Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Het hier gepresenteerde artikel is gebaseerd op de tekst van een lezing die, bedoeld voor een breed publiek, indertijd gehouden is voor onder meer de Volksuniversiteit in Enschede (1997) en de Oudheidkundige Vereniging Herderewich in Harderwijk (2009). Die tekst is nadien ook omgewerkt tot artikelen in het tijdschrift Traditie van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (jaargang 8, nummer 4, winter 2002) en voor het Kwartaalblad van Herderewich, Vittepraetje (13e jaargang, maart 2009). Recentelijk is nu de tekst enigszins bijgewerkt voor een lezing die gehouden zou worden op 25 april 2020 tijdens een voorgenomen reis van de Vereniging voor Mediëvistiek Firapeel naar onder meer het LWL-Museum für Archäologie in Herne (D). Daar werd van 20 september 2019 een grote tentoonstelling over de pest gehouden, die in beginsel had moeten duren tot 10 mei 2020. Op een bezoek aan de tentoonstelling zou deze lezing een inleiding zijn. Wegens het overal in Europa om zich heen grijpende Coronavirus werd evenwel in de loop van maart 2020 de tentoonstelling gesloten en de Firapeelreis afgelast, waarom besloten is de tekst van de lezing en de bijbehorende powerpointpresentatie te bewerken tot de onderhavige webpagina.

Voor deze lezing, de tekst ervan en de afbeeldingen is onder meer gebruikt gemaakt van de volgende literatuur:
Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Bussum 1980, dl. 4, p. 42 e.v. ;
Blockmans, W.P., ‘De pest in de Nederlanden’, in: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie, juli/augustus 1980, p. 427-432;
Cantor, Norman F., De zwarte dood. Hoe de pest de wereld veranderde, Kampen-Leuven 2003;
Jansen, H.P.H., Geschiedenis van de Middeleeuwen, (Aula 620), Utrecht-Antwerpen 1978;
Lebbe, Chr., ‘Hongersnoden en epidemieën’ in: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie, januari 1980, p. 8-14;
Noordegraaf, L., en G. Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late Middeleeuwen, Bergen 1988;
Tuchman, B., De waanzinnige veertiende eeuw, Amsterdam-Brussel 1972;
Turner, D., De zwarte dood, Haarlem 1979; De wording van Europa. Zorg voor geest en lichaam
, red. H. Dijkstra, M. Verschoor e.a., Weert 1993 (ISBN 90.6590.702.5).
De pest in de Middeleeuwen
Charlotte J.C. Broer

‘Ergens de p(est) over in hebben’, ‘iets mijden als de pest’, ‘dat is de pest voor hem’; het zijn enkele uitdrukkingen die aangeven welke negatieve klank het woord pest in de loop van de geschiedenis heeft gekregen en – hoewel de ziekte vrijwel niet meer voorkomt – feitelijk tot op de dag van vandaag heeft behouden. Wat was echter die pest, hoe ernstig en ingrijpend is deze ziekte geweest en waarom is in het collectieve bewustzijn de herinnering eraan ook zo levend gebleven?

Vanaf ongeveer het midden van de veertiende eeuw, toen de ziekte zich ineens en op grote schaal in Europa voordeed, zijn er in Europa daarna tal van meer of minder hevige pestepidemieën geweest. Dit heeft geduurd tot in de zeventiende eeuw, toen de ziekte nog in alle hevigheid woedde, en in sommige gebieden zelfs tot in de achttiende eeuw. Daarna verdween de ziekte in Europa even mysterieus als ze verschenen was. Gedurende een periode van ruim vier eeuwen is de pest in Europa evenwel het absolute schrikbeeld van de bevolking geweest.


Grafiek pestepidemieën
Grafiek van het (verondersteld) aantal doden in West- en Noord-Europa tijdens pestepidemieën in de periode 1347-1800.

Wat was en is precies de pest?  De pest is in beginsel een infectieziekte bij knaagdieren, met name (zwarte) ratten, die echter eventueel ook kan overgaan op mensen. De ziekte wordt veroorzaakt door de pestbacil, die pas in 1894 werd ontdekt. Enkele jaren daarna, in 1898, werd voorts ingezien hoe de ziekte precies werd overdragen. Dit gebeurde door de op ratten levende vlooien, die de bacillen in hun maag droegen en door hun beten deze vervol­gens overbrachten op allereerst de ratten, maar nadat deze gestorven waren ook op mensen. Deze laatsten konden de ziekte ook oplopen door de beet van een besmette rat.
Vlooien met bacillen
Vlooien met bacillen in hun maag, die – als het er op een zeker moment veel waren – met een beet zowel dieren als mensen konden besmetten.
Hoe de besmetting met de ziekte plaatshad, wist men in de Middeleeuwen en lang daarna dus niet, en dit droeg in belangrijke mate bij tot het angstaanjagende karakter van de ziekte, die zich niet alleen bijzonder snel verbreidde, maar ook in veel gevallen spoedig tot de dood leidde.

Ratten en vlooien


Van de werkelijke overbrengers van de ziekte, ratten en vlooien, had men wellicht ook daarom geen vermoeden, omdat de aanwezigheid van deze dieren in het dagelijks leven zo gewoon was. Vlooien worden niet éénmaal genoemd in geschriften over (oorzaken van) de pest, hoewel ze een voor die tijd normale overlast in het huishouden waren.

Van ratten en het besef dat ze schadelijk zijn, vindt men sporadisch vermeldingen; in de volksoverlevering worden ze gewoonlijk toch wel met pestilentie, dat wil zeggen met ziekten in het algemeen in verband gebracht. Bekend is de legende van de Rattenvanger van Hameln naar aanleiding van een uitbarsting van een besmettelijke ziekte – hoogstwaarschijnlijk ging het hier echter niet om de pest – in 1284. Ook zijn er verschillende (latere) afbeeldingen van rattenvangers en vermeldingen van bestrijding van het ongedierte. Een direct verband tussen de pest als zodanig en ratten werd echter niet gelegd.
Tegel met rattenvanger
Tegel met een afbeelding van een rattenvanger.



Onbekend met de precieze oorzaken en wijze van verspreiding van de ziekte, schreef men deze vooral toe aan vergiftigde lucht, ongezonde dampen en dikke stinkende mist, welke in verband werden gebracht met natuurlijke maar ook allerlei imaginaire krachten. Stilstaande meren, een ongunstige stand van de planeten, het werk van de duivel, Satan, of de hand en toorn van God. Het medisch denken, dat in die tijd onder meer nog uitging van de theorie van de invloeden van de sterren, legde met betrekking tot de pest de nadruk op de lucht als overbrenger van ziekten. Directe factoren die bij de verspreiding werkelijk een rol speelden, zoals hygiëne en zichtbare overbrengers, werden daarmee veelal genegeerd.

