Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
* Met dank aan Reinier van der Lof voor zijn kritische kanttekeningen en speurwerk. Bertoldus Ponc of Bertoldus Pont?
Het grafsteentje van een Utrechtse domvicaris*
door Lotty Broer en Martin de Bruijn

[1] Zie hierover vooral F. Rikhof, ‘Kapelanieën in de middeleeuwse Utrechtse Dom’, Jaarboek Oud-Utrecht 2006, m.n. 48 en 75 nt. 11 en 12.


[2] Voor het eerst troffen we hem aan in een oorkonde van 18 augustus 1307 (Het Utrechts Archief, Bij het stadsarchief bewaarde archieven I, nr. 387) en nog op 29 november 1330 (ald. nr. 1453).


[3] R. Post, ‘Stukken betreffende de verkiezingen van de bisschoppen van Utrecht’, Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 55 (1931) 151: presentibus ibidem discretis viris dominis Theoderico de Hoesden, Stephano de Assche, Bartoldo Pont, Amilio Godfridi et Johanne Mouwe, presbiteris, perpetuis vicariis ecclesie Traiectensis - - -.


[4] ‘Kunsttocht naar Limburg’, in St. Bernulphus-Gilde Utrecht. Verslag 1888, 25-54, ald. 48, nt. 1.










Sint-Odiliënberg
De uit de twaalfde eeuw daterende kapittelkerk van Sint-Odiliënberg. Links daarvan de vroegere parochiekerk, die mogelijk voor een deel nog uit de elfde eeuw dateert. Foto: M.W.J. de Bruijn 24 september 2016.


[5] Ald. 35, nt. 4.


[6] Rijksarchief te Hasselt, Kapittel van Borgloon nr. 1, f. 47 (reg. nr. 80).

Inleiding

Op 16 mei 2013 werd – ter gelegenheid van het begin van de uitvoering van het project Schatkamer Domplein II – door de Utrechtse stadsarcheologen een grafvondst gepubliceerd die spectaculair en mysterieus werd genoemd. Het ging hierbij om een grafsteentje van een domvicaris, die daarop werd aangeduid als Bertoldus Ponc.


Grafsteen Bertoud Pont
Hic sepultus est Bertoldus
Ponc, vicarius huius ecclesie,
qui obiit Mo CCCo LXXXXVIIo
die veneris post Epyphanie. Presbiter of presens (?).

 
Vertaling: Hier is begraven Bertoud Ponc (bedoeld is Pont), vicaris van deze kerk, die stierf in 1397 op de vrijdag na de Verschijning  (dit is Driekoningen; de datum is 12 januari). Priester of aanwezig (?).

In de persberichten over deze vondst werd het belang van zo’n domvicaris buitenproportioneel opgeblazen. Hij zou een belangrijk man zijn geweest die behoorde tot de staf van de bisschop, hij zou een plaatsvervanger van de kanunniken zijn geweest die in de Middeleeuwen de domkerk bestuurden en zelfs zou hij de plaatsvervanger van de bisschop zijn geweest. In werkelijkheid was een domvicaris een van de vele kapelaans, priesters die verbonden waren aan de altaren in de domkerk.[1]

Eerste bevindingen

Wij zijn onmiddellijk in onze gegevens over het middeleeuwse Utrecht op zoek gegaan naar vermeldingen van een Bertoldus Ponc. Maar we kwamen een familienaam Ponc in Utrecht helemaal niet tegen, wel verschillende malen de naam Pont. Sterker nog, in de eerste helft van de veertiende eeuw was een Bertoldus of Bertoud Pont schepen van Utrecht.[2] Aangezien de naam Bertoud, anders dan bijvoorbeeld Jan of Willem, maar betrekkelijk sporadisch als voornaam gebruikt werd, ligt het voor de hand dat de vicaris een familielid van de schepen is geweest, bijvoorbeeld een zoon, een kleinzoon of een neef. We hebben van die mogelijkheid meteen op deze webstek melding gemaakt.

Verder troffen we een Bartoldus of Bertoud Pont aan als eeuwig vicaris van de dom onder de getuigen bij de eedaflegging van bisschop Florens van Wevelinghoven op 22 oktober 1379.[3] En bovendien constateerden we dat al in 1356 een Bartoldus (Pont) de Traiecto vermeld werd als kanunnik van Sint-Odiliënberg bij Roermond.[4]

Zoals bekend was steeds een Utrechtse domkanunnik proost van deze plaats, waar in de negende eeuw de Utrechtse geestelijkheid een toevluchtsoord had gevonden na haar vlucht voor de Noormannen. De proost kon er de kanunniken en andere geestelijken aanstellen. In 1356 werd de functie van proost van Sint-Odiliënberg uitgeoefend door de Utrechtse domkanunnik Nicolaas van Dordrecht en in 1361 door zijn collega Hugo Vustinc.[5] Deze laatste was dit waarschijnlijk nog op 3 december 1380, toen hij optrad voor Bertoud Pont als rector van het Sint-Catharina-altaar in de kerk van Borgloon in het huidige België.[6]

Met deze gegevens had de vicaris, ervan uitgaande dat het om een en dezelfde persoon ging, een duidelijk gezicht gekregen. Stammend uit een Utrechtse familie wist hij er een vicariaat in de dom te verwerven, een kanonikaat in het eveneens ‘Utrechtse’ Sint-Odiliënberg en ook nog een vicariaat in Borgloon. Beide laatstgenoemde plaatsen waren gelegen in het bisdom Luik, waar sinds 1364 de Utrechtse bisschop Jan van Arkel de bisschopszetel was gaan bekleden. Op 12 januari 1397 overleed Bertoud in zijn ‘thuisstad’ Utrecht.

Het leek dus nagenoeg zeker dat de naam op het grafsteentje niet Ponc is, maar Pont moest zijn. Bovendien was wel duidelijk dat de vondst van zijn grafsteentje noch mysterieus noch spectaculair is, zoals de Utrechtse archeologen willen. Op en rond het Domplein liggen hoogstwaarschijnlijk enkele honderden geestelijken van de Utrechtse kerk begraven en wanneer er opgravingen plaatsvinden, zullen er ook wel grafstenen worden gevonden.
[7] C. Staal, H. Wynia en R. de Kam, ‘Een geheimzinnige epitaaf van de Utrechtse Dom’, Tijdschrift Oud-Utrecht 88 (2015) 42-47.
Een tijdschriftartikel

In 2015 verscheen er een artikel in het Tijdschrift Oud-Utrecht van de hand van de Utrechtse onderzoekers Casper Staal, oud-curator van het Catharijneconvent, Herre Wynia, stadsarcheoloog, en René de Kam, historicus en coördinator publieksbereik van de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht.[7] Daarin werd onverkort vastgehouden aan de lezing Ponc. Als bewijs daarvan werd verwezen naar een Bertoldus sacerdos […] Ponc in een necrologium van het Vrouwenklooster in De Bilt en een dominus Bertoldus die onderpastoor was in Herwijnen. Op die wankele basis luidde de wat magere conclusie: ‘In archivalische bronnen is dus wel wat terug te vinden over Bertoldus Ponc en wat hij deed.’ Hiermee werd op zijn minst ook de suggestie gewekt dat de onderpastoor van Herwijnen identiek was met de Utrechtse Bertoldus, wat natuurlijk nog maar de vraag is. Van onze bevindingen lijken deze onderzoekers geen kennis te hebben genomen.

Necrologium Vrouwenklooster

Een reactie op onze bevindingen

Op de resultaten van ons onderzoek reageerde wél de Hilversumse mediëvist Reinier van der Lof. Deze gaf als mogelijke oplossing voor de letters pr met een horizontaal streepje erboven, onderaan rechts op het steentje, presbiter.
Verder wees hij erop dat in de vermelding van de naam op het grafsteentje toch wel duidelijk een c staat en geen t. Dat kunnen we niet ontkennen. We stellen daar tegenover dat in middeleeuwse teksten een c en een t vaak niet te onderscheiden zijn. En ook op het grafsteentje komt enkele malen, bijvoorbeeld in de voornaam Bertoldus, een t voor die eerder op een c lijkt. En niemand zal toch willen beweren dat, gezien de soms voorkomende naam Bertoud, ook Bercoldus aannemelijk is. In obiit, sepultus en post daarentegen staat op het steentje duidelijk een t waar ook een t bedoeld is.

