Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen op deze webstek de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht. Het Wanthuis Scharlaken (Choorstraat 1-5)
door Martin W.J. de Bruijn



























Choorstraat noord plattegrond
Huisnummerplattegrond van het noordelijk deel van de Choorstraat (Utrechts Documentatiesysteem).

Choorstraat minuutplan sectie C
Detail van het kadastraal minuutplan van de gemeente Utrecht, sectie C, met de Stadhuisbrug en de Choorstraat (Onder de Lakensnijders). Het geeft de situatie van 1 oktober 1832 weer. De percelen 1283, 1282 en waarschijnlijk ook 1281 (later Choorstraat 5, 3 en 1, vormden al in de dertiende eeuw het zogeheten Wanthuis Scharlaken.



[1] C.A. de Kruyff, ‘Het gerecht van de graven van Holland binnen Utrecht’, Utrechtsch Jaarboekje 1897, 265-277. Deze auteur trekt daarin overigens foute conclusies met betrekking tot de omvang van dit gerecht (zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 380-384).

[2] A.F.E. Kipp, ‘Choorstraat 7-9’, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1982, 43-46, ald. 44. In ‘Choorstraat, riolering’, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1989, 27-28, maakt Kipp melding van een waarneming vóór Choorstraat 4 – dit wil zeggen tussen dit perceel en Choorstraat 3 (Kipp nummert daar overigens ten onrechte alleen 5) – en zegt dat zich daar geen straatkelder bevond. Hij plaatst echter een omcirkelde A vóór Choorstraat 6 en zal dit ook wel bedoeld hebben, gezien het feit dat daar in zijn kelderplattegrond geen doorgangen zijn afgebeeld. Indien dit laatste juist is, bevonden de doorgangen naar de gracht zich onder Choorstraat 4. Kipp maakt melding van de aanwezigheid van zeer oud muurwerk, dat waarschijnlijk tot deze kelder en doorgang heeft behoord. De plattegrond laat ook tamelijk dik muurwerk tot aan de gracht zien.

[3] Kipp, ‘Choorstraat 7-9’. Over de beperkingen van dergelijke reconstructies zie de webpagina Is meten altijd weten?

[4] HUA, Topografische Atlas Na 1.1, thans waarschijnlijk de nrs. 403662 en 403663 (foto’s van respectievelijk 1 mei en 27 maart 1931 door E.A. van Blitz en Zn. van de bouwput van Choorstraat 3 en 5). Ik kan er met de beste wil van de wereld niet het tongewelf uithalen dat A.F.E. Kipp gereconstrueerd heeft. Mogelijk heeft hij over meer aanwijzingen beschikt, maar die worden in zijn bijdragen niet vermeld, laat staan geannoteerd.

[6] HUA, Stad I, 705 (nj. 1552) blz. 33-38, ald. 35.

Inleiding

Elders op deze webstek heb ik uiteengezet dat de oude Utrechtse handelsnederzetting Stathe zich bevonden heeft ten westen van de burcht tussen de huidige Steenweg en Oudegracht (zie de webpagina De vicus Stathe in Utrecht). Aan de oostzijde van deze koopliedenwijk, bij de bisschoppelijke burcht, bevond zich al heel vroeg een noord-zuid lopende straat die Onder de Lakensnijders werd genoemd. Het gaat hierbij om het noordelijk deel van de tegenwoordige Choorstraat, het gedeelte tussen de Steenweg en de Stadhuisburg.

De oudste bebouwing bevond zich aan de westkant van de straat. Vanhieruit liep oorspronkelijk een zacht hellend talud naar beneden toe, en wel naar een gracht die de verbinding vormde tussen rivierarm van de Rijn in het noorden en de westelijke burchtgracht in het zuiden. Aan de oostkant van deze gracht bevond zich in ieder geval al in de twaalfde eeuw de Vismarkt, aan de westelijke minstens in het begin van de dertiende eeuw de markt waar wijn werd verkocht. Later verrees hier bebouwing als uitbreiding van de bebouwing aan de westzijde van de straat Onder de Lakensnijders. De meeste huizen aan de westzijde kregen kelders onder de straat en onder de nieuwe bebouwing aan de oostzijde naar de gracht toe.

Aan de westzijde van de straat stond al in het begin van de dertiende eeuw het zogeheten Wanthuis Scharlaken, waar ‘laken’ of ‘gewand’, wollen stoffen, werden verkocht. Het gebouw wordt in de bronnen gesitueerd tussen Nieuwenhuis aan de zuidkant en het huis Damaleidis, later Hemelrijk, aan de noordkant.

Gegevens uit archeologie en bouwhistorie

Er doet zich echter een probleem voor bij de situering, namelijk de vraag of het latere Choorstraat 1 behoorde tot het perceel van Scharlaken of tot het noordelijk naastgelegen Hemelrijk (Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel). In een artikel uit 1897[1] voegde A.C. de Kruyff dit perceel bij het laatstgenoemde huis. Maar opmerkelijk is dat bij de invoering van het kadaster in 1832 het achterste deel van het perceel gelegen was achter Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel (kadastraal minuutplan Utrecht, sectie C, nr. 1284 achter sectie C, nr. 1285). Dit pleit ervoor dat dit hele perceel Choorstraat 1 oorspronkelijk deel uitmaakte van het complex Scharlaken. Er is nog een ander argument: achter de percelen Choorstraat 15 (C1277) tot en met 1 (C1285) lag een gang die volgens de bronnen toegang gaf tot het huis Hemelrijk. Volgens het kadastraal minuutplan liep deze gang door tot aan het zuidelijk deel van Stadhuisbrug 5 (C1286) en niet slechts tot aan Choorstraat 1 (C1285). Ook dit pleit ervoor dat het huis Hemelrijk alleen Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel omvatte. Verder stond de kelder van Choorstraat 3-5 – hierover zo meteen meer – door middel van twee doorgangen rechtstreeks in verbinding met die van het noordelijk naastgelegen Choorstraat 1.[2] Een laatste argument voor de veronderstelling dat Choorstraat 1 tot het Wanthuis Scharlaken behoorde is dat, zoals we zullen zien, Hemelrijk in de bronnen altijd aan de Plaats (Stadhuisbrug) gesitueerd wordt en Scharlaken altijd Onder de Lakensnijders (Choorstraat).

Echter, volgens de reconstructie door bouwhistoricus Frans (A.F.E.) Kipp van de gevelwand met de zich daaronder bevindende kelders,[3] vervaardigd mede aan de hand van een afbeelding in de Topografische Atlas van Utrecht in Het Utrechts Archief,[4] zou Choorstraat 1 (C1285) een keldergewelf ter breedte van dit perceel hebben gehad en Choorstraat 3 en 5 (C1284 en C1283) samen één keldergewelf ter breedte van beide percelen. Dit laatste zou dan corresponderen met de vermeldingen van het vroegere Wanthuis Scharlaken, waarvan de ‘bovenste’, dit wil zeggen de zuidelijke helft (Choorstraat 5; C1283) aan het kapittel van Sint-Jan behoorde. Later bevond zich daar het huis Klein Scharlaken, terwijl Choorstraat 3 (C1284) dan Groot Scharlaken zou zijn geweest. Dat Choorstraat 1 deel uitmaakte van het huis Hemelrijk zou ook nog kunnen worden afgeleid uit het feit dat ertegenover, Choorstraat 2, het huis De Hel lag, een aardige combinatie.[5]

Wat hier ten slotte ook nog denkbaar is, is dat het betrekkelijk smalle perceel Choorstraat 1 aanvankelijk niet bebouwd was en als zijplaats bij het Wanthuis Scharlaken fungeerde. Dergelijke zijplaatsen kwam men ook elders in Utrecht wel tegen. In de hierna nog te behandelen overdrachtsakte van 30 juni 1552 wordt gezegd dat Groot Scharlaken mit eenen ganck ingaende was.[6]

Mogelijk kan nader onderzoek over een en ander nog eens meer duidelijkheid verschaffen, al moeten we daar ook niet te veel van verwachten. Vanaf 1930 is ter plaatse gesloopt en opnieuw gebouwd voor de uitbreiding van Vroom & Dreesmann, inmiddels ook geschiedenis, waarbij naar het lijkt slechts bescheiden archeologische waarnemingen zijn gedaan.

Choorstraat noord kelderplattegronden
Het noordelijk deel van de Choorstraat met een reconstructie van de kelderplattegronden door A.F.E. Kipp (grijs de straatkelders). Choorstraat 5 moet zijn: Choorstraat 3-5. De kelder links van 6 ligt onder Choorstraat 4. Helaas is de kelderplattegrond van Choorstraat 1, met daartegenover Choorstraat 2, slechts ten dele afgebeeld. Tek. A.F.E. Kipp.
Choorstraat 1870
Onderaan de afbeelding, omstreeks 1870 gemaakt vanaf de Domtoren in noordwestelijke richting, de westzijde van de Choorstraat van zuid naar noord. Helemaal rechts het brede pand Stadhuisbrug 5, oorspronkelijk bestaande uit drie percelen: van links naar rechts Het Hemelrijk (C1286), De Goudenberg (C1287) en De Liebaard (C1288). Links daarvan de drie betrekkelijk smalle percelen Choorstraat 1, 3 en 5 (C1285, C1284 en C1283), die waarschijnlijk oorspronkelijk samen het Wanthuis Scharlaken vormden. Weer links daarvan het nog steeds bestaande Choorstraat 7, Nieuwenhuis (C1282). Aquarel van W.C. van Dijk.
Choorstraat westzijde vooraanzicht
Reconstructie van de doorsnede van Choorstraat westzijde en Stadhuisbrug westzijde (met deels gecorrigeerde huisnummers). In het midden de percelen van het Wanthuis Scharlaken (Choorstraat 1-5). Tek. A.F.E. Kipp.
Hiernaast mijn voorlopige identificatie van de percelen met hun bebouwing aan de westkant van de Stadhuisbrug en de Choorstraat met de (deels voormalige) huisnummers, de nummers van het kadastraal minuutplan uit 1832, gemeente Utrecht, sectie C, en verder de huisnamen. Er bestaat in de literatuur nogal verwarring over de parcellering en de huisnamen. Daar ga ik hier niet gedetailleerd op in. Voor meer recente gegevens over deze percelen en hun bebouwing verwijs ik naar het Utrechts Documentatiesysteem, dat de onderzoeker in zijn algemeenheid veel mogelijkheden voor de situering van historische huizen en erven in Utrecht biedt.




Choorstraat 1-5 opgraving 1

Choorstraat 1-5 opgraving 2
Foto's van 1 mei 1931 van de sloop en opgraving vóór de bouw van het nieuwe gedeelte van Vroom en Dreesmann ter plaatse van het Wanthuis Scharlaken (Choorstraat 1-5). Als historicus kan ik er, anders dan bouwhistoricus A.F.E. Kipp, geen kelderplattegronden uit afleiden.


Choorstraat Vroom&Dreesmann circa 1932
Het nieuwe gebouw van Vroom & Dreesmann circa 1932, waarin aan de zuidkant (links) opgenomen zijn de percelen van het Wanthuis Scharlaken (Choorstraat 1-5). Links daarvan het nog bestaande Choorstraat 7 (Nieuwenhuis), waarvan de kap inmiddels verdwenen was.


[7] Zie ook M.W.J. de Bruijn, ‘Over het Wanthuis Scharlaken’, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1991-1992, 49.

[8] HUA, St.-Jan 395-1 (afgedrukt in Oorkondenboek van het Sticht Utrecht [OSU] II, nr. 772: area que sita est in foro ubi vinum vendi solet.




[9] HUA, St.-Jan 395-2 (OSU IV, nr. 1823: domo et area sitis in Traiecto inter Niwenhus ex una parte et domum Damaleydis ex altera.


[10] Zie Kipp, ‘Choorstraat 7-9’, 43-44.












[11] OSU IV, nr. 2082: tertiam partem hereditatis ipsius Jacobi site inter bona que Lubbertus de Alta platea tenet a domino de Kuc ab una parte et novum wanthus ab altera parte. Over die goederen, het tijnsgoed en tijnsgerecht Onder die Grawe Snider, zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 380-385. Zie ook op deze webpagina noot 18.

[12] HUA, St.-Jan 395-3: superiorem medietatem domus et aree dictarum vulgariter Scarlaken, sitarum in civitate Traiectensi in vico ubi panni lanei vendentur inter domum dictam Niwenhus ex una parte et novum domum lapideam quam construi fecit dominus Fredericus Zoudenbalch, scabinus Traiectensis, ubi Daem Aleydis quondam morabatur, ex altera, ad decanum et capitulum ecclesie sancti Iohannis Traiectensis et eorum ecclesiam cum omnibus cistis pannorum in eadem medietate domus et aree predictarum iure proprio pertinere.



