Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De Pausdam in Utrecht in de Middeleeuwen
door Martin W.J. de Bruijn

- - - ’t plein dat als een zeester in het zand
zijn schachten uitzendt in de mijn der stad.[1]
[1] Fragment van een gedicht van Hendrik Marsman in de bundel Tempel en Kruis (Amsterdam 1940) 7.


[2] Hoewel gelegen aan de Kromme Nieuwegracht, maakte dit complex deel uit van de zogeheten ‘Huiserven aan de Dam’ van het kapittel van Sint-Pieter.


[3] In zijn algemeenheid kan hiervoor verwezen worden naar M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994). Om het notenapparaat van deze webpagina niet al te zeer te laten uitdijen, wordt voor de vindplaatsen van de hier vermelde bronnen en literatuur in het algemeen naar deze publicatie verwezen.


Stadsverfraaiing
De Pausdam gezien naar het zuiden, in de richting van de Nieuwegracht, met de wijze waarop de gemeente Utrecht haar bijdrage levert aan een van de fraaiste stadsgezichten van Utrecht. Het geparkeerde blik maakt het er overigens ook niet mooier op. Foto M.W.J. de Bruijn.
Inleiding

Eind 2014 werd ik benaderd door de eigenaar en bewoner van een huis aan de Kromme Nieuwegracht, dicht bij de Pausdam, met het verzoek om middeleeuwse gegevens over zijn huis of althans over het perceel waarop zijn huis staat.[2] Dit verzoek heeft geleid tot diepgaand nader onderzoek van het pand en zijn omgeving. In dit kader leek het mij zinvol ook een overzicht te geven van de historische context.

De befaamde vijfsprong in de stad Utrecht die vanouds de Dam, maar al sinds de zestiende eeuw de Pausdam wordt genoemd, is uit het oogpunt van het middeleeuwse grondbeheer buitengewoon interessant omdat hier maar liefst zeven verschillende rechtsgebieden of jurisdicties samenkwamen. Dit territoir lag aan de zuidoostzijde van de Romeinse en later ook de middeleeuwse burcht, die omgeven waren door een gracht. Vóór circa 1200 ging daar, waarschijnlijk met een lichte bocht, de zuidelijke burchtgracht over in de oostelijke. Om zowel op de topografische als de institutionele ontwikkeling van dit gebied nader gedetailleerd te kunnen ingaan,[3] moet eerst een overzicht worden gegeven van de eerste ontwikkeling van het grondbezit in middeleeuws Utrecht.
Burchtgebied
De immuniteiten van Dom en Oudmunster in het middeleeuwse burchtgebied. Helemaal rechtsonder de vijfsprong van de Pausdam. Deze afbeelding, hier in een bewerking door het Utrechts Documentatiesysteem, is met een aantal andere plattegronden, voornamelijk op mijn aanwijzingen getekend door A.F.E. Kipp en vervolgens opgenomen in mijn dissertatie Husinghe en hofstede, ald. 82-83.









[4] L.R.P. Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht (Utrecht 1989).









[5] C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 20-21; De eerste kerken op het Utrechtse Domplein (Utrecht 2013) 21-22.











[6] Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta I, uitg. M. Gysseling en A.C.F. Koch (Brussel 1950) nr. 173.




























[7] Hierover uitvoerig: C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht: haar plaats binnen de Utrechtse kerk en de ontwikkeling van haar goederenbezit (ca. 1000 - ca. 1200) (Utrecht 2000) 223-237.


[8] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 73-74.


Immuniteit van Sint-Pieter
De immuniteit van Sint-Pieter omstreeks 1400. Aan de buitenzijde bevond zich de Regenboog van Sint-Pieter, nu de Kromme Nieuwegracht geheten. Linksonder de Dam, later Pausdam, en het noordelijk deel van de Nieuwegracht. Tek. A.F.E. Kipp in M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede, 172.


[9] Ald. 235-237.


[10] Ald. 142-143.


[11] Ald. 151-158.


[12] Ald. 91.


[13] Ald. 151-158.


[14] Ald. 140-142.


[15] Ald. 139.


[16] Ald. 163-164.


[17] Ald. 159-162.


Achter de Dom 20-24
Achter de Dom 20-24. Links het in oorsprong claustrale huis. Foto M.W.J. de Bruijn.
Oudste goederenbeheer

De eerste onroerendgoedtransactie waar de bronnen melding van maken, dateert van rond het jaar 630. Toen schonk de Frankische koning Dagobert I de burcht Traiectum of Trecht, die hij op de Friezen veroverd had, met een door hem aldaar gebouwd kerkje aan de bisschop van Keulen. Dit castellum stamde nog uit de Romeinse tijd en is in de twintigste eeuw archeologisch getraceerd en gereconstrueerd. Het bevond zich op en rondom het tegenwoordige Domplein.[4]

De schenking van koning Dagobert aan Keulen is niet in stand gebleven. De nog heidense Friezen heroverden de burcht op de Franken en verwoestten de kerk tot op de bodem. Pas aan het eind van de zevende eeuw wisten de Franken onder hun hofmeier Pippijn de Middelste het castellum weer in bezit te nemen. Het werd toegewezen aan een uit Engeland afkomstige missionaris, Willibrord, die er een kerk stichtte die hij aan Sint-Salvator, de Verlosser, wijdde. Later herbouwde hij ook de verwoeste kerk van Dagobert weer vanaf het fundament op en wijdde deze aan Sint-Maarten, de patroon van zijn Frankische beschermers.[5]

Intussen was Willibrord door de paus tot aartsbisschop van de Friezen gewijd en had hij de burcht ingericht als basis van de missionering onder deze nog heidense Friese bewoners in het Nederlandse rivierengebied en het gebied ten noorden daarvan. Ter ondersteuning van dit werk ontving Willibrord belangrijke voorrechten, om te beginnen het recht op het tiende deel van de koninklijke inkomsten in een niet nader omschreven gebied. Bij de herbouw van de verwoeste Frankische kerk kreeg hij ook nog het privilege van immuniteit. Dit hield in dat de bezittingen van de Utrechtse kerk onttrokken waren aan het gezag van de koninklijke beambten, dat zij dus autonoom werd op het terrein van bestuur en rechtspraak. Tot slot ontving Willibrord op 1 januari 723 van hofmeier Karel Martel ook nog de burchten Traiectum of Trecht en Vechten met het omliggende gebied.[6] Na de schenking van omstreeks 630 was dit de tweede onroerendgoedtransactie die er over Utrecht bewaard is gebleven. Door deze schenking had de Utrechtse kerk een stevige materiële basis verkregen voor verdere uitbouw. Aan het eind van de achtste eeuw leidde dit tot de inrichting van een bisdom onder een aartsbisdom Keulen.

Goederendeling


Aanvankelijk werd het vermogen van de Utrechtse kerk, waaronder de burcht en haar wijde omgeving, nog als één geheel beheerd. Maar in de tiende eeuw werd hiervan een deel van dit ene bisdomsgoed afgesplitst ten behoeve van de twee gemeenschappen die aan elk van de beide kerken – de doop- en begraafkerk Sint-Salvator of Oudmunster en de kathedraal Sint-Maarten, ook Nieuwmunster genoemd – verbonden waren. Enige tijd later werden ook deze vermogens gesplitst en daarna kreeg ook de bisschop zelf nog een eigen vermogensbestanddeel, de bisschoppelijke ‘tafel’.

Maar de splitsing ging verder. Ter vermeerdering van de goddelijke eredienst, de cultus augmentum divini, werden er in de elfde eeuw in Utrecht drie nieuwe colleges van wereldgeestelijken, kanunniken, gesticht, zogeheten (seculiere) kapittels. Zij werden gewijd aan de apostel Petrus (Sint-Pieter), Sint-Jan (de Doper, maar soms wordt ook de evangelist genoemd) en de moeder Gods Maria (Sint-Marie). Verder werd een aan het begin van die eeuw op de Hohorst of Heiligenberg bij Amerfoort gestichte abdij naar Utrecht overgebracht. Deze abdij kreeg de apostel Paulus als hoofdpatroon. Ook aan deze kerkelijke instellingen was uit het oude bisdomsgoed een eigen vermogen toebedeeld.[7] Tot dit vermogen behoorden ook rechten op de grond binnen het stadsgebied. In de eerste plaats betrof dit de terreinen waarop de instellingen waren gevestigd. Zij genoten voor deze gebieden immuniteit, dit wil zeggen dat ze er volkomen autonoom waren. Binnen deze zogeheten lokale immuniteiten gold niet het wereldlijk maar het kerkelijk recht.[8]

Aan de Dam grensden maar liefst vier van dergelijke lokale immuniteiten. Aan de westzijde was dat de immuniteit van de Sint-Paulusabdij, aan de noordwestzijde de immuniteitsgebieden van Sint-Salvator (Oudmunster) en de Dom (Sint-Maarten; Nieuwmunster) en aan de noordoostzijde de immuniteit van Sint-Pieter. Daarbuiten bevonden zich, gedeeltelijk min of meer ingeklemd, stukjes wereldlijk gebied van respectievelijk deze abdij en Sint-Pieter. Aan de oostzijde van de Nieuwegracht begon bij het huidige pand Nieuwegracht 6 het dagelijks gerecht van Oudmunster. Het feit dat hier in de loop van de eeuwen perceelsvorming heeft plaatsgehad met grondstukken die tot verschillende jurisdicties behoorden, maakt dit gebied zowel in topografisch als juridisch opzicht bijzonder interessant. In het hierna volgende ga ik daar nader op in. Ik begin met een overzicht te geven van de verschillende jurisdicties en doe dit vanaf het noordwesten met de wijzers van de klok mee. Voor de onderbouwing en de gebruikte bronnen verwijs ik hierbij naar mijn dissertatie Husinghe ende hofstede.

De immuniteitsgebieden van Oudmunster, Dom en Sint-Paulus

Utrecht is dus ontstaan uit een Romeinse burcht die een vijftal fases heeft gekend, waarvan de eerste vier van hout en de vijfde van steen was. Vanaf de zevende eeuw vond hier kerkenbouw plaats. Terwijl de daaraan verbonden geestelijkheid er aanvankelijk een gemeenschappelijk leven leidde, was dit vanaf de elfde eeuw steeds minder het geval. De belangrijkste geestelijken (kanunniken) van de kerkelijke collegiale instellingen (kapittels) mochten een eigen vermogen bezitten en kregen het recht om volgens vastgestelde regels (statuten) huizen te bouwen en te bewonen binnen het afgebakende gebied van het kapittel, het claustrum. Ze werden daarom claustrale huizen genoemd.[9]

Het perceel Achter de Dom 7-13 (op bovenstaande plattegrond  D17) was het zuidoostelijkste van de claustrale huizen van het domkapittel.[10] Ten westen daarvan stonden huizen van het kapittel van Oudmunster.[11] Zowel het huis van de Dom als de huizen van Oudmunster grensden aan de achterzijde in oorsprong aan de zuidelijke burchtgracht, die echter al in de dertiende eeuw grotendeels gedempt was. In 1283 werd ten gevolge van een overeenkomst tussen de Sint-Paulusabdij en het kapittel van Oudmunster de Oudmunstertrans, de huidige Trans, aangelegd.[12] Zoals we zullen zien werden enkele percelen ten noorden van de Trans, die niet tot de claustrale huizen behoorden en niet onder kerkelijke maar onder wereldlijke jurisdictie vielen, door de bezitters van de claustrale percelen aangekocht en aan die erven toegevoegd. Het spreekt voor zich dat dit tot uit rechtshistorisch oogpunt boeiende maar ook ingewikkelde juridische situaties heeft geleid.

Ten zuidoosten van de Oudmunsterkerk bevonden zich de percelen van een viertal claustrale huizen, die zich vanaf de kerk uitstrekten tot aan de Trans. Terwijl drie ervan aan het toenmalige Oudmunsterkerkhof stonden, stond het vierde, met meest oostelijke, verder naar achteren en was met een gang onder het derde huis met het kerkhof verbonden.[13]

Oostelijk hiervan bevond zich het perceel van het nog bestaande huis Achter de Dom 7-13, dat binnen de immuniteit van de Dom gelegen was. Dit perceel strekte zich tot 1391 nog iets verder oostelijk uit. In dat jaar werd daar echter de Domtrans – het zuidelijk deel van het huidige Achter de Dom – aangelegd.[14]

Noordoostelijk hiervan stond ter plaatse van het huidige Achter de Dom 20-24 (D16) het volgende claustrale huis van de Dom (zie ook de webpagina Achter de Dom 20-24).[15] Zuidelijk hiervan bevond zich een wereldlijk erf van de Dom, dat in 1399 werd samengevoegd met het zuidelijk deel van het zojuist genoemde erf en werd overgedragen als claustraal erf van Oudmunster (O1) in ruil voor het claustrale huis en erf van dit kapitttel onmiddellijk ten noorden van de domtoren (O11).[16] Het claustrale huis op laatstgenoemde erf werd gesloopt en maakt nu, met terrasjes, nog steeds deel uit van het Domplein.[17]

Pausdam De Beijer 1745
De Pausdam naar het noorden toe door Jan de Beijer omstreeks 1745. Links de Domtrans met de woontoren van Achter de Dom 7. Daarnaast de topgevel van het claustrale huis Achter de Dom 26-30 en daar weer naast Pausdam 1-3. Rechts Paushuize.










[18] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 326-333.







[19] Ald. 58-65.













[20] Ald. 62 en 258-259.


Pausdam 1-3
Links de topgevel van het claustrale huis en perceel Achter de Dom 26-30, rechts daarvan de panden Pausdam 3, 2 en 1. Foto M.W.J. de Bruijn.


[21] Ald. 326.


[22] Ald. 369-370.


Nieuwegracht 6
Nieuwegracht 6: één huis, twee jurisdicties. De grens tussen het dagelijks gerecht van Sint-Pieter (links) en dat van Oudmunster (rechts) liep dwars door het perceel. Foto M.W.J. de Bruijn.


[23] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 328-329.


[24] Ald. 364-368.
De immuniteit en het dagelijks gerecht van Sint-Pieter

Het eerste nieuwe kapittel na de bestaande Utrechtse kerkelijke colleges van Sint-Salvator (Oudmunster) en Sint-Maarten (Dom/Nieuwmunster) was dat van Sint-Pieter, gesticht in 1048. Het kreeg een grondgebied ten oosten van de middeleeuwse burcht voor de kapittelkerk en de huisvesting van de kanunniken. Het territoir is nog herkenbaar in het gebied tussen de Kromme Nieuwegracht, eertijds de Regenboog van Sint-Pieter geheten, en het huidige Achter Sint-Pieter.[18]

Maar ook daarbuiten ontving het kapittel rechten op de grond, waar in beginsel eveneens rechtspraak over werd uitgeoefend. Deze grond werd verkaveld en in afzonderlijke percelen aan personen uitgegeven tegen betaling van een jaarlijks bedrag, een tijns of pacht, bestaande uit één of enkele penningen per jaar. Ter onderscheiding van latere penningen met een lagere zilverwaarde werden deze penningen ‘goede oude penningen’ genoemd.[19]

Mijn hypothese is dat over al deze percelen en de personen die erop woonden oorspronkelijk ook rechtspraak uitgeoefend zal zijn. Maar omdat deze gebieden verspreid lagen, zal het voor de jurisdictie tot een herverkaveling met de andere instellingen zijn gekomen, waarschijnlijk in de tijd van de afbakening en omwalling van het stadsgebied circa 1122. Hierbij zal ieder van de instellingen een aaneengesloten territoir hebben verkregen, waar rechtspraak werd uitgeoefend, een jurisdictie in territoriale zin. Uit de percelen die erbuiten lagen, werd dan nog wel de tijns betaald. Zij waren echter niet meer aan de rechtspraak van de betreffende instelling onderworpen, maar vielen onder de jurisdictie die gold voor het gebied waar zij lagen.[20]

Voor het kapittel van Sint-Pieter lag de aldus gevormde territoriale jurisdictie rondom de immuniteit, aan de buitenzijde van de Kromme Nieuwegracht. Ook drie percelen de hoek om, aan de Nieuwegracht – de nummers 2, 4 en het noordelijk deel van nummer 6 –, kwamen hiertoe te behoren en tevens nog minstens drie percelen aan de noordzijde van de Dam ongeveer ter plaatse van het latere Pausdam 1 en 2-3 en Trans 12 en 14. Nog op 31 maart 1330 werd dit zogeheten dagelijks gerecht van Sint-Pieter, met andere gerechten, door de bisschop nader omschreven en bevestigd.[21]

Dit gebeurde in het generaal kapittel in aanwezigheid van de geestelijkheid – prelaten en kapittels – en van de adel – leenmannen en dienstmannen – van de bisschop. Opmerkelijk is dat de stad Utrecht, die toen al bij dit soort aangelegenheden betrokken werd, ontbrak. De stad had begrijpelijkerwijs niet veel op met deze bijzondere rechtbanken. In het begin van de vijftiende eeuw werd er door het stadsbestuur definitief een eind aan gemaakt zonder dat de kapittels en de abdij hiertegen nog verweer hadden.[22] Maar omstreeks 1330 was de positie van de stad daarvoor kennelijk nog niet sterk genoeg.

Als begin van het daghelics gherechte van Sint-Pieter werd vastgesteld de rooster van het Sint-Janskerkhof bij de Sint-Janskapel (ter plaatse van boekhandel Bijleveld). Vervolgens strekte het gerecht zich uit langs de buitenzijde van de Regenboog (de Kromme Nieuwegracht) en de Dam (de latere Pausdam) tot aan de grens van het dagelijks gerecht van Oudmunster ongeveer midden in het tegenwoordige perceel Nieuwegracht 6 (zie de webpagina Nieuwegracht 6: één huis, twee jurisdicties). Tot de jurisdictie van Sint-Pieter behoorden ook enkele percelen ten noorden van de Dam, tussen de Trans en Achter Sint-Pieter (nu Pausdam 1 tot en met 3).[23]

De jurisdictie van het dagelijks gerecht

De jurisdictie van de dagelijkse gerechten in de stad Utrecht omvatte alle rechtspraak beneden die van het afhakken van een ledemaat en de doodstraf. Straffen ‘aan huid en haar’, zoals kaalscheren, geselen en brandmerken, behoorden er dus wel toe, al zijn daar geen gegevens over bewaard gebleven. In het algemeen zullen de straffen zich wel beperkt hebben tot het opleggen van boeten. Hiernaast was het gerecht bevoegd tot de civiele rechtspraak, zowel die op tegenspraak tussen twee partijen (de contentieuze) als de zogeheten vrijwillige (voluntaire) rechtspraak, dit wil zeggen het ‘staan over’ rechtshandelingen betreffende onroerend goed.[24]

De uitgifte door de instellingen van percelen tegen een jaarlijkse tijns of pacht en het heffen van die tijns of pacht bleef echter in stand. In het algemeen was de uitgifte erfelijk. Dit wil zeggen dat wanneer aan de verplichtingen, waaronder de jaarlijke betaling van de tijns, werd voldaan, het kapittel de percelen niet kon terugnemen. Behalve erfelijkheid van hun perceel kregen de ‘houders’ bovendien het recht hun perceel aan een ander over te dragen of met renten te ‘bezwaren’. Dit laatste gebeurde echter steeds met de afgifte van een nieuwe oorkonde door de oorspronkelijke grondheer, het kapittel, dat aldus zijn rechten kon blijven handhaven.

De tijns- of pachtplichtigen, die als gezegd het goed ‘hielden’ van een instelling, bezaten in dit systeem een recht dat dichter bij de moderne eigendom stond dan het recht van de uitgevers. Het is mede daarom beter om voor de middeleeuwse rechten op de grond de term eigendom te vermijden. Uiteindelijk – dit wil zeggen in de negentiende eeuw – zijn altijd de erfelijk gerechtigde tijns- of pachtplichtigen, en niet de uitgevers, modern-eigenaar geworden van de percelen en de huizen die erop stonden (zie over deze problematiek de webpagina’s De middeleeuwen kenden geen eigendom en Rolverwisseling, eigendomsverschuiving, rolverschuiving?).










































[25] De twee originele oorkonden in HUA, Oudmunster 974-8 en Sint-Pieter 1046.
























[26] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 369-370.
Vastgoedbeheer

Een oorkonde van 15 november 1371 geeft een gedetailleerd beeld van de gerechtelijke procedure volgens welke de transacties binnen het gerecht van Sint-Pieter plaatshadden. Gerrit Bierwis, kanunnik van Oudmunster, wilde een jaarlijks bedrag van zeven lood zilver ‘vestigen’ (vastleggen, ook wel aangeduid als ‘verkopen uit’) op zijn huis en erven (het betrof hier Nieuwegracht 6). Hij verscheen daartoe in het gerecht met een door hem gekozen voogd. Een geestelijke had namelijk een voogd nodig om dergelijke rechtshandelingen binnen het wereldlijk rechtsgebied te kunnen verrichten. Vervolgens vroeg Gerrit een oordeel van het gerecht of sine husinghe ende hofsteden alsoe vri ende alsoe los waren ende sijn dat hy die mochte vercopen, versetten, versellen ende erflixe jaerlixe reynte daer uyt gheven ende verpleghen mochte wyen hi woude, ende die ghifte ende verplechte stadicheyt hebben soude mitten rechte, egghen ende eynden, mit al horen toebehoren, op al sulken tinse ende pachte alse sy gheleghen sijn.

Hij vroeg dus om een oordeel of zijn huis en erven zo vrij waren dat hij ze mocht verkopen, vervreemden, bezwaren, erfelijke renten daaruit mocht verkopen en beloven aan wie hij wilde en dat die handelingen rechtsgeldig zouden zijn onder verband van de tijns en pacht die er al uit ging.

Het gerecht moest dus een oordeel uitspreken over de rechtstoestand van het goed. Het deed dit met inachtneming van het recht dat Sint-Pieter daarop had. Vervolgens beloofde Gerrit mit sinen vrien wille ende mit sijns ghekorens voeghets hant, alse recht ende ordel wijsde alse hy schuldich was te doene ende mitten rechte stadicheyt hebben zel, aan het kapittel op dit goed ieder jaar zeven lood zilver ten behoeve van Gerrit van den Bredensteyne, eeuwig vicaris van het Sint-Christoffelaltaar in de kerk van Sint-Pieter, de helft te betalen op Sint-Maarten en de andere helft op Sint-Pieters Stoel. Daarna volgden in de oorkonde enkele voorwaarden.

Interessant is dat aan het eind van de oorkonde vermeld werd dat er twee exemplaren van gemaakt werden, omdat de betalingsbelofte in twierhande rechte gedaan was. Hiermee werden twee afzonderlijke gerechten bedoeld. Gerrit Bierwis zou echter maar één keer per jaar zeven lood zilver betalen, al waer oec in elken gherechte een sunderlinge brief ghemaect. [25]

Het einde van de dagelijkse gerechten


Het spreekt voor zich dat het bestaan van afzonderlijke gerechten binnen het stadsgebied een doorn in het oog van het stedelijk bestuur was. Het heeft dan ook nog in de veertiende eeuw pogingen gedaan er een eind aan te maken. In 1414 beklaagde bisschop Frederik van Blankenheim zich erover dat die stat den ecclesien – dit wil zeggen de kapittels – hoeren dagelixschen gerichten lange tijt onbruyck gemaect had. Een dergelijke klacht werd wat later ook door de kapittels geuit. Dit gebeurde precies in de tijd dat het uit meerdere percelen samengestelde huis Nieuwegracht 6 in twee verschillende jurisdicties bleek te liggen, wat tot een ingewikkelde procedure leidde en uiteindelijk de ruil van goederen tussen de kapittels van Oudmunster en Sint-Pieter (zie de webpagina Nieuwegracht 6: één huis, twee jurisdicties). De laconieke reactie van het stadsbestuur op de klacht van de bisschop en de kapittels over het te niet doen van de dagelijkse gerechten luidde: Omdat die raet sach grote verschalkinge ende bedriechgenisse der lude, soe heeft die raet een overdracht – verordening – daerop gemaect op hoeren borgeren ende ondersaten om grote nutschap des gemeens. Maar het buiten werking stellen liet onverlet dat de kapittels daarna nog eeuwenlang in hun oorkonden bleven vermelden dat een goed binnen hun dagelijks gerecht gelegen was, terwijl zij er tevens door hun ‘pander’ (deurwaarder) beslag op bleven leggen bij niet-nakomingen van de verplichtingen door de erfelijk pachters.[26]







[27] Dom, 1121-118.


[28] Oudmunster 978-105 betreffende een huis of kamer aan de zuidzijde van de Herenstraat. Net als in de Middeleeuwen bij de erven in de Oudelle gebruikelijk was, bevatte de akte de voorwaarde dat in het goed geen oliebank, bordeel, kwade herberg of dobbelschool mocht worden gehouden. Wanneer de erfelijk pachters die niet binnen veertien dagen na aanmaning door het kapittel verwijderd hadden, zo vielen zij van alle regt zij aan de voorschreven huijzinge of camere hebbende, en dat quam dan vrij en los weder aan ons ende onsen capittule, om onsen vrijen wille daar mede te doen. Ook moesten na vererving of vervreemding de rechtsopvolgers binnen een jaar het goed opnieuw van het kapittel versoeken, nieuwe brieven daar van nemen en geven op hunne kosten.


[29] Zie M.W.J. de Bruijn, ‘Opmerkingen bij het middeleeuwse recht van verval’, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden 10 (2008) 149-165, ald. 161. In dit artikel op p.161 de tekst van de oorkonde van het domkapittel van 10 december 1792.


[30] HUA, Sint-Pieter 163.


[31] Ald. nr. 156.


[32] Deze oorkonden zijn opgenomen in een transsumpt van 14 april 1495 (HUA, Bij het stadsarchief bewaarde archieven I, 739-2). De precieze situering is vooralsnog niet duidelijk.
Uitgiften

Van het domkapittel en het kapittel van Oudmunster weten we dat ze tot ver in de achttiende eeuw huizen en erven in de stad Utrecht in erfelijke pacht zijn blijven uitgeven. Het jongste voorbeeld dat ik van de Dom heb aangetroffen dateert van 10 december 1792,[27] van Oudmunster van 8 december 1788.[28] In beide akten werd van de goederen nog vermeld dat zij in hun respectievelijk dagelijks gerecht gelegen waren en werden nog voorwaarden opgenomen die ook in de Middeleeuwen gebruikelijk waren, zoals het zogeheten recht van verval. Wanneer dit recht aanwezig was, verviel het goed bij niet-nakoming van de verplichtingen door de erfdelijke pachters zonder uitvoerige ‘uitwinningsprocedure’ aan de uitgevende instelling.[29]

Het is echter de vraag of dit alles, met inbegrip van de uitgiften in erfelijke pacht, ook bij de andere kapittels het geval is geweest. Hoewel ik er geen uitputtend onderzoek naar gedaan heb, waag ik het te betwijfelen of dit ook bij Sint-Pieter zo was. Het jongste voorbeeld van een erfelijke uitgifte waarover ik van dit kapittel beschik, dateert van 19 oktober 1500. En dat is geen gewone uitgifte. Deken en kapittel verklaren dat hun medekanunnik Jan Knijf aan het kapittel de voorkoop geboden had van een huis en erf. Zij hadden de voorkoop aangenomen en voor 6 schellingen  en 8 penningen die daar vanouds uit gingen opnieuw in erfelijke pacht hadden verleend aan Wendelmoed Willem Willemsdochter voor ½ lood zilver en 3 Franse schilden per jaar aan de kleine kameraar.[30] Vanouds is ook echt vanouds, want al op 16 november 1419 had het kapittel dit goed voor de genoemde som opnieuw uitgegeven aan de Utrechtse burger Jan van Meerlo, toen voor ½ lood zilver.[31]

Uit 1493 dateert een uitgifte aan de vicaris van Sint-Pieter Peter van Kalslagen. Op 6 september van dat jaar verkreeg hij van Sint-Pieter in eenen ewigen erffpacht een huis en erf van het kapittel gelegen after onser kercken tsinte Peters voirscreven inden Reghenboghe zoals mr. Gerrit van Kalslagen, priester en doctor in de medicijnen dat toen bewoonde. Oostwaarts lag een erf van Dirk Tant en westwaarts een van de weduwe van Gerrit van Jutphaas geheten die Papegaey. Waarschijnlijk ging het bij de uitgifte om het oostelijk deel van Kromme Nieuwegracht 84.

Op 14 april 1495 gaf Peter het goed over aan het klooster van de cellebroeders. Dit gebeurde met medewerking van het kapittel, dat op 6 april 1495 zijn dienaar Willem van Rijneveld had gemachtigd om de voorkoop van het goed kwijt te schelden ten behoeve van de cellebroeders. Die kwijtschelding vond eveneens op 14 april 1495 plaats.[32]

Het lijkt er evenwel op dat het kapittel op den duur genoegen heeft genomen met overdrachten voor het stedelijk schepengerecht, waarbij uiteraard in de akten het jaarlijks aan het kapittel te bedragen bedrag werd vermeld. Dit zou dan overigens wel hebben betekend dat de eerder in de uitgifteoorkonden opgenomen voorwaarden en bepalingen ten gunste van het kapittel, met name het ‘recht van verval’, niet meer zouden hebben gegolden. Of en in hoeverre dit het geval was,  zou nog eens nader onderzocht moeten worden.

In ieder geval heb ik in de onderzochte gegevens betreffende de huiserven aan de Dam geen uitgiften van na 1500 aangetroffen, terwijl de pacht- of tijnsbedragen aan het kapittel van Sint-Pieter steeds vermeld zijn gebleven in de overdrachts- en hypotheekakten, in Utrecht de ‘transporten en plechten’ genoemd.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2018. - Gepubliceerd 16 februari 2018; laatst bewerkt 22 mei 2018.