Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Andere rechtshistorische bijdragen op deze internetpresentatie:
Het gebruik van    
    anachronistische begrippen in de
    geschiedschrijving

Over het zeventuig
Grondboekhouding
De middeleeuwen kenden geen
    eigendom

De dertiende penning
Grondrente, een negentiende-    
    eeuws begrip

Stedelijke erfpacht historisch bezien



[1] A.S. de Blécourt, Kort begrip van het oud-vaderlands recht, 7de druk, bew. H.F.W.D. Fischer (Groningen 1967) 177.

[2] F. Doeleman, ‘Het spoor van de dertiende penning’, Jaarboek Oud-Utrecht 1981, 125-140.

[3] Ald. 125.

[4] Ald. 125-126.




































































[5] Verslagen en Mededelingen der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht 13 (1971) 407-466.









































[6] Uitgezonderd waren volgens de Staatsregeling de rechten die afkomstig waren uit een wederzijds vrijwillig en wettig verdrag (F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten vroeger, nu en in de toekomst (Zwolle 1978) 37 en 200).

















[7] Het is interessant om te zien dat de Romanist R. Feenstra, ‘Historische aspecten van de private eigendom als rechtsinstituut’, Rechtsgeleerd Magazijn Themis 1976, 248-275, op dezelfde wijze te werk gaat als zijn middeleeuwse collega’s, en eigenlijk ook als Van Iterson, en daarmee een juist begrip van de middeleeuwse werkelijkheid meer in de weg staat dan verduidelijkt. Hetzelfde geldt voor G.C.J.J. van den Bergh in zijn publicatie Eigendom. Grepen uit de geschiedenis van een omstreden begrip (2de druk; Deventer 1988). Dergelijke verhandelingen gaan niet uit van de historische bronnen betreffende de rechtpraktijk, maar zijn vooral gebaseerd op rechtsdogmatische verhandelingen en standpunten. Hun werk is daarom eerder juridisch dan historisch te noemen. Voor de gevaren hiervan zie mijn artikel ‘Opmerkingen bij het middeleeuwse recht van verval’, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden 10 (2008) 149-165.
Met het bovenstaande is vanzelfsprekend niet gezegd dat deze verhandelingen geen interessante gezichtspunten kunnen opleveren. Zo vindt men bij Feenstra, a.w. 266-267, de opvatting van een Franse jurist uit de veertiende eeuw die al worstelde met de hiërarchie die door Doeleman terecht de
gelaagdheid van de rechten werd genoemd. Vanzelfsprekend had dit gegeven Feenstra te denken moeten geven. Maar van een jurist die voor de behandeling van de ontwikkeling van de rechten op de grond in Europa uitgaat van het Romeinse en niet van het inheemse recht, zoals Feenstra in zijn artikel, is dit vanzelfsprekend te veel gevraagd.
Rolverwisseling, eigendomsverschuiving, rolverschuiving?
door Martin de Bruijn


Al in de negentiende eeuw hebben onderzoekers vastgesteld dat grondbezitters die in de Middeleeuwen hun onroerend goed in een of andere vorm – leen, tijns, pacht – ‘hielden’ van een uitgever – leenheer, tijnsheer, pachtheer – op een zeker moment of op den duur eigenaren van die grond zijn geworden. De rechtshistoricus A.S. de Blécourt noemde dit verschijnsel in de eerste drukken van zijn bekende en – wat mij betreft helaas! – nog veel gebruikte handboek
Kort begrip van het oud-vaderlands recht ‘rolverwisseling’, maar naar aanleiding van een artikel van zijn collega W. van Iterson vanaf de vijfde druk ‘eigendomsverschuiving’.[1]


Waar het anachronistisch denken vanuit het huidige rechtsstelsel toe leidt, bleek me weer eens toen ik een artikel van de rechtshistoricus F. Doeleman over de dertiende penning raadpleegde.[2] Doeleman zei hierin liever de term ‘rolverschuiving’ te willen gebruiken.[3] Hij liet dit volgen door een betoog dat werd voortgezet in een noot:[4]

‘De rechtsverhouding tot de grond in het middeleeuwse recht werd immers in de meeste gevallen gekenmerkt door een veelvuldige gelaagdheid van de zeggenschap, waarbij elke gerechtigde eyghen bezat. De hiervoor bedoelde ontwikkeling leidde er toe, dat het eyghen van de tijnsheer meer en meer verschrompelde en dat van de tijnsman de aard van een vol eyghen naderde. Enerzijds door aan het Romeinse recht ontleende termen, die niet exact konden beantwoorden aan de realiteit van de middeleeuwse verhoudingen waarop zij werden toegepast, anderzijds door revolutionaire beslissingen ter beëindiging van verbintenissen, die terecht of ten onrechte als feodaal werden aangemerkt, werden de rechtsopvolgers van de voormalige tijnsmannen eigenaren naar modern recht, terwijl de nakomelingen van de vroegere tijnsheren hun rechtsmacht verloren en uit het oude verband verdwenen.’