Van der Lof bracht in dat ook in het genoemde necrologium eerder een c dan een t staat (zie de afbeelding). Ook dat kan niet ontkend worden. Het leidde ertoe dat we de tekst in dit necrologium eens wat nader, ook in zijn context, hebben bekeken. Bovendien hebben we die vergeleken met een transcriptie die een werkgroep van de Historische Kring D’Oude School in De Bilt van het necrologium vervaardigd heeft. We nemen uit die transcriptie ook de voorgaande en erop volgende post mee. Al deze posten staan vermeld voor de maand februari:

3 Lubertus Woelf et uxor Mergareta
4 eius l[icet] post missa[m] micere[re].
5 Bertoldus sacerdos l[icet] Po[n]s.
6 Henricus Cleve l[icet].

Hierbij valt om te beginnen op dat in deze transcriptie de eventuele achternaam van Bertoud niet weergegeven wordt als Ponc of Pont, maar als Po[n]s. Dat dit niet juist is, valt af te leiden uit de eind-s in het aan de onderzijde van de pagina weergegeven sociis. Vreemd is verder dat het teken tussen sacerdos en Po[n]s wordt getranscribeerd met l[icet], maar in de tekst over Lubertus Woelf en zijn vrouw met et. En het is inderdaad een gebruikelijk teken voor et en zeker niet voor licet.

De auteurs van het artikel in Oud-Utrecht wisten het kennelijk ook niet. Ze lieten het daarom maar weg door puntjes te plaatsen: […]. Wij hadden op onze webpagina de post getranscribeerd als Bertoldus sacerdos et Ponc met een vraagteken erachter. Kortom, in de vermelding betreffende Hubertus (en niet Lubertus) Woelf en zijn vrouw is het teken zeer aannemelijk in de betekenis van et, maar niet in de vermelding van Bertoldus sacerdos.

Nu komt op de betreffende pagina en blijkens de transcriptie van D'Oude School in het hele necrologium tamelijk veelvuldig een l voor met een apostrof als afkortingsteken. Zij transcriberen dit met licet en dat doen zij ook met het hiervan duidelijk afwijkende et-teken in de post betreffende Bertoldus. Dat is dus niet aannemelijk. Trouwens, de transcriptie licet voor het l+apostrofteken is dat evenzeer. Het meest waarschijnlijk lijkt het ons dat dit teken staat voor laicus, laica of laici.

Alvorens onze eigen transciptie van de betreffende posten weer te geven, keren we nog even terug naar het et-teken. Dat lijkt ons hier en ook op andere plaatsen misplaatst. Zie bijvoorbeeld op het rechterblad de vermelding Walterus et de Woeswyck. Onafhankelijk kwamen Reinier van der Lof en wijzelf tot de conclusie dat hier waarschijnlijk het teken voor dictus had moeten staan. Dat resulteert in respectievelijk Bertoldus sacerdos dictus Ponc (eigenlijk Pont) en Walterus dictus de Woeswyck. Maar het is ook denkbaar dat er Walterus, laicus, de Woeswijk staat. In ieder geval staat op vele plaatsen in de transcriptie van D'Oude School licet waar nagenoeg zeker zou moeten worden getranscribeerd met dictus of laicus.

