Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
[1] Het schilderij hangt in het Groeningemuseum in Brugge.
Het Utrechtse huis van de Brugse kanunnik Joris van der Paele
door Martin W.J. de Bruijn

Hij is misschien wel de bekendste kanunnik ter wereld. Dat heeft hij te danken aan het magistrale schilderij Madonna met kanunnik Joris van der Paele van de hand van de vijftiende-eeuwse kunstenaar Jan van Eyck. Midden op het tableau is Maria met het Jezuskind afgebeeld en links een bisschop, Sint-Donaas, de patroon van Brugge. Maar de meeste aandacht trekken twee figuren aan de rechterkant. We zien een geknielde persoon in een wit koorhemd. Hij heeft de markante kop van een oude, goed doorvoede maar duidelijk afgeleefde man, die zich van zijn belangrijkheid bewust is. Achter hem staat een geharnaste ridder, Sint-Joris, aan wie de kanunnik zijn voornaam te danken had. De figuren zijn zo gepositioneerd dat het lijkt alsof ze werkelijk zo voor de schilder geposeerd hebben. Het realisme is in alle opzichten van een haast onvoorstelbare kwaliteit.
[1]
Madonna met kanunnik Joris van der Paele
Het magistrale schilderij Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan van Eyck uit 1434-1436.
[2] Een biografie van hem geeft R. De Keyser in het Belgische Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. V (Brussel 1972) kol. 673-677.
De afgebeelde oude man is de kannunik Joris van der Paele.[2] Hij was in 1434, aan het eind van zijn carrière, de opdrachtgever voor het maken van dit schilderij. Geboren in of rond Brugge rond 1370 uit een Brugse vader en een Henegouwse moeder was hij net als andere familieleden van vaderskant voorbestemd voor een kerkelijke carrière. Dat hij in de geestelijke stand niet verder kwam dan de wijding van subdiaken – de laagste van de hogere wijdingen – stond niet in de weg dat hij in 1387 een kanunniksplaats verwierf in het domkapittel van Doornik. Dat leverde hem zijn eerste prebende op, het zeer royale inkomen van een kapittelgeestelijke. In 1394 werd die prebende hem ontnomen omdat hij de verkeerde partij gekozen had: die van paus in Rome Bonifatius IX, terwijl zijn kapittel toen de zijde van diens tegenpartij, de in Avignon residerende paus Clemens VII, hield.

Maar in 1396 werd hij aangesteld als scriptor in de pauselijke kanselarij van Bonifatius IX in Rome en toen ging het snel bergopwaarts. Zonder universitaire opleiding te hebben genoten kon hij de titel magister voeren. In 1410 werd hij in Brugge herbenoemd als kanunnik. Vanwege de invloed die hij aan het pauselijk hof kon uitoefenen verwierf hij verder prebenden in tal van kapittels: in Straatsburg, Keulen, Surbourg, Kamerijk, Luik, Doornik, Hoei, Maastricht…

En in Utrecht! Deze sinecures – functies zonder of nagenoeg zonder verplichtingen, vergelijkbaar met sommige commissariaten van grote concerns nu – leverden hem een riant inkomen op. Het ging hier om een van de vele misbruiken die de Kerk in die tijd aankleefden! Als cumulant van ‘beneficies’ was Joris van der Paele dan ook een kerkelijk kind van zijn tijd. Minder dan een eeuw na zijn dood pikten steeds meer gelovigen dit soort praktijken niet meer en begon de Hervorming die de Kerk uiteenspleet.
De Domsteeg in 1816
De Domsteeg vanuit het noorden in 1819 op een schilderij van H. van Oort. Het zuidelijk deel was toen al verbreed. Rechts het door de domkanunnik Hugo Vustinc in 1342 gestichte koraalhuis.

De Domsteeg in 1904
De Domsteeg op een foto van J.A. Moesman uit 1904 vanaf de zuidkant. In een eeuw lijkt er aan de westkant van de straat weinig te zijn veranderd. Korte tijd later werd ook het oude koraalhuis op de achtergrond gesloopt en daarmee de hele Domsteeg verbreed. In 1916 werd zij omgedoopt tot Domstraat.


