Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina's
Domplein revisited
Utrechts eerste kerk revisited
Vroegmiddeleeuwse munten revisited

PR1 en PR2 revisited
Romaans of Pre-Romaans?
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

In hun verslag Domplein revisited over de heropgraving uit 2011 in de werkput van Van Giffen XIX op het Domplein tussen het oorlogsmonument en de straat gaan de archeologen R.J.P. (René) Kloosterman en R.D. (Robert) Hoegen uitvoerig in op de zogeheten koppelfunderingen die Van Giffen aanduidde als Pre-Romaans I (PR1) en Pre-Romaans 2 (PR2).




















[1] Nieuw Utrechts Dagblad van 11 maart 1949, p. 5.







Noordprofiel put XIX Van Giffen
Originele tekening door Van Giffen van het noordprofiel van put XIX met bovenin de perioden PR1 en PR2. Daartussenin het laagje zwarte, pikkige grond. Uit Domplein revisited, 14, afb. 1.5.


[2] T.J. Hoekstra, ‘De Dom van Adelbold II’, in: A.C. Esmeijer e.a. (red.), Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Utrecht 1988) 95-108, ald. 100-102.


[3] Ald. 22-26.


[4] Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie 46, nr. 4 (augustus 1997) 1-10.


[5] ‘Naar Adelbolds voorbeeld. De kerken van bisschop Bernold’, in: H. van Engen en K. van Vliet, De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2012) 37-68, ald. 43-44 en 53, afb. 6.



























[6] Domplein revisited, 36.






































[7] Ald. 37.

































[8] Alleen de zogeheten Utrechtse bisschopslijst uit de veertiende eeuw zegt van bisschop Adelbold dat hij de domkerk die Balderik had gesticht, heeft laten voltooien (J.T.J. Jamar en C.A. van Kalveen (uitg. en vert.), Catalogus episcoporum Ultrajectionorum. Lijst van Utrechtse bisschoppen 695-1378 (Utrecht 2005) 65. Maar bij de behandeling van bisschop Balderik zegt de lijst alleen dat hij de kerken hersteld had (ald. 63).











[9] H. Bruch (uitg.), Chronographia Johannis de Beke (’s-Gravenhage 1973) 75.

[10] W. Trillmich (uitg.), Thietmari Mersseburgensis episcopi chronicon (Darmstadt 1974) 436.



[11] Domplein revisited, 38.
Hierbij moet om te beginnen opgemerkt worden dat in dit verslag deze perioden verwisseld zijn. Voor de onderste laag, vanzelfsprekend door Van Giffen periode PR1 genaamd, wordt in het rapport gesproken van PR2 en voor de bovenste laag van PR1. Gelukkig lijkt deze fout het hele rapport door wel consequent te zijn volgehouden, zodat de verwarring beperkt kan blijven wanneer men zich dit realiseert.

Periode PR1, ongeveer een meter hoog, bestond volgens Van Giffen uit kleine keien en specie van een lichtgrijze kleur; PR2 daarboven uit grotere stenen, die gemetseld waren met ‘merkwaardige mortel, een grove kalk-zandspecie, vermengd met rood baksteengruis.’ Van Giffen had die specie ook aangetroffen in het fundament van de Heilig-Kruiskapel en de vroegmiddeleeuwse herstellingen van de Romeinse burchtmuur. Beide helften waren gescheiden door een laagje ‘pikkige, zwarte grond’, dat de archeoloog ook overal in de profielen was tegengekomen tussen 0,90 en 1,40 meter onder het romaanse loopvlak. Van Giffen sprak van een ‘sacraal tweeperioden-gebouw’, waarvan het oudste zou dateren uit de eerste helft van de negende en het tweede uit de tiende eeuw.[1]

PR1-2
Delen van de koppelfunderingen van de perioden PR1 (onder, met kleinere stenen) en PR2 (boven, met grotere stenen). Op de achtergrond een gotische pijlerfundering. Uit Hoekstra, ‘De dom van Adelbold II’, 101, afb. 9.

