1877 wordt eveneens gesloopt. In maart 2005, op een koude, heldere voorjaarsavond, sta ik voor een groot gapend gat. Het is dan precies dertig jaar na de sloop van het historische fabriekscomplex Pieter van Dooren.
Groot gapend gat Hasseltstraat
Hasseltstraat 170 en 172 in maart 2005. Op de achtergrond de Hasseltse kerk uit 1898. Dit neogotisch kerkgebouw is ondanks een forse brand wel behouden gebleven en met een nieuwe functie op een smaakvolle manier toegankelijk gemaakt. Vóór de kerk de achttiende- en negentiende-eeuwse bebouwing die de omgeving cultuurhistorisch belangrijk maakt. Foto auteur.
In de bovengenoemde uitgave De verbeelding van Tilburg (Tilburg 2016) eindigt het artikel met een opdracht aan Ronald Peeters, die door de redactie van het boek zonder mijn toestemming inhoudelijk verminkt is. De juiste tekst luidt:

‘En hiermee kom ik op de persoon aan wie dit boek is opgedragen. Decennialang heeft heeft hij Tilburg – zijn ruimtelijke geschiedenis en de geschiedenis van zijn bewoners – visueel gedocumenteerd. Mede aan de hand van het door hem verzamelde, beschreven en voor een deel ook gepubliceerde beeldmateriaal blijft de stad een blik in haar verleden behouden en kan zij er zich des te beter rekenschap van geven, van schôon én lillek…’


Bijlage

Inventaris de dato 25 april 1868 van het wevershuis van de weduwnaar Augustinus de Laat en dat van zijn bruid, de weduwe Johanna Catharina van Baest (in deze akte ten onrechte Van Baast genoemd).

Regionaal Archief Tilburg, Notarieel archief Tilburg 341, nr. 101.

     Voor Josephus Antonie Daamen, notaris residerende te Tilburg, arrondissement 's Hertogenbosch, provincie Noord‑Brabant, in tegenwoordigheid der natenoemen getuigen, compareerden
     A.1. Augustinus de Laat, weduwnaar van Engelina van Sprang, wever, zoo voor zich, als in hoedanigheid van vader en wettige voogd over de minderjarige kinderen uit gedacht huwelijk, met namen: Hendrica, Johanna, Johanna Catharina, Augustinus Alphonsus, Johanna Maria en Josephus; 2. Johannes de Laat, meester‑knecht; 3. Cornelis de Laat, wever; 4. Adriaan de Laat, wever; 5. Adriaan van Sprang, bakker, in hoedanigheid van toeziende voogd over bovengenoemde minderjarigen;
     B.1. Johanna Catharina van Baast, weduwe van Peter Kouwenberg, zonder beroep, zoo voor zich als in hoedanigheid van moeder en wettige voogdes over hare minderjarige kinderen uit gedacht huwelijk, met namen Catharina, Wilhelmina, Johannes, Dionisius en Adriana; 2. Peter Mommers, van beroep wever, in hoedanigheid van toeziende voogd over laatstgenoemde minderjarigen, alle de comparanten wonende te Tilburg en aan mij notaris bekend;

    
En verklaarden de comparanten Augustinus de Laat en Johanna Catharina van Baast met elkander een huwelijk te willen aangaan en naar artikel 407 van het Burgerlijk Wetboek een staat of beschrijving en waardering der goederen, welke door hen in gemeenschap met de overige comparanten bezeten worden, te doen opmaken;

    
Mitsdien verklaren de comparanten, dat zij tot deskundigen ter waardering van gedachte goederen hebben benoemd Gerardus van den Hout, steenbakker, wonende te Tilburg, hierbij mede comparerende en aan mij notaris bekend, vooraf beëedigd in handen van het Kantongeregt te Tilburg, van de waardeering te zullen doen naar beste kennis en wetenschap, die verklaarde de navolgende goederen te hebben gevonden en daaraan de waarde te hebben toegekend als volgt:
 
           In de huizinge bewoond door Augustinus de Laat, aan de Hasselt:

     In de keuken een bed met toebehooren, geschat op vijftien gulden   f. 15,00
eene klok, op tien gulden   10,00
twee tafels, op een gulden vijfenzeventig cent   1,75
vijf stoelen, op een gulden vijftig cent  1,50
een kastje, op vijf gulden  5,00
een spiegel, op vijftig cent  0,50
schilderijen, op twee gulden   2,00
glas en aardewerk, op twee gulden   2,00
lampen, op een gulden vijftig cent  1,50
bedgordijnen en schoorsteenkleed, op twee gulden vijftig cent   2,50
een ijzeren ketel, op vijftig cent   0,50
een fornuis, op twee gulden   2,00
crucifix, op vijfentwintig cent   0,25
acht paar lakens, op tien gulden   10,00
negen handdoeken, op twee gulden vijftig cent   2,50
parapluie, op een gulden  1,00
aarden potten, op een gulden  1,00
aan vet en spek, eene waarde van zeventien gulden vijftig cent  17,50
potten en flesschen, op een gulden  1,00
gordijnen, geschat op vijftig cent  0,50

     Op de goot en in den kelder
ijzeren ketel, op een gulden vijftig cent    1,50
twee koffijketels, op twee gulden    2,00
tinnen schotel, op vijfenzeventig cent   0,75
twee emmers, op een gulden vijfenzeventig cent  1,75
tien stuks lepels, op vijftig cent   0,50
borden en aarden potten, op een gulden  1,00
koperen ketel, op twee gulden vijftig cent    2,50
waschtobbe, op twee gulden vijftig cent   2,50
negen stuks vorken, op vijfentwintig cent   0,25
aardappelen, ter waarde van tien gulden   10,00
twee blikken en rommel, gewaardeerd op dertig cent   0,30

    
Op den zolder, aan kaardebollen, een waarde van tien gulden  10,00
een bed met toebehooren, geschat op zes gulden  6,00
spoel, op vijfentwintig cent    0,25
aan lijmvleesch, ter waarde van een gulden  1,00
stokvisch, op een gulden  1,00
 
   
In de weefkamer, twee weefgetouwen, geschat op twintig gulden   20,00
twee spoelgetouwen, op twee gulden vijftig cent   2,50
scheerraam en scheerijzer, op een gulden   1,00
kagchel, op twee gulden vijftig cent   2,50
drie vogelkooijen, op een gulden vijfentwintig cent   1,25
twee kisten, op vijftig cent    0,50
een bed, met toebehooren, op zes gulden   6,00
vier stoelen, op een gulden    1,00
tafel, op zeventig cent    0,70
zak met zemelen, op een gulden vijfentwintig cent   1,25
aan aardappelen, ter waarde van zes gulden    6,00
een bed, op drie gulden   3,00
twee lampen, op een gulden   1,00
een handboom, op vijftig cent     0,50
bedgordijnen, op drie gulden    3,00
evenaar, op een gulden   1,00
trommel en mandenwerk, op een gulden    1,00
dissel en boor, op vijftig cent    0,50

    
In het schop, een varken, geschat op twintig gulden    20,00
eene geit, op vier gulden    4,00
twaalf stuks droogkrukken, op drie gulden    3,00
schop en riek, op een gulden vijftig cent   1,50
kruiwagen, op vijf gulden   5,00
rommel, ter waarde van een gulden  1,00
 
           In de huizinge bewoond door de comparante Johanna  Catharina van Baast: 

    
In de keuken, een kabinet, geschat op acht gulden   8,00
klok, op twaalf gulden    12,00
kastje, op drie gulden     3,00
bed met toebehooren, op vijftien gulden    15,00
zeven schilderijen, op vijftig cent   0,50
trommel, op vijfentwintig cent   0,25
drie koperen ketels, op twee gulden vijftig cent    2,50
theepot en waterstoof, op een gulden vijftig cent    1,50
peperbus en zoutvat, op vijftig cent     0,50
aarden borden en kommen, op een gulden vijftig cent    1,50
lamp, op vijftig cent    0,50
twaalf handdoeken, op een gulden vijftig cent   1,50
twee potten met vet, op drie gulden    3,00
aarden potten, op vijftig cent    0,50
haal en lenghaal, op een gulden en vijftig cent   1,50
hangijzer en pan, op vijftig cent    0,50
tang en schup, op vijftig cent      0,50
hakmes, op vijfenzeventig cent   0,75
vier ijzeren ketels, op drie gulden    3,00
een blik, op vijfentwintig cent     0,25
een blik, op vijfentwintig cent     0,25
twee tafels en zes stoelen, op drie gulden    3,00
achttien beddelakens, op acht gulden    8,00
servet met tafellaken, op vijftig cent   0,50
twee stoven, op vijftien cent   0,15
bedgordijnen, op een gulden vijftig cent   1,50