[13] Zie M.W.J. de Bruijn en C.J.C. Broer, Volc te voet. Gevolgen van de Guldensporenslag voor de opkomst van de burgerij in de Noordelijke Nederlanden (Utrecht 2002) 36-50.

[14] HUA, St.-Jan 395-4.

[15] HUA, St.-Jan 395-5: Officialis Traiectensis universis ad quos presentes litteras pervenerint significamus quod constitutus coram nobis in iudicio pro tribunali sedentibus Venbertus de Compostelle, filius domini Iacobi de Compostelle, civis Traiectensis, recognovit et confessus fuit pro se et suis heredibus se recepisse a decano et capitulo ecclesie sancti Iohannis Traiectensis de domo et area sitis in Traiecto inter Nyenhuus ex una parte et superiori et domum heredum domini Frederici dicti Zoudenbalch, quondam scabini Traiectensis, ex altera et inferiori, cuius domus et areee superior medietas ad eos et eorum ecclesiam ratione dominii pertinet, unam partem dicte medietatis aree, cistam seu locum ciste continentem, ita quod cista sive locus ciste solummodo ad unum dividetur?, sub annuo pacto triginta solidorum bonorum Turonensium, grosso regio pro duodecim denariis computato, ipsis solvendorum pro una dimidietate in nativitate sancti Iohannis baptiste et pro alia in nativitate Domini subsequente, ita quod infra octavas facta sit hec solutio, alioquin elapso termino predictus Venbertus et sui heredes cadent ab omni iure, et tunc illa cista, suus locus ciste sic vacans ad liberam ordinacionem decani et capituli libere revertetur pro eorum beneplacito disponenda. Et si predictum Venbertum mori contigerit, tunc senior heres vel qui nominatus fuerit cistam sive locum ciste libere possidebit qui acquiret eam pro tredecim denariis Angliensium legalium denariorum a decano et capitulo post obitum patris sui infra mensem, ita quod cista sive locus ciste a quolibet herede pro tredecim denariis Angliensibus acquiratur. Et si senior heres vel qui nominatus fuerit cistam sive locum ciste infra mensem non acquisierit a decano et capitulo sicut est predictum, extunc cadet a pacto et dicta cista sive locus ciste sic ipsis vacans ad liberam ordinacionem eorum ecclesie libere revertetur. Si eciam quacumque causa in parte vel in toto, quantum eos et eorum ecclesiam contigerit, eadem domus perierit, tunc predictus Venbertus et sui heredes ad quem cista sive locus ciste fuerit devoluta, eam proportionaliter restaurabit suis laboribus et expensis. Et si dicta area vacua sive nuda fuerit, nichilominus prefatus Venbertus et sui heredes ad quem cista sive locus ciste sicut est predictum fuerit devoluta, ipsis de pensione integra annis singulis respondebit.

[16] HUA, St.-Jan 395-6.

[17] Opgenomen in een recognitieoorkonde van 1328.02.04 (HUA, St.-Jan 395-7).

[18] HUA, St.-Jan 169-1, f. 17: Nos decanus et capitulum ecclesie sancti Iohannis Traiectensis per presentes facimus manifestum quod ex domo dicta Scaerlaken, sita in civitate Traiectensi inter Pannicidas, tytulo locationis concessimus ad quinque annos a festo nativitatis Cristi! proximo futuro computandos Iohanni de Elten, civi Traiectensi, tres cistas ad pannos habendos, prout sors dederit, secundum consuetudinem dicte domus, in latere videlicet ad nos pertinente, pro annua pensione, scilicet tribus libris, septem solidis et sex denariis bonorum pecunie in civitate Traiectensi pro tempore communiter usualis, nobis seu camerario nostro singulis annis ipso die nativitatis beati Iohannis babtiste persolvendis. In qua solutione si dictus Iohannes negligens inveniretur, extunc cadet ab omni iure in ipsis cistis ex locacione huiusmodi a nobis acquisito, disponendis ulterius ad libitum nostre voluntatis. Nichilominus de pensione detenta nobis tenebitur respondere. Insuper est adiectum quod si infra terminum huiusmodi locacionis partem nostram in dicta domo venderemus, extunc absque aliqua contradictione dicta locatio vigorem amplius non habebit.
In een leenverhef uit 1290/91 van het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders wordt gesproken van twusschen Grausniders (Nationaal Archief, Graven van Holland 2118, f. 149v.), op 24 april 1327 van Onder die Grawe snider (Graven van Holland 402, f. 22v.). Onder die Lakensnider vermeldt al een oorkonde van de graaf van Holland van 15 mei 1351 (HUA, Stad I, 392-1).

[19] HUA, St.-Jan 169-1, f. 64. Op dezelfde datum gaven Willem en Gijsbrecht een recognitieoorkonde voor de drie wantkisten af (HUA, St.-Jan 395-11).

[20] HUA, St.-Jan 395-12.

[21] HUA, St.-Jan 395-13.

[22] HUA, St.-Jan 395-8.

[23] HUA, St.-Jan 395-9 en 395-10.

[24] HUA, St.-Jan 149-1 (rek. grote kamer 1379-1436), ontv. 1379/80, f. 1: Erenbertus Pellencussen de cista in Scarlaken XVIII s. III d.



[25] HUA, St.-Jan 169-2, f. 103v.-104.


[26] Ald., ontv. 1380/81, f. 9: (doorgehaald: Item Erenbertus Pellencussen) de cista in Scarlaken XVIII s. III d. Amplius Henricus Splinter de meditate! domus et aree dicte Scarlaken marcham argenti.


[27] Item Iohannes de Blochoven et Scade Dul! de tribus cistis in Scarlaken VI loet cum dimidio argenti ‑ ‑ ‑. Item idem Iohannes et heredes Andree de Damasco de duabus cistis XX s. Bij deze laatste twee posten in de kantlijn ...... non? debentur.



