Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Dit artikel een enigszins aangepaste tekst van een lezing gehouden op 16 maart 2013 in Utrecht ‒ is gebaseerd op het onderzoek waarvan de resultaten en inzichten voorzien van een uitvoerige argumentatie en annotatie zijn neergelegd in de studie: C.J.C. Broer,  Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (dissertatie UvA; Utrecht 2000).
In kort bestek en meer gericht op een geïnteresseerd lekenpubliek verhaalt over de monastieke traditie in Utrecht eveneens de publicatie
Utrechts oudste kloosters: van Sint-Salvator tot Sint-Paulus  (Utrecht 2007).
Van monniken en kanunniken
De monastieke traditie in Utrecht van de zevende tot het midden van de elfde eeuw
door Charlotte Broer

Misschien niet altijd even zichtbaar en daarom goed te volgen, kent Utrecht toch een lange en vrijwel ononderbroken monastieke of kloosterlijke traditie. Deze had haar basis in het door Willibrord aan het eind van de zevende eeuw in Utrecht gestichte monasterium van Sint-Salvator en liep vandaar uit door via de vestiging van een kloostergemeenschap op de Hohorst in Amersfoort omstreeks het jaar 1000 tot de stichting van de Sint-Paulusabdij in Utrecht in 1050.


Abdijterrein Sint-Paulus
Detail van de kaart van Utrecht door Braun en Hogenberg van omstreeks 1570, met het terrein van de Utrechtse Sint-Paulusabdij.
Inleiding

De positie van de Sint-Paulusabdij, wel beschouwd als Utrechts oudste klooster, is naast de vijf kapittels van meet af aan een bijzondere geweest. Lange tijd was ze in de bisschopsstad de enige monastieke instelling, waar geleefd werd volgens de regel van Benedictus, dat wil zeggen dat de kloosterlingen onder meer een gelofte van armoede aflegden en een gemeenschappelijk leven leidden. Aldus onderscheidde de Sint-Paulusabdij zich nadrukkelijk van de overige instellingen in Utrecht, de kapittels, waar kanunniken een in beginsel minder strenge regel volgden, wat onder meer betekende dat persoonlijk bezit, ook van eigen huizen, was toegestaan en mede daarom op den duur het gemeenschappelijk leven hier naar de achtergrond verschoof. Veel kanunniken woonden uiteindelijk in afzonderlijke eigen huizen binnen de kapittelimmuniteit.

Uniek was de Sint-Paulusabdij echter niet in de eerste plaats omdat ze de ‘oudste door de bisschop gestichte kloosterinstelling was’; daar kunnen andere instellingen in Utrecht met meer recht op bogen. En uniek was de abdij eigenlijk evenmin omdat ze zich zozeer van die kapittels onderscheidde.

Het unieke van de abdij is veeleer gelegen geweest in het feit dat ze oorspronkelijk in tal van opzichten juist een zo met die van de kapittels vergelijkbare positie heeft gehad. En dat nu had te maken met het feit dat ze, samen met diezelfde kapittels, geacht werd te zijn voortgekomen uit het aan het eind van de zevende eeuw door Willibrord gestichte monasterium van Sint-Salvator, een onmiskenbaar kloosterlijke instelling waarin de Utrechtse kerk haar basis had, en waarvan de abdij op de Hohorst bij Amersfoort, voorgangster van de Sint-Paulusabdij in Utrecht uiteindelijk de enige echt monastieke opvolgster is geweest.

En hoewel niet altijd even zichtbaar en daarom goed te volgen, blijken er in Utrecht niettemin voldoende aanwijzingen voor het bestaan van een vrijwel ononderbroken monastieke traditie, juist ook in de eeuwen voorafgaand aan de vorming omstreeks het jaar 1000 van een kloostergemeenschap op de Hohorst en voorts, in 1050, de stichting van de abdij van Sint-Paulus in Utrecht. In dit artikel wil ik hier die traditie schetsen.



Willibrord als aartsbisschop
Willibrord afgebeeld als aartsbisschop (der Friezen) met het pallium, geflankeerd door twee diakens, op een afbeelding uit de elfde eeuw. Het is de oudste afbeelding die van deze heilige bewaard is gebleven. Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. lat. 10510, f. 20.

Domplein met oudste kerken
Plattegrond van het Utrechtse domplein, met de contouren en indeling van het oude Romeinse castellum en verder de oudste kerkelijke bebouwing. In dunne lijnen zijn aangegeven: 1. de tegenwoordige domtoren; 2. de domkerk. In dikke lijnen: A. het Romeinse hoofdgebouw, de principia, waarbinnen Willibrord in 695 de eerste Sint-Salvator bouwde. Na de afbraak van dit gebouw werd van het materiaal van deze kerk de Heilig-Kruiskapel gebouwd; B. de plaats van de door Dagobert rond 630 gebouwde Sint-Thomaskerk, die na omstreeks 650 te zijn verwoest door de Friezen circa 720 door Willibrord vanaf de fundamenten werd herbouwd en toen aan Sint-Maarten werd gewijd. De precieze vorm van deze kerk is niet bekend. Op deze plek had eerder in de Romeinse tijd een tempeltje gestaan; C. de door Bonifatius omstreeks 745 gebouwde nieuwe Sint-Salvators- of Oudmunsterkerk. Tek. M.W.J. de Bruijn.
Het begin van de Utrechtse kerk:
Willibrord en zijn monasterium van Sint-Salvator


Het is omstreeks 695 geweest dat de (deels ook in een klooster in Ierland gevormde) Angelsaksische monnik Willibrord naar Utrecht kwam, waar hem door de Frankische politieke machthebber, de hofmeier Pippijn II, het voormalig Romeinse castellum was toegewezen als basis voor zijn missiewerk in Frisia, en waar hij toen om te beginnen een kerk stichtte, gewijd aan Sint-Salvator. Na in Rome op 21 november 695 door de paus tot aartsbisschop der Friezen te zijn gewijd, zal hij in deze Sint-Salvator behalve het doopvont ook zