Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen en stedelijke infrastructuur op deze webstek zie de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.
De noordzijde van de Pausdam in de Middeleeuwen
Een gecompliceerde ontwikkeling
door Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘De noordzijde van de Pausdam in de Middeleeuwen’ (www.broerendebruijn.nl/Pausdamnoordzijde.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).




















[1] Zie hiervoor M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 87-95.








Pausdam noord plattegrond
Fragmentplattegrond van de Pausdam en omgeving bewerkt naar het Utrechts Documentatiesysteem.



[2] Ald. 351-359.

[3] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 IV, uitg. F. Ketner (Utrecht 1954) nrs. 2151 en 2152 (HUA, Oudmunster 451): terram seu spatium terre iacens inter murum sancti Pauli et areas ecclesie nostre circumiacentes a domo Theoderici dicti Snoye, concanonici nostri, usque ad portam Veteris Delle cum porta. De uitgever van de oorkonde, F. Ketner, zegt in een noot dat de genoemde poort ‘toegang gaf tot de oude Rijnbedding door de Oudelle’, waarmee hij de Oudelle ten onrechte gelijkstelt aan een rivierarm.

[4] HUA, Dom 201-2: Universis presentia visuris nos Iohannes, Dei patientia abbas, totusque conventus monasterii sancti Pauli Traiectensis salutem cum notitia veritatis. Noveritis quod nos, utilitate nostri monasterii considerata, discreto viro domino Theoderico dicto Cruve, canonico maioris ecclesie Traiectensis, quandam petiam terre, sue aree quam inhabitat adiacentem infra muros suos, ad nostrum monasterium pertinentem, vendidimus in merum proprium ad habendam, tenendam et perpetuo possidendam pro quadam summa pecunie nobis ab eodem persoluta. Quare dicte terre possessionem, proprietatem et dominium in ipsum dominum Theodericum transtulimus et transferimus per presentes, ipsum et successores suos, in dicta area pro tempore habitantes, a pensione annua, nobis dari consueta ratione dicte terre, quitos imperpetuum proclamando, et promittentes nos nunquam contra presentem venditionem aut contra premissa bona fide dicere, facere vel venire. In cuius rei testimonium nos abbas et conventus predicti sigilla nostra duximus presentibus litteris apponenda. Datum anno Domini Mo CCCo nono, feria quarta proxima ante vigiliam assumptionis beate Marie virginis.

[5] Ald. 201-4: Universis presentia visuris nos abbas totusque conventus monasterii sancti Pauli Traiectensis notum facimus quod nos, utilitate monasterii nostri inspecta, unanimi consensu vendidimus in merum proprium discreto viro domino Theoderico dicto Cruve, canonico Traiectensi, pro certa pecunie summa, nobis integraliter persoluta et in utilitatem dicti nostri monasterii conversa, aream nostram sitam inter aream monasterii nostri predicti supra qua Wilhelmus dictus de Dam moratur ex una parte et inter aream claustralem dicti domini Theoderici ex altera, quam quidem aream Ghertrudis dicta de Capella quondam a nobis pro certa pensione annua possidebat, transferentes per presentes litteras in dictum dominum Theodericum hereditarie et suos successores predicte aree possessionem, proprietatem et dominium ad habenda, tenenda et perpetuo libere possidenda, promittentes quod fide prestita corporali nos nunquam contra dictam venditionem aut contra premissa ratione aliqua dicturos aliquid aut facturos.

[6] HUA, St.-Pieter 150. Zie hieronder.

[7] HUA, Dom 2159. In de inventaris abusievelijk gedateerd op circa 1325.

[8] HUA, Oudmunster 446 (1359.05.10) als buurman van de bezitter van het huidige Domplein 29 noordelijk deel Jan Grauwert.

[9] HUA, Dom 1119-5 (1387.12.15).





Pausdam 1-3
Links de topgevel van het claustrale huis en perceel Achter de Dom 26-30, rechts daarvan de panden Pausdam 3, 2 en 1. Foto M.W.J. de Bruijn.

















[10] Dom 1119-1 (1350.09.29); Dom 1119-2 (1351.02.10); 1119-3 (1351.03.08) en 1119-4 (1379.12.01).

[11] HUA, Sint-Pieter 151, 152 en 153.

[12] Zie hierboven.

[13] HUA, St.-Pieter 165-1, 1367/68, ontv. 7de summa (achterin gebonden): Item Iohannes de Odic de area sua V s. IIII d. Aldus ook 1371/72, ontv. 7de summa (voorin gebonden).

[14] HUA, Dom 1119-5.

[15] Ald. 1119-6.

[16] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 140-142.

[17] Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den dom te Utrecht, I, uitg. N.B. Tenhaeff (’s-Gravenhage 1946) 41.
Inleiding

Elders heb ik de ontwikkeling van het gebied rond de Dam in Utrecht, sinds de zestiende eeuw Pausdam geheten, in zijn context geplaatst (zie de webpagina ► De Pausdam in Utrecht in de Middeleeuwen). Hierbij is duidelijk geworden dat deze geschiedenis zeer complex, maar daarmee ook uitermatend boeiend is. Dit geldt onder meer ook voor het noordelijk deel van deze ‘dam’, dat het onderwerp is van de onderhavige webpagina. Bij de ontwikkeling van dit stukje stadsgebied waren drie Utrechtse kapittels betrokken, die van de Dom, Oudmunster en Sint-Pieter, en verder ook nog de Sint-Paulusabdij.