[28] De middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht I, uitg. S. Muller Fz. (’s-Gravenhage 1883) 141-142.
Stadhuisbrug 2       (C1291) De Engel/De Trip
Stadhuisbrug 3       (C1290) Koekenkelnaer/De Kemel
Stadhuisbrug 4       (C1289) De Pelikaan
Stadhuisbrug 5 n.   (C1288) De Liebaard
Stadhuisbrug 5 m.  (C1287) De Goudenberg
Stadhuisbrug 5 z.    (C1286) Het Hemelrijk
Choorstraat 1          (C1285) behoorde ofwel bij Het Hemelrijk ofwel bij Groot Scharlaken
Choorstraat 3          (C1284) Groot Scharlaken/Het Kindje
Choorstraat 5          (C1283) Klein Scharlaken/Het Klein Kindje
Choorstraat 7          (C1282) Nieuwenhuis/De Keizer
Choorstraat 9          (C1281) De Munt/De Kleine Keizer
Choorstraat 11 n.    (C1280) De Bonte Mantel met De Oude Spiegel
Choorstraat 11 z.    (C1279) ten onrechte Klein Stegenberg genoemd
Choorstraat 13        (C1278) Groot Stegenberg
Choorstraat 15        (C1277) Klein Stegenberg

Choorstraat 1-5 in 2018
Een deel van Stadhuisbrug 5 (rechts) en Choorstraat 1-5, nu 3 (links), in 2018. Hoewel de bebouwing is opgenomen in één gevel, vroeger van Vroom & Dreesmann, begint de Choorstraat nog steeds pas voorbij het bordje van Broese Boekverkopers. Er is nu ter plaatse van het voormalige Choorstraat 1-5 een afzonderlijke winkel in gevestigd, Guts & Gusto, eerder Mobach, met als adres Choorstraat 3. Rechts daarvan bevond zich het tot de Stadhuisbrug (Plaats) behorende huis Het Hemelrijk (vóór 1930 Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel). Helemaal links de voorgevel van Choorstraat 7 (vroeger Nieuwenhuis). Hierin zijn nog tufstenen resten aangetroffen die uit de eerste helft van de twaalfde eeuw zouden dateren. Wanneer die datering juist is, mag dit huis tot een van de oudste stenen huizen van Utrecht worden gerekend. Foto M.W.J. de Bruijn 2018.

Gegevens uit de geschreven bronnen

Veel meer oude gegevens dan uit de archeologie en bouwhistorie vinden we in de geschreven bronnen.[7] Het oudste schriftelijke gegeven over het Wanthuis Scharlaken dateert van 15 november 1227, toen door het kapittel van Sint-Jan werd erkend dat Dirk, hun vroegere deken, voor 40 schellingen per jaar een huiserf aan de Wijnmarkt (area que sita est in foro ubi vinum vendi solet) in erfelijke pacht had gegeven aan Berner en zijn vrouw Ida.[8] Uit het feit dat het perceel gesitueerd werd aan ‘de markt waar gewoonlijk wijn werd verkocht’, kan worden afgeleid dat de bebouwing ertegenover, tussen de straat en de gracht, er toen nog niet was.

Op 11 maart 1272 gaf het kapitttel ‘de bovenste helft’ van het huis en erf, welke helft aan het kapittel toebehoorde, voor 2 pond (= 40 schellingen) in erfelijke pacht aan vier personen: Arnoud Pandekin, Abraham van Compestelle, Jan Jacobsz. van Compestelle en Govert van der Vismarkt. Hoogstwaarschijnlijk betrof het hier zogeheten wantsnijders, detailhandelaren in laken. Als situering van het pand werd opgegeven: tussen Nieuwenhuis en het huis van Daam Aleidsz. (domum Damaleydis).[9] Zoals we zullen zien werd met het laatstgenoemde toen het latere huis Hemelrijk aangeduid, terwijl Nieuwenhuis het latere Choorstraat 7 was, een zeer oud stenen huis, dat op basis van teruggevonden tufstenen muurwerk op de eerste helft van de twaalfde eeuw is gedateerd.[10]

Opmerkelijk is de aanduiding ‘bovenste helft’. We zullen zien dat in jongere oorkonden gesproken wordt van ter halver kappe. Er was dus ook een ‘benedenste helft’, maar daarover heb ik geen enkel gegeven van vóór de zestiende eeuw gevonden. Wel zal blijken dat aan de functie van wanthuis nog in de veertiende eeuw een eind is gekomen.

In een oorkonde van 31 oktober 1281 wordt van een perceel (Choorstraat 7-9) gezegd dat het gelegen was tussen de goederen die Lubbrecht van der Hogerstraten van de heer van Cuijck in leen hield (dit wil zeggen Choorstraat 11-15) en ‘het nieuwe wanthuis’.[11] Dit kan erop duiden dat er ook een ouder wanthuis is geweest, maar strikt genomen hoeft dat niet. Er kan ook bedoeld zijn dat het wanthuis nog maar kort bestond.

Op 5 mei 1309 erkende Veembrecht van Compestelle dat de bovenste helft van het huis en erf gewoonlijk geheten Scarlaken in de straat waar wollen lakens werden verkocht aan het kapittel van Sint-Jan toebehoorde en dat hij daar geen enkel recht op had. Hieruit blijkt dat er toen onenigheid bestond over de rechtstoestand van het gebouw. Als situering werd ook nu weer Nieuwenhuis (Choorstraat 7) opgegeven en aan de andere zijde het nieuwe stenen huis dat de Utrechtse schepen Frederik Zoudenbalch had laten bouwen, waar Daam Aleidsz. eertijds gewoond had (Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel). Veembrecht beloofde zich te zullen houden aan wat het kapittel hem zou opdragen met betrekking tot de lakenkisten aldaar die hij jarenlang zonder titel in bezit had gehad.[12]  Met dat nieuwe stenen huis van Frederik Zoudenbalch zal dus waarschijnlijk het huis Hemelrijk ter plaatse van Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel bedoeld zijn en al dan niet Choorstraat 1.

Verder werd in de oorkonde vermeld dat de bovenste helft van Scharlaken met eigen recht (proprio iure) aan het kapittel toebehoorde. Het is denkbaar dat er een poging is gedaan om dit recht aan het kapittel te ontfutselen en dan kan gedacht worden aan de volksopstand die er in Utrecht na de Guldensporenslag in 1302 was uitgebroken. Hierbij hadden de Utrechtse ambachtsgilden de macht gegrepen en in 1304 de eerste zogeheten ‘Gildenbrief’ afgedwongen. De afwikkeling van de opstand en het herstel van de orde in Utrecht door bisschop Guy van Avesnes heeft tot 1310 geduurd.[13]

De betrokkenheid van de Compestelles bij het Wanthuis Scharlaken blijkt verder ook uit een akte van hetzelfde jaar 1309, en wel van 23 mei. Daarin erkende Nicolaas van Compestelle voor het kapittel als rechtbank dat hij geen recht had op de genoemde bovenste helft van het huis en dat hij zich zou houden aan de voorschriften van het kapittel met betrekking tot twee lakenkisten waarover onenigheid was ontstaan.[14]

