Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Andere historische gegevens over Utrechtse huizen op deze webstek:
Janskerkhof achter tussen 16 en 17
Jeruzalemstraat 8-10
Kromme Nieuwegracht 11
Kromme Nieuwegracht 49 (Paushuize)
Wed 3A-9


[1] F.A. Brekelmans, De Belgische enclaves in Nederland. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis van Baarle-Hertog en Baarle-Nassau, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zuiden van Nederland 4 (Tilburg 1965).

Nieuwegracht 6 in Utrecht:
één huis, twee jurisdicties

door Martin de Bruijn

Het Belgische dorp Baarle-Hertog wordt gevormd door enkele enclaves temidden van Nederlands grondgebied.[1] Wie deze plaats wel eens bezocht heeft, zal het zijn opgevallen dat de grenzen met het Nederlandse tweeling­dorp Baarle-Nassau er grillig door elkaar lopen. Er bevindt zich zelfs weer een stukje Nederlandse territoir binnen een van de Belgische enclaves, een enclave binnen een enclave. Voor de duidelijk­heid zijn de huisnum­mers in Baarle-Nassau en Baarle-Hertog uitge­rust met de kleuren van respectievelijk de Nederlandse en de Belgische vlag. Maar echt overzichtelijk is de situatie er niet door ge­worden: er zijn namelijk ook huizen en gebouwen waar de grens tussen beide dorpen en daarmee tevens de landsgrens dwars doorheen loopt.













[2] Men zie voor dit alles mijn dissertatie Husinghe ende hofstede. Een institutio­neel-geografische stu­die van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994).















Plattegrond Nieuwegracht 6 en omgeving
De ligging van Nieuwegracht 6.
De percelen Kromme Nieuwegracht 86 tot en met 94 en Nieuwegracht 2, 4 en het noordelijk deel van 6 behoorden tot het dagelijks gerecht van Sint-Pieter, het middelste en zuidelijke deel van Nieuwegracht 6 tot het dagelijks gerecht van Oudmunster. Bewerkt naar het Utrechts Documentatiesysteem.















[3] Het Utrechts Archief [HUA], Oudmunster 934, fol. 4v.: Item in platea que vocatur Oudella in parte orientali habemus iu­ris­dictionem temporalem de XLIII domibus et areis earundem vel quasi, se in longitudinem dicte platee protensis inter iurisdictionem temporalem capituli sancti Petri a parte aquilonari et inter iuris­dictionem temporalem capituli sancti Martini a parte australi. Et incipit supradicta nostra iu­ris­dictio temporalis prope primum eiusdem platee versus partem aquilonarem in loco dicto opten Damme, quatuor domibus cum areis earundem exceptis, spectantibus ad iurisdictionem tempo­ralem capituli sancti Petri.

[4] Zie M. de Bruijn, 'Was er in april 1228 sprake van een dam in de Vecht bij Otterspoor?', Maand­blad Oud-Utrecht 65 (1992) 113-115.

[5] HUA, St.-Pieter 165-1 (rek. grote kamer 1370-1415), onder De areis super Dammum: ‑ ‑ ‑ Item Ge­rardus Keppel XXIIII solidos. Item dominus Gerardus de Bredensteyn XIII solidos IIII denarios. Item Agnesa Everardi XIII solidos IIII denarios. Item dominus Gerardus Bierwisch XVI solidos, pro quibus solvit XII grossos novos Traiectenses, facit I libram.

[6] HUA, Oudmunster 974-8 en St.-Pieter 1046.

[7] HUA, St.-Pieter 165-1, rek. grote kamer 1370/71: De areis super Dammum. Primo dominus Iohan­nes Vrenke XII solidos (Kromme Nieuwegracht 86 achter). Item Elizabet Kockarts XII solidos (86 voor). Item dominus Petrus de Compe­stelle XII solidos (88). Item Elizabet de Ameyda de area quondam domini Egidii Scakel XII solidos (90). Item Elizabet predicta de area quondam domini Wilhelmi de Yselsteyn (92). Item Gerardus Keppel XXIIII solidos (94). ‑ ‑ ‑. Dat de twee eerstgenoemde percelen niet naast maar achter elkaar gelegen waren, blijkt uit een oorkonde van 19 augustus 1394 (HUA, Collectie Booth 94) betreffende het naastgelegen perceel 84: tusschen husinghe ende hofstede heren Thomaes Coninx, preesters, ande overside (Kromme Nieuwegracht 82) ende tusschen husinghe ende hofstede Johans van Driel voerseyt voer bider graften ende after joncfrou Aleyd de Jacob Wernaers wiif was ande nederside (nummers 86 voor en achter). Een en ander is uitgewerkt ten behoeve van de huidige eigenaar van nr. 86, dr. J.J. Bos, als ‘De huiserven aan de Dam in Utrecht’ en zal mogelijk nog worden gepubliceerd.