Het gaat hier om grond die gelegen was buiten de middeleeuwse burchtgracht en ten dele waarschijnlijk ook het tracé van die gracht zelf, en wel bij de plaats waar de zuidelijke gracht overging in de oostelijke.
[1] De gracht zal nog in de dertiende eeuw gedempt zijn, waarna de percelen ongeveer de latere, voor een deel gerende vorm hebben gekregen. Ik behandel ze van west naar noordoost, te beginnen bij het noordoostelijk deel van de tegenwoordige Trans.

Burchtgebied
De immuniteiten van Dom en Oudmunster in het middeleeuwse burchtgebied. Helemaal rechtsonder de vijfsprong van de Pausdam. Hier worden behandeld de percelen D17 (=Achter de Dom 7-13 en Trans 14-16), O1 (Achter de Dom 26-30) en het  driehoekig perceel (respectievelijk ongeveer Pausdam 3 en 1-2). Deze afbeelding, hier in een bewerking door het Utrechts Documentatiesysteem, is met een aantal andere plattegronden, voornamelijk op mijn aanwijzingen getekend door A.F.E. Kipp en vervolgens opgenomen in mijn dissertatie Husinghe en hofstede, ald. 82-83.
 
I. Een stuk grond en een huiserf van de Sint-Paulusabdij (Trans 14-16 en Achter de Dom 13?)

In 1050 werd een abdij die omstreeks het jaar 1000 gesticht was door bisschop Ansfried door bisschop Bernold overgebracht naar Utrecht. In een oorkonde van 26 juni van dat jaar kreeg zij een terrein toegewezen ten zuiden van de middeleeuwse burcht. Het grootste gedeelte hiervan werd bestemd voor de abdijkerk, de abdijgebouwen, het kerkhof en een tuin, en vormde aldus een lokale immuniteit. Tot de schenking behoorden echter ook zes aan het abdijterrein grenzende erven. Waarschijnlijk gaat het hierbij om erven ten zuiden van het abdijterrein, waar zich het dagelijks gerecht van de abdij bevond.[2]

Trans 14-16?

Grond die op 13 augustus 1309 werd toegevoegd aan het claustrale erf Dom 7-13, in het bezit van de domkanunnik Dirk Cruve, zal een restant zijn geweest van de ruimte ten noorden van de in 1283 aangelegde Trans tot aan de voormalige middeleeuwse burchtgracht. Het kapittel van Oudmunster sprak toen van het land of het stuk land liggend tussen de muur van Sint-Paulus en de daaraan liggende huiserven van het kapittel vanaf het huis van hun medekanunnik Dirk Snoye tot aan de poort van de Oudelle, die meeverkocht werd.[3] Maar ten oosten daarvan lag ook nog grond tussen de Trans en de voormalige burchtgracht, waaruit een jaarlijkse tijns aan de Sint-Paulusabdij werd betaald.

Het in 1309 door de abdij aan Dirk Cruve verkochte perceel werd ook toen nog niet aangeduid als huiserf (area) maar als een stuk land (quandam petiam terre).[4] Waarschijnlijk ging het hier om en nabij om het latere Trans 14-16.

Achter de Dom 13?

Eveneens waarschijnlijk oostelijk hiervan bevond zich een huiserf waarvan de Sint‑Paulusabdij op 14 april 1314 haar rechten overdroeg aan de domkanunnik Dirk Cruve, welk erf Geertruid van der Capellen van het klooster hield, gelegen tussen het huiserf van het klooster waarop Willem van den Dam woonde en het claustrale huiserf van Dirk.[5] Hoogstwaarschijnlijk gaat het hierbij om het huidige Achter de Dom 13, het zuidelijk deel van het claustrale huis Achter de Dom 7.

Het zou bijzonder prettig zijn geweest wanneer we over een reeks van bezitters van het claustrale huis en erf Achter de Dom 7-13 vanaf het eind van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw hadden beschikt, maar helaas is dit niet het geval. We kennen uit de veertiende eeuw slechts:

–1309-1314–     Dirk Cruve, domkanunnik, die vanaf 1314.04.14 ook
                          (waarschijnlijk) Achter de Dom 13 bezat[6]

–ca. 1335–        de domscholaster[7]
–ca. 1359–        Nicolaas Stuuc[8]
–1387.12.15–    domkanunnik Johan Witte[9]

Pausdam De Beijer 1745
De Pausdam naar het noorden toe door Jan de Beijer omstreeks 1745. Links de Domtrans met de woontoren van Achter de Dom 7 en helemaal links een deel van Trans 16. Daarnaast rechts de topgevel van het claustrale huis Achter de Dom 26-30 en daar weer naast Pausdam 1-3. Rechts Paushuize.

II. Pausdam 3-na 3 en de aanleg van de Domtrans (met de vorming van Achter de Dom 26-30) in 1391

Pausdam 3-na 3


Blijkens enkele vooroorkonden was dit goed afkomstig van Elborg dochter van Willem van den Dam.[10] Willem komen we, behalve in de hierboven genoemde oorkonde van 14 april 1314, tegen als belending in de hieronder te vermelden oorkonden van 30 juni 1333, 9 of 10 augustus 1344 en 1336.[11] Er gingen uit dit goed tijnzen aan het kapittel van Sint-Pieter en aan de Sint-Paulusabdij. De vererving en overdracht aan Jan van Odijk in 1379 had als volgt plaats:

–1314.04.13-[12]
1336–               Willem van den Dam
                         zijn dochter Elborg
                         haar neven en nichten als erfgenamen
                         haar neef Willem van den Dam de snijder zijn deel
1350.09.29       > Jan Visser de baardenmaker
                        Johan de Visser, Herman van der Barch en zijn zuster
                         Machteld, kinderen van Bartoud de snijder en van Bartraad
                         hun deel
1351.02.10       > Jan van Odijk, burger van Utrecht
                         Elborg weduwe van Martijn Backer haar deel
1351.03.08       > Jan van Odijk
                         Aleid mr. Arendsdochter van Leiden haar deel
1379.12.01       > Jan van Odijk

De aanleg van de Domtrans (zuidelijk deel van Achter de Dom)


In de rekeningen van de kleine kamer van Sint-Pieter van 1367/68 en 1371/72 staat het goed dat zich laat vereenzelvigen met ongeveer Pausdam 3 en na 3 (en later Achter de Dom 26-30) op naam van Jan van Odijk.[13] Op 15 december 1387 droegen hij en zijn kinderen voor het dagelijks gerecht van Sint-Pieter dit erf met het daarop staande huis over aan Tiedeman Opteynde (ook Upteynde) en zijn gelijknamige zoon. De laatste was domvicaris. Het goed werd bij die gelegenheid gesitueerd
tusschen huzinghe ende hofstede haren Johans Witten, canonic ten doem tUtrecht, aen die zuutsyde ende husinghe ende hofstede die tot sinte Korstoffels outaer horen inder kerken van sinte Peters voerseyt ghesticht aen die noortsyde, ende in der heren gherechte van sinte Peters voerscreven.[14]
Johan de Witte bezat het claustrale erf van de dom Achter de Dom 7-13.
 
Op 1 januari 1395 gaf Tydeman Uptende, preester ende vicarijs der halver keysers provende inder kerken ten doem tUtrecht, het goed voor 10 schellingen per jaar in erfelijke pacht aan het domkapittel.[15] Al enkele jaren eerder, op 18 juli 1391, had dit college een overeenkomst gesloten met de stad, waarbij onder meer was bepaald dat het kapittel het huis van Johan van Odijk mocht afbreken:
Dit siin die vorwaerden tusschen den heren vanden doem opte ene zide ende der stat van Utrecht opte ander zide.
Inden eersten dat die heren vanden doem voerscreven dat huys daer Johan van Odic in plach te wonen breken ende maken moghen na al hore gadinghe, behoudelic dat dat selve huys sel bliven totten selven recht daert tevoeren toe stont.
Hierna volgen in het stuk voorwaarden voor het graven van een gracht langs het tracé van het tegenwoordige Achter Sint Pieter.[16]

Zoals uit enkele posten in de fabriekrekening van de Dom blijkt, werd het huis inderdaad afgebroken. In de fabriekrekening van 1395/96 ontving Tiedeman 10 gulden voor de moeite die hij samen met zijn vader met betrekking tot dit huis had gedaan.[17]
[18] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 163-164.

[19] HUA, Oudmunster 448-1.

[20] Ald. 448-3.

[21] Ald. 477.

[22] Ald. 162: in domo claustrali habitationis dicti testatoris in camera supra coquina situata in loco vulgariter dicto op den Damme.

[23] HUA, Dom 566.

[24] Ald. 565.

[25] HUA, Oudmunster 469-4: propter expensas non modicas, quas circa reformationem domus nostre claustralis site opten Dam, quam prius sub titulo et nomine domini Ghijsberti de Lochorst, nostri concanonici, ac pensione decem scudatorum antiquorum possedit, de nostro consensu evidenter fecit et adhuc per Dei gratiam evidentius faciet, de speciali gratia concessimus et concedimus per presentes quod idem dominus Petrus nomine ecclesie nostre predictam domum claustralem cum suis pertinentiis quamdiu vixerit in humanis pro eadem pensione decem scudatorum antiquorum, minori camerario nostro singulis annis integraliter solvenda, licite et honeste possidere et eandem in vita sua personaliter vel post mortem suam per testamenti sui executores, salva nobis dicta pensione, alicui canonico prebendato ecclesie nostre iuxta consuetudinem et observatiam ipsius nostre ecclesie legaliter vendere ac pecuniam ultra pensionem predictam exinde provenientem suis usibus applicare possit et debeat, statutis et consuetudinibus ecclesie nostre predicte in contrarium editis non obstantibus quibuscumque. Nichilominus tamen prelibatus dominus Petrus nobis seu camerario nostro pro tempore de dicta pensione decem scudatorum antiquorum singulis annis in terminis consuetis plenarie satisfaciet et ipsam domum in suis muris, tectis et clausuris iuxta ecclesie nostre consuetudinem laudabiliter conservabit.

[26] Zie hierboven.

[27] HUA, Dom 1119-7.

[28] Ald. 1119-9.

[29] HUA, St.-Pieter 167-1 (rek. kl. kamer 1432-1468), rek. 1432/33, 14de summa: Item dominus Theodericus de Papenderp olim, postea Iohannes de Embrica, nunc domini Arnoldi Lewe, tenetur de area sua quondam Iohannis de Odic, V s. IIII d., pro quibus solvit VIII s. IIII d.

[30] HUA, Oudmunster 468-1 (1440.10.12): Similiter et domus magistri Iohannis Dorlo, situata supra pontem, que habet transitum sancti Martini ex parte meridionali et plateam communem in oriente et domum domini Arnoldi Leew, perpetui vicarii in ecclesia sancti Petri, ad partem borealem.

[31] HUA, St.-Pieter 163.

[32] Ald. 164.
Een nieuw claustraal erf van Oudmunster (Achter de Dom 26-30; Pausdam na 3)
 
Na de aanleg van de Domtrans, thans het zuidelijk deel van Achter de Dom, heeft het kapittel van Oudmunster het resterende deel van het perceel verkregen in ruil voor het claustrale perceel van Oudmunster onmiddellijk ten noorden van de domtoren.[18] De noordoostelijke belender van het nieuw gevormde claustrale erf, Dirk van Papendorp, verklaarde op 1 september 1401:
alse dat die ghevel mitter mueren die daer after allanghes aent zuyteynde van sinen husinghen ende hofsteden opten Damme ghetymmert staet den deken ende capittel van Oudemunster tUtrecht half toebehoert ende dat die zelve ghevel ende muer voerscreven op horen ghemenen erve gheleyt ende ghetymmert is.
Met zuidmuur zal eigenlijk zuidoostmuur bedoeld zijn: zowel de Romeinen als de middeleeuwers zagen het oosten wat noordelijker dan wij, waar bij de aanduiding van belendingen in die perioden rekening moet worden gehouden.

Het nieuwe claustrale erf van Oudmunster – ingeklemd tussen de claustrale erven van de dom Domplein 7-13 in het westen en Achter de Dom 20-24 in het noorden, en verder aan de oostkant niet-claustrale erven, waarvan de ene (nu Pausdam 3) van het domkapittel werd gehouden en de andere twee (Pausdam 2 en 1) van het kapittel van Sint-Pieter – ontstond op 5 augustus 1399 door ruil, waarbij het domkapittel het claustrale erf van Oudmunster onmiddellijk ten noorden van de domtoren verkreeg en Oudmunster het nieuwe claustrale erf Achter de Dom 26-30, dat aan de zuidkant grensde aan de Pausdam. In de ruilakte werd met betrekking tot het nieuwe erf door het domkapittel bepaald:
Voert soe sellen die selve heren van Oudmunster hebben tot behoef huere kerken ende huere emunitaet een hofstede in onser emunitaet geleghen, streckende after aen onser hofstede daer nu meister Wouter van Delf in woent ende voer aen den Dam tUtrecht, tusschen husinghe ende hofstede die her Dirc van Papendorp van ons in enen erfpacht heeft aen di een side ende onsen wech aen die ander side. Ende om dat die stat van Utrecht meent dat dese hofstede niet alinghe ende al onse emunitaet en sij ende dat des wesen soude ses voet of zueven voet breet inder selver hofstede dat leec ende weerlijc wesen soude, soe heeft die stat van Utrecht om onser beden wille ende om des groten ghemenen orbaers wille dat goedertierlic overghegheven dat dat clein deel voert aen vry ende emunitaet wesen sel ghelyc dat meere deel is tot der heren behoef voerscreven. Voert soe sellen die heren van Oudmunster voerscreven hebben van ons alzulken summe van ghelde ende van tijchelsteen als wij mit hem overdraghen sijn, daer wij hem of voldaen hebben alsoe dat hem ghenueghet.[19]
 
Waarschijnlijk aan de zuidkant werd het nieuw te vormen erf nog vergroot met zeven à acht voet (= 1,88 à 2,14 meter) breed, zoals uit een oorkonde van de stad van 9 augustus 1399 blijkt:
Wy borghemeysteren, scepene, raet ende ghemene oudermanne vanden ouden rade ende vanden nywen der stat van Utrecht maken cont ende kenlic allen luden dat wy, om zonderlinghe gunste ende vrienscap de wy hebben ende draghen tot den deken ende capittel der kerken van Oudemunster tUtrecht ende om menigherhande gunste de sy onser stat te veel tiden bewyst ende ghedaen hebben ende noch oft God wil dicwyl doen zellen, den voerseyden heren den deken ende capittel der kerken van Oudemunster gheconsentiert, ghegeven ende qwyt ghescouden hebben, consentiren, gheven ende qwyt scelden mit desen tyeghenwordighen brieve alse dat een deel erfs van zeven ofte van achte voeten breet, een luttel meer ofte min, ende also lanc alse gheleghen is an eenre hofstede ghelegen opten Dam binnen onser stat in hore montaden, de de heren van Oudemunster voerscreven alse in pangelinghe om ander goede ende erve vanden deken ende capittel der kerken ten doem tUtrecht ghecreghen hebben, tusschen der heren poertwech vanden doem ande zuytside ende tusschen der hofstede die her Dirc van Papendorp, priester, vanden heren vanden doem voerscreven in erfpacht heeft ande noertside, ende dat buten hore montaden in onsen weerliken bewijnde gheleghen was, der voerscreven kerken van Oudemunster montade wesen sel ende tot horen kerken behoren, also dat die voerscreven alinghe hofstede voerghenoemt mit dat deel erfs alse voerscreven is voertaen altoes eweliken der voerscreven kerken van Oudemunster montade wesen zel ende hore kerken vryhede ghebruken ende ghenieten ghelikerwys of dat voerscreven deel erfs altoes van outs in hore voerscreven montaden ghehoert ende gheleghen gheweest hadden.[20]
 
Op 30 september 1401 sloten het kapittel van Oudmunster en zijn kanunnik Johan van Brogne (de Bronio) een overeenkomst waarbij het kapittel aan Johan het erf gaf en 50 Franse schilden en vijfentwintigduizend stenen om het erf te bebouwen.
Ende daer toe hebben die heren voerscreven ghegeven heren Johanne voerghenoemt vijftich oude Vrancrijcsche scilde ende vijf ende twintich dusent steens, in zulken vorwaerden dat her Johan voerscreven hofstede betymmeren zel bi goedonckens tweer capittulaers die dat capittel daer toe zet. Ende zo wanneer dat her Johan voerscreven oflivich wart, zo coemt dese hofstede mit zulker huzinghe ende tymmeringhe alse daer dan op staet weder aen den deken ende capittel voerscreven, in zulken maniren dat sij die huzinghe ende hofstede voerscreven dan vercopen zellen nader ghewoente der husen ghelegen binnen der montaden der kerken van Oudemunster voerscreven. Ende vanden ghelde dat dan daer of coemt, zel hebben die kerke van Oudemunster voerscreven weder die vijftich oude scilde voerscreven, ende wes ghelt daer dan meer of quame, daer sel men renten mede copen ende doen daer jaerlix heren Johans memori mede inder voerscreven kerken.[21]
 
Op 4 mei 1405 maakte de kanunnik zijn testament in de kamer boven de keuken ‘gelegen ter plaatse gewoonlijk geheten op den Damme’.[22] Hieruit zou men kunnen afleiden dat de voorzijde van het nieuwe huis niet aan de Domtrans (Achter de Dom), maar aan de Pausdam gelegen was.
 
Op 5 september 1413 erkende de domkanunnik Peter van der Praest
want die eerber heren deken ende capitel ten doem voirgenoemt tot haren wedersegghen van gracien ende niet van rechts weghen my consentiert hebben enen duerganck te maken vander hofstede gelegen opten Dam, toebehorende den capitel van Oudemunster, die ic in heren Ghisebrechts naem van Lochorst nu besitte, tot inden transs vanden doem voirscreven, dat ic daer om gheloeft hebbe ende gelove den heren deken ende capitel ten doem voirscreven sub pena obedientie, dat ic den voerscreven duerganck op minen cost ende arbeit weder toe legghen sel soe wanneer dat ic uut der voirscreven husinge vaer of wanneer die heren vanden doem voirscreven my daer toe requirieren, sonder enich vertreck of wedersegghen.[23]

En op dezelfde datum erkende het kapittel van Oudmunster
dat wij gheen recht noch toesegghen en hebben aenden doerganck die ghemaect is van onser hofstede gelegen opten Dam, die her Ghisebrecht van Lochorst, onse concanonic, nu besit, tot inder heren transs vanden doem tUtrecht, ende dat her Ghisebrecht voirscreven ende siin nacomelinge inder husinge ende hofstede voirscreven op huers zelfs cost ende arbeit den voirgenoemden duerganck weder toe leggen sellen soe wanneer die heren vanden doem ons daer toe requireren, sonder enich wedersegghen.[24]

Het is duidelijk dat er aan een dergelijke ruil en de inrichting van een nieuw claustraal erf nogal wat conseqenties verbonden waren.

De domkanunnik bleek het huis te bezitten op naam van de kanunnik van Oudmunster Gijsbert van Lokhorst. Op 9 oktober 1414 verklaarde Oudmunster het goed echter rechtstreeks aan Peter van der Praest uit gunst voor zijn leven verleend te hebben voor 10 oude schilden per jaar, omdat deze geen geringe kosten aan de verbouwing had besteed. Na zijn dood zou het weer volgens de gewoonten van het kapittel worden verkocht.[25]
 
De bronnen leveren de volgende bezitters van dit nieuwe claustrale erf van Oudmunster op:
 
1399-1401 –      Johan van Brogne
–1413.09.05      domkanunnik Peter van der Praest op naam van Gijsbert van
                          Lokhorst, kanunnik van Oudmunster
1414.10.10        Oudemunster > Peter van der Praest, kanunnik van de dom
–1433.07.11–    Klaas van Meerten, kanunnik van Oudmunster
–1440.10.12–    mr. Jan Dorlo (= van Doorn 1422.05.05?)
 
II. Pausdam 3 (en mogelijk ook 2)
 
Ten noordoosten van het nieuwe perceel Achter de Dom 26-30 bevond zich het noordoostelijk deel van het oude perceel (waarschijnlijk nu Pausdam 3 en mogelijk ook 2). Na de splitsing was dit deel van het oorspronkelijke perceel in het bezit van Dirk van Papendorp, die zoals hierboven gezegd een  overeenkomst sloot met de bezitter van het nieuwe perceel.[26]
 
Rechtshistorisch interessant is de omstandigheid dat het oorspronkelijke perceel gehouden werd van Sint-Pieter – het behoorde ook tot zijn dagelijks gerecht – maar dat er ook een tijns aan Sint-Paulus uit betaald werd. Tiedeman Uptende gaf het in 1395 in erfelijke pacht aan het domkapittel, waarna dit kapittel het op zijn beurt weer in erfelijke pacht gegeven heeft aan Dirk van Papendorp. Dit zal gebeurd zijn in 1399, na de afsplitsing van het nieuwe claustrale perceel van Oudmunster (zie hierboven), maar ik heb hiervan helaas geen uitgifteoorkonde kunnen vinden.

Dat was wel het geval met een uitgifte van 5 mei 1422. Toen gaf het domkapittel voor 24 lood zilver per jaar in erfelijke pacht uit aan Jan van Emmerik het erf dat Dirk van Papendorp van het kapittel had gehouden. In de akte werd melding gemaakt van twe ende twintich scillinge tsiaers die die heren van sunte Peters ende die heren van sunte Pouwels tUtrecht daer uut te tijndze hebben.[27] Als belendingen werden genoemd erf van Oudmunster dat heer Jan van Doorn (= Dorlo) bewoonde (Achter de Dom 26-30) aan de bovenzijde (zuid) en erf van Johannes van Meerloe aan de benedenzijde (noord) (Pausdam 1-2).

Vanzelfsprekend diende het domkapittel op zijn beurt de pacht aan Tiedeman Uptende en na zijn overlijden aan zijn rechtsopvolgers te betalen. Dit geeft wel aan hoe ingewikkeld de rechtstoestand van onroerend goed in de Middeleeuwen kon zijn en heel verschillend was van de moderne eigendom en de daarvan afhankelijke rechten (zie de webpagina De Middeleeuwen kenden geen eigendom). In de hiërarchie van rechten die de middeleeuwse rechten op onroerend goed kenmerkte, zal in dit geval het recht van de abdij van Sint-Paulus bovenaan hebben gestaan, hieronder, met inbegrip van de jurisdictie, dat van het kapittel van Sint-Pieter, vervolgens dat van Tiedeman Uptende, daarna het domkapittel en tot slot de erfelijk pachters Dirk van Papendorp, gevolgd door Jan van Emmerik.
 
Op 11 juli 1433 gaf het domkapittel het erf in erfelijke pacht aan Arend die Lewe, kanunnik van Sint-Pieter, voor 24 lood zilver per jaar.[28] Als belendingen worden nu vermeld:
boven die heren van Oudemonster mit eenre hofstede heren Claes van Meerten, canonick tOudemonster tUtrecht, toebehorende ende beneden Johannes van Meerlo mit eenre hofstede.
Over het erf van Johannes van Meerlo zo dadelijk. Ook in de rekening van de kleine kamer van Sint-Pieter van 1432/33 staat het goed ook naam van Arend de Leeuw.[29]

In 1440 wordt het perceel genoemd als noordelijke – eigenlijk meer noordoostelijke – belending genoemd van het in 1399 gestichte claustrale huis van Oudmunster 26-30. Het stond toen nog steeds op naam van genoemde Arend Leeuw, die nu echter geen kanunnik maar eeuwigdurend vicaris wordt genoemd.[30] Dat zal wel een vergissing zijn.
 
Blijkens een belending ten slotte stond het in 1500 op naam van Jacob van Loenen, zielpriester,[31] en in 1517 op naam van de zielproven van de Dom.[32]
 
Bekende bezitters:
–1307?-            Willem van den Dam?
1336.06.30–     Willem van den Dam
–1367/68–        Jan van Odijk, gehuwd met Elborg dochter van Willem van
                          Den Dam, en kinderen
1387.12.15        > ten erfelijke pacht aan Tiedeman Opteynde, domvicaris
1395.01.01        > ten erfelijke pacht aan het domkapittel
–1399.08.05-
1419.11.16–      (domkapittel > ten erfelijke pacht aan?) Dirk van Papendorp
1422.05.05        domkapittel > ten erfelijke pacht aan Jan van Emmerik
–1432/33-                    
1440.10.12–      Arend Leeuw, vicaris van Sint-Pieter
–1500.10.19–    Jacob van Loenen, zielpriester
–1517.07.08–    zielproven van de dom
[33] HUA, St.-Pieter 151: aream sitam in civitate Traiectensi in loco up den Dam vulgaliter dicto, inter aream discreti viri domini Hugonis dicti Pollaerd, canonico maioris ecclesie Traiectensis, a parte una et inter aream Wilhelmi de Dammo a parte altera, ad dictos decanum et capitulum ecclesie beati Petri predicte pertinentem.

[34] Ald. 152. De datering van de oorkonde is des dinxdaghes op sinte Tyburtius avond, maar de vooravond van dit feest viel dat jaar op woensdag.

[35] Ald. 153. De volledige tekst van deze boeiende oorkonde luidt: Universis presentia visuris nos decanus et capitulum ecclesie beati Petri Traiectensis facimus manifestum et recognoscimus per presentes quod dominus Iohannes Romaer, noster concanonicus, aream sitam in civitate Traiectensi in loco vulgariter op den Dam, inter areas quas discretus vir dominus Hugo Pollart, canonicus maioris ecclesie Traiectensis, a parte una et Wilhelmus de Dam a parte altera, a nobis et ecclesia nostra tenet, quam a nobis tenebat dominus Theodericus Boze bone memorie, noster concanonicus, pro annuo censu quinque solidorum boni paghamenti et quam idem dominus Theodericus una cum domo in eadem constructa, Elyzabeth sue filie in iudicio seculari tradidit et donavit, in quorum possessione eadem Elyzabeth cum Egidio marito suo aliquamdiu fuit pacifica et quieta, erga dictam Elyzabeth et eius maritum predictum emit pro quadraginta libris nigrorum Turonensium eisdem coniungibus per eundem dominum Iohannem integraliter persolutis, dictaque Elyzabeth de licentia et auctoritate ac cum manu mariti sui predicti proprietatem domus et aree predictarum camerario nostro ad opus ecclesie nostre de consensu dicti domini Iohannis in seculari iustitia nostra adhibitis bannis, sententiis et aliis sollempnitatibus in talibus debitis et consuetis libere resignavit. Unde nos dicto Iohanni concedimus per presentes ut de dictis domo et area pro sue libito voluntatis possit et in vita sua disponere et in morte, salvis nobis semper dicto nostro annuo censu et proprietate domus et aree predictarum. In cuius rei testimonium sigillum capituli nostri presentibus est appensum. Datum anno Domini Mo CCCo trecesimosexto.

[36] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 259-260.

[37] Zie hiervóór.

[38] HUA, St.-Pieter 156 (opgenomen in een oorkonde van 1419.11.22).

[39] Ald. 167-1 (rek. kl. kamer 1432-1468).

[40] Ald. 163 (opgenomen in een oorkonde van 1500.11.20).

[41] Ald. 164.

[42] Ald. 150: aream unam cum longitudine, latitudine et ceteris suis pertinentiis, prout iacet et sita est in civitate Traiectensi iuxta locum vulgo dictum up den Dam in iurisdictione temporali decani et capituli predictorum, inter aream quam nunc possidet Wilhelmus dictus Tulle ex latere superiori et aream domini Theoderici Bose, concanonici dicte ecclesie beati Petri, ex inferiori.

[43] Ald. 74, f. 127: Item dominus Willelmus Tullo solvit VIII sol. de area sita in Reghenboghe, quam ipse possidet, de quibus XX d. de censu dantur capitulo sancti Salvato­ris et VI s. et IIII d. dantur in februario ad memoriam Witgeri levite.
Aanvulling van 19 november 2021:
J.J. Bos, die uitgebreid onderzoek doet naar het bouwblok tussen de Nieuwegracht, de Kromme Nieuwegracht, de Jeruzalemstraat en de Herenstraat, maakte me er op attent dat de gegevens passen voor een perceel aan de Kromme Nieuwegracht, niet ver van de Pausdam, wat de aanduiding opten Dam in 1332 verklaart. Te zijner tijd zal hierover gepubliceerd worden.
III. Pausdam 1(en 2?)

Ten noorden van Pausdam 2 en 3 en ten zuiden van het claustrale perceel van het domkapittel Achter de Dom 20-24 bevond zich het perceel Pausdam 1. Op 20 juni 1333 verklaarde de aartsdiaken van Oudmunster dat heer Dirk Boze (Bose), kanunnik van Sint-Pieter, dit erf van het kapittel van Sint-Pieter had ontvangen tegen een jaarlijkse tijns van 5 schellingen goed geld, te betalen in de maand april aan de kleine kamer van het kapittel.[33] Ruim een jaar later, op 9 of 10 augustus 1334, droeg Dirk voor het stedelijk schepengerecht
dat huys ende de hofstede, egghen ende enden, op sulken tinse alse gheleghen siin opten Damme, tusschen der hofstede der heren van sinte Peter daer Willaem van den Damme op woent an de zuytside ende tusschen haren Hughen Pollaerds poorte de op der heren hofstede vanden doem tUtrecht ghetimmert staet an de noortside,
over aan zijn dochter Liesbet, waarbij hij zich het levenslang vruchtgebruik voorbehield.[34]

Aan de noordzijde van het perceel, dus op het voorgaande, bleek dus een poortweg te liggen. Mogelijk vormde die ook voor derden de mogelijkheid om van Achter de Dom naar Achter Sint-Pieter te gaan. Het zuidelijk deel van Achter de Dom bestond toen nog niet. De situatie was hier vergelijkbaar met die van het Pieterskerkhof, waar het tracé ook aan de zuidoostzijde doodloopt op de bebouwing. Zoals we gezien hebben, werd het zuidelijk deel van Achter de Dom, de zogeheten Domtrans, pas aan het eind van de veertiende eeuw aangelegd.
 