Op 10 maart 1311 erkende de Utrechtse burger Veembrecht van Compestelle, zoon van heer Jacob van Compestelle, dat hij van deken en kapittel van Sint-Jan voor 30 schellingen Tours per jaar, half te betalen op Sint-Jan de Doper (24 juni) en half met Kerstmis (25 december), had ontvangen een deel van de bovenste helft van het huis en erf, welk deel een lakenkist bevatte, waarna in de betreffende oorkonde een aantal interessante voorwaarden volgde. Wanneer de vereiste betaling niet binnen een week na de vervaldag was betaald, verviel de pachtplichtige van alle recht dat hij had en zou de kist en de plaats van de kist weer vrij aan het kapittel komen. Na de dood van Veembrecht zou zijn oudste erfgenaam of wie daartoe aangewezen zou zijn de kist of de plaats van de kist ontvangen voor 13 penningen Engels per jaar. Bij niet-betaling van de genoemde termijnen binnen een maand zouden ook die rechtsopvolgers van het goed vervallen. Wanneer het huis geheel of gedeeltelijk zou vergaan, zouden de bezitters dat proportioneel op hun kosten herstellen en wanneer het erf leeg zou zijn, bleven Veembrecht en zijn rechtsopvolgers gehouden de pacht ieder jaar te betalen.[15]

Op dezelfde datum ontving Gerard van Damasche, zoon van Tieman Zoudenbalch, onder soortgelijke, zij het niet geheel gelijke voorwaarden een lakenkist voor 3 pond Tourse zwarten.[16]

Op 29 november 1327 droegen Herman Teutelard en Gerard de Vries, zonen van Herman Teutelard, voor 17 schellingen en 4 penningen goed geld aan hun neef Jacob van Nieuwendaal twee wantkisten over.[17] Hieruit blijkt dat, het net als in Utrecht bij huizen en erven het geval was, ook rechten op dergelijke kisten verder mochten worden uitgegeven, waardoor er een keten van uitgiften kon ontstaan (zie de webpagina De Middeleeuwen kenden geen eigendom). We drukken de Nederlandstalige oorkonde hier af:

Wi deken ende capetel van sinte Johanne tUtrecht doen cont alle den ghenen de desen brief sellen sien of horen lesen dat voer ons quamen Harman Teutelaerd ende Gheraerd de Vrese, siin broeder, haren Harmans Teutelaerds sonen, ende gaven claerliken op tote Jacobs behoef van Nywendale, hoers neven, tue wantkisten int wanthues te Scerlaken, also alse gheleghen sijn an die over side van desen voerseyden huse, wilke voerseyde tue wantkisten wi verlyet hebben ende verlyen Jacobe voerghenoemt ende sinen nacomelinghen, elx iaers om seventien scillinghe ende vier penninghe goets ghelts, enen goeden groten coninx Tornoysen voer tualef penninghe gherekent, ons tebetalen alle jare binnen tueen maenden na Kersavont in desen maniren, waert dat dit voerseyde wanthues enigher timmeringhe behoefde, daer soude Jacob voerseyt ende sine nacomelinghe hoer aendeel mede toe ghelden buten onsen cost also groet alset hem ane beliepe van desen tueen kisten voerghenoemt. Ende waer oec dat sake dat ons Jacob voerseyt of siin nacomelinghe desen voerseyden pacht iaerlix niet engaven ten voerscreven termine, so vellen si van allen rechte dat wi hem mit desen brieve ghegheven hebben an desen tueen wantkisten voerghenoemt, onsen vryen wille daer mede te doene.

Er werden ook kisten uitgegeven voor een beperkte termijn, zoals blijkt uit een oorkonde van 18 oktober 1357. Toen verkreeg de Utrechtse burger Johan van Elten van het kapittel drie kisten voor een periode van vijf jaar. Een van de voorwaarden luidde dat wanneer het kapittel zijn deel van het huis zou verkopen, de uitgifte geen kracht meer zou hebben. Ook wordt de straat hier voor het Inter pannicidas, dus Onder de Lakensnijders, genoemd.[18] De drie kisten werden op 9 augustus 1362 voor 3 pond, 7 schellingen en 6 penningen per jaar stadsgeld en voor een periode van negen jaar uitgegeven aan respectievelijk Gijsbrecht Schade van Tulle, Willem Corthose en Hendrik Gijsbrechtsz. Schade van Tulle, wederom met het voorbehoud bij de eventuele verkoop van het deel van het huis.[19] Op 20 december 1373 werden waarschijnlijk dezelfde drie kisten uitgegeven aan Jan Florensz. van Blokhoven, Gijsbrecht Schade van Tulle en Willem Schade van Tulle voor een periode van tien jaar en een jaarlijkse pacht van 6½ lood zilver.[20] Jan van Blokhoven erkende op 1 februari 1374 dat hij voor 13 schellingen en 4 penningen per jaar stadsgeld erfelijk een kist ontvangen had.[21]

Aardig is dat de voorwaarden telkens anders waren. Op 17 mei 1359 kregen Iohan Raven Rigaerts Ferren oghen sone ende Andries van Damasche twee lakenkisten voor 26 schellingen en 8 penningen stadsgeld per jaar. Hierbij werd onder meer bepaald:

Ende also dicke alse die pachters sterven, so sellen hoor erfnamen van desen tween kisten voorseyt nemen enen nywen brief, sprekende van woorde te woorde alse desen brief spreket, binnen tween maenden na der pachters doot. Ende dien brief sellen wi hem gheven om dre grote ten zeghel. Voort siint vorwaerden, so wanneer wiit Iohan Raven ende Andries van Damassche of horen erfnamen, waren si doot, een half iaer of een iaer tevoeren segghen dat wi dese twe wantkisten tot ons selfs behoef hebben willen, so is dese huerwere ende alle vorwaerden de hiir in bescreven staen quiit ende doot. Dan moest echter wel aan beiden 40 pond stadsgeld betaald worden.[22]

Op 7 juli 1361 verkregen Andries van Damasche en Florens van Jutphaas een wantkist, elk voor 13 schellingen en 4 penningen stadsgeld per jaar.[23]

In de rekeningen van de grote kamer van Sint-Jan vinden we de betalingen voor de lakenkisten verantwoord. In 1379/80 betaalde de Utrechtse burger Ermbrecht Pellencussen 18 schellingen en 3 penningen.[24] Op 28 juni 1381 oorkondde hij dat hij aan het kapittel verkocht had

de twe wantkisten ten Scaerlaken, gheleghen onder de Lakensnyder tUtrecht enten erfpacht die tot den voerseyden wantkisten hoert, also ict vanden heren van zinte Johan voerseyt in erfpachte hadde, ende scelde die wantkisten enten erfpachte voerseyt claerlic quiit tot behoef der heren voerscreven, want ic dat kenne ende lye dat si mi daer of voldaen ende betaelt hebben den eersten penninc mitten lesten, ende gelove voer mi, voer miin erfnamen ende voer miin nacomelinghe den heren voerscreven alle voerplechte daer of oftedoen.