Met verbetering van enkele andere transcriptiefouten van de onderzoekers van D’Oude School luiden de drie geciteerde posten dan vooralsnog:

Hubertus Woelf et Mergareta uxor eius, laici, post missam Miserere
Bertoldus sacerdos dictus Ponc
Henricus Cleve, laicus

Vooralsnog luidt onze vertaling van de betreffende passage:

‘Hubert Wolf en zijn vrouw Margriet, leken, na de mis een Miserere
Bertoud, priester, geheten Ponc
Hendrik Kleef, leek’

Hoe is ten slotte de vreemde weergave van tekens in het necrologium te verklaren? Wij doen hiervoor de suggestie dat de tekst is overgeschreven van een ouder necrologium door iemand, mogelijk een non, die niet alle afkortingen begreep en die wellicht ook geen Latijn kende. Dat zou het verkeerde gebruik van de abbreviaturen kunnen verklaren. Maar zoals altijd geven we deze oplossing graag voor een betere. Een nadere bestudering en beschrijving van dit fraai geschreven necrologium lijkt ons alleszins de moeite waard. Wij hebben vooralsnog alleen de de afgedrukte pagina’s bestudeerd.
[8] Het Utrechts Archief, Verzameling Van Buchell-Booth 18, f. 93: Ex anniversario Albarum Virginum Traiecti.


[9] Zie bv. lager op dezelfde pagina bij Belia de Voord, priorissa.


[10] ‘Kunsttocht naar Limburg’, in St. Bernulphus-Gilde Utrecht. Verslag 1888, 25-54, ald. 48, nt. 1.


[11] Ald. 35, nt. 4.


[12] ‘Oorkonden en bescheiden aangaande de kerk en het kapittel van St. Odiliënberg’, Publications de la société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg 23 (1888) 161-291. We achten het niet uitgesloten dat de Utrechtse ‘kunsttocht’ (zie nt. 10) te maken heeft gehad met de uitgave van de oorkonden van het kapittel in hetzelfde jaar.


13] Ald. 190-198, nr. 22.


[14] Ald. 199, nr. 24.


[15] Ald. 224-225, nr. 38.


[16] J. Grauwels, Regesten der oorkonden van de landkommanderij Oudenbiezen en onderhorige kommanderijen I (Brussel 1966) 70, nr. 209, en 72, nr. 215.


[17] Zie hierboven, nt. 3.


[18] Rijksarchief te Hasselt, Kapittel van Borgloon, nr. 1, f. 47, regest nr. 80.


[19] J.G. Schoonbroot (uitg.), Inventaire analytique et chronologique des chartes du châpitre de Saint-Lambert à Liège (Luik 1863) 277, nr. 904.


[20] Volledig raadpleegbaar op internet: R.P.G. de Weijert-Gutman, Schenken, begraven, gedenken. Lekenmemoria in het Utrechtse kartuizerklooster Nieuwlicht (1391-1580) (Utrecht 2015) 353, 354, 397, 399, 426. De memorie van Gijsbert werd hier gevierd op 6 november, van Hugo op 3 augustus. Gijsbert was domkanunnik, kanunnik van Sint-Jan en proost van Fosses. In een van de twee necrologia wordt hij vermeld samen met Elias van Grotenhuys. Hugo was domkanunnik en werd volgens De Weijert-Gutman in 1386 proost van Elst. De broers bezaten vanaf 1358 een huis aan de Kromme Nieuwegracht ter plaatse van het tegenwoordige nummer 8. In 1402 was dit huis in het bezit van Hugo Vustinc en Hendrik van Gent (zie hierover M.W.J. de Bruijn, ‘Opmerkingen bij het middeleeuwse recht van verval’, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden 10 (2008) 149-165, ald. 150-152). Gijsbrecht was toen kennelijk al overleden. Volgens De Weijert-Gutman (ald. 160) zou Hugo in 1404 zijn gestorven.


[21] Martin de Bruijns voorvader Robert van Arkel, heer van Renswoude, verbleef zowel in Utrecht als in Luik aan het hof van zijn oom bisschop Jan van Arkel. In Luik werd hij door hem beleend met de Loonse heerlijkheid Grevenbroek bij Hamont in het huidige België, tegen de Nederlandse grens aan. De nakomelingen, getooid met de naam Van Grevenbroe(c)k, zwierven later uit over de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Aan deze voorouders zal op deze webstek nog nader aandacht worden besteed.


[22] Hoogstwaarschijnlijk, want gezien de lange tijd tussen de eerste vermelding in 1356 en de laatste in 1397 liggen meer dan veertig jaar. In beginsel kan het dus zo zijn dat er sprake is van meer dan één persoon, bijvoorbeeld een oom en een neef. Maar die kans achten we klein, omdat zowel de voornaam Bertoud als de achternaam Pont niet veel voorkwam.