Deze periodisering werd in twijfel getrokken door de Utrechtse stadsarcheoloog T.J. Hoekstra, die in een artikel uit 1988 betoogde dat het in werkelijkheid om één fundament ging, en wel dat van de domkerk van Adelbold, gebouwd tussen 1017 en 1023.[2]

In onze publicatie De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten uit 1995 hebben we op onze beurt deze datering betwijfeld en bovendien een groot aantal vragen gesteld bij de toeschrijving van deze funderingen.[3] Twee jaar later, in 1997, hebben we in het artikel ‘Van tempeltje tot kathedraal. Romeinse en vroeg-middeleeuwse bebouwing onder het verdwenen schip van de Utrechtse Domkerk’ de archeologische vondsten op deze plek gecatalogiseerd.[4]

Nadat in een artikel van de bouwhistoricus H. Hundertmark uit 2012 met name de gegevens van Periode VI van Van Giffen nader waren uitgewerkt[5] zijn wij tot de conclusie waren gekomen dat VIc hoogstwaarschijnlijk heeft toebehoord tot de Karolingische domkerk (zie de webpagina De Karolingische domkerk). En omdat van de tiende-eeuwse bisschop Balderik alleen bekend is dat hij de in de Noormannentijd verwoeste kerken zo goed en zo kwaad als het ging hersteld heeft, zijn wij teruggekeerd naar het idee van Hoekstra dat het muurwerk PR1 en PR2 in werkelijkheid in zijn geheel de funderingen van de romaanse dom van Adelbold behoorde (zie de webpagina Van tempeltje tot kathedraal).

Alvorens nader in te gaan op die toeschrijvingen en dateringen, is het interessant om de belangrijkste bevindingen van Kloosterman en Hoegen in hun opgravingsverslag Domplein revisited weer te geven.

Over de bovenste laag, die zij als gezegd abusievelijk PR1 noemen, zeggen zij onder meer:

‘De onderkant van dit deel van de fundering ligt op ca. 3,30 m+NAP en wordt in het westprofiel gemarkeerd door een laag zeer zware, platte veldkeien op een ca. 5 cm dikke vlijlaag van roze mortel. Sommige van deze keien waren wel 50 tot 60 cm lang en 25 cm dik. Hier bovenop waren, in min of meer horizotale rijen, kleinere en regelmatig gevormde veldkeien gestapeld. Tussen de stenen is mortel aanwezig. De bovenkant van de fundering ligt op een diepte van 4,40 m+NAP. Van de vermeende resten van een romaans vloerniveau, waar Van Giffen het over heeft, is tijdens het proefonderzoek niets gezien, wat te wijten kan zijn aan verstoringen als gevolg van het leggen van kabels en leidingen. Wel is in de vulling van de werkput een natuurstenen plavuis gevonden met aan de onderzijde gruis van rode zandsteen.’[6]

Over de onderste laag zegt het rapport onder meer:

‘Het bestaat niet uit één geheel van gestorte kleine stenen, maar uit verschillende, met mortellagen van elkaar gescheiden niveaus, waarbij de stenen met meer zorg en selectie leken te zijn gesorteerd dan eerder verondersteld was. Dit is o.a. heel goed zichtbaar bij de rij platte, rechthoekige stenen op ca. 2,80 m+NAP (laag 34, afb. 3.2). Hier en daar lijkt de funderingssleuf niet helemaal recht te zijn gegraven: uit het proefonderzoek kwam naar voren dat de onderste helft vermoedelijk slechts plaatselijk uit lijn ligt met het deel erboven. De fundering blijkt dieper te zijn dan Van Giffen optekende: de onderkant ligt op 2,15 m+NAP in plaats van ca. 2,35 m+NAP. Opvallend is de dikke mortellaag bovenop de onderste 20 cm.

(- - -)

De platte stenen op ca. 2,80 m+NAP die verder naar buiten komen dan het deel eronder of het deel erboven kunnen een gestort niveau markeren (Afb. 3.14). De kleinere stenen er onder lijken netjes te zijn gestapeld en liggen meer naar binnen. De vulling van de laag in het profiel boven deze platte stenen op 3,80 m+NAP betreft een insteek die met grond is afgevuld. Dit betekent dat de kleinere stenen met roze mortel erboven niet gestort maar gestapeld zijn. De vrij strakke horizontale niveaus die hierin zichtbaar zijn en de zorgvuldigheid van de ligging en formaten van de stenen lijken dit te bevestigen.