Wat die overbrengers waren, was ook niet echt duidelijk en gemakke­lijk vast te stellen. In feite waren er immers twee dragers, vlooien en ratten. En vlooien konden zich bovendien wel een maand lang onafhanke­lijk van de rat in leven houden en verplaatsen (via kleding!) om dan vervolgens, wanneer ze besmet waren met de schadelijke bloedvergiftigende bacil, mensen direct te besmetten. Dit leidde tot wat men de builenpest noemde.

Verschillende verschijningsvormen

Tegelijkertijd kende de ziekte echter nog een andere verschijningsvorm, namelijk die van de longpest. Deze ziekte werd inderdaad via de lucht overgebracht en dat maakte dus het probleem van de verspreiding nog verwarrender. Dat de infectie ook plaatsvond door contact met zieken, huizen, kleding of lijken werd op zich al wel snel opgemerkt, maar ook weer niet begrepen. De mogelijkheden om iets aan de ziekte te doen, te voorkomen ook, waren daarmee in feite al zeer beperkt.
 
En zo gold dan de pest of ‘Zwarte Dood’ lange tijd als de meest gevreesde en meest verwoestende ziekte. Die naam ‘Zwarte Dood’ voor de pest lijkt overigens niet de aanduiding te zijn geweest die men in de Middeleeuwen gebruikte, maar is pas veel later, waarschijnlijk na de grote pestepidemie van Londen in 1665, gebruikt. In middeleeuwse teksten is daarentegen sprake van ‘de Grote Sterfte’, ‘Gadoot’ of van ‘de haastige ziekte’ en ook wel ‘heete sieckte’.
 
Zoals al opgemerkt kende de ziekte twee verschijningsvormen. Allereerst de builen- of bubonenpest, die haar naam ontleende aan de builen die optraden en die een ontsteking waren van de lymfeklieren. Dergelijke builen verschenen meestal het eerst in de liesstreek of in de oksel. De builenpest ontstaat door vlooienbeten. De incubatietijd bedraagt 1 tot 6 dagen. De blauw-zwarte plekken zwollen voorts op tot grote puisten, die na enkele dagen openbraken. Uit de ontstane open wonden stroomde dan de etter, vol met pestbacillen, naar buiten. Dodelijk is deze vorm van de pest niet altijd; in 20 tot 40% van de gevallen was er genezing mogelijk. Dat het in de veertiende eeuw bij het uitbreken van de pest (onder meer) ging om de builenpest, blijkt uit de berichten in die tijd. Zo beschrijft Boccaccio in zijn Decamarone het ziektebeeld dat hoort bij de builenpest.
 
Volgens sommigen zou het echter bij de epidemie in de veertiende eeuw veeleer gegaan zijn om de zogenaamde longpest. De latere naam ‘Zwarte Dood’ zou dan verklaard moeten worden als verwijzing naar de bloederige, dus donkerkleurige massa’s die door de zieken werden opgehoest. Deze longpest werd veroorzaakt door inademing van geïnfecteerde (stof)­deeltjes, die afkomstig waren van etterende builen of van geïnfecteerd speeksel van andere longpestlijders. Deze vorm van de ziekte heeft een incubatietijd van 2 à 3 dagen en is in 100 % van de gevallen dodelijk binnen de 2 à 3 dagen na het optreden van de eerste symptomen.
 
Weer anderen gaan ervan uit dat er in die tijd sprake was van de ziekte in drievoudige vorm: builen- long- en ook ingewandenpest. Hoe het ook zij, de ziekte leidde in welke vorm dan ook in heel veel gevallen tot een snelle, maar vooral ook akelige dood.
 
Herkomst en verspreiding

Men neemt aan dat in de Oudheid pestepidemieën al wel voorkwamen, maar hierover is weinig bekend. Het Latijnse woord ‘pestis’, waarvan ‘pest’ en ‘pestilentie’ zijn afgeleid, werd in de Oudheid gebruikt als aanduiding voor allerlei soorten ziekten, rampen en plagen, en dus niet alleen voor de besmettelijke ziekte die later de pest is gaan heten. Ook in de periode van de zesde tot en met de achtste eeuw zou de ziekte zich hebben voorgedaan. Ze moet echter daarna weer vrij plotseling zijn verdwenen en zelfs in de vergetelheid geraakt. Dan, zes eeuwen later, omstreeks het midden van de veertiende eeuw, duikt ze in ongekende hevigheid in Europa weer op.
 
In het algemeen wordt aangenomen dat de pest zoals die zich toen zo plotseling voordeed in China, in de Yangtse-vallei, zou zijn ontstaan; anderen gaan echter uit van een ontstaan in Centraal-Azië. Wat de plotselinge verandering van bacil van ongevaarlijk in kwaadaardig veroorzaakte, is niet bekend. Razend­snel heeft zich evenwel de ziekte daarna vanuit het ontstaansgebied via de karavaanroutes verspreid over heel Azië, bereikte ze Indië (in 1346) en de Perzische Golf, daarna via Bagdad de zuidkusten van de Kaspische en de Zwarte Zee, en van daaruit uiteindelijk ook Europa.

Verspreiding van de pest
De verspreiding van de Zwarte Dood omstreeks het midden van de veertiende eeuw.

Schrikbarend snelle verbreiding in Europa

Er zijn verschillende verhalen over hoe de ziekte precies Europa bereikte. Zo zou de tot dan toe onbekende ziekte zijn overgebracht door kooplieden uit Genua die in de omgeving van de Zwarte Zee handel dreven, maar in 1346 voor de Tataren moesten vluchten. Op hun schepen zouden ze ratten en vlooien hebben meegebracht naar huis. De vraag is echter of dit de enige besmettingshaard is geweest. Waarschijnlijk is de ziekte wel via meerdere wegen ­– maar vooral via de handelsroutes (Constantinopel als knooppunt tussen de Zwarte en Middellandse Zee) – naar Europa gebracht.

 
De pest trof in elk geval het eerst Italië (december 1347), aan het optreden waarvan we, zoals al opgemerkt, de beroemde beschrijving van Boccaccio van de pest in Florence danken. Daarna verspreidde de epidemie zich naar Griekenland, Egypte, Tunesië, de Balearen, Spanje en de hele Balkan. Via Oostenrijk en Zwitserland (december 1348) kwam ook Duitsland aan de beurt (juni 1349) en bereikte de ziekte het zuiden van Frankrijk. In juli 1348 zou er een schip zijn aangekomen in de Engelse haven Weymouth en viel in minder dan geen tijd ook Engeland ten prooi aan de pest (december 1348-december 1349). Van daaruit, waarschijnlijk via de wolhandel, verspreidde de ziekte zich tenslotte ook naar Scandinavië. Groenland en Rusland bleven evenmin gespaard.
 
Zeker ook de Nederlanden werden door de pest getroffen, maar misschien niet alle streken steeds in gelijke mate. Het waren uiteindelijk maar heel enkele betrekkelijk geïsoleerde gebieden, zoals bijvoorbeeld in Bohemen of de Pyreneeën, die min of meer gespaard bleven. In heel Europa woedde verder de ziekte in de jaren 1347 tot en met 1351/52 in volle hevigheid. Daarbij was het ziektebeeld overal hetzelfde. Beschreven worden in de bronnen vooral de verschijnselen van de builenpest, waarbij zich waarschijnlijk echter toch ook spoedig de nog dodelijker longpest voordeed.

Ideeën omtrent de oorzaak

Hoewel men ­– zo blijkt uit de bronnen – over de verspreiding van de ziekte vanuit het oosten wel een zekere notie lijkt te hebben gehad, had men – zo is al opgemerkt – over de werkelijke oorzaak van de ziekte nauwelijks een juiste voorstelling van zaken. Dat kon uiteindelijk ook niet, omdat die oorzaak, de pestbacil, niet bekend was. Het dichtst bij de juiste verklaring van de wijze waarop de longpest zich verspreidde was een Italiaanse arts, Gentile da Foligno, die beweerde dat besmetting plaatshad via de lucht en de ademhaling. In het algemeen had men echter nauwelijks een reëel idee van hoe de ziekte ontstond.
Arts bij pestlijder
Een arts bezoekt een pestpatiënt, waarbij een sponsje dat hij voor zijn neus houdt en brandende toortsen de besmetting (en waarschijnlijk ook stank van ziekte en dood) moet tegengaan. Houtsnede van Gentile Bellini, in 1493 afgedrukt in Johannes de Kethan’s
Fasciculus Medicinae.


Arts die pestbuil doorprikt
Voorstelling van een dokter die bij een patient pestbuilen doorprikt, waarvan gedacht werd dat het verlichting en misschien zelfs genezing van de ziekte zou bieden. Houtsnede uit Hans Folez Barbirer’s Ein fast köstlicher Spruch von der Pestilenz, Neurenberg 1482.
Behandeling en preventie

Omdat men van de werkelijke oorzaak van de pest geen idee had, hebben pogingen om aan de epidemie het hoofd te bieden steeds weinig mogen baten. Dat gold zowel voor de behandeling als ook het voorkomen van de ziekte. Artsen waren niet bij machte de epidemie tegen te gaan. Wat ze echter vaak wel het eerst deden was proberen de ziekte op afstand te houden. Dat deden ze onder meer door het verbranden van aromatische stoffen om de lucht te zuiveren. Ook gebruikten artsen bij hun bezoek aan zieken in azijn gedrenkte sponsjes of bundeltjes met kruiden, die voor de neus werden gehouden. Zo dacht men besmetting te voorkomen, maar waarschijnlijk was een ander ook wel bedoeld om – met geurige bloemen en kruiden – de stank van de lijken en zieken tegen te gaan.


Beperkte medische kennis

Weliswaar bezaten middeleeuwse artsen een deels op ervaring en gezond verstand berustende kennis en zeker ook bepaalde praktische vaardigheden, in het geval van ziekten die ze niet begrepen en konden genezen vielen ze echter vaak terug op bovennatuurlijke verklaringen en allerlei obscure, vaak ook niet ongevaarlijke behandelwijzen en middelen. Behandeling van de pest kon plaatsvinden volgens verschillende methoden, waarmee men dacht het gif of de infectie uit het lichaam te verdrijven: aderlaten, het purgeren met laxeermiddelen of klysma’s, maar ook het doorprikken of dichtschroeien van de builen of het aanbrengen van hete pleisters.

Ook werden, zoals opgemerkt, wel bepaalde medicijnen of middeltjes voorgeschreven en voedseladviezen gegeven. Aangeraden werd vooral ook om heftige emoties te vermijden. In onze ogen is zelfs de toentertijd erkende medische kennis nogal eens pure kwakzalverij geweest, met soms weerzinwekkende en ook kostbare behandelingen. Uiteindelijk was vaak slechts verlichting van klachten van de patiënten het doel. Genezing van de ziekte zou, zo was men algemeen van mening, alleen God kunnen bieden.

Gebrek aan hygiëne

Wat genezing en ook het voorkomen van de ziekte vooral in de weg stond, was dat men niet of nauwelijks een idee had van het belang van hygiëne. Welbekend zijn de staaltjes van ‘middeleeuwse’ hygiëne: de straten met vuil, het besmette en toch gebruikte water, de onmogelijke strijd tegen allerlei ongedierte, kerkhoven midden in de stad, et cetera. Daarmee kon het haast niet anders dat verschrikkelijke ziektes als de pest – maar ook lepra, pokken, tyfus en syfilis – regelmatig niets en niemand ontziend toesloegen.
Soms werden er wel bepaalde hygiënische maatregelen genomen en vastgelegd in verordeningen van de stedelijke overheid, maar die lijken vervolgens echter op grote schaal veronachtzaamd te zijn, omdat men er eenvoudigweg het belang niet van inzag.
 
Isolatie van zieken

Tegen de pest werden wel isolatiemaatregelen genomen. Zo werd onder meer bepaald dat beddengoed van overleden patiënten verbrand moest worden en werden er (later) vaak ook – buiten of aan de rand van steden – pesthuizen ingericht. Dit alles was echter uiteindelijk toch volledig ontoereikend om de verbreiding van de ziekte tegen te gaan. Men stond dus in het algemeen vrij machteloos tegenover besmetting en verdere uitbreiding van de ziekte. Mede daarom was voor met name gewone mensen slechts één verklaring voor de ziekte mogelijk: de toorn van God.

Afbeelding van een pestdokter, met het typerende masker, waarin zich waarschijnlijk ook kruiden bevonden die besmetting geacht werden tegen te gaan en waarschijnlijk ook stank draaglijk te maken.
Afbeelding pestdokter

Gevolgen van de pest

Wanneer we kijken naar wat voor schade de pestepidemieën van 1347-1352 en daarna aanrichtten en welke indruk ze maakten op de mensen, dan is allereerst duidelijk dat enorme aantallen mensen in zeer korte tijd stierven aan deze ziekte. De bronnen laten daarover geen misverstanden bestaan.
Doden door de pest in Lucca
Illustratie in de eigentijdse kroniek van Giovanni Secambi, die weergeeft hoe mensen tijdens de pestepidemie van 1348 in het Italiaanse Lucca in groten getale weggemaaid werden door de dood.

De precieze aantallen doden die genoemd worden lopen echter sterk uiteen en blijken soms ook overdreven. Maar zelfs als we de genoemde aantallen of percentages met een flinke korrel zout nemen, dan is toch evident dat de pest talrijke mensenlevens eiste. In de dichtbevolkte en vanwege hun hygiënische toestanden gevaarlijke steden was dit waarschijnlijk nog meer het geval dan op het platteland. Maar ook daar eiste de pest zijn tol en waren de effecten in het algemeen langer merkbaar, omdat de mogelijkheden tot herstel geringer waren dan in de steden.
Het begraven van de doden in Doornik
Miniatuur uit de kroniek van Gillis li Muisit (1275-1352), weergevend het begraven van de vele doden door de pest in Doornik (1349-1353). Handschrift: Koninklijke Bibliotheek Brussel, Ms. 13076-77.
 
In verschillende bronnen wordt voor sommige gebieden in delen van Europa gesproken over een grootscheepse ontvolking en zelfs geheel verlaten zijn van dorpen. Dat kan natuurlijk te maken hebben gehad met massale sterfte, maar ook met het wegtrekken, het ontvluchten van het gevaar door de overige plattelandsbevolking. Behalve tot vrijwel ontvolkte streken leidde dit uiteraard ook tot chaos en ontwrichting.
Massabegrafenis
V
erbeelding van een massabegrafenis, noodzakelijk geworden door de in hevigheid toegenomen pestepidemie.












Bisschop zegent dieren
Een bisschop zegent dieren, die ook met de pest besmet konden worden.Miniatuur uit een veertiende-eeuws handschrift, bewaard in de Bibliothèque Saint-Geneviève in Parijs, Ms. 143, fol. 180-v.
Chaos en angst

Los van het voorbehoud dat wel gemaakt is ten aanzien het algehele fatale karakter van de epidemie, kan er toch geen twijfel bestaan over de angst en geslagenheid die de pest veroorzaakte. De overheden namen wel maatregelen, zoals het afkondigen van een verbod om te vluchten of doodsklokken te luiden, om niet de angst verder te doen toenemen. Die angst zal overal echter enorm zijn geweest en alleen maar verder zijn toegenomen naarmate er meer mensen stierven en begraafplaatsen vaak te klein bleken.

Van de anarchie en verwarring die er heersten, probeerden sommigen ook profijt te trekken. Zo zijn er berichten dat grafdelvers misbruik maakten van hun positie, ruw en slordig omgingen met doden of zich grof lieten betalen. Ook artsen en verzorgend personeel zouden, voor zover te vinden, nogal eens misbruik hebben gemaakt van de situatie. Talloos zijn de berichten over tekorten aan verzorgend personeel, de opeenstapeling van lijken, gebrek aan mensen die deze konden begraven, desolate akkers, verlaten kinderen, leeg­staande huizen, wolven die tot voor de stadsmuren kwamen, raven en roofvogels die de getroffen gebieden teisterden.
 
Wat bij het woeden van de pest ook trof was dat ze geen onderscheid lijkt te hebben gemaakt tussen rijke en gewone, vaak arme mensen. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij latere uitbarstingen van de pest de hogere sociale klassen weliswaar niet immuun waren, maar toch wel degelijk minder getroffen werden dan de lagere. De arme drommels leden hoe dan ook de meeste verliezen en nogmaals ging het er in de steden erger aan toe dan op het platteland. Voor rijken was het dan nog wel mogelijk de stad te verlaten en elders hun toevlucht te zoeken. Niettemin was de indruk dat de dood door de pest geen onderscheid tussen arm en rijk maakte.
 
Wat de ziekte precies was en hoe ze zich verspreidde, wist men dus niet. Het was kortom een confrontatie met onheil dat niets of niemand leek te sparen en waartegenover iedereen machteloos stond. Hoewel de reacties op dit alles varieerden, weerspiegelden ze vrijwel allemaal de angsten en onzekerheid van de mensen.
 
Met name voor het grote publiek kon er uiteindelijk maar één verklaring zijn: de toorn van God. De kastijding – die zo overweldigend en zo genadeloos was, maar zonder zichtbare oorzaak was – kon alleen maar worden gezien als een straf van God voor de zonden van de mensheid. Het zou zelfs de slotfase zijn van Gods teleurstelling in Zijn schepping en het begin van een nieuwe zondvloed, opmaat ook tot de Eindtijd. Op verschillende manieren probeerde men vervolgens Gods toorn te doen bedaren, bijvoorbeeld door het gokken, vloeken en drinkgelagen, maar ook het concubinaat te verbieden.
 
Er werden eveneens tal van boeteprocessies gehouden, in het begin met goedkeuring van de paus. Overal waar de pest heerste werden dergelijke processies gehouden en bevorderde men, zonder dat men er aanvankelijk erg in had, op die manier de verbreiding van de ziekte. Barrevoets en gehuld in zakken, bestrooid met as, schreiend, biddend, zich de haren uittrekkend, kaarsen en relikwieën meedragend en soms met een strop om de nek of zichzelf kastijdend met zwepen, trokken de boetelingen door de straten, terwijl men de genade van de Heilige Maagd en hulp en voorspraak van de heiligen in hun schrijnen afsmeekte.

Processie in tijden van pest
Miniatuur uit het getijdenboek, ‘Très Riches Heures’, van de hertog van Berry uit de vijftiende eeuw, waarbij is weergegeven een processie met paus en kardinalen in tijden van de pest. In de stoet zelf worden inmiddels mensen onwel en vallen ten prooi aan de pest. Aanvankelijk moet men niet hebben doorgehad dat door en bij gelegenheden als deze de pest zich eenvoudig en snel verspreidde.
Sint-Rochus
Behalve Sint-Sebastiaan, veelal afgebeeld als vastgebonden aan een paal en doorboord door pijlen, die de pest symboliseerden, was een werkelijk uitgesproken pestheilige ook Sint-Rochus (1295-1327). Hij zou volgens de legende tijdens een pelgrimsreis naar Rome pestleiders hebben verzorgd, zelf ook door de pest zijn getroffen, maar ook weer genezen. Hij werd vaak afgebeeld terwijl hij, zijn pelgrimsmantel openslaand, zijn pestbuil(en) op zijn been toonde, samen met de engel die hem tijdens zijn ziekte verzorgd had, en een hondje dat zijn pestbuil likt. Afbeelding van een schilderij uit de vijftiende eeuw door de Meester van Frankfurt.







De dood ontneemt een jood zijn beurs
Een jood wordt door de dood benaderd en van zijn beurs ontdaan.


De schijnbare afwezigheid van een aardse oorzaak gaf de epidemie een bovennatuurlijk en sinister karakter. Behalve in Gods hand werd de oorzaak ook gezocht in het werk van demonen en allerlei vormen van bijgeloof. In een bul van september 1348 sprak de paus van ‘de pestilentie waarmee God de christelijke mensen kastijdt’. Het vormde dus de straf voor de zonden van de mensen. De algemene aanvaarding van dit standpunt schiep een toenemend schuldgevoel, want als de epidemie een straf was, dan moesten er wel vreselijke zonden zijn begaan om deze uit te lokken. Hebzucht, gierigheid, woeker, het najagen van wereldse genoegens, overspel, godslastering, bedrog, genotzucht, goddeloosheid, werden als zonden genoemd waarvoor de straf nu leek te volgen.
Tegenover die geweldige toorn van God zouden slechts gebeden, misoffers en boetedoening enig soelaas kunnen bieden. Een heilige tot wie men zich in zijn nood met name richtte was de heilige Rochus (1295-1327).

Hoewel de pest door velen dus gezien werd als een straf van God, lijkt een menselijke zondebok toch ook nodig te zijn geweest en als schuldigen bij uitstek voor welk onheil ook golden in die tijd steeds betrekkelijk gemakkelijk de joden.

Vervolging van joden en het optreden van flagellanten

Antisemitisme is in de christelijke kerk in feite van meet af aan aanwezig geweest en het speelde van tijd tot tijd met meer of minder heftige gevolgen op. De joden werden door de christenen gezien als de moordenaars van Christus. De plaats van de joden in de christelijke maatschappij is mede daarom steeds een precaire geweest. Wettelijk, politiek, maar ook fysiek waren ze in alle opzichten kwetsbaar. Geweerd uit bijvoorbeeld de nijverheid, waren ze vaak actief in handel en geldschieterij, waarbij ze sterk afhankelijk waren van de bescherming van de koning of andere belangrijke heren, die hen nodig hadden om aan geld te komen (het kerkelijk renteverbod werd zo omzeild). Veelal waren ze ook als tussenpersonen betrokken in financiële transacties en geldhandel, waarin uiteindelijk de kroon of andere machtige lieden de grote winsten opstreken. Voor de bevolking golden de joden evenwel als de geldhandelaar en de woekeraar en werden mede daarom gehaat. In de ogen van de gewone mensen waren daarmee de joden dus behalve de moordenaars van Christus ook roofzuchtige genadeloze monsters, symbolen van de nieuwe macht van het geld, waardoor oude gewoonten veranderden en oude banden werden verbroken.
 
Bij gelegenheid uitte zich die levende haat en woede in vervolgingen, zoals bij de aanvang van de eerste Kruistocht, toen het enthousiasme om aan de oproep van de paus om de ongelovigen in het Heilige Land te gaan bestrijden zich eerst richtte tegen de in de ogen van veel christenen ongelovige joden in hun eigen omgeving. In met name verschillende Duitse steden aan de Rijn hadden toe vervolgingen van joden plaats.
 
Naarmate de handel in de twaalfde en dertiende eeuw groeide, waardoor de geldstroom groter werd, verzwakte de positie van de joden verhoudingsgewijs, omdat ze minder vaak nodig waren. Ze konden niet handelen met de grote bedragen waarover toen de christelijke bankfirma’s konden beschikken. Lombarden en rijke kooplui werden toen betere geldschieters. Omdat ze minder nodig waren, werden de joden ook minder goed beschermd en hadden er meer pogroms, confiscaties en uitwijzingen plaats.
Hierbij kwam ten slotte dat met de ontwikkeling van de Inquisitie in de dertiende eeuw de godsdienstige onverdraagzaamheid groeide, welke zich behalve ten opzichte van verschillende ketterse groeperingen vooral ook ten aanzien van de joden uitte.
 
Zo omstreeks 1215 werden de joden voor het eerst gedwongen herkenningsinsignes en later ook speciale hoeden te dragen. De gehele dertiende eeuw werd er verder in decreten van de kerk op aangestuurd de joden af te zonderen van de christelijke maatschappij. Bij uitwijzingen en vervolgingen speelde steeds de confiscatie van Joodse bezittingen een belangrijke rol. Waarschijnlijk zelfs meer dan godsdienstige bezieling was vaak blinde hebzucht het motief om joden te vervolgen. Dat gold voor stedelijke overheden, maar ook voor koningen, wanneer ze tot officiële uitzettingen overgingen.

Joden op de vlucht voor vervolging en pogroms. Miniatuur uit een Hebreeuws handschrift, ca. 1500. Joden op de vlucht

Na dergelijke ‘maatregelen’ keerden sommige joden na verloop van tijd wel weer terug, maar beperkt tot bepaalde beroepen en dicht bij elkaar wonend, leefden ze constant op de rand van de afgrond.
 
Bij het uitbreken van de pest omstreeks het midden van de veertiende eeuw waren de joden een gemakkelijke prooi en zondebok. In de geest van groeiende onverdraagzaamheid, en vooral ook van angst en onzekerheid in de tijd van de pest werden aldus de joden onder meer beschuldigd van rituele moorden en met name ook het vergiftigen van bronnen, en zo verantwoordelijk gehouden voor de pest. Paus Clemens VI vaardigde daarop in 1348 weliswaar een bul uit waarin het doden, plunderen of met geweld bekeren van joden zonder vorm van proces werd verboden, waarmee er een eind kwam aan aanvallen op joden in Avignon en de Pauselijke Staat. Maar nauwelijks acht werd erop geslagen toen de volkswoede en razernij zich in noordelijke richting uitbreidde. In het begin trachtten autoriteiten in de meeste plaatsen de joden te beschermen, maar later bezweken ze onder druk van het volk, ook al – en zeker niet in de laatste plaats – met het oog op het verbeurd verklaren van de Joodse bezittingen.
 
Een golf van vervolgingen van joden deed zich voor in tal van gebieden. De paus poogde nog de razernij en geruchten in te dammen door te verklaren dat de pest alle volkeren inclusief de joden trof en er bij de geestelijkheid op aan te dringen de joden in bescherming te nemen, maar zijn stem ging verloren in de volkswoede die op verscheidene plaatsen heerste; zo werden in Bazel in 1349 700 joden verbrand; in Straatsburg zouden dat er zelfs 2000 zijn geweest. Voor wat betreft onze streken, maakt bijvoorbeeld het vervolg op de kroniek van Jan Beke er melding van dat men zich tegen joden keerde.

Vervolging en verbanding van joden Doornik
Miniatuur uit de kroniek van Gillis li Muisit (1275-1352), met weergegeven de vervolging en verbranding van joden ten tijde van de pestepidemie in Doornik.Handschrift: Koninklijke Bibliotheek Brussel, Ms. 13076-77.
Optreden van flagellanten
A
fbeelding van optreden van flagellanten of geselaars (geselbroeders) in Doornik. Handschrift: Koninklijke Bibliotheek Brussel, Ms. 13076-77.

Een zich in diezelfde tijd eveneens voordoend en zeer tot de verbeelding sprekend verschijnsel vormden de zogenaamde flagellanten of geselbroeders. Dit was een beweging die zich op sommige plekken al vóór het uitbreken van de pest had gemanifesteerd. Ze riep op tot boetedoening en was daarbij in wezen anti-klerikaal, want de geselbroeders namen – de priesters trotserend – in feite de rol van bemiddelaars tussen God en de mensen op zich: door zelfstandige individuele boetedoening kon men de toorn van God afwenden. In delen van Duitsland ontstaan, breidde de beweging zich via de Nederlanden uit naar Vlaanderen en Picardië tot aan Reims. Ook verspreidde de beweging zich naar Engeland.

In de tijd van de pest was de aanhang en het aantal deelnemers sterk toegenomen. Overal blijken deze Flagellanten in groepen te hebben rondgetrokken en zichzelf en elkaar in het openbaar, onder het bidden en zingen in de kerk, tot bloedens toe verwond. Deze zelfkastijding, waaraan men zich met alle ijver wijdde, werd gezien als boetedoening om de wrekende hand van God, die zich in de pestepidemie deed voelen, tot bedaren te brengen. Het succes van de beweging in het vergroten van haar aanhang vergrootte ook de zelfverzekerdheid en zelfs arrogantie, waarbij men zich ook openlijk vijandig tegenover de kerk betoonde en zich keerde tegen de priesters. Het streven van de beweging zou uiteindelijk zijn geweest het overnemen van de kerk.

 
De beweging ontaardde overigens ook spoedig in de zin, dat het rondtrekken werd tot roof- en plundertochten en er morele uitspattingen plaatshadden. Hiermee ontstond er vrees voor voor deze beweging als bron van revolutionaire gisting bij zowel de lekenoverheid als de geestelijke stand. In zijn algemeenheid werd ze gezien als bedreiging voor de bezittende klasse. Het kwam tot een veroordeling en een verbod van de beweging door de keizer, de Universiteit van Parijs en in 1349 ook van de paus, die in een vervloekingsbul sprak van een duivelse en ketterse beweging. Inmiddels waren echter de zelfkastijders er al toe overgegaan niet alleen zichzelf tot zoenoffer te maken; tal van groepen riepen bij het binnen trekken van steden op tot de vervolging van joden. In Duitsland, maar bijvoorbeeld ook in Antwerpen en Brussel en elders leidde juist dit optreden van de geselaars tot pogroms. Ook de voortzetting van de kroniek van Jan Beke maakt hiervan melding.
 
Tegen de tijd dat de pest voorbij was, waren er nog maar weinig joden meer over in Duitsland of de Lage landen. Het verbod van de Flagellanten door de paus in 1349 deed de beweging spoedig uiteenvallen en de beweging verliep. Enkele groepen beleven er nog wel bestaan, die sporadisch van zich deden horen. Volledig onderdrukt als ketterse beweging werden ze eerst in 1357 met behulp van de Inquisitie.
 
Sommige joden keerden daarna wel terug vanuit Oost-Europa, waarheen ze als verbannenen waren gevlucht. Maar de beperkingen waaraan ze onderworpen werden, waren sindsdien nog groter en het bestaan nog onzekerder. In deze tijd is het stereotype imago van de joden, levend in hun getto's met slechts beperkte contacten met de wereld daarbuiten, ontstaan.

Balans

Het is heel moeilijk te bepalen wat nu precies de tol was die Europa in de grote epidemie van 1347-1352 aan de pest te betalen had? Berichten over sterftecijfers zijn niet in alle opzichten betrouwbaar, maar er kan niet worden ontkend dat er enorm veel mensen zijn omgekomen. Niet in alle gebieden en plaatsen in Europa waren het er echter evenveel. Moderne studies komen uiteindelijk tot schattingen dat een achtste tot drie vijfde deel ofwel 12,5 tot 60% van de totale bevolking in Europa overleed, waarbij het percentage dus varieerde naar gelang het gebied. Hoezeer men echter de middeleeuwse cijfers ook relativeert, duidelijk is dat voor zover bekend nooit eerder in de geschiedenis van de wereld het aantal slachtoffers van een ziekte of ramp zo groot was geweest.

 
De pestgolven in de jaren 1347-1352 hebben vanwege die enorme sterfte grote indruk gemaakt. Maar ook in de daaropvolgende jaren zou de pest met een zekere regelmaat, maar misschien met iets minder dramatische gevolgen, terugkeren en opnieuw slachtoffers maken. De pest bleef als het ware als een smeulend vuur aanwezig, ze was endemisch geworden en kon dus bij tijden – afhankelijk van de omstandigheden – weer meer of minder hevig oplaaien, met name in de steden, waar de mensen dicht opeen woonden en de hygiënische toestanden veel te wensen overlieten.
 
Belangrijke algemene pestjaren in de veertiende en vijftiende eeuw waren 1361, 1369, 1374, 1383, 1418, 1431, 1438, 1452 en nog een lange reeks van jaren daarna. Slachtoffers waren in dergelijke situaties veelal jonge mensen, kinderen die een vorige epidemie niet hadden meegemaakt en dus geen antistoffen tegen de besmetting hadden kunnen vormen. Over de pest in de jaren 1360-1361 sprak men inderdaad van ‘de pest van de kinderen’. Ouderen die eerder niet door de ziekte getroffen waren of deze overleefd hadden ontwikkelden dus kennelijk een zekere immuniteit. De wijze waarop aldus de steeds terugkerende pest een nieuwe jonge generatie gedeeltelijk weer wegvaagde of op zijn minst uitdunde, heeft zeer ingrijpende en diepgaande gevolgen gehad voor de samenleving in de late Middeleeuwen en daarna.
 