Bij deze tekst werd de volgende uitvoerige voetnoot geplaatst:


‘Het verschijnsel dat wij ‘rolverschuiving’ noemden, bestaat in een verandering van de rechtsverhouding ten opzichte van onroerend goed, welke zich in de loop van de geschiedenis heeft geopenbaard. De Blecourt en Van Iterson, die uitgingen van een privaatrechtelijke voorstelling, beschouwden de tijnsheer als eigenaar van de grond en de tijnsman als de zakelijk gerechtigde erfpachter; zij interpreteerden de verandering als een eigendomsverschuiving, waarbij het zakelijk gebruiksrecht van de tijnsman uitgroeide tot moderne eigendom en het eigendomsrecht van de heer geheel wegsmolt of ten hoogste nog als een grondrente overbleef.
Van der Linden daarentegen stond een publiekrechtelijke verhouding voor ogen, waarbij de tijnsheer als locale overheid percelen gronds uitgaf aan gegadigden, die belast werden met een periodieke tijnsbetaling; in deze opvatting zou de verandering niet meer zijn dan de bekende ontwikkeling van het middeleeuwse ‘eyghen’ van de tijnsman naar de moderne eigendom en de vervanging van de plaatselijke tijnsheer door latere overheden.
Van oordeel, dat het inheemse gewoonterecht in de middeleeuwen een onderscheiding in publiek- en privaatrecht niet toeliet, moeten wij beide opvattingen afwijzen, overigens met aanvaarding van de kritiek van Van der Linden op de leer van de eigendomsverschuiving. Naar onze mening kon er een pluraliteit van ‘zeggenschappen’ bestaan op eenzelfde stuk onroerend goed – bijvoorbeeld het eyghen van de leenheer, dat van de leenman-tijnsheer en dat van de tijnsman – welke ‘lagen’ de glossatoren poogden met behulp van termen uit het Romeinse recht in een systeem te ordenen. Verhelderend voor het begrip van deze problematiek is hetgeen R. Feenstra, ‘Historische aspecten van de private eigendom als rechtsinstituut’, Rechtsgeleerd magazijn Themis, 1976 265-267 schreef over de behandeling van de Libri feudorum door Pillius. Deze gesplitste eigendom naar middeleeuws inheems recht heeft op den duur plaatsgemaakt voor de ongesplitste eigendom van het gerecipieerde Romeinse recht en tenslotte voor de eigendom naar modern recht. Het ligt ook voor de hand, dat hierbij het ‘eyghen’ van de oorspronkelijk ‘laagstgerechtigde’, die immers de meest onmiddellijke beschikking over de grond had, als eigendom overbleef. Het ‘eyghen’ van de leenheer stierf weg toen de leenhulde een loutere formaliteit was geworden en het ‘eyghen’ van de tijnsheer verdween tengevolge van de geldontwaarding.‘

Doeleman gaf er aldus blijk van, anders dan Van Iterson, te begrijpen waar het in deze kwestie om draaide. Ik acht het overigens niet ondenkbaar dat Van Iterson het ook wel begreep, maar tegen beter weten in hardnekkig aan zijn eenmaal ingenomen standpunt wilde vasthouden. Dat kan worden afgeleid uit zijn tendentieuze artikel ‘Beschouwingen over rolverwisseling of eigendomsverschuiving’.[5] Deze publicatie is één grote cirkelredenering, waarbij er voortdurend van uitgegaan wordt dat er in oorsprong eigendom bestond zoals – of althans ongeveer zoals – de moderne eigendom. En dat was nu juist niet het geval.

Ook Doeleman ontkwam niet aan dit anachronistisch denken vanuit het moderne rechtssysteem, al ging dit minder ver dan bij Van Iterson. Door de middeleeuwse rechten op de grond aan te duiden als eyghen maakte hij al duidelijk dat deze niet konden worden vereenzelvigd met de huidige rechten en hun inhoud. Overigens gaf hij geen definitie van dat eyghen en ik ben niet gelukkig met deze term, omdat hij slechts in beperkte mate in de bronnen voorkomt en een heel verschillende inhoud kan hebben.

Een voorbeeld uit vele biedt een oorkonde van 7 september 1269, waarin graaf Floris V van Holland aan zijn neef Simon van Teilingen land bij Waddinxveen, met de rechtsmacht en de tienden, in leen gaf. Dit lant, aldus de graaf, sal hi houden van mi te rechten lien ende erfelike bezitten ende mach dat eyghen vercopen of hi wille (Van der Linden, De cope. Bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laagvlakte (Assen 1956) 85-86). Hoewel Simon dus leenman van de graaf was, mocht en kon hij dat eyghen vercopen. Hiermee werd bedoeld dat hij het land in zijn geheel of in delen aan een of meer derden mocht verkopen of uitgeven. Er ontstond zo een gelaagheid van rechten, met aan de top de graaf, hieronder zijn leenman Simon van Teilingen en hier weer beneden de verkrijgers van (delen van) de grond. Privaatrechtelijk kregen de verkrijgers van die grond een recht dat de eigendom nabij kwam, publiekrechtelijk werden zij onderworpen aan de rechtsmacht van Simon van Teilingen. Ook het leenverband van deze laatste met de Hollandse graaf was publiekrechtelijk van aard.
Het is duidelijk dat het begrip eyghen hier gebruikt werd in een betekenis die niets van doen heeft met de modernrechtelijke eigendom.


Verder onderscheidde Doeleman op juiste wijze wat hij noemde de gelaagdheid van de verschillende rechten. Maar vervolgens ging hij ervan uit ‘dat het eyghen van de tijnsheer meer en meer verschrompelde en dat van de tijnsman de aard van een vol eyghen naderde.

Dat nu is in strijd met de feiten: tot aan de Bataafse Revolutie is de verhouding tussen tijnsheer en tijnsman niet fundamenteel gewijzigd. ‘Door revolutionaire beslissingen’ – in casu de Staatsregeling van 1798 – verloren de heren inderdaad, zoals hij stelde, hun rechtsmacht, en in beginsel eveneens de inkomsten uit de tijnzen die als heerlijk werden beschouwd.[6] Er bleven echter zowel heerlijke als niet-heerlijke tijnzen bestaan, met dien verstande dat zij bij de invoering van de Code Civil in 1811 tot grondrenten zijn geworden.


Nu wat de door Doeleman aangebrachte voetnoot betreft. Om te beginnen liet de auteur helaas na aan te geven waarom hij voor de wijzigingen in de rechten en in de rechtspositie van de gerechtigden de term rolverschuiving koos. Ik vind het een uitermate ongelukkige uitdrukking. Om te beginnen vanwege dat voorvoegsel ‘rol’. Dit is bezien vanuit de gerechtigden. Maar gerechtigden spelen geen rol, zij zijn bezitters van een recht en maken van dat recht gebruik. Dat was in de Middeleeuwen niet anders dan nu.

Ook het bestanddeel ‘verschuiving’ kan de toets der kritiek niet doorstaan, noch gekoppeld aan het begrip eigendom noch aan de term rol. Zoals Immink al heeft aangetoond is de eigendom niet van de ene naar de andere gerechtigde verschoven. Er bestond nu eenmaal geen eigendom in de aanvangsfase. En aangezien gerechtigden geen rol spelen maar een recht uitoefenen kan er van een verschuiving van die rol evenmin sprake zijn.

Vervolgens nam Doeleman in zijn voetnoot een ‘gesplitste eigendom naar middeleeuws inheems recht’ aan, maar een dergelijke gesplitste eigendom heeft in het inheemse recht nooit bestaan. Het is een constructie van de geleerde middeleeuwse juristen die vervolgens in de Libri feudorum, een twaalfde-eeuwse Lombardische rechtsoptekening, is terechtgekomen.[7] Men kan deze in een rechtsboek opgenomen constructie – want dat is het – toch onmogelijk als een optekening van middeleeuws inheems recht beschouwen! Bovendien komt een splitsing in twee rechten – ius dominii en ius utile – en dus ook van twee soorten gerechtigden niet overeen met de middeleeuwse rechtswerkelijkheid. Hierin bestond immers vaak een keten van opeenvolgende gerechtigden, een gelaagdheid, zoals Doeleman dat ook zelf uitdrukte. Zo had de abdis van Elten het goederencomplex Naardingland, ongeveer overeenkomend met Het Gooi, dat ook de heerlijkheidsrechten omvatte, in 1280 in erfelijke pacht gegeven aan de graaf van Holland, die op zijn beurt leenmannen had voor delen van dit complex. Onderaan de keten stonden de boeren die echter erfelijke en overdraagbare rechten op hun grond bezaten. Zie voor dit alles de webpagina Anachronistische begrippen en de daar genoemde literatuur.


Dat het inheemse gewoonterecht in de middeleeuwen een onderscheiding tussen publiek- en privaatrecht niet toeliet, zoals Doeleman stelde, is niet alleen ongelukkig geformuleerd maar ook bezijden de werkelijkheid. Zoals ik met name op de webpagina De dertiende penning heb aangetoond, waren de publieke gezagsverhoudingen toen duidelijk gedefinieerd in de zogeheten heerlijke rechten, waarvan de  jurisdictie het heerlijk recht bij uitnemendheid was. Ook stond toen vast welke standen toen tot de uitoefening hiervan gerechtigd waren: de adel en de geestelijkheid.

In zijn algemeenheid stierven de oude rechten op onroerend goed niet weg, zoals Doeleman meende, maar zijn ze op de hierboven genoemde wijze door wetgeving afgeschaft. Voorts zijn ze ten dele afgekocht en tot slot is hun waarde soms inderdaad zo gering geworden dat ze niet meer werden geïnd. Dit was met name het geval met zeer oude rechten die bestonden uit vaste geldswaarden. Toch zijn bijvoorbeeld vele oude rechten van de in 1811 opgeheven Utrechtse kapittels nog toegevoegd aan het Staatsdomein, waar ze vervolgens werden geheven als grondrenten, te betalen door de gerechtigden die bij de toen ingevoerde Franse wetgeving tot modernrechtelijke eigenaren waren geworden.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012. - Gepubliceerd 22 augustus 2012; laatst bewerkt 20 september 2012.