[23] Of we niet te maken hebben met een echt grafsteentje, maar met een soort proef, waar onderzoek door een steendeskundige op zou wijzen (Staal, Wynia en De Kam, ‘Een geheimzinnige epitaaf’, 45-47) laten we maar in het midden. In de praktijk kwam in de Middeleeuwen hergebruik van stenen van allerlei soort veelvuldig voor. Veel ervan zijn uiteindelijk omgekeerd geëindigd als stoep- of vloertegel. Aangezien het hier om een eenvoudig grafsteentje gaat, zoals er vele zijn geweest, is er niets spectaculairs aan. De op het steentje aangebrachte mededelingen lijken ons echter op grond van aannemelijke en ten dele verifieerbare gegevens, geplaatst in hun context, nauwkeurig genoeg om voor waar te worden aangenomen. Geheimzinnig zijn ze dus ook niet.
Nieuwe vermeldingen van Bertoud Pont

Necrologium VrouwenkloosterReinier van der Lof heeft intussen nog een ‘Utrechtse’ vermelding gevonden die hoogstwaarschijnlijk op de domvicaris van het grafsteentje betrekking heeft. In het in de zeventiende eeuw getranscribeerde necrologium van het Wittevrouwenklooster, niet te verwarren met Vrouwenklooster in de Bilt, wordt namelijk in de maand januari gesproken van een d(ominus) Bartold(us) Pont.[8]

Van der Lof meent dat hier Pant staat, maar zoals op meerdere plaatsen blijkt, vormt de schrijver, de oudheidkundige Arnoud van Buchel, zowel de o als de a soms uit twee haaltjes en wanneer een van de haaltjes uitschiet, lijkt de letter o op een a en is dus ook de lezing Pont mogelijk.[9] De a’s daarentegen hebben doorgaans een langer rechter haaltje.

De vermelding in de maand januari komt hier overeen met de sterfdatum van de vicaris van het grafsteentje, 12 januari 1397, in tegenstelling tot die in februari in het necrologium van Vrouwenklooster. Er lijkt dus alleszins van een identificatie sprake. En de t op het eind van de naam is hier niet te ontkennen.

Deze worsteling met c’s en t’s en a’s en o’s mag misschien overdreven lijken, maar is in dit kader, waar het om de juistheid van de lezing van een naam gaat, alleszins van belang.

Overigens is het bij de uitgave van historische bescheiden gebruikelijk om kennelijke fouten in de transcriptie te corrigeren en daarbij in een voetnoot aan te geven wat er in werkelijkheid in de getranscribeerde tekst staat. Gezien de op deze webpagina aangetroffen en beargumenteerde context zou dus in de transcriptie van zowel het grafsteentje als bovenstaande vermelding in het necrologium Pont dienen te staan met een voetnoot wat er werkelijk op het grafsteentje en in het handschrift staat en de aantekening dat er wél verdere gegevens over een familie Pont zijn, waarin ook de naam Bertoud voorkwam, maar niet over een familie en een Bertoud Ponc.

Verdere aanvullende gegevens

Nijver speurend kwam Van der Lof nog andere en specifiekere vermeldingen tegen, die hij met ons gedeeld heeft. Om te beginnen nieuwe gegevens over Bertoldus Pont of Bertoldus de Traiecto (van Utrecht) als kanunnik in  Sint-Odiliënberg.[10]

Zoals we gezien hebben, was steeds een Utrechtse domkanunnik proost van deze plaats bij Roermond. Hij kon er de kanunniken en andere geestelijken aanstellen. In 1356 werd de functie van proost van Sint-Odiliënberg uitgeoefend door de Utrechtse domkanunnik Nicolaas van Dordrecht en enkele jaren later, in 1361, door zijn collega Hugo Vustinc.[11]


Uit de gegevens, die dateren van 1356 tot 1362, kan worden afgeleid dat Bertoud Pont er betrokken was bij de verhuizing van het kapittel naar Roermond.[12] Op 2 maart 1356 werden de kapittelstatuten gewijzigd en nader verklaard. De daarvan opgemaakte oorkonde werd uitgegeven door de kanunniken, van wie Bertoud van Utrecht (Bertoldus de Trajecto) als tweede werd genoemd, na Jan van Eindhoven (Johannes dictus de Endhoven) en vóór Rutger van Weert (Rutgherus dictus de Wert).[13] Op 8 juli van hetzelfde jaar werden de statuten goedgekeurd door proost Nicolaas van Dordrecht (Nicholaus de Dordraco).[14]

Op 20 april 1361 gaven de Utrechtse bisschop en Hugo Vustinc, domkanunnik en proost van Sint-Odiliënberg, toestemming tot de verplaatsing van het kapittel naar Roermond.[15] Ruim een jaar later, op 23 augustus 1362 legden de kanunniken bij notariële akte een verklaring af over de rechten die zij vóór hun overbrenging bezaten. Bertoud Pont (Bertoldus Pont) werd nu als eerste onder zijn collega’s genoemd, opnieuw gevolgd door Rutger van Weert (Rutgerus de Weyrt).

Bertoud Pont komen we in de periode vóór de verplaatsing van het kapittel ook nog tegen tussen Jan van Eindhoven en Rutger van Weert als kanunnik van Sint-Odiliënberg onder de naam Bertoldus de Trajecto op 22 juni 1356 en 10 februari 1357 bij de verkoop van goederen van het kapittel aan de landcommanderij Oudenbiezen van de johannieters.[16]

Van het Luikse terug naar Utrecht?

Zoals hierboven al is gezegd, hadden we al eerder ontdekt dat Bertoud Pont (Bartoldus Pont) op 22 oktober 1379 als eeuwig vicaris van de Utrechtse dom aanwezig was bij de eedaflegging van de nieuwe bisschop Florens van Wevelinghoven na de overplaatsing van Arnoud van Horn naar Luik.[17] In een oorkonde van ruim een jaar later blijkt hij rector te zijn geweest van het Sint-Catharina-altaar in de kerk van Borgloon, de hoofdstad van het middeleeuwse graafschap Loon, min of meer samenvallend met het huidige Belgisch Limburg. In dit stuk, daterend van 3 december 1380, moest de Luikse domkanunnik Hugo Vustinc namens Pont optreden voor de uitgifte in erfelijke pacht van een stuk grond.[18] Het is niet ondenkbaar dat Bertoud toen nog in Utrecht verbleef en zelfs mogelijk dat hij sindsdien zijn thuisstad niet meer heeft verlaten.

Wat de Luikse kanunnik Hugo Vustinc betreft, er was ook een Hugo Vustinc domkanunnik in Utrecht. Dat het om dezelfde persoon ging, bleek Van der Lof uit de negentiende-eeuwse regestenlijst van het domkapittel van Luik. Op 16 februari 1393 vermaakte de Luikse domkanunnik Hugo Vustinc van Grotenhuys aan Gijsbrecht Vustinc, proost van Fosse, zijn claustraal huis in Luik en benoemde hem tot zijn universele erfgenaam.[19] Het feit dat ook de Utrechtse kanunnik een broer Gijsbrecht had, die hier kanunnik was van Sint-Jan,[20] maakt de identificatie hoogst aannemelijk. In ieder geval zal het om Utrechtse Vustincs zijn gegaan. Vooral dit laatste is hier van belang.

We zien hier hoe de van Utrecht naar Luik overgeplaatste bisschoppen Jan van Arkel, in 1364, en Arnoud van Horn, in 1378, althans een deel van hun hofhouding meenamen en van ambten en waardigheden voorzagen.[21] Dit feit in aanmerking nemend is het zelfs denkbaar dat Bertoud Pont na het overlijden van bisschop Jan van Arkel in 1378 zijn toekomst als vicaris in de dom verder weer in zijn vaderstad Utrecht heeft gezien en niet in het Luikse bisdom.

Conclusie

Hiermee lijkt ons nogmaals en nader bevestigd dat het bij de naam op de Utrechtse grafsteen gaat om een domvicaris Bertoud Pont, die hoogstwaarschijnlijk identiek is met de Bertoldus Pont of Bertoldus de Traiecto die in de jaren vijftig en zestig van de veertiende eeuw kanunnik was in Sint-Odiliënberg/Roermond en omstreeks 1380 rector van het Sint-Catharina-altaar in de kerk van Borgloon in het vroegere graafschap Loon, tegenwoordig Belgisch Limburg.[22] Hij was op 22 oktober 1379 in Utrecht aanwezig bij de eedaflegging van bisschop Florens van Wevelinghoven en zal overleden zijn in zijn ‘thuisstad’ op 12 januari 1397. Kort daarna is hij in of bij de domkerk begraven. En wat hier vooral van belang is: hij heette dus nagenoeg zeker geen Ponc, zoals de Utrechtse onderzoekers Staal, Wynia en De Kam willen, maar Pont.[23]


Aanvulling van 16 november 2016:

Reinier van der Lof maakte ons attent op de vermelding van een archiefstuk van 17 september 1372. Het lijkt erop dat deze vermelding voorkomt in een zeventiende- of achtiende-eeuwse inventaris die zich bevindt in het familiearchief Van Rhemen in het Gelders Archief in Arnhem. Het archief wilde hierover, ondanks ons beargumenteerd verzoek, geen nadere informatie verschaffen, alleen een dure fotokopie van de hele inventaris (!) verstrekken. Daarom behelpen we ons vooralsnog met de tekst zoals die op internet gepubliceerd is. Het gaat om Familieachief Van Rhemen, nr. 70A. We nemen de gegevens over zoals die op de website van het archief zijn geplaatst.

Het lijkt zoals gezegd te gaan om een oorkonde van 17 september 1372, waarin het kapittel van Deventer aan Bertolt Pone Rutgerssoon, vicaris van St. Pauli altaer to Deventer, toestaat om deze vicarie te ruilen met Floris van Middeltaep Radewijnssoon, vicaris in St. Martenskercke tot Luick.

Bij deze laatste zal het, zoals Van der Lof ons, samen met het hierna volgende, meldde, zijn gegaan om Florens Radewijnsz. van Middelkoop (toponiem bij zijn geboorteplaats Leerdam). Dit is interessant, omdat de biografieën van deze medewerker van Geert Grote vermelden dat Florens rond 1380/81 een kanonikaat van Sint-Pieter in Utrecht heeft verruild voor het genoemde altaar. In Deventer stond het vicariehuis van Sint-Paulus in de Engestraat. Vlak daarbij bevond zich de Pontsteeg, al vermeld in 1368, in 1391 de Pundessteghelen genoemd.

Gezien dit laatste gegeven en de onjuistheid in de weergave van de naam Middelkoop is het zeer wel denkbaar dat met Bertolt Pone in werkelijkheid ‘onze’ Bertoldus of Bertoud Pont bedoeld is. Van zijn aanwezigheid in het bisdom Luik (Sint-Odiliënberg en Borgloon) is hierboven op deze webpagina uitvoerig melding gemaakt.

Indien deze veronderstelling juist is, kan ‘onze’ Bertoud Pont, van wie tevens de naam van zijn vader Rutger wordt vermeld, beschouwd worden als een echte jobhopper. Een verhuizing van Deventer naar Luik past in ieder geval wel in zijn c.v., zoals we dat tot nu toe hebben kunnen reconstrueren. Maar het kan ook zijn dat er meerdere Bertouds Pont zijn geweest en zelfs dat de naam Pone juist was, al zijn we deze verder nergens tegengekomen.

Laten we deze gegevens vasthouden tot nader onderzoek in Arnhem (familiearchief Van Rhemen), Deventer (vicarie van Sint-Paulus) en Luik (vicarie in de Saint-Martin) – waarvoor ons vooralsnog de gelegenheid ontbreekt – hierover meer duidelijkheid kan verschaffen.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2016-2017. - Gepubliceerd 13 september 2016; laatst bewerkt 15 februari 2017.