Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie, met name voor de context, ook de webpagina ► De Pausdam in Utrecht in de Middeleeuwen.

Voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen op deze webstek zie de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.
De noordzijde van de Pausdam in de Middeleeuwen
Een gecompliceerde ontwikkeling
door Martin W.J. de Bruijn
[1] Zie hiervoor M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 87-95.

[2] Ald. 351-359.

[3] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 IV, uitg. F. Ketner (Utrecht 1954) nrs. 2151 en 2152 (HUA, Oudmunster 451): terram seu spatium terre iacens inter murum sancti Pauli et areas ecclesie nostre circumiacentes a domo Theoderici dicti Snoye, concanonici nostri, usque ad portam Veteris Delle cum porta. De uitgever van de oorkonde, F. Ketner, zegt in een noot dat de genoemde poort ‘toegang gaf tot de oude Rijnbedding door de Oudelle’, waarmee hij de Oudelle ten onrechte gelijkstelt aan een rivierarm.


Pausdam noord plattegrond
Fragmentplattegrond bewerkt naar het Utrechts Documentatiesysteem.


[4] HUA, Dom 201-2: Universis presentia visuris nos Iohannes, Dei patientia abbas, totusque conventus monasterii sancti Pauli Traiectensis salutem cum notitia veritatis. Noveritis quod nos, utilitate nostri monasterii considerata, discreto viro domino Theoderico dicto Cruve, canonico maioris ecclesie Traiectensis, quandam petiam terre, sue aree quam inhabitat adiacentem infra muros suos, ad nostrum monasterium pertinentem, vendidimus in merum proprium ad habendam, tenendam et perpetuo possidendam pro quadam summa pecunie nobis ab eodem persoluta. Quare dicte terre possessionem, proprietatem et dominium in ipsum dominum Theodericum transtulimus et transferimus per presentes, ipsum et successores suos, in dicta area pro tempore habitantes, a pensione annua, nobis dari consueta ratione dicte terre, quitos imperpetuum proclamando, et promittentes nos nunquam contra presentem venditionem aut contra premissa bona fide dicere, facere vel venire. In cuius rei testimonium nos abbas et conventus predicti sigilla nostra duximus presentibus litteris apponenda. Datum anno Domini Mo CCCo nono, feria quarta proxima ante vigiliam assumptionis beate Marie virginis.

[5] HUA, Dom 201-4: Universis presentia visuris nos abbas totusque conventus monasterii sancti Pauli Traiectensis notum facimus quod nos, utilitate monasterii nostri inspecta, unanimi consensu vendidimus in merum proprium discreto viro domino Theoderico dicto Cruve, canonico Traiectensi, pro certa pecunie summa, nobis integraliter persoluta et in utilitatem dicti nostri monasterii conversa, aream nostram sitam inter aream monasterii nostri predicti supra qua Wilhelmus dictus de Dam moratur ex una parte et inter aream claustralem dicti domini Theoderici ex altera, quam quidem aream Ghertrudis dicta de Capella quondam a nobis pro certa pensione annua possidebat, transferentes per presentes litteras in dictum dominum Theodericum hereditarie et suos successores predicte aree possessionem, proprietatem et dominium ad habenda, tenenda et perpetuo libere possidenda, promittentes quod fide prestita corporali nos nunquam contra dictam venditionem aut contra premissa ratione aliqua dicturos aliquid aut facturos. In quorum omnium testimonium nos abbas et conventus predicti sigilla nostra duximus presentibus litteris apponenda. Datum anno Domini Mo CCCo XIIIIo, in octava Pasche.

[6] HUA, Dom 201-2 en 201-4.

[7] HUA, St.-Pieter 150.

[8] HUA, Dom 2159. In de inventaris abusievelijk gedateerd op circa 1325.

[9] HUA, Dom 446 (1359.05.10) als buurman van de bezitter van het huidige Domplein 29 noordelijk deel Jan Grauwert.