Mogelijk heeft dit laatste al te maken gehad met het feit dat het kapittel op 24 september van hetzelfde jaar haar helft in het Wanthuis Scharlaken ten erfelijke pacht heeft uitgegeven aan Hendrik Splinter voor 1 mark zilver per jaar.[25] De rekening van de grote kamer van 1380/81 maakt hier op een merkwaardige wijze melding van. De naam van Ermbrecht is doorgehaald, maar er is aan de post toegevoegd: ‘Verder Hendrik Splinter van de helft van het huis en erf geheten Scharlaken een mark zilver’.[26] Verder worden in de rekeningen de betalingen door andere bezitters van lakenkisten vermeld:
Jan van Blokhoven en Schade Dul (= van Tulle) van drie kisten 6½ lood zilver; dezelfde Jan en Andries van Damasche van twee kisten 20 schellingen. Bij deze posten staat iets als ‘zij zijn niet verschuldigd’ en in de volgende rekeningen zijn ze weggelaten.[27]

Hierna worden geen uitgiften van en betalingen voor wantkisten in Scharlaken meer in de bronnen aangetroffen. Het wanthuis zal overgebracht zijn naar het Schoonhuis ter plaatse van Steenweg 11-13, waar tot 1537 de stedelijke raad zetelde. In het Liber hirsutus minor, een van de veertiende-eeuwse rechtsboeken van de stad, staat tussen de ordonnanties van de oude en de nieuwe raad een verordening over de verkoop van lakens, die op 31 januari 1392 is ghelezen ende gheboden te houden.[28]

De genoemde bezitters van lakenkisten behoorden aan hun namen te beoordelen vrijwel allen tot het Utrechtse ‘melioraat’, de bevoorrechte burgers die gerechtigd waren tot het bekleden van overheidsambten. Sinds 1304 moesten ook zij lid zijn van een ambachtsgilde, in dit geval het zogeheten wantsnijdersgilde. Gezien hun status zullen zij zowel de groot- als de kleinhandel in lakens in handen hebben gehad.







[29] HUA, Stad I, 705 (1548) nr. 164: op een pondt stadt paij als die heeren van sinte Jans tUtrecht dair jaerlicx uut hebben.

[30] Zie hierboven noot 25.

[31] HUA, St.-Jan 162-2 (rek. fabriek 1411-1415), ontv. 1411/12, f. 175: Item Wouterus die Oudecoep de domo Scaerlaken marcham argenti, hoc anno XVI lb. V s. Twee posten verder: Item Nycolaus de Valkendael de area Scaerlaken supra fossatum XV s. Het gaat hierbij om het ertegenover liggende perceel Choorstraat 6.

[32] Ald., ontv. 1413/14, f. 206: Item Wouterus Oudecoop de domo Scharlaken marcham argenti, hoc anno XVI lb. XIII s., amplius Ghisebertus Spruut.

[33] Ald., ontv. 1415/16, f. 245; 162-3, ontv. 1439/40, ongef.

[34] Ald., ontv. 1448/49, ongef.: Item Iohannes Spruyt, olim heredes Gijsberti Spruyt, onder die Lakensniders, amplius Goswinus de Brienen - - -; ontv. 1450/51: Item Goswinus de Brienen, olim Gijsbertus Spruut - - -.

[35] Aldus nog 162-5 (rek. fabriek 1467-1489), rek. 1475/76.

[36] HUA, St.-Jan 162-6 (rek. fabriek 1471-1489), ontv. 1483/84, f. 267v.
 
[37] Ald. ont. 1484/85, f. 288v.: Item dominus Henricus de Brienen, nunc vero Gijsbertus Thome, de una domo onder die Lakensniders int Kintgen marckam argenti, pro illis VI fl. Renensen aureos ‑ ‑ ‑.
Item ista domus commutata est in duabus aliis domibus, scilicet in una doma! que locata in opposito Regularium et in alia domo que locata in Nova platea. In de volgende rekening, van 1485/86, f. 315v., ontbreekt de betreffende post.

[38] HUA, Coll. Booth 118.

[39] HUA, Fam.arch. Taets 248.







[40] Zie hiervóór noot 37.


[41] HUA, St.-Jan 169-5, f. 218v.-219.







[42] HUA, Coll. Buchel-Booth 316.










































[43] Een dergelijke doorgang is niet terug te vinden op de door A.F.E. Kipp gereconstrueerde kelderplattegrond (zie bv. ‘Choorstraat, riolering’, 27, afb. 29).

















[44] HUA, Stad I, 705 (nj. 1556) blz. 137. Aleid dochter van Gerrit Knopen, weduwe van Willem van Hinderstein, en Simon van Groesbeek en zijn vrouw hadden op dezelfde datum het huis De Munt (Choorstraat 9) overgedragen aan Marieke weduwe van de stadsschrijver Jan Jansz. Uuttewael.







[45] HUA, Stad I, 705 (nj. 1561) blz. 153.






[46] Ald. (vj. 1571) blz. 190-191.
Scharlaken, later Het Kindje

Een aantal erfelijk pachters van ‘de bovenste helft’ van het huis na 1381 vinden we wel terug in de rekeningen van de zogeheten fabriekkamer van Sint-Jan en daarbij bovendien de pachters van het ertegenover liggende perceel Choorstraat 6.[29] Hieruit blijkt dat ‘de bovenste helft’ inderdaad het latere Choorstraat 5 moet zijn geweest. De bezitters behoorden niet tot het melioraat, maar tot de maatschappelijke middenlaag.

Voor dit perceel Choorstraat 5, later Klein Scharlaken en vervolgens Het Klein Kindje genoemd, komen we, onder meer in de rekeningenvan Sint-Jan (fabriekkamer, maar getrokken uit de grote kamer van het kapittel) tegen:
                        Hendrik Splinter[30]
                        Tieman Witvoet
–1411/12–       Wouter die Oudecoep[31]
1413/14–         Gijsbert Spruut[32]
1430/40–         Gijsbert Spruut[33]
                        zijn erfgenamen
–1448/49         Jan Spruut[34]
–1450/51-
1475/76–        Gosen van Brienen[35]
–1483/84         zijn zoon, heer Hendrik van Brienen[36]
–1484/85         Gijsbert Thomasz.[37]

Behalve Hendrik Splinter zal ook Tieman Witvoet, mogelijk nog vóór 1411/12 gerechtigd zijn geweest. Op 3 november 1433 beloofde zijn weduwe Mechteld aan Gijsbrecht Spruut dat wanneer tegen hem of zijn erfgenamen een eis zou worden ingediend door de erfgenamen van Wouter van Vucht met betrekking tot een ‘plecht’, een gelofte, die Tieman en zijn moeder Melyaete eertijds aan Liesbet bastaarddochter van Wouter van Vucht hadden gedaan, zij Tieman buten coste ende schade van Gijsbrecht en zijn erfgenamen zouden houden.[38]

In 1475 woonde de weduwe van Gosen van Brienen in het huis blijkens een oorkonde die onder meer over een erfelijke rente van 16 lood oftewel 1 mark zilver handelde. Op 31 januari van dat jaar was sprake van sestien loet sulvers siaers uut enre hussinge ende hofstede gheheten dat Kijntken Scaerlaken, gelegen onder die Lakensnijders, dair Gosens wedue van Brinen nu in woent, dair die hussinge ende hofstede gheheten Nywenhuys boven ende die hussinge ende hofstede gheheten dat Hemelryck beneden naestgeleghen sijn, en in de oorkonde van 30 juli 1475, waarin die van 31 januari opgenomen is, van de vryen eyghendom van dat marck zulvers siaers erfrenthen - - - uter nederster helfte vander hussinge ende hofstede gheheten Schaerlaken, gheleghen onder die Lakensnijders.[39] In deze oorkonde droeg Eerst Taets van Amerongen, mede namens zijn vrouw Steffenie dochter van Dirk Taets, de rente over aan de schepenklerk Gijsbert Thomasz. Opmerkelijk is niet alleen dat in de laatste vermelding nog steeds als belendingen Nieuwenhuis en Het Hemelrijk worden opgegeven en niet Nieuwenhuis en Groot Scharlaken, maar merkwaardigerwijs ook dat er gesproken wordt van de nederste helfte, terwijl het toch om de ‘bovenste’ helft moet zijn gegaan. Waarschijnlijk zijn de inmiddels achterhaalde belendingen overgenomen van de akte waarbij de rente is gevestigd.

In de rekening van de fabriekkamer van Sint-Jan over 1484/85 wordt deze Gijsbert Thomas vermeld en tevens dat de inkomsten uit het huis geruild waren voor die uit twee andere huizen, een tegenover de regulieren, dus aan de oostkant van de Oudegracht, en het andere in de (Lange) Nieuwstraat.[40] Inderdaad had Gijsbert op 6 september 1485 den vryen eygendom van enen gouden Rynsche gulden siaers erflyke renthen, waarvan de waarde kennelijk overeenkwam met een mark zilver, overgedragen aan het kapittel.[41]

Op 14 juli 1522 erkende Antonis Arendsz. van Ede dat hij aan stadssecretaris Valentijn van der Voort de helft van 2¼ oude schilden erfelijke rente had verkocht, afkomstig uit de erfenis van zijn ouders, gaende uut een seecker paert van Valentyns voerscreven huysinge ende hofstede gelegen bynnen der stadt van Utrecht onder die Laeckensnyders, genoemt Schaerlaecken datmen heet dat Kyntgen.[42] Waarschijnlijk was Valentijn toen bezitter van Groot Scharlaken, want op 30 juni 1552, droeg zijn zoon Gijsbert dit, mede voor zijn vrouw Marigje, over aan Antonis Speyert. De omschrijving luidde:

die alinge huysinge ende hofsteede, van voren tot afteren, mit allen hooren toebehoren, kelnaer, cluyse, werve, bodem ende boort, onder ende boven, glaes, glaesraemten, commen? ende anders eervast! ende negelvast, uutgesondert het kistwerck, koetsen ende anders inde camer ende kuecken, ende is geheeten Groot Schaerlaecken, alsoe die gelegen is onder die Laeckensnyders aende westsyde der (doorgehaald: graften) straten, daer Jacop vander Voordt het wederdeel vande voorste huysinge geheeten Cleyn Scharlaecken ter halver cappe off toebehoort ende zy tsamen elcx hoer helfte onderhouden sellen halff ende halff, ende alsoe Ghysbert vander Voordt die huysinge Groet Scharlaecken voer aender straten mit eenen ganck ingaende ende die woninge after, ende Marichgen Dirck van Schaycks wedue die woninge voer ende Peeter Fockius? die huysinge Cleyn Schaerlaecken bewonende ende gebruyckende zyn, daer Jan Both zuytwert ende Jan Spruyten nacomelingen mit die huysinge geheten het Hemelryck noortwert naestgelegen zyn.

Interessant zijn de gevens betreffende de bewoning, met name de vermelding van die woeninge voer, die Marigje weduwe van Dirk van Schayck bewoonde. Zou het hierbij om het voorste deel van het voormalige Choorstraat 3 of om Choorstraat 1 zijn gegaan? Ik neem aan dat Peter Fockius? Choorstraat 5 bewoonde. Duidelijk is het helaas niet.

Antonis Speyert verkreeg hierbij ook het recht van voorkoop van het naastgelegen Klein Scharlaken, binnen veertien dagen nadat dit verkocht werd. Een andere interessante voorwaarde was:

Item alsoe inde kelre aenden doorslach Jacobs voorscreven cluyse ofte kelre responderende is, soe ist dat Jacobs kelre doer nyt geopent sel moeghen werden dan by consent van Antonis Speyert ende zyn nacomelinghen, ende die selve doer mit een ofte twe grundelen tbesluyten ende toe tehouden datmen daer tot geenre tyt doer zel moeghen gaen dan mit consent voerscreven.

De kennelijk aanwezige deur in de kelder van Klein Scharlaken naar Groot Scharlaken toe mocht dus alleen met toestemming van de koper en zijn rechtsopvolgers geopend worden en moest met een deur met twee grendels worden afgesloten.[43] Uit de oorkonde van 30 juni 1552 blijkt tevens dat het complex zwaar verhypothekeerd was.

Toen Antonis Speyert, mede voor zijn vrouw Elisabeth Dirksdr., Groot Scharlaken op 10 december 1556 overdroeg aan Simon van Groesbeek en zijn vrouw Willemke dochter van Willem van Hinderstein, luidde een voorwaarde:

item noch alsulcke actie als hy comparant heeft op Jacob van Voordt, beruerende dat hy Jacob zekere erfgen, after vander huysinge Groet Schoerlaken afgenomen, betimmert ende affgeheynt heeft, onder conditien, alsoe inde kelre aenden doorslach Jacobs voirscreven cluyse ofte kelre responderende is een doere, zoe ist dat Jacob voirscreven kelreduere nyt geopent en zal worden dan by consent van Symon van Groesbeeck voirscreven en zyne nacomelinghen ende die selve duere met een ofte twee grundels tebesluyten ende toetehouden datmen daer tot geender tyt doer zal mogen gaen dan mit consent voirscreven.[44]

Het recht op Klein Scharlaken (Choorstraat 5) werd op 4 december 1561 door stadssecretaris Jacob van der Voort en zijn vrouw Anna aan hun zoon Gosen overgedragen. De omschrijving luidde:

den vryen eygendom vander huysinge geheten dat Cleyn Schaerlaken off dat Cleyn Kyntgen, gelegen onder die Lakensnyders, alzo die nu ter tyt bewoent werdt ende affgeschoten is van Groot Schaerlaken datmen heyt dat Kyntgen, dat Symon van Groesbeeck nu ter tyt toebehoert, daer Jan Janssen Bockteyking mitter huysinge geheten Nyeuwenhuys boven ende Symon van Groesbeeck mit Groot Schaerlaken off dat Kyntgen beneden naestgelegen zyn.[45]

De akte maakt vanzelfsprekend melding van het recht van voorkoop door de bezitter van Groot Scharlaken. Die heeft klaarblijkelijk geen gebruik van dat recht gemaakt, want op 14 mei 1571 droegen Gosen van der Voort en zijn vrouw Mechteld het goed over aan de goudsmid Cornelis Ellertsz. van Leijenberch.[46]

Hiermee sluit ik mijn verhaal over Scharlaken af. De jongere geschiedenis laat ik graag aan anderen over, waarmee wellicht ook de oorspronkelijke rechtstoestand van Choorstraat 1 – behorend tot Hemelrijk of tot Scharlaken? – nog eens bevredigend kan worden opgelost.













[47] HUA, Coll. Booth 141.

[48] HUA, Bij het Stadsarchief bewaarde archieven II, 1771-2 (1488.03.23) en 1771-1 (1494.10.23), 1771-3 (1503.01.05) en 1171-4 (1503.01.24).

















Choorstraat minuutplan sectie C
Het kadastraal minuutplan van 1832 met de poortweg vanaf Het Hemelrijk (sectie C nr. 1286) naar de Steenweg (Buurkerkhof).


[49] HUA, Stad II, 3243 (najaar 1595) blz. 339-341.
Het Hemelrijk (Stadhuisbrug 5 zuidelijk deel en mogelijk ook Choorstraat 1)

In verband met de onduidelijkheid over de precieze parcellering in de Middeleeuwen, is het de moeite waard hier nog even aandacht te besteden aan het huis Hemelrijk, dat in ieder geval het zuidelijk deel van Stadhuisbrug 5 en mogelijk ook Choorstraat 1 heeft omvat. Ik heb er, afgezien van de hierboven vermelde aanduidingen als belending, maar weinig oude gegevens over. Zoals gezegd wordt het altijd aan de Plaats (de Stadhuisbrug) gesitueerd en nooit Onder de Lakensnijders of de Choorstraat. In enkele vijftiende-eeuwse oorkonden is sprake van een erfelijke rente uit dit huis. Op 20 juni 1469 bleken 18 Rijnsgulden te gaan uuter husinghe ende hofstede de gelegen [is] aender Plaetsen, geheten dat Hemelrijck,[47] in 1488,1494 en 1503 eveneens 5½ Rijnsgulden, zonder nadere omschrijving van de ligging, uuter husinghe ende hofstede gelegen aender Plaetsen, geheten dat Hemelryck.[48]

Pas uit 1552 hebben we een veel ruimere omschrijving:

die alinge huijsinge ende hoffsteede, van vooren tot afteren, mit allen hoeren toebehoeren, mit den eygendom vanden uutganck after der zelver huijsinge tegens die Buerkerck over uutgaende, alsoe Catryn voerscreven die huysinge mit allen hoeren toebehoeren te gebruycken ende te bewoenen plach, gelegen aender stadt Plaetse, geheten tHemelryck, aen die west zyde der straten, daer Ghijsbert vander Voort Valentijnssen mit zynre huyse geheten van outs Groot Schoorlaicken ende nu dat Kyntgen zuytwerts boven ende Dirck Brugman mit zynre huysinge geheten Zoudenbarch noortwert beneden naestgelegen zyn.

Zoudenbarch
moet zijn Goudenbarch (= Goudenberg = Stadhuisbrug 5 middendeel).

Het Hemelrijk bezat, waarschijnlijk vanouds, een gang die achter de percelen aan de westzijde van de Choorstraat liep en uitkwam op de Steenweg, vroeger het Buurkerkhof. Blijkens het kadastraal minuutplan van 1832 kwam deze gang uit op het perceel Stadhuisbrug 5 zuidelijkste deel en niet op het voormalige Choorstraat 1 (zie de afbeelding hiernaast).

Op 24 december 1595 kreeg de bezitter van Choorstraat 9 (het huis De Munt) van de bezitter van Het Hemelrijk enen gestadigen doorganck uute huysinge van Marten Janssen voorschreven ‒ dit wil zeggen Marten Jansz. uten Wael van De Munt ‒, over de ganck behorende aende huysinge het Hemelryck voorschreven, voor aen Buerkerchoff uutgaende, sulcx dat hy ende synen naecoemelingen, possessuers der huysinge ende hoffstede voorschreven de selve gang gebruycken ende in alles genieten zullen tot haerluyder gelieven, oeck meede een sluetel voor vande poort vande zelve gang hebben ende daer altyt vry ende vranck in ende uutgaen zullen.[49]

Het nog steeds bestaande, zij het nu door Steenweg 9 overbouwde poortje van de poortweg die naar het aan de Plaats (Stadhuisbrug) gelegen huis Hemelrijk leidt. Foto M.W.J. de Bruijn 2018.
Poortweg Het Hemelrijk


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2018. - Gepubliceerd 22 juli 2018; laatst bewerkt 26 juli 2018.