Veel meer dan andere besmettelijke ziekten en maatschappelijke onheil – hoe ernstig en invloedrijk ook – heeft de pest zich in het collectieve geheugen vastgezet. Alleen demografische, geografische en sociale aspecten bieden geen afdoende verklaring hiervoor. Belangrijk lijkt vooral ook te zijn geweest de manier waarop de samenleving de pest beleefde en hoe erop werd gereageerd.
 
De eerste pestepidemie van 1347-1352 deed zich voor als onderdeel van een veel bredere economische crisis, met hongersnoden ook in met name 1315-1317, ná een lange periode van ruim drie eeuwen (van de vroege elfde tot en met de vroege dertiende eeuw) van politiek staatkundige, economische, kerkelijk-religieuze en culturele expansie.
 
Vooral ook die omstandigheid heeft wellicht de gevolgen en de indruk die de pest al met al maakte zo sterk doen zijn. De pest stelde feitelijk heel duidelijk grenzen aan de menselijke mogelijkheden, ze beperkte de vrijheid van handelen en dadendrang van de mens, beïnvloedde de geest en deed sociale verbanden en relaties ineenschrompelen. Er was daarmee kortom sprake van een samenleving in verval, die zich kenmerkte door ontwrichting, ontreddering en angst.
De dood per ossenkar (Pourbus)
De pest en de triomferende dood treffen iedereen, ook – onder de wagen en platgetrapt door de os – de paus en de keizer. Tekening van Pieter Pourbus, ca. 1550.


















Hans Memling De dood te paard
Detail van een schilderij van Hans Memling 1433-1494), voorstellende het apocalyptisch visioen van Sint-Jan de Evangelist, met de Dood te paard, oftewel de pest als een van de verschrikkingen die het einde der tijden aankondigden.







Een reactie op de pest, maar ook op de algehele crisis in de veertiende eeuw, was dan ook een veel somberder beeld van het leven en de wereld, dan wellicht eerder het geval was. natuurlijk was ook eerder in de Middeleeuwen het bestaan voor veel mensen uiterst onzeker, was er angst voor de dood en onzekerheid over wat daarna volgde. Toch was er mogelijk toen ook wel sprake van een zeker vertrouwen dat als men zijn christelijke plichten vervulde, als goed christen leefde, toch de hemelse zaligheid kon verwerven.
 
De enorme sterfte die de pest veroorzaakte, de indruk die dit maakte, de angst en onzekerheid die het in ieders bestaan bracht, kunnen haast niet anders dan de kijk op het leven versomberd hebben. De mens bleek nietiger dan ooit. De angst voor een akelige en vooral snelle dood, waarop men niet voorbereid was, werd vergroot. De zorg voor het zielenheil, zoals die ook eerder in de Middeleeuwen aanwezig was, werd nu wel een heel nadrukkelijk memento mori. En die onzekerheid en angst ziet men terug in veel afbeeldingen uit de latere Middeleeuwen: er spreekt niet alleen een preoccupatie met de dood uit, ze ademen ook een algehele sinistere sfeer.

De dood te paard (Palermo)
De dood te paard symboliseert de pest die niets en niemand ontziend voortraast. Groot middeleeuws fresco van een onbekend kunstenaar, afkomstig uit een hospitaal in Palermo.
 
De situatie en ontwikkeling in de Nederlanden anders dan elders?

In het verleden is nogal eens verondersteld dat – hoewel de pest zich natuurlijk ook in de Nederlanden heeft voorgedaan – de epidemie hier toch niet zo hevig heeft huisgehouden als in veel andere gebieden. Zo werd lang aangenomen dat op enkele randgebieden na – in de Zuidelijke Nederlanden Henegouwen en Zuid-Vlaanderen, zie vanuit Frankrijk zouden zijn aangetast, en in de Noordelijke Nederlanden Deventer en Friesland, die vanuit Duitsland door de pest werden bezocht – de kern van de Nederlanden, een brede middenstrook tussen Noord en Zuid, grotendeels gespaard zou zijn gebleven.
 
Inmiddels is deze opvatting – die enerzijds steunt op indirecte aanwijzingen voor stabiliteit van de bevolking en anderzijds op het ontbreken van eigentijdse bronnen die een werkelijk abnormale sterfte zouden aantonen – verlaten en wordt ervan uitgegaan dat de pest in de jaren 1349-1351 toch nagenoeg alle gewesten heeft getroffen. Een uitzonderingspositie van de Nederlanden zou ook op zijn minst verbazing hebben gewekt, omdat allerhande factoren die doorgaans de verspreiding van de pest bevorderden, hier immers verenigd waren: een hoge bevolkingsdichtheid, een sterke verstedelijking, intense commerciële en politieke relaties met gebieden waar wél de pest heerste, een gematigd en vochtig klimaat dat gunstig is voor de rattenvlo die de pestbacil verspreidt.
 
Behalve gegevens voor onze gebieden, die vooral van overwegend kwalitatieve aard zijn (zoals bijv. berichten als die van het vervolg op de kroniek van Jan Beke), heeft recent onderzoek inmiddels ook gelijktijdige kwantitatieve bewijzen voor een abnormale sterft in de jaren 1349-1351 aan het licht gebracht (met name grafelijke rekeningen, begrafenisregisters, schenkingsaantekeningen). Er blijkt dan geen twijfel meer over te bestaan dat de pest in alle Nederlandse gewesten een aanzienlijk hogere mortaliteit dan normaal heeft veroorzaakt. In Henegouwen was die naar het voorkomt het meest catastrofaal, maar ze mag ook als belangrijk worden beschouwd in West-Vlaanderen, Holland, de IJsselstreek en Friesland. Elders heerste de epidemie eveneens, zij het wellicht in geringere mate.
 
Zou het nu bij één epidemie zijn gebleven, dan waren wellicht de gevolgen voor het bevolkingsverloop niet zo desastreus geweest. Veeleer maakte de reeks van echo-epidemieën van de tweede helft van de veertiende en de vroege vijftiende eeuw een eventueel ingezet herstel ongedaan of leidde zelfs tot een verdere terugval. Met name een pestgolf die in 1400-1401 woedde, heeft in vrijwel de gehele Nederlanden een zeer hoog sterftepercentage veroorzaakt. Na 1410 treedt dan een voorzichtig herstel in, wanneer de pest min of meer endemisch wordt. Maar duidelijk is 1438-1439 nog een jaar van een korte, maar algemeen catastrofale pestepidemie. Lokale en regionale epidemieën doen zich ook daarna nog regelmatig voor.
 
Voor wat betreft de algehele agrarische depressie van de Late Middeleeuwen kunnen we stellen dat die natuurlijk ook de Nederlanden niet ongemoeid heeft gelaten, zeker niet waar het de landgewesten betreft. De jaren van hongersnood in Europa in 1315-1317, hetgeen samenging met een dysenterie-achtige epidemie, leidde – als in heer Europa – ook hier tot een hoge mortaliteit. Van die hongersnoden en andere problemen in die tijd vernemen we uit tal van bronnen. Van een terugloop van de bevolking in delen van de Nederlanden – Henegouwen, Brabant – schijnt dan inderdaad ook wel sprake te zijn geweest, maar ze was toch minder desastreus dan in andere Europese landen.
 
Het onbebouwd blijven van land door gebrek aan boeren is wel voorgekomen, maar permanente Wüstungen (volledig verlaten dorpen of nederzettingen) zijn er toch nauwelijks geweest (hooguit misschien op de Veluwe). Wel zijn er bijvoorbeeld aanmerkelijke landverliezen geweest door overstromingen, die vanwege de crisis soms niet meer zijn goedgemaakt.
 
Sint-Elizabethsvloed 1421
Verbeelding van de gevolgen van de Sint-Elizabethsvloed in 1421, toen onder meer de Grote Waard bij Dordrecht verdronk en de Biesbosch ontstond. Al veel eerder, in 1375, liep ook de Riederwaard bij Barendrecht onder water, waarna het gebied tot ver in de tweede helft van de vijftiende eeuw onder water bleef staan, waarschijnlijk omdat de middelen ontbraken om de bedijking te herstellen. Vijftiende-eeuws schilderij in het Rijksmuseum Amsterdam.
 
Hoewel het netto beschikbare areaal waarschijnlijk niet afnam, ging een groot deel van de cultuurgrond als akkerbouwgebied verloren. Akkergronden die door inklinking van de bodem te nat werden om als bouwland te blijven dienst doen, werden bijvoorbeeld weiden. De overschakeling op veeteelt en turfwinning die daarvan het gevolg was, had een grote invloed op de omvang en samenstelling van de bevolking.
 
Toch krijgt men de indruk dat de malaiseverschijnselen in de Nederlanden minder duidelijk zijn, mede omdat deze streken praktisch altijd graan hebben moeten invoeren en in de Late Middeleeuwen dus hebben kunnen profiteren van de in het algemeen lage prijzen. Die graaninvoer had aanvankelijk plaats vanuit de Somme- en Seinestreek en eerst vanaf het eind van de vijftiende eeuw vanuit de Oostzeegebieden.
 
De veeteeltgebieden profiteerden van de toegenomen vraag naar vlees: een belangrijke branche was in onze streken de zogenaamde vetweiderij; jong vee van elders werd hier in weiden vetgemest en vervolgens ook weer naar elders gevoerd om daar geslacht te worden.
 
Opmerkelijk is dat zich in de Nederlanden in de tijd dat elders de crisis in de landbouw hard toesloeg zelfs innovaties plaatshadden. Het braak laten liggen van land werd bijvoorbeeld soms afgeschaft door het zaaien van klaver of erwten; op zandgronden werd de teelt van boekweit ontwikkeld; in de vijftiende eeuw had de introductie plaats van de windwatermolen, die gebruikt werd voor het wegwerken van overtollig polderwater. Hiermee zouden in de volgende eeuwen de grote droogmakerijen in Holland en elders mogelijk zijn.
 
De Nederlanden hebben zich verder ook vrij goed als handelsland gehandhaafd. Brugge verloor weliswaar geleidelijk haar hegemonie als internationale markt (verzanding van het Zwin), maar Antwerpen nam haar plaats als commercieel centrum over. Een rol speelde hierbij onder meer ook dat in Antwerpen de gilden niet die rol speelden als in Brugge, waardoor de handel veel vrijer was (geen kortzichtige bevoordeling van eigen burgers boven buitenlanders) en meer handelaren van allerlei nationaliteiten aantrok.
 
Holland was eveneens in de Late Middeleeuwen een gewest in opkomst. Lang had dit gebied, zo uitstekend gelegen voor commerciële activiteit, een overwegend agrarisch karakter behouden. Na 1350 werd dit anders. Hollandse en Zeeuwse schepen die tevoren vooral actief waren geweest in de kustvisserij, begonnen in toenemende mate vrachtvaart en koophandel te bedrijven, naar het Hanzegebied, naar Engeland en naar de kust van West-Frankrijk.
 
Lakenindustrie ontwikkelde zich in Leiden, waar men Engelse wol verwerkte en de concurrentie aanging met Vlaanderen en Brabant. Brouwerijen in Delft en Haarlem werkten op grote schaal voor de export. Met name van belang was hierbij de productie na 1350 van een zwaarder bier bereid met hop. De aanwezigheid van turf als brandstof en schoon water waren hierbij belangrijke factoren.
 
Van wezenlijk belang was ook de haringvangst; de uitvinding van het haringkaken was uiterst belangrijk, omdat hiermee de houdbaarheid van de haring werd vergroot en concurrentie mogelijk was met de haringvangst ter plaatse. Al deze ontwikkelingen stelden de Hollanders in staat om tegen het einde van de Middeleeuwen de hegemonie van de Hanze te doorbreken.
 
Als men de ontwikkeling in de Nederlanden overziet, zou de conclusie kunnen luiden dat ze blijkbaar een uitzondering vormde op de algemene malaise die in de Late Middeleeuwen heerste. Deze opvatting is te verdedigen, maar er waren ook meer gebieden (Engeland met zijn wolnijverheid) en bedrijfstakken (handel) die helemaal niet pasten in het beeld van depressie. de ontwikkeling in de Nederlanden is veeleer een demonstratie van de oude waarheid dat grote generalisaties niet in alle opzichten kloppen. Naast elkaar zou sprake zijn geweest van verschijnselen van verval, maar soms ook die van een snel herstel en vooral (trans)formatie op bepaalde, maar belangrijke terreinen.
Voor meer informatie: op de website van het LWL-Museum für Archäologie in Herne staat een digitale rondleiding over de daar aan de pest gewijde tentoonstelling.
Dat alles neemt evenwel niet weg dat tot ver in de zeventiende eeuw ook de Nederlanden, en wat wij nu Nederland noemen, nog met zekere regelmaat door de pest werden getroffen.

© 2020 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 23 maart 2020; laatst bewerkt 23 maart 2020.