[10] HUA, Dom 1119-5 (1387.12.15).
Inleiding

Elders heb ik de ontwikkeling van het gebied rond de Dam in Utrecht, sinds de zestiende eeuw Pausdam geheten, in zijn context geplaatst (zie de webpagina De Pausdam in Utrecht in de Middeleeuwen). Hierbij is duidelijk geworden dat deze geschiedenis zeer complex, maar daarmee ook uitermatend boeiend is. Dit geldt onder meer ook voor het noordelijk deel van deze ‘dam’, dat het onderwerp is van de onderhavige webpagina. Bij de ontwikkeling van dit stukje stadsgebied waren drie Utrechtse kapittels betrokken, die van de Dom, Oudmunster en Sint-Pieter, en verder ook nog de Sint-Paulusabdij.

Burchtgebied
De immuniteiten van Dom en Oudmunster in het middeleeuwse burchtgebied. Helemaal rechtsonder de vijfsprong van de Pausdam. Hier worden behandeld de percelen D17 (=Achter de Dom 7-13 en Trans 14-16), O1 (Achter de Dom 26-30) en het  driehoekig perceel (respectievelijk ongeveer Pausdam 3 en 1-2). Deze afbeelding, hier in een bewerking door het Utrechts Documentatiesysteem, is met een aantal andere plattegronden, voornamelijk op mijn aanwijzingen getekend door A.F.E. Kipp en vervolgens opgenomen in mijn dissertatie Husinghe en hofstede, ald. 82-83.

Het gaat hier om grond die gelegen was buiten de middeleeuwse burchtgracht en ten dele waarschijnlijk ook het tracé van die gracht zelf, en wel bij de plaats waar de zuidelijke gracht overging in de oostelijke.[1] De gracht zal nog in de dertiende eeuw gedempt zijn, waarna de percelen ongeveer de latere, voor een deel gerende vorm hebben gekregen.

Omdat de middeleeuwse perceelsindeling niet geheel duidelijk is, ga ik ervan uit dat er zich tussen Trans 12 in het westen en Achter de Dom 20-24 (zie de webpagina Achter de Dom 20-24) in het noorden een perceel Pausdam 3-na 3 (het laatste later Achter de Dom 26-28) en een perceel Pausdam 1-2 heeft bevonden. Alleen nader onderzoek vanuit de kadastrale situatie terug naar de Middeleeuwen zou definitief uitsluitsel over de precieze perceelsindeling kunnen geven.

Ik behandel de percelen van west naar noordoost, te beginnen bij het noordoostelijk deel van de tegenwoordige Trans.

I. Een stuk grond en een huiserf van de Sint-Paulusabdij (Trans 14-16?)

In 1050 werd een abdij die omstreeks het jaar 1000 gesticht was door bisschop Ansfried door bisschop Bernold overgebracht naar Utrecht. In een oorkonde van 26 juni van dat jaar kreeg zij een terrein toegewezen ten zuiden van de middeleeuwse burcht. Het grootste gedeelte hiervan werd bestemd voor de abdijkerk, de abdijgebouwen, het kerkhof en een tuin, en vormde aldus een lokale immuniteit. Tot de schenking behoorden echter ook zes aan het abdijterrein grenzende erven. Waarschijnlijk gaat het hierbij om erven ten zuiden van het abdijterrein, waar zich het dagelijks gerecht van de abdij bevond.[2]

De grond die op 13 augustus 1309 werd toegevoegd aan het claustrale erf Dom 7-13, in het bezit van de domkanunnik Dirk Cruve, zal een restant zijn geweest van de ruimte ten noorden van de in 1283 aangelegde Trans. Het kapittel van Oudmunster sprak toen van het land of het stuk land liggend tussen de muur van Sint-Paulus en de daaraan liggende huiserven van het kapittel vanaf het huis van hun medekanunnik Dirk Snoye tot aan de poort van de Oudelle, die meeverkocht werd.[3]
 
Het in 1309 verkochte perceel werd ook toen nog niet aangeduid als huiserf (area) maar als een stuk land (quandam petiam terre).[4] Waarschijnlijk ging het hier om en nabij om het latere Trans 14.