[8] HUA, Oudmunster 934, fol. 4v.: Prima vero domus nostre iurisdictionis sita est fere in opposito ca­pelle sancti Egidii, quam domum quondam inhabita­vit dominus Nycolaus de Gasperde, canoni­cus ecclesie sancti Martini, et nunc est Gerardi Vrenke, filii Iohannis Graward.

[9] HUA, St.-Pieter 686-4: aream sitam in Veteri della inter aream Ghertrudis Meynaert ex uno latere et aream domini Nycholai Brune, perpetui vicarii ecclesie sancti Martini Traiectensis, ex alio la­tere.

[10] HUA, St.-Pieter 686-1: duas areas contiguas, ad dictum capitulum pertinen­tes, sitas in Veteri del­la ex opposito erga capellam sancti Egidii.

[11] HUA, St.-Pieter 165-1, achterin (rek. kleine kamer 1367/68 en 1371/72), onder De bonis in civi­tate: ‑ ‑ ‑ Item dominus Gerardus Bierwische de area sua XVI solidos.

[12] HUA, St.-Pieter 165-1, rek. grote kamer 1398/99: Item capitulum sancti Salvatoris de area quon­dam domini Gerardi Bierwischs ‑ ‑ ‑.












[13] HUA, Oudmunster 975-34. Het feit dat het huurcontract op papier – met twee opgedrukte zegels – is geschreven, geeft aan dat het bewaren ervan als minder belangrijk werd geacht dan wanneer het rechten met 'eeuwigdurende' werking, zoals erfelijke pachten, betrof.

[14] Zie hiervoor mijn dissertatie Husinghe ende hofstede, 257-270.

[15] HUA, Oudmunster 975-36.

[16] HUA, Oudmunster 935-37.

[17] HUA, St.-Pieter 165-1 (rek. 1415/16 of 1416/17) 10de summa: Item capitulum ecclesie sancti Salvatoris de area quondam Gherardi Bierwisch consuevit solvere II solidos legalium Traiectensium antiquo­rum. Nichil amplius tenetur, quia prefatum capitulum resignavit anno Domini millesimo quadrin­gentesimo XIIIIo capitulo nostro in iudicio temporali duas areas cum edificiis in eis constructis, simul iacentibus in opposito domus quam dominus Iohannes Wael nunc inhabi­tat, loco permutationis facte de area predicta quam dominus Gherardus predictus consueverat inhabitare, de quibus areis et edificiis Iohannes Cesar et Gherar­dus Cesar, fratres, tenebantur annuatim capitulo nostro predicto tria quarta­lia scudati antiqui de Francia. Nunc vero domicel­lus Iacobus de Gaesbeec tenetur tria quartalia scudati antiqui de Francia, facit V libras VIII solidos IX denarios obolum.

[18] HUA, Bissch. 2, fol. 258v.-259 (1414 maart 17). Llewellyn Bogaers is bijna euforisch over deze gerechten in haar dissertatie Aards, betrokken en zelfbewust. Zie evenwel M.W.J. de Bruijn, ‘Buurschap en gerecht. De ontwikkeling van twee samenhangende instellingen in middeleeuws Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 2008, 127-154, en ‘Dupliek: Van binnenuit en van onderop of van bovenaf’, ald. 163-168. Zie ook de webpagina over de wijk- en buurtorganisatie in Utrecht.
Iets soortgelijks – zij het op wat kleinere schaal – heeft zich ook voor­gedaan in het middeleeuwse Utrecht. Daar waren diverse jurisdicties aanwezig van zowel kerke­lijke als wereldlijke aard. De immuniteiten van de vijf kapittels en van de kloosters vormden er kerkelijke enclaves binnen het stadsgebied. Over het wereldlijke deel bezat het stedelijk schepengerecht de hoge en lage jurisdictie, maar de lage werd beperkt door de bevoegdheden van een aantal andere gerechten. Zo bezaten de vijf kapittels en de Sint-Paulus­abdij de lage jurisdictie – zogeheten dagelijks gerecht – in bepaalde delen van de stad. Wie rechten op grond en huizen binnen zo'n rechtskring bezat, was onderworpen aan de recht­spraak van het betref­fende dage­lijks gerecht. Dat gold zowel voor de be­slechting van geschillen – de contentieuze rechtspraak – als voor de volun­taire of vrijwil­lige jurisdictie, dit wil zeggen de formali­teiten die nodig waren voor de levering van onroe­rend goed of het vestigen van lasten daarop.[2]