De verschillende lagen mortel die in beide helften zijn gevonden tonen aan dat Van Giffens’ tweedeling eigenlijk nog verder op te delen is in nog meer niveaus. Vastgesteld is dat de mortel van de onderste helft anders van samenstelling is dan die van de bovenste helft. Het antwoord op de verschillende bouwfases of de hoeveelheid tijd die ertussen verstreken is, kan mogelijk worden gegeven bij het vervolgonderzoek of als er financiële middelen zijn om het mortelonderzoek uit te voeren.’[7]

Verderop volgt dan als conclusie:

‘De onderste helft (PR2) [bedoeld is uiteraard PR1] – dus onder het zwarte pikkige laagje – dateerde Van Giffen in de vroege negende eeuw. Uit het proefonderzoek is naar voren gekomen dat PR2 inderdaad pre-romaans is, maar waarschijnlijk opgedeeld kan worden in minimaal twee verschillende bouwperiodes. In het bovenste deel van de insteek van PR2 zijn namelijk enkele delen pleisterwerk gevonden die als Karolingisch te bestempelen zijn. Dat betekent dat in deze bouwperiode dus puin van een Karolingisch bouwwerk gebruikt is.42 Daarmee ligt een datering in de tiende eeuw voor de hand, namelijk na de Karolingische periode en vóór 1015 toen er begonnen werd met de erboven gelegen Dom van Adelbold.’

De betreffende noot 42 (p. 105 van het rapport) zegt:

‘Ook bij het latere definitieve onderzoek zijn opnieuw enkele stukken Karolingisch pleisterwerk aangetroffen’.

Er zijn hier wel enkele kanttekeningen bij te maken. De eerste heeft betrekking op de aan het eind van de citaten genoemde conclusie. Kloosterman en Hoegen zeggen over de onderste laag – bij hen PR2 maar in werkelijkheid PR1 – eerst dat zij in die laag ‘minimaal twee verschillende bouwperiodes’ hebben aangetroffen, maar komen vervolgens tot de conclusie dat ‘een datering in de tiende eeuw voor de hand’ ligt. Over de eveneens voor de hand liggende vraag of die verschillende perioden dan alle in de tiende eeuw moeten worden gedateerd en of het hier om meer dan één gebouw gaat, laten zij zich niet uit.

We achten het niet erg waarschijnlijk. Van bisschop Balderik, die na de Noormannentijd met de geestelijkheid omstreeks 920 naar Utrecht terugkeerde, wordt in verschillende bronnen immers alleen gezegd dat hij de verwoeste kerken zo goed en zo kwaad als het ging hersteld heeft.[8] Dat er tussen zijn dood in 976 en de bouw van de dom van Adelbold tussen 1017 en 1023 ook nog een kerk gebouwd zou zijn, achten we ook heel onaannemelijk.

Gesteld dat dit toch het geval zou zijn geweest, kan men dan verwachten dat voor de bouw van zo’n nieuwe kerk de oude tot aan de fundering of zelfs met een deel van die fundering zou zijn uitgebroken, wanneer het muurwerk weer geheel of ten dele op de oude funderingen zou worden opgetrokken? Men zou dan toch de nog bruikbare fundering of funderingsdelen en zelfs het nog bruikbare muurwerk in stand hebben gelaten. Dit is een aspect dat men tot nu toe niet in de beargumentering heeft betrokken. En wat die verschillen in stenen en mortel betreft: zal het leggen van de koppelfunderingen niet de nodige tijd hebben gekost, zodat die verschillen daardoor verklaard kunnen worden?

Zo is er misschien ook wel een verklaring voor het genoemde pikkige zwarte laagje. De veertiende-eeuwse kroniekschrijver Jan Beke zegt dat bisschop Adelbold in 1015 de domkerk, die hij oud noemt (veteris structure), heeft afgebroken en fundamenten voor de nieuwe heeft gelegd.[9] Nu wordt in een nagenoeg contemporaine kroniek door Thietmar van Merseburg vermeld dat in er in 1017, dus twee jaar later, een grote brand was geweest, die de domkerk met het huis van de bisschop in de as had gelegd.[10] Mogelijk heeft deze brand tijdens het leggen van de fundamenten van de nieuwe kerk het overal in de profielen van de opgravingen aangetroffen laagje zwarte grond veroorzaakt. Aardig in deze vermelding is trouwens ook dat de kerk die Adelbold liet afbreken oud wordt genoemd. Wanneer die kerk onder Balderik gebouwd was, zoals sommigen willen, zou dat laatste toch nog niet het geval zijn geweest.

De samenstellers van het rapport hopen dat er financiële middelen kunnen worden gevonden voor het uitvoeren van mortelonderzoek.[11] Wij betwijfelen of dit zo nauwkeurige dateringen kan opleveren dat de gesignaleerde verschillen er mee kunnen worden verklaard.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2015-2016. - Gepubliceerd 17 december 2015; laatst bewerkt 28 januari 2016.