Oostelijk hiervan bevond zich een huiserf, waarschijnlijk ongeveer samenvallend met het latere Trans 16, dat de Sint-Paulusabdij op 14 april 1314 overdroeg aan genoemde Dirk Cruve. Dit was een ‘echt’ huiserf, dat eertijds Geertruid van der Kapellen van de abdij had gehouden. Het werd gesitueerd tussen erf van de abdij waarop Dirk van den Dam woonde en erf van de genoemde Dirk Cruve.[5] Het laatstgenoemde zal zijn claustraal erf zijn geweest waaraan het in 1309 aan Dirk overgedragen erf was toegevoegd. Het erf van genoemde Dirk van den Dam zal gesitueerd dienen te worden ongeveer ter plaatse van de latere Domtrans, dit wil zeggen het zuidelijk deel van het tegenwoordige Achter de Dom.

Het zou bijzonder prettig zijn geweest wanneer we over een reeks van bezitters van het claustrale huis en erf Achter de Dom 7-13 vanaf het eind van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw hebben beschikt, maar helaas is dit niet het geval. We kennen uit de veertiende eeuw slechts:
–1309-1314–              Dirk Cruve, domkanunnik[6]
–1332.02.24–             Willem Tulle, domkanunnik[7]
–ca. 1335–                 de domscholaster[8]
–ca. 1359–                 Nicolaas Stuuc[9]
–ca. 1390–                 domdeken Johan Witte[10]
[11] Bezitter van het claustraal erf Achter de Dom 7-13, want hoewel dit niet uit de oorkonde uit 1322 blijkt, was deze, zoals uit een testament van 9 september 1307 zegt (St.-Pieter 1059a), kanunnik van de dom.

[12] HUA, St.-Pieter 150: Universis presentia visuris nos officialis curie Traiectensis notum esse volumus quod propter hoc coram nobis tamquam in figura iudicii personaliter constitutus discretus vir Heynricus dictus de Rees, presbiter, perpetuus vicarius maioris ecclesie Traiectensis, sponte recognovit et confessus est se recepisse titulo locationis pro se suis que heredibus sive successoribus, ita quod apud utrum? remaneat successive, a venerabilibus viris decano que capitulo ecclesie beati Petri Traiectensis aream unam cum longitudine, latitudine et ceteris suis pertinentiis, prout iacet et sita est in civitate Traiectensi iuxta locum vulgo dictum up den Dam in iurisdictione temporali decani et capituli predictorum, inter aream quam nunc possidet Wilhelmus dictus Tulle ex latere superiori et aream domini Theoderici Bose, concanonici dicte ecclesie beati Petri, ex inferiori, ad eclesiam beati Petri predictam proprietario iure spectantem, pro annua certa pensione duodecim solidorum denariorum legalium et bonorum, grosso videlicet Turonensi regio monete Francie antiquo pro duodecim denariis computato vel equivalore eiusdem in alio pagamento, solvendorum ipsis decano et capitulo aut eorum camerario pro tempore constituto singulis annis infra mensem proximum a die beati Victoris perpetuo possidendam. Quod si dictus Heynricus, heredes vel successores eiusdem dicte aree pro tempore possessores temporem predictum non solverint, extunc post lapso dicti mensis cadet et cadent ab omni iure quod sibi suis que heredibus sive successoribus predictis pretextu locationis predicte competere poterit in area supradicta, et dicta area ad decanum et capitulum predictos libere revertetur, ita quod de ipsa ordinare et disponere poterunt sine contradictione cuiuslibet, prout eis videbitur expedire. Et nichilominus solvet idem Heynricus, heres vel successor eiusdem in dicta area pensionem una cum expensis quas propter hoc fieri contigerit pro rata temporis non solutam. In cuius rei testimonium et ad preces dicti Heynrici sigillum curie nostre apposuimus huic scripto. Actum et datum Traiecti anno Domini millesimo trecentesimo trecesimosecundo, feria secunda post cathedram beati Petri.

[13] Dom 201-4 (1314.04.14).

[14] St.-Pieter 151 (1333.06.30); ald. 152 (1334.08.09of10); 153 (1336). Zie hierna.

[15] St.-Pieter 165-1, 1367/68, ontv. 7de summa (achterin gebonden): Item Iohannes de Odic de area sua V s. IIII d. Aldus ook 1371/72, ontv. 7de summa (voorin gebonden).

[16] Dom 1119-5.