Nieuwegracht 6
Nieuwegracht 6 in Utrecht. Het linker deel, waar de keuken was en zich nog steeds een zogeheten dienstbodeningang bevindt, behoorde tot het dagelijks gerecht van Sint-Pieter, de rest lag in dat van Oudmunster. Foto M.W.J. de Bruijn 2015.

De voorganger van het huis Nieuwegracht 6 nu blijkt zich uitgestrekt te hebben over twee van deze dagelijkse gerechten, te weten dat van het kapittel van Oud­munster en dat van het kapittel van Sint-Pieter. Dit laat zich, zij het met de nodige moeite, reconstru­eren uit goederenregisters, rekeningen en oorkonden van de kapittels van Oudmunster en Sint-Pieter.

In een goederenregister van Oudmunster uit 1348 valt te lezen dat het dagelijks gerecht van dit kapittel in de Oudelle, dit wil zeggen het tracé van de tegen­woordige Nieuwegracht, begon bij het vijfde huis vanaf de Dam, waarmee de huidige Paus­dam bedoeld is. De eerste vier percelen in de Oudelle lagen in het dagelijks gerecht van Sint-Pieter.[3] Ze waren door dit kapittel in erfelijke pacht uitgegeven.[4] In de rekeningen van de grote kamer van het kapittel van Sint-Pieter, die beginnen in 1370/71, vinden we onder het kopje 'Van de huiserven op de Dam' als bezitter van het hoekhuis (thans Kromme Nieuwegracht 94) Gerrit Keppel, vervolgens (Nieuwe­gracht 2) heer Gerrit van Bredensteyn, daarna (Nieuwegracht 4) Agnes Evertsdoch­ter en ten slotte (noordelijk deel Nieuwegracht 6) heer Gerrit Bierwisch.[5]

We beschikken over een oorkonde die ons interessante gegevens over dit laatste huiserf en het zuidelijk daarnaast gelegen oplevert. Ten overstaan van de kameraar – de administrateur – en het dagelijks gerecht van Oud­munster in de Oudelle ves­tigde Gerrit Bierwisch, kanunnik van Oudmunster, namelijk op 15 november 1371 een rente van 7 lood zilver per jaar ten behoeve van het Sint-Christoffelaltaar in de Sint-Pieterskerk op het zuidelij­ke perceel. Dit bleek zich uit te strekken van voer van der straten tot haren Peters husinghe ende hofstede toe van Compostelle, canonix t'sinte Peters t'Utrecht, ende tusschen husinghe ende hofsteden haren Jacobs van der Niervaert ende haren Johans van Bomel aen die suytside ende haren Gheride Byerwisch mit sijnre coken ende hofste­de aen die noertside.[6]

Vooral de laatste mededeling is van belang. Hieruit blijkt namelijk dat ten noorden van het perceel dat Bierwisch op 15 november 1371 met een rente belastte zijn keuken en nog een erf van hem lag. Waarschijnlijk was zijn keuken op dit erf ge­bouwd, al staat er dat niet zo duidelijk. Dit laatst­genoemde erf zal het perceel zijn dat binnen het dagelijks gerecht van Sint-Pieter lag. Dat dit consequenties had, blijkt uit het feit dat een exemplaar van de oorkonde van 15 november 1371 niet alleen in het kapittelarchief van Oudmunster maar ook in dat van Sint-Pieter bewaard wordt.