[3] Zie mijn dissertatie Husinghe ende hofstede (Utrecht 1994) 131.


[4] Het Utrechts Archief [HUA], Archief van het domkapittel [Dom] nr. 2186-3.

[5] Dom 55‑1, f. CVIv.‑CVII.

[6] Dom 633.


Het zegel van Joris van der Paele
Het gaaf bewaarde zegel van Joris van der Paele aan de oorkonde van 14 april 1416 met daarop de twee ovenschoppen en vier broden.

Het wapen Van der Paele rechtsonder op de lijst van het schilderij
Het wapen Van der Paele rechtsonder op de lijst van het schilderij met het jaartal 1436.











[6a] HUA, Dom 233 (testament) en 122 (processtuk).








[7] Dit was in die tijd Dirk van Wassenaar (zie bv. F. Doeleman, De heerschappij van de proost van Sint Jan in de Middeleeuwen (Zutphen 1982) 190).











[8] Ik zou hier verwacht hebben dominorum, het herenkoor, maar er staat toch echt op de lijst domini. Gaat het om specifieke kapelanieën of een kapel? Ik laat de interpretatie van een en ander graag over aan de kenners van het Brugse Sint-Donaaskapittel.








[9] M.W.J. de Bruijn, De bezitters van Paushuize 1517-1584 (Utrecht 1985).


















[10] De volledige tekst van zijn al eerder, in 2009, over dit onderwerp gehouden en uitvoeriger lezing in het Engels is te vinden op zijn website: ‘The influence of the early Works of Jan van Eyck on Utrecht miniatures’.

[11] Zo zal ook de Jan van Scorel zijn atelier hebben gehad in een claustraal huis in de immuniteit van Sint-Marie aan het Mariakerkhof, nu Mariaplaats (zie de webstek www.achterclarenburg.nl en onze webpagina Het huis van Jan van Scorel aan de Nieuwegracht in Utrecht).

[12] Over de herkomst van de gebroeders Van Eyck zal binnenkort een studie met vele nieuwe gegevens en een opmerkelijke uitkomst verschijnen van de hand van dr. Lucas van Dijck, die daarover op 22 februari 2020 ook een lezing voor Firapeel heeft gehouden.



Domkanunnik in Utrecht

Bij hernieuwd onderzoek naar de immuniteit van de dom in Utrecht deed ik een interessante ontdekking. Tot mijn verbazing verwierf Joris van der Paele niet alleen een prebende in het Utrechts domkapittel, maar ook een huis binnen de immuniteit van de dom. Dit zogeheten claustrale huis – een huis dat binnen het afgesloten gebied, het claustrum van een kapittel stond – stond aan de noordkant van het Domplein, toen Domhof geheten, ter plaatse van het tegenwoordige Domplein 1 op de hoek van de Domstraat, die toen smaller was dan nu en daarom de Domsteeg werd genoemd.[3]

Helaas beschikken we niet over afbeeldingen van dit huis, dat al vóór het begin van de negentiende eeuw afgebroken is, wel van de plaats waar het stond en mogelijk nog enig muurwerk. Een tekening van H. van Oort uit 1819 laat dit zien vanaf de noordkant, een foto van 1904 vanaf de zuidkant.

De Domsteeg bleek al in het begin van de negentiende eeuw ten koste van een deel van het claustrale erf en waarschijnlijk ook van het huis verbreed. Rechts op de afbeelding uit 1819 is het door de domkanunnik Hugo Vustinc in 1342 gestichte koraalhuis van de dom afgebeeld. Links daarvan is wellicht nog muurwerk van het vroegere claustrale huis zichtbaar.

Waarschijnlijk heeft Van der Paele het huis gekocht van de deken – de spiritueel leider van een kapittel – Herman van Lokhorst (Lochorst). Op 14 april 1416 erkende Joris dat hij voortaan de jaarlijkse pensie van 22½ oude Franse schilden – het bedrag waarmee een goed bezwaard was – zou voldoen, samen met de pensie van 1 oud schild waarmee het huis al eerder belast was (zie de bijlage).[4] Ruim een jaar eerder, op 1 maart 1415, had de domdeken zelf deze pensie erkend.[5] Zij omvatte naast de stichting van een memorie voor de ouders en de broer van Van Lokhorst onder meer ook stichtingen van en voor vroegere bezitters van het huis. Ik acht het daarom aannemelijk dat er op dat tijdstip, 1 maart 1415, al over verkoop van het huis werd onderhandeld.

Domdeken Herman van Lokhorst, zoon van de Utrechtse burger Jacob van Lokhorst en van Mechteld van Drakenborch, was de beruchte partijleider van een van de twee Utrechtse facties: de Lichtenbergers en de Lokhorsten. In het begin van de vijftiende eeuw vormden de Lokhorsten de anti-Hollandse partij. Op 11 juli 1413 pleegden Herman en zijn handlangers in Utrecht een staatsgreep en joegen de Lichtenbergers de stad uit. Maar de kansen keerden snel en met behulp van de graaf van Holland heroverden de Lichtenbergers weer het stadsbestuur. Op 17 mei 1415 werden Herman van Lokhorst en zijn aanhang uit Utrecht verbannen. Ook werden hij en zijn broer Gijsbert door de vijf Utrechtse kapittels veroordeeld om zich binnen dertig dagen voor zeven jaar naar een universiteit te begeven en niet zonder verlof in het Sticht terug te keren. Dit vonnis werd door een raadsbesluit bevestigd. Waarschijnlijk hield de verkoop van zijn claustraal huis met dit alles verband. Zie over hem en zijn broer: Van Kuyk, in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. II, red. P.C. Molhuysen en P.J. Blok (Leiden 1912) kol. 829-832.

De memoriediensten van een Utrechts kapittel werden verantwoord in jaarlijkse rekeningen van een administratie die de kleine kamer werd genoemd. Dit was ook hier het geval.[6] Terwijl we in de rekening van 1413/14 – de rekeningen liepen van Sint-Remeis (1 oktober) tot Sint-Remeis – nog de domdeken vermeld vinden, is dit in de rekening van 1416/17 Joris van der Paele voor het zojuist genoemde bedrag. De twee tussenliggende rekeningen, 1414/15 en 1415/16, ontbreken.

Fragment rekening kleine kamer dom 1416/17
Fragment van de rekening van de kleine kamer van het Utrechts domkapittel van 1416/17 met de post van het huis en erf van kanunnik Joris van der Paele. De tekst luidt:
Item de domo et area magistri Georgii de Pala in universo XXIII scuta antiqua cum dimidio, facit LXX libras X solidos (‘Eveneens van het huis en erf van mr. Joris van der Paele in totaal 23½ oud schild, maakt 70 pond 10 schellingen.’)

De oorkonde van 14 april 1416, waarin Joris van der Paele de betaling van de genoemde pensie bevestigde, geeft gedetailleerd aan waar het jaarlijkse bedrag aan besteed moest worden. Hij bevestigde de oorkonde met zijn zegel, dat zeer goed bewaard is gebleven. Duidelijk zijn daarop de palen te zien, de ovenschoppen, waaraan zijn familienaam mogelijk ontleend was, geflankeerd door vier broden. Het randschrift luidt: sigil(lum) georgii de pala. Schildhouder is een adelaar met gespreide vleugels.

Dat Van der Paele ook daadwerkelijk een tijdlang in Utrecht geresideerd heeft, blijkt uit een tweetal in het domarchief bewaarde stukken, in de eerste plaats een testament of althans een concept-testament. De oorspronkelijke datum ervan – 11 juni 1417 – is namelijk doorgehaald en door middel van boven de regels geschreven woorden vervangen door 2 juli 1417. Het is dus onzeker of er een nieuwe versie van is vervaardigd. In dit testament in algemene termen, dat verwijst naar een of meer codicillen, worden naast een drietal domkanunniken de broers Jan en Broos van de testateur tot executeurs-testamentair aangesteld.

Behalve dit testament wordt er in het domarchief een oorkonde bewaard met de uitspraak door een pauselijke auditeur over de proceskosten tussen de domkanunnik Otto Amelisz. en Van der Paele betreffende het supplement, de aanvulling, van de prebende van eerstgenoemde.[6a]

Volgens zijn levensbeschrijving in het Nationaal Biografisch Woordenboek (zie nt. 1) was Joris van der Paele in 1418 terug in zijn moederstad Brugge. Maar hij heeft zijn Utrechtse huis behouden tot 1432/33 of uiterlijk een jaar daarna. Toen was hij al een aantal jaren met emeritaat.Terwijl de rekening van de kleine kamer over 1433/34 ontbreekt, staat het in de rekening over 1434/35 op naam van de proost – de materiële leider van een kapittel – van het Utrechtse kapittel van Sint-Jan.[7]

Kort tevoren, in 1434, had Joris van der Paele een tweetal kapelanieën gesticht in de Sint-Donaaskerk in Brugge. In die tijd zal hij ook opdracht hebben gegeven voor het maken van het schilderij blijkens de tekst op de lijst:

– Hoc opus fecit fieri magister Georgius de Pala, huius ecclesiae canonicus, per Iohannem de Eyck pictorem – et fundavit hic duas capellanias de gremio chori Domini – Mo CCCCo XXXIIIIo –, completum autem 1436.
(‘– Meester Joris van der Paele, kanunnik van deze kerk, liet dit werk maken door de schilder Jan van Eyck – en hij stichtte hier twee kapelanieën deel uitmakend van het koor van de Heer[8] – 1434 –, voltooid echter in 1436.’)

Gezien het bovenstaande lijkt het een aantrekkelijke gedachte dat hij dit schitterende schilderij heeft laten maken van de opbrengst van zijn Utrechtse huis. Maar dit terzijde en met een groot voorbehoud, want Van der Paele had zoals gezegd nog heel wat meer ijzers in het vuur.

Joris van der Paele, Jan van Eyck, Utrecht en Brugge

Het was in de Late Middeleeuwen gebruikelijk dat vooraanstaande lieden huizen bezaten in plaatsen waar zij belangen hadden. Als voorbeeld wil ik hier het bekendste claustrale huis van Utrecht, Paushuize, en zijn bezitters noemen.[9] Na het overlijden van paus Adriaan in 1523 diende het nog als tijdelijke woning en verblijfplaats voor belangrijke geestelijken: achtereenvolgens kardinaal Willem van Enckevoirt en zijn neefje Michiel van Enckevoirt, wier belangen behalve in Utrecht ook in het bisdom Luik lagen. Maar welk belang, behalve zijn kanunniksplaats en prebende in het Utrechts domkapittel, had de Brugse kanunnik Joris van der Paele in Utrecht?

Een aantal jaren geleden kreeg ik bezoek van drs. Henri L.M. Defoer, kunsthistoricus en oud-directeur van het Catharijneconvent, die werkte aan een artikel waarin op grond van elementen in zijn stijl en weergave van met name de kruisdraging van Christus de hypothese werd onderbouwd dat de schilder Jan van Eyck zijn carrière was begonnen in Utrecht, de bisschopsstad met zijn vele kunstenaars en kunstliefhebbers, ook al was hij verbonden aan het hof van de Hollandse graaf Jan van Beieren in Den Haag. Op 22 februari 2020, dus kort voor de coronacrisis uitbrak, heeft Dufoer over deze vraag nog een lezing in Utrecht gegeven voor de Vereniging voor Mediëvistiek Firapeel. Deze voordracht werd gehouden in het kader van de grote Van Eyck-tentoonstelling in Brugge.[10]

Henri Defoer zocht destijds een bevestiging van zijn hypothese in een bewijs of aanwijzing dat Jan van Eyck aan het begin van zijn carrière in Utrecht gewoond had. Hij kwam bij mij terecht naar aanleiding van mijn artikel en webpagina over de woonplaats van een vroegere Utrechtse schilder, de miniaturist Michiel van der Borch alias de Verluchter. Uit Utrechtse bronnen heb ik kunnen vaststellen dat hij in 1335 een huis heeft verworven in de Utrechtse Zadelstraat, ter plaatse van het huidige nummer 18 (zie de webpagina Michiel van der Borch de verluchter).

Helaas kon ik Henri Defoer met de door mij verzamelde middeleeuwse gegevens over de grond en de huizen in Utrecht niet verder helpen en moest ik me beperken tot de suggestie dat Jan van Eyck in Utrecht geen erfelijk recht op een huis zal hebben verworven en dat hij mogelijk gehuurd of bij iemand ingewoond heeft. Contracten van tijdelijke aard, zoals veel huurovereenkomsten waren, werden vaak niet op schrift gesteld en als dit wel het geval was had het na afloop geen zin om ze nog te bewaren. Ook heb ik toen als mogelijke verblijfplaats van Jan van Eyck gewezen op de zeer ruime claustrale huizen van de Utrechtse kanunniken.[11]

Vragen

Met het signaleren van het Utrechtse huis van de Brugse kanunnik Joris van der Paele kan ik daar nu enkele concretere suggesties aan toevoegen. Zou het niet mogelijk zijn dat Jan van Eyck tijdens zijn verblijf in Utrecht in het claustrale huis van Joris van der Paele aan het Domkerkhof gewoond heeft? Zou het verder niet mede kunnen verklaren waarom hij later in Brugge terechtgekomen is, de moederstad van Van der Paele? Zou de opdracht voor het maken van het schilderstuk uit 1434-1436 niet mede zijn voortgekomen uit een kennismaking die al enkele decennia eerder in Utrecht had plaatsgehad?[12]

Ik geef toe, het zijn vooralsnog alleen maar vragen. Maar het stellen van vragen en het nadenken over antwoorden wil nog wel eens tot vermeerdering van onze kennis leiden. Vandaar dat ik ze toch stel.

N.B. Ik heb momenteel, juni 2020, door de sluiting vanwege de coronacrisis voor niet-medewerkers, geen toegang tot de Utrechtse universiteitsbibliotheek. Zodra dit weer het geval is, hoop ik met aanvullende gegevens te komen.

Bijlage
 
Oorkonde van 14 april 1416, waarin domkanunnik Joris van der Paele erkent de rente van 22½ Frans oud schild, die domdeken Herman van Lokhorst op zijn huis en erf in de domimmuniteit gevestigd had, op zich genomen te hebben boven de rente van 1 Frans schild waarmee dat huis en erf al eerder belast was.

Georgius de Pala, canonicus ecclesie Traiectensis, notum facio universis et singulis presens scriptum visuris seu audituris et publice recognosco quod ex certa mea sciencia maturaque deliberacione prehabita pensionem annuam firmam et perpetuam viginti duorum et dimidii scudatorum antiquorum Francie legalium, quam venerabilis vir dominus Hermannus de Lochorst, decanus Traiectensis, ex domo et area sitis infra emunitatem ecclesie Traiectensis quas inhabitare consuevit venerabilibus et circumspectis viris dominis capitulo Traiectensi pro certa pecuniarum summa sibi integraliter tradita vendidit, ultra pensionem unius scudati antiqui qua domus et area predicte perantea fuerunt obligate, propter translacionem domus et aree predictarum de consensu capituli Traiectensis in me factam spontanea mea voluntate super dictis domo et area sub formis et condicionibus infrascriptis in me suscepi et me ad solvendum eandem pensionem ex dictis domo et area minori camerario dicti capittuli Traiectensis pro tempore existenti in ecclesia Traiectensi singulis annis meis propriis laboribus, periculis et expensis in pecunia libera sine dimunicione quarumcumque expensarum super dictis domo et area occasione quacumque emergencium firmiter obligavi, videlicet pro una medietate in festo obitus beati Martini proxime futuro et pro reliqua medietate in festo beati Petri ad cathedram deinde proxime adveniente aut infra primum mensem post quemlibet terminorum predictorum immediate sequentem absque omni contradictione persolvendam et sic deinceps singulis annis imperpetuum sub forma et condicionibus infrascriptis; primo videlicet quod de dictis vigintiduobus et dimidio scudatis antiquis unus scudatus antiquus ad mandatum dominorum in cena Domini prelatis, canonicis et chorisociis ecclesie Traiectensis in domo capitulari a principio usque ad finem corporaliter presentibus; item pro augmentacione memorie mensurnalis magistri Hugonis Vustinc, quondam canonici Traiectensis, sexta die cuiuslibet mensis due libre et quindecim solidi bonorum corporaliter presentibus secundum consuetudinem ecclesie; item in anniversario parentum prefati domini Hermanni de Lochorst, decani, videlicet Iacobi de Lochorst patris et Mechteldis matris necnon Werneri de Lochorst, quondam canonici Traiectensis, fratris suorum, in quolibet anniversario predicto viginti solidi bonorum eodem modo presentibus et quatuor solidi bonorum missas in ecclesia Traiectensi celebrantibus; item in anniversario magistri Gerardi Droem, quondam canonici Traiectensis, due libre bonorum pro dominis et quatuor solidi pro choriscociis eodem die presentibus necnon quatuor solidi bonorum missas celebrantibus; item in anniversario domini Theoderici de Mangy, militis, dudum in Oestfrisia interfecti, unus scudatus antiquus; item in anniversario Aleydis relicte Florencii Wit dimidius scudatus antiquus singulis annis per minorem camerarium predictum ministrabuntur; item dictus camerarius ministrabit annuatim duos scudatos antiquos domino Iacobo Fermini, perpetuo beneficiato ad altare sanctorum Simonis et Iude apostolorum in ecclesia Traiectensi quam diu vixerit, et post mortem ipsius suis successoribus in dicto altari perpetuis futuris temporibus; item reliquos quinque scudatos antiquos tunc supervenientes idem camerarius singulis annis ministrabit thesaurario ecclesie Traiectensis pro conservacione quinque lampadum, unius videlicet ante ymaginem beate Marie virginis gloriose iuxta capellam sancti Iohannis ewangeliste in occidentali parte dicte ecclesie Traiectensis et unius ante altare sancti Sebastiani martiris in eadem ecclesia et trium aliarum lampadum in medio ecclesie Traiectensis supra sepulchrum prefati Werneri de Lochorst, fratris domini Hermanni decani supradicti, pendentium, per eundam dominum Hermannum institutarum et perpetuo observandarum. Pro quaquidem annua pensione sic ut premittitur per me integraliter persolvenda de expresso consensu capituli ecclesie Traiectensis predicti ego domum et areas meas claustrales predictas firmiter et inviolabiliter obligavi et tenore presentium obligo, hoc salvo quod si me per Dei gratiam viginti duos et dimidium scudatos antiquos Francie annuatim ex aliqua pecia bone terre ab ista parte Lecce in dominio et districtu episcopatus Traiectensis situata de consilio et assensu capituli predicti hereditarie emere et eidem capitulo proprietatem eiusdem terre iudicialiter dari et assignari facere contigerit in futurum, quod extunc a dicte pensionis vigintiduorum et dimidii scudatorum predictorum persolucione et domus et aree mearum claustralium obligacione premissis totaliter ero absolutus et liberatus, alioquin me cedente vel decedente capitulum Traiectensem predictum sufficientem summam pecuniarum cum qua dicti vigintiduo et dimidio scudati antiqui hereditarie ex aliqua pecia bone terre ab ista parte Lecce in dominio et districtu episcopatus Traiectensis ut predictum est situata commode emi et comparari poterunt de primis pecuniis de domo et area meis predictis, tunc per executores meos secundum ecclesie consuetudinem vendendis, provenientibus ante omnia capiet et prehabebit, ita quod domus et area et executores mei ad solvendum dictam pensionem firmiter manebunt obligati quousque predicta pensio hereditarie ut premittitur de consilio et assensu capituli predicti fuerit comparata, et extunc predictum capitulum de bonis ecclesie Traiectensis dictam pensionem sub modis et formis suprascriptis in eadem ecclesia Traiectensi deserviendam perpetuis temporibus integraliter ministrabit et exsolvet sine fraude.

In quorum omnium testimonium ego Georgius canonicus prefatus sigillum meum proprium presentibus duxi apponendum.
Datum anno Domini millesimo quadingentesimo sextadecimo, mensis aprilis die quartadecima.
De oorkonde van 14 april 1416
De oorkonde van 14 april 1416, waarin Joris van der Paele de lasten erkent die uit zijn Utrechtse claustrale huis gaan.


© 2020 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 8 juni 2020; laatst bewerkt 25 juni 2020.