    
Op de goot, twee emmers, op vijfenzeventig cent    0,75
negen lepels met rek en negen vorken, op een gulden   1,00
potten en borden, op een gulden  1,00
 
   
Op de opkamer, een bed met toebehooren, op een (sic) gulden   6,00
eene sprei, op vijftig cent     0,50

    
Op den zolder, een scheerraam met scheerijzer, op een gulden
vijfentwintig cent   1,25
aan kaardebollen, eene waarde van drie gulden   3,00
eene spoel, op vijftig cent   0,50
een gieter, op vijftig cent   0,50

    
In het weeflocaal, twee getouwen, op dertig gulden     30,00
drie spoelgetouwen, op drie gulden vijfenzeventig cent    3,75
evenaar, op vijftig cent    0,50
kagchel, op drie gulden    3,00
timmermansgereedschap, op een gulden   1,00
twee lampen, op een gulden   1,00
eene bijl, op vijfenzeventig cent      0,75
aan mandenwerk, eene waarde van vijftig cent    0,50
aardappelen, ter waarde van drie gulden vijftig cent    3,50
trommel, op vijftien cent    0,15
stoop met olie, op vijfentwintig cent   0,25

    
In het schop, een schaap, op twaalf gulden   12,00
kruiwagen, op drie gulden   3,00
elf stuks droogkrukken, op een gulden   1,00
brandhout, op twee gulden    2,00
stroo, ter waarde van een gulden    1,00
koperen ketel met lijmvleesch, op vijf gulden    5,00
een waschstoel en rommel, ter waarde van zestig cent    0,60
 
   
De comparante Johanna Catharina van Baast verklaart dat tot den boedel in gemeenschap met hare minderjarige kinderen behooren de navolgende onroerende goederen: onder de gemeente Tilburg, Kraaiven, Sectie H, nummer 404, hof, groot negen roeden tachtig ellen; 405, huis, schop en erf, groot twee roeden vierentwintig el, mitsgaders een perceel dennenbosch ter plaatsche Loonsche heide, sectie F, nummer 1551, groot vierennegentig roeden veertig ellen, en verklaarde zij en de toeziende voogd over hare minderjarige kinderen dat daartoe mede behooren de volgende schulden:
aan Dionisius van Baast, honderd gulden wegens geleend geld,
renteloos    100,00
aan Nicolaas van Loon, honderd gulden, geleend geld
ad vier procent     100,00
aan Cornelis van Iersel, vijftig gulden, geleend geld,
ad vier procent      50,00
aan Cornelis Brok, veertig gulden, geleend geld,
ad vier procent     40,00
aan Cornelis van Baast, elf gulden   11,00
aan doctor Barning, kosten der laatste ziekte,
achtenzestig gulden    68,00
     Totaal passief: driehonderdnegenenzestig gulden   369,00
     Totaal actief:  honderddrieënvijftig gulden vijfenzestig
cent   f. 153,65
     Waarvan acte.

    
Aldus gedaan en verleden te Tilburg den vijfentwintigsten april achttienhonderd achtenzestig, in tegenwoordigheid van Josephus Willem Barend Kerstens en Woutherus van Oosterhout, beide candidaat‑notaris, wonende te Tilburg.

    
Vervolgens is deze door de comparanten, de getuigen en mij notaris onmiddellijk na voorlezing geteekend, met uitzondering van Augustinus de Laat en Johanna Catharina van Baast, die verklaarden niet te kunnen naamtekenen
.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2016. - Gepubliceerd 13 september 2016; laatst bewerkt 13 september 2016.