Van de in de oorkonde genoemde belendingen is vooral die aan de achterzijde van belang. Het huis en erf van heer Peter van Compostelle komen we in de rekeningen van de grote kamer van Sint-Pieter eveneens onder het kopje 'Van de huiserven op de Dam' tegen, en wel als derde perceel vóór het hierboven genoemde hoekhuis.[7] Het betrof dus hoogstwaar­schijnlijk het huidige Kromme Nieuwegracht 88. Aldus laten zich de percelen van Gerrit Bierwisch aardig situeren en kan zelfs worden vastgesteld dat het perceel tegenwoordig nog steeds even lang is als het in 1371 was.

Over de oudere bezitters van deze beide huiserven licht ons het al genoemde goederenregister van Oudmunster uit 1348 verder in. Er wordt van het eerste per­ceel in het dagelijks gerecht van dit kapittel gezegd dat het gelegen was tegenover de Sint-Gilliskapel en dat het eertijds bewoond werd door de domkanunnik Nicolaas van Gasperde. In 1348, toen het register werd aan­gelegd, was het in bezit van Gerrit Vrenken, zoon van Jan Grauwert.[8] Inderdaad vertelt een oorkonde van 23 maart 1341 ons dat het kapittel van Sint-Pieter aan de Utrechtse burger Gerrit Vrenken een huiserf in de Oudelle in erfelijke pacht had gegeven voor 24 schellingen per jaar. Het perceel werd daarbij gesitueerd tussen huiserven van Geertruid Meynaert en van de domvicaris Nicolaas Brune.[9] In een nog oudere oorkonde, daterend van 5 september 1331, erkende de domkanun­nik Nicolaas Witte dat hij van Sint-Pieter twee naast elkaar gelegen huiserven, gele­gen in de Oudelle tegenover de Sint-Gilliskapel, van Sint-Pieter in erfelijke pacht had gekregen voor 24 schellingen per jaar.[10] Dit bedrag komt overeen met dat uit de oorkonde van 23 maart 1341. Daarom hoeft het feit dat in deze oorkonde slechts sprake is van één huiserf en in die van 5 september 1331 van twee geen argwaan te wekken. Hoogstwaarschijnlijk heeft de domkanunnik Nicolaas Witte, die wel identiek zal zijn met de in het goederenregister van Oudmun­ster vermelde domkanunnik Nicolaas van Gasperde, de percelen al samenge­voegd, mogelijk door op het noor­delijke een keuken te bouwen. Het zuidelijke perceel komen we in de rekeningen van Sint-Pieter niet tegen onder de huiserven aan de Dam, maar in de rekeningen van de kleine kamer onder het kopje 'Van de goederen in de stad'. In de oudst bewaarde rekening, daterend van 1367/68, betaalde Gerrit Bierwisch 16 schellingen,[11] evenveel als hij toen uit het noordelijke perceel moest voldoen.

Uit het bovenstaande kunnen we samenvattend het volgende concluderen:
1.  Op 5 september 1331 kreeg de domkanunnik Nicolaas Witte, waarschijnlijk identiek met de domkanunnik Nicolaas van Gasperde, het complex in erfelijke pacht van Sint-Pieter. Hij zal beide percelen samengevoegd hebben en mogelijk op het noordelijke een keuken gebouwd.
2.  In 1341 nam de Utrechtse burger Gerrit Vrenken, zoon van Jan Grauwert, het in erfelijke pacht.
3.  Vóór 1367 verwierf de kanunnik van Oudmunster Gerrit Bierwisch het complex, dat zich toen al blijkt te hebben uitgestrekt tot aan het huidige Nieuwegracht 88.

Bierwisch zal tussen 1382 en 1398 gestorven zijn, want in laatstgenoemd jaar vinden we in de rekening van de grote kamer van Sint-Pieter vermeld dat het kapittel van Oudmunster betaal­de voor het huiserf van wijlen heer Gerrit Bierwisch.[12] De rekeningen van de tussenliggende jaren ontbreken. Hieruit valt tevens af te leiden dat Bierwisch het complex vermaakt heeft aan het kapittel waarvan hij als kanunnik deel uitmaakte. Dat blijkt ook uit de verdere gegevens die over het complex bewaard gebleven zijn en waarin het dagelijks gerecht van Oudmunster een rol speelt.