[17] Dom 1119-1 (1350.09.29); Dom 1119-2 (1351.02.10); 1119-3 (1351.03.08) en 1119-4 (1379.12.01).

[18] Zie hiervóór.

[19] Dom 1119-6.

[20] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 140-142.

[21] Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den dom te Utrecht, I, uitg. N.B. Tenhaeff (’s-Gravenhage 1946) 41.

[22] HUA, Oudmunster 448-1.

[23] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 163-164.

[24] HUA, Dom 1119-7.

[25] HUA, St.-Pieter 167-1 (rek. kl. kamer 1432-1468), rek. 1432/33, 14de summa: Item dominus Theodericus de Papenderp olim, postea Iohannes de Embrica, nunc domini Arnoldi Lewe, tenetur de area sua quondam Iohannis de Odic V s. IIII d., pro quibus solvit VIII s. IIII d.

[26] HUA, Oudmunster 468-1 (1440.10.12): Similiter et domus magistri Iohannis Dorlo, situata supra pontem, que habet transitum sancti Martini ex parte meridionali et plateam communem in oriente et domum domini Arnoldi Leew, perpetui vicarii in ecclesia sancti Petri, ad partem borealem.

[27] HUA, St.-Pieter 163.

[28] Ald. 164.
II. Pausdam 3-na 3 en de aanleg van de Domtrans (met de vorming van Achter de Dom 26-30) in 1391

Pausdam 3-na 3


Op 24 februari 1332 oorkondde de officiaal van de bisschop dat de domvicaris Hendrik van Rees van het kapittel van Sint-Pieter voor 12 schellingen per jaar een huiserf up den Dam in het dagelijks gerecht van het kapittel ten erfelijke pacht had ontvangen. Het werd gesitueerd tussen erf van Willem Tulle aan de bovenzijde[11] en erf van de kanunnik van Sint-Pieter heer Dirk Boze aan de benedenzijde.[12] Mogelijk gaat het bij de uitgifte ongeveer om de latere percelen Pausdam 3 en na 3 (Achter de Dom 26-30). Het bovenstaande gegeven laat zich echter niet in de overige gegevens voegen. Want in 1314 werd in een belending Willem van den Dam voor dit perceel genoemd,[13] die we ook later in de veertiende eeuw als bezitter vermeld vinden.[14]

In de rekeningen van de kleine kamer van Sint-Pieter van 1367/68 en 1371/72 staat het goed dat zich zoals gezegd laat vereenzelvigen met ongeveer Pausdam 3 en na 3 (later Achter de Dom 26-30) op naam van Johan van Odijk.[15] Op 15 december 1387 droegen hij en zijn kinderen voor het dagelijks gerecht van Sint-Pieter dit erf met het daarop staande huis over aan Tiedeman Opteynde en zijn gelijknamige zoon. De laatste was domvicaris. Het goed werd bij die gelegenheid gesitueerd tusschen huzinghe ende hofstede haren Johans Witten, canonic ten doem tUtrecht, aen die zuutsyde ende husinghe ende hofstede die tot sinte Korstoffels outaer horen inder kerken van sinte Peters voerseyt ghesticht aen die noortsyde, ende in der heren gherechte van sinte Peters voerscreven.[16] Blijkens enkele vooroorkonden was dit complex afkomstig van Elborg dochter van Willem van den Dam, echtgenote van Johan van Odijk.[17] Willem kwamen we tegen als belending in de hierboven vermelde oorkonden uit 1333, 1334 en 1336.[18] Er ging uit dit goed ook een tijns aan de Sint-Paulusabdij.

De aanleg van de Domtrans (zuidelijk deel van Achter de Dom)


Op 1 januari 1395 gaf Tydeman Uptende, preester ende vicarijs der halver keysers provende inder kerken ten doem tUtrecht, het goed voor 10 schellingen per jaar ten erfelijke pacht aan het domkapittel.[19] Al enkele jaren eerder, op 18 juli 1391, had dit college een overeenkomst gesloten met de stad, waarbij onder meer was bepaald dat het kapittel het huis van Johan van Odijk mocht afbreken. Dit had te maken met de aanleg van de Domtrans, het zuidelijk deel van Achter de Dom.[20]

Zoals uit enkele posten in de fabriekrekening van de Dom blijkt, werd het huis afgebroken. In de fabriekrekening van 1395/96 ontving Tiedeman 10 gulden voor de moeite die hij samen met zijn vader met betrekking tot dit huis had gedaan.[21]

Pausdam De Beijer 1745
De Pausdam naar het noorden toe door Jan de Beijer omstreeks 1745. Links de Domtrans met de woontoren van Achter de Dom 7 en helemaal links een deel van Trans 16. Daarnaast rechts de topgevel van het claustrale huis Achter de Dom 26-30 en daar weer naast Pausdam 1-3. Rechts Paushuize.

Een nieuw claustraal erf van Oudmunster (Achter de Dom 26-30)


In 1399 blijkt het erf Pausdam 3 in het bezit te zijn van Dirk van Papendorp.[22] Kort tevoren had het kapittel van Oudmunster het westelijk naastgelegen perceel – waarschijnlijk betreft het hier Achter de Dom 26-30 – van de Dom verkregen in ruil voor het claustrale perceel van Oudmunster onmiddellijk ten noorden van de domtoren.[23] Dirk verklaarde op 1 september 1401 alse dat die ghevel mitter mueren die daer after allanghes aent zuyteynde van sinen husinghen ende hofsteden opten Damme ghetymmert staet den deken ende capittel van Oudemunster tUtrecht half toebehoert ende dat die zelve ghevel ende muer voersc. op horen ghemenen erve gheleyt ende ghetymmert is. Met zuidmuur zal eigenlijk zuidoostmuur bedoeld zijn: zowel de Romeinen als de middeleeuwers zagen het oosten wat noordelijker dan wij, waar bij de aanduiding van belendingen in die perioden rekening moet worden gehouden.

Op 5 mei 1422 gaf het domkapittel voor 24 lood zilver per jaar aan Jan van Emmerik in erfelijke pacht het erf dat Dirk van Papendorp van het kapittel had gehouden. In de akte werd melding gemaakt van twe ende twintich scillinge tsiaers die die heren van sunte Peters ende die heren van sunte Pouwels tUtrecht daer uut te tijndze hebben.[24] Als belendingen werden genoemd erf van Oudmunster dat heer Jan van Doorn (= Dorlo) bewoonde (Achter de Dom 26-30) aan de bovenzijde (zuid) en erf van Johannes van Meerloe aan de benedenzijde (noordoost) (Pausdam 1-2).

In de rekening van de kleine kamer van Sint-Pieter van 1432/33 staat het goed op naam van heer Arend Lewe (Leeuw).[25] In 1440 wordt het perceel genoemd als noordelijke – eigenlijk meer oostelijke – belending genoemd van het in 1399 gestichte claustrale huis van Oudmunster Achter de Dom 26-30. Het stond toen nog steeds op naam van genoemde Arend Leeuw, vicaris van Sint-Pieter.[26]

Blijkens een belending stond het in 1500 op naam van Jacob van Loenen, zielpriester,[27] en in 1517 op naam van de zielproven van de Dom.[28]

Bekende bezitters:
–1307?-          Willem van den Dam?
1336.06.30–   Willem van den Dam
–1367/68–       Johan van Odijk, gehuwd met Elborg dochter van Willem
                        van Den Dam, en kinderen
1387.12.15      > ten erfpacht aan Tiedeman Opteynde, domvicaris
1395.01.01      > ten erfpacht aan kapittel Sint-Pieter
–1399.08.05-
1419.11.16–    Dirk van Papendorp
                        domkapittel >
1422.05.05      ten erfpacht aan Jan van Emmerik
–1432/33–       Arend Leeuw, vicaris van Sint-Pieter
–1440.10.12–  dezelfde
–1500.10.19–  Jacob van Loenen, zielpriester
–1517.07.08–  zielproven van de dom
[29] HUA, St.-Pieter 151: aream sitam in civitate Traiectensi in loco up den Dam vulgaliter dicto, inter aream discreti viri domini Hugonis dicti Pollaerd, canonico maioris ecclesie Traiectensis, a parte una et inter aream Wilhelmi de Dammo a parte altera, ad dictos decanum et capitulum ecclesie beati Petri predicte pertinentem.

[30] HUA, St.-Pieter 152. De datering van de oorkonde is des dinxdaghes op sinte Tyburtius avond, maar de vooravond van dit feest viel dat jaar op woensdag.

[31] HUA, St.-Pieter 153. De volledige tekst van deze boeiende oorkonde luidt: Universis presentia visuris nos decanus et capitulum ecclesie beati Petri Traiectensis facimus manifestum et recognoscimus per presentes quod dominus Iohannes Romaer, noster concanonicus, aream sitam in civitate Traiectensi in loco vulgariter op den Dam, inter areas quas discretus vir dominus Hugo Pollart, canonicus maioris ecclesie Traiectensis, a parte una et Wilhelmus de Dam a parte altera, a nobis et ecclesia nostra tenet, quam a nobis tenebat dominus Theodericus Boze bone memorie, noster concanonicus, pro annuo censu quinque solidorum boni paghamenti et quam idem dominus Theodericus una cum domo in eadem constructa, Elyzabeth sue filie in iudicio seculari tradidit et donavit, in quorum possessione eadem Elyzabeth cum Egidio marito suo aliquamdiu fuit pacifica et quieta, erga dictam Elyzabeth et eius maritum predictum emit pro quadraginta libris nigrorum Turonensium eisdem coniungibus per eundem dominum Iohannem integraliter persolutis, dictaque Elyzabeth de licentia et auctoritate ac cum manu mariti sui predicti proprietatem domus et aree predictarum camerario nostro ad opus ecclesie nostre de consensu dicti domini Iohannis in seculari iustitia nostra adhibitis bannis, sententiis et aliis sollempnitatibus in talibus debitis et consuetis libere resignavit. Unde nos dicto Iohanni concedimus per presentes ut de dictis domo et area pro sue libito voluntatis possit et in vita sua disponere et in morte, salvis nobis semper dicto nostro annuo censu et proprietate domus et aree predictarum. In cuius rei testimonium sigillum capituli nostri presentibus est appensum. Datum anno Domini Mo CCCo trecesimosexto.

[32] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 259-260.

[33] Zie hiervóór.

[34] HUA, St.-Pieter 156 (opgenomen in een oorkonde van 1419.11.22).

[35] HUA, St.-Pieter 167-1 (rek. kl. kamer 1432-1468).

[36] HUA, St.-Pieter 163 (opgenomen in een oorkonde van 1500.11.20).

[37] HUA, St.-Pieter 164.
III. Pausdam 1-2 (behorend tot het Sint-Christoffelaltaar in de Sint-Pieterskerk)

Ten noorden van Pausdam 3 en ten zuiden van het claustrale perceel van het domkapittel Achter de Dom 20-24 bevond zich het perceel Pausdam 1-2. Op 20 juni 1333 verklaarde de aartsdiaken van Oudmunster dat heer Dirk Boze, kanunnik van Sint-Pieter, dit erf van het kapittel van Sint-Pieter had ontvangen tegen een jaarlijkse tijns van 5 schellingen goed geld, te betalen in de maand april aan de kleine kamer van het kapittel.[29] Ruim een jaar later, op 9 of 10 augustus 1334, droeg Dirk voor het stedelijk schepengerecht dat huys ende de hofstede, egghen ende enden, op sulken tinse alse gheleghen siin opten Damme, tusschen der hofstede der heren van sinte Peter daer Willaem van den Damme op woent an de zuytside ende tusschen haren Hughen Pollaerds poorte de op der heren hofstede vanden doem tUtrecht ghetimmert staet an de noortside, over aan zijn dochter Liesbet, waarbij hij zich het levenslang vruchtgebruik voorbehield.[30]

Aan de noordzijde van het perceel, dus op het voorgaande, bleek dus een poortweg te liggen. Mogelijk vormde die ook voor derden de mogelijkheid om van Achter de Dom naar Achter Sint-Pieter te gaan. Het zuidelijk deel van Achter de Dom bestond toen nog niet. De situatie was hier vergelijkbaar met die van het Pieterskerkhof, waar het tracé ook aan de zuidoostzijde doodloopt op de bebouwing. Zoals we zullen zien, werd het zuidelijk deel van Achter de Dom, de zogeheten Domtrans, pas aan het eind van de veertiende eeuw aangelegd.