In 1336, zonder nadere datering, maakte het kapittel van Sint-Pieter bekend dat zijn kanunnik heer Jan Romaer het goed voor 40 pond Tourse zwarten van Liesbet dochter van Dirk Boze en haar man Gillis had gekocht. Zij hadden voor het wereldlijk gerecht met toestemming van heer Jan afstand gedaan van de proprietas  van het huis en erf, waarna het kapittel het goed, met inbegrip van het huis, onder voorbehoud van de tijns en de proprietas, aan deze laatste verleende.[35]
 
Elders heb ik uiteengezet dat proprietas hier niet, zoals men zou verwachten, met ‘eigendom’ in de moderne zin kan vertalen.[36] In dit geval zal het gebruik van deze term te maken hebben gehad met het feit dat behalve het erf ook het huis tot de proprietas van het kapittel ging behoren. Hiermee werd het recht bedoeld om huis en erf opnieuw, al dan niet erfelijk, uit te geven, maar het zal tevens ingehouden hebben dat het al als zodanig uitgegeven was.
 
Hierna hebben we een aantal decennia geen gegevens over dit perceel. In de bewaard gebleven rekeningen van de kleine kamer van Sint-Pieter over 1367/68 en 1371/72 lijkt het perceel niet voor te komen, wel het Pausdam 2-na 3.[37]
 
Op 16 november 1419 gaf het kapittel het erf – merkwaardigerwijs niet met inbegrip het huis – opnieuw in erfelijke pacht uit aan de Utrechtse burger Johan van Meerlo, en wel voor een half lood zilver per jaar aan de kleine kameraar. Volgens de oorkonde had het kapittel daaruit vanouds 6 schellingen en 8 penningen.[38]
 
In 1422 komen we hem nog als vermelding tegen en in de rekening van de kleine kamer van Sint-Pieter over 1432/33 komt onder de veertiende summa de post voor: Item Iohannes de Meerlo tenetur de domo et area spectantibus ad altare sancti Christofori in ecclesia nostra medium loet argenti, faciens XXV solidos VI? denarios (Eveneens is Jan van Meerlo gehouden van het huis en erf toebehorend aan het altaar van de heilige Christoffel in onze kerk een half lood zilver, makend 25 schellingen 6? penningen).[39]
 
In een oorkonde van 19 oktober 1500 vinden we vermeld dat de kanunnik van Sint-Pieter Jan Knijf de voorkoop van het goed aan het kapittel had aangeboden, waarna dit laatste de koop aan zich had getrokken en het complex voor de 6 schellingen en 8 penningen, die het vanouds daaruit had, weer in erfelijke pacht had uitgegeven aan Wendelmoed Willem Willemsdochter.[40]
 
In een oorkonde van 8 juli 1517 ten slotte verklaren Jan Spiering en zijn vrouw Berte Merten Nessendochter dat na hun dood uit het goed weer het ½ lood zilver en 3 Franse schilden zouden gaan die het kapittel hun tijdens hun leven had kwijtgescholden.[41]
 
Uit deze gegevens blijkt dat er nogal wat lacunes in de overdrachtsgegevens zitten. Mogelijk kunnen die door nadere bestudering van de rekeningen minstens voor een deel worden opgelost.
 
Bezitters:
1333.06.30             het kapittel van Sint-Pieter > ten erfelijke pacht aan Dirk
                          Boze, domkanunnik

1334.08.09of10 Dirk Boze > zijn dochter Liesbet, gehuwd met Gillis
–1336–              Jan Romaer, kanunnik van Sint-Pieter
1419.11.16        het kapittel van Sint-Pieter > ten erfelijke pacht aan Johan
                          van Meerlo, burger van Utrecht
–1432/33–         Johan van Meerlo
                          Jan Knijf, kanunnik van Sint-Pieter
1500.10.19             het kapittel van Sint-Pieter > ten erfelijke pacht aan
                          Wendelmoed Willem Willemsdochter

–1517.07.08–    Jan Spiering en Berte Merten Nessendochter
 
IV. Achter de Dom 20-24
 
Pro memorie: voor dit, noordelijk van het laatstgenoemde erf gelegen claustrale erf van de dom zie de webpagina Achter de Dom 20-24.

Nog een moeilijk te situeren perceel

Met het bovenstaande hoop ik de middeleeuwse ontwikkeling van de noordkant van de Pausdam correct te hebben weergegeven. Maar er is een oorkonde die zich niet in het door mij gepresenteerde plaatje laat inpassen. Op 24 februari 1332 erkende de priester Hendrik van Rees, eeuwigdurend vicaris van de dom, dat hij van het kapittel van Sint-Pieter voor 12 schellingen per jaar een huiserf in erfelijke pacht had ontvangen ‘bij de plaats gewoonlijk geheten up den Dam’ in het dagelijks gerecht van Sint-Pieter. Het erf was gelegen tussen erf van Willem Tulle aan de bovenzijde en erf van heer Dirk Boze, kanunnik van Sint-Pieter, aan de benedenzijde.[42]

Willem Tulle komt ook voor in een goederenregister van Sint-Pieter uit 1309. Hier wordt zijn erf gesitueerd in de Regenboog, dus de Kromme Nieuwegracht. Ik houd me aanbevolen voor nadere gegevens.[43]


© 2018-2021 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 15 juni 2018; laatst bewerkt 19 november 2021.