Er bestaat om te beginnen een huurceel van het complex, die dateert van 11 oktober 1410. Er zijn voor Utrecht niet veel van dergelijke huurcontrac­ten bewaard gebleven. Oudmunster verhuurde vanaf Pasen 1411 aan de domkanunnik Jan van Ginkel voor de periode van vier jaar die husinghe ende hofstede gheleghen in der Oudellen alrenaest heren Dirx van Papenderp voor 11 Franse schilden per jaar. Wilde het kapittel het complex verkopen, dan moest het de huur een half jaar tevo­ren opzeggen, welk recht ook de huurder zelf bezat. Mocht Van Ginkel tijdens de huurtermijn sterven, dan waren zijn erfgenamen slechts het half jaar huur – de oorkonde spreekt van pacht – verschuldigd van de periode waarin hij overleden was. Het kapittel moest het huis in goede staat houden. Wanneer er reparaties moesten worden uitgevoerd, moest Van Ginkel die laten uitvoeren door degenen die het kapittel daarvoor zou aanwijzen en mocht de kosten aftrekken van de eerste huur­termijn van het jaar waarin die herstellingen werden verricht.[13]

Jan van Ginkel heeft zijn huurtermijn misschien niet volgemaakt. Al op 23 augustus 1412 gaf het kapittel van Sint-Pieter den vryen eygendom van wat hier weer twee huis­erven werden genoemd aan het kapittel van Oudmunster, en kreeg in ruil daarvoor de 'eigendom' van twee andere huiserven die gelegen waren in het dagelijks gerecht van Sint-Pieter in den Reghenboghe, dit wil zeggen aan de Kromme Nieuwegracht. Aangezien de transactie met toestem­ming van de bisschop plaatsvond, werd zij door hem mede bezegeld.

Met de 'vrije eigendom' is hier het recht bedoeld dat degene had die een goed had uitgegeven. Men doet er verkeerd aan dit begrip gelijk te stellen aan de moder­ne eigendom.[14] Ik gebruik de term hier verder tussen haakjes. Hierna moesten de levering van de 'vrije eigendom' van de percelen nog plaats­vinden; dit wil zeggen dat zij voor het competente gerecht moesten worden over­gedragen. Op 25 augustus machtigde het kapittel van Sint-Pieter zijn medekanunnik Johan van Hasselt, om de 'vrije eigendom' van de twee huiserven voor het dagelijks gerecht van Sint-Pieter over te dragen[15] en op 22 december 1412 – aanmerkelijk later dus – vond de overdracht plaats.[16] Er werd daarbij gespro­ken van hofsteden die sij leggende hebben in horen gerechte, in het gerecht van Sint-Pieter dus.

De overdracht van de ‘vrije eigendom’ van het perceel Kromme Nieuwegracht 6 noordelijk deel aan het kapittel van Oudmunster zou blijkens de rekeningen van Sint-Pieter overigens pas in 1414 hebben plaatsgehad.[17] Wellicht is dit gebeurd voor het stedelijk schepengerecht, want de overdrachts­oorkonde van 22 decem­ber 1412 is de laatste oorkonde die ik van de dagelijkse gerechten in Utrecht heb teruggevonden. In 1414 beklaagde de bisschop zich erover dat de stad aan de kapittels en de Sint-Paulusabdij hun dagelijkse gerechten lange tijt onbruyck gemaect had, waarop de stedelijke raad laconiek ant­woordde dat hij sach grote verschal­kinge ende bedriechgenisse der lude, en daarom een raadsbesluit had uitge­vaardigd om grote nutschap des ge­meens.[18]

Dit heeft waarschijnlijk het definitieve einde voor de dagelijk­se gerechten van de kapittels en de Sint-Paulusabdij in de stad ingeluid. Alle overdrachten en be­zwaringen van onroerend goed binnen het rechtsgebied van deze gerechten vonden, voor zover ik kon nagaan, voortaan plaats ten overstaan van schout en schepenen van de stad. Zouden de transacties tussen de kapittels van Oudmunster en Sint-Pieter over het noordelijk deel van Nieuwegracht 6 misschien de aanleiding voor de stad hebben gevormd om de dagelijkse gerechten aan een roemloos einde te helpen? Ik acht het niet ondenkbaar. Overigens bleven de kapittels nog tot in de achttiende eeuw in hun oorkonden vermelden dat een goed in hun gerecht gelegen was.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2015. - Gepubliceerd 8 april 2015; laatst bewerkt 8 april 2015.