In 1336, zonder nadere datering, maakte het kapittel van Sint-Pieter bekend dat zijn kanunnik heer Jan Romaer het goed voor 40 pond Tourse zwarten van Liesbet dochter van Dirk Boze en haar man Gillis had gekocht. Zij hadden voor het wereldlijk gerecht met toestemming van heer Jan afstand gedaan van de proprietas  van het huis en erf, waarna het kapittel het goed, met inbegrip van het huis, onder voorbehoud van de tijns en de proprietas, aan deze laatste verleende.[31]

Elders heb ik uiteengezet dat proprietas hier niet, zoals men zou verwachten, met ‘eigendom’ in de moderne zin kan vertalen.[32] In dit geval zal het gebruik van deze term te maken hebben gehad met het feit dat behalve het erf ook het huis tot de proprietas van het kapittel ging behoren. Hiermee werd het recht bedoeld om huis en erf opnieuw, al dan niet erfelijk, uit te geven, maar het zal tevens ingehouden hebben dat het al als zodanig, waarschijnlijk erfelijk, uitgegeven was, met andere woorden: dat de beschikkingsmacht over het complex in andere handen was.

Hierna hebben we een aantal decennia geen gegevens over dit perceel. In de bewaard gebleven rekeningen van de kleine kamer van Sint-Pieter over 1367/68 en 1371/72 lijkt het perceel niet voor te komen, wel Pausdam 3-na 3.[33]

Op 16 november 1419 gaf het kapittel het erf Pausdam 3 – merkwaardigerwijs niet met inbegrip het huis – opnieuw in erfelijke pacht uit aan de Utrechtse burger Johan van Meerlo, en wel voor een half lood zilver per jaar aan de kleine kameraar. Volgens de oorkonde had het kapittel daaruit vanouds 6 schellingen en 8 penningen.[34]

In 1422 komen we hem nog als vermelding tegen en in de rekening van de kleine kamer van Sint-Pieter over 1432/33 komt onder de veertiende summa de post voor: Item Iohannes de Meerlo tenetur de domo et area spectantibus ad altare sancti Christofori in ecclesia nostra medium loet argenti, faciens XXV solidos VI? denarios (Eveneens is Jan van Meerlo gehouden van het huis en erf toebehorend aan het altaar van de heilige Christoffel in onze kerk een half lood zilver, makend 25 schellingen 6? penningen).[35]

In een oorkonde van 19 oktober 1500 vinden we vermeld dat de kanunnik van Sint-Pieter Jan Knijf de voorkoop van het goed aan het kapittel had aangeboden, waarna dit voor de 6 schellingen en 8 penningen, die het vanouds daaruit had, het complex weer in erfelijke pacht had uitgegeven aan Wendelmoed Willem Willemsdochter.[36]

In een oorkonde van 8 juli 1517 ten slotte verklaren Jan Spiering en zijn vrouw Berte Merten Nessendochter dat na hun dood uit het goed weer het ½ lood zilver en 3 Franse schilden zouden gaan die het kapittel hun tijdens hun leven had kwijtgescholden.[37]

Uit deze gegevens blijkt dat er nogal wat lacunes in de overdrachtsgegevens zitten. Mogelijk kunnen die door nadere bestudering van de rekeningen minstens voor een deel worden opgelost.

Bekende bezitters:
1333.06.30          Dirk Boze, domkanunnik
                        zijn dochter Liesbet, gehuwd met Gillis
–1336–            > Jan Romaer, kanunnik van Sint-Pieter
                        het kapittel van Sint-Pieter
1419.11.16       > ten erfelijke pacht aan Johan van Meerlo, burger van
                        Utrecht
–1432/33–       Johan van Meerlo
                        Jan Knijf >
                         het kapittel van Sint-Pieter >
1500.10.19           ten erfelijke pacht aan Wendelmoed Willem Willemsdochter
–1517.07.08–  Jan Spiering en Berte Merten Nessendochter


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2018. - Gepubliceerd 15 juni 2018; laatst bewerkt 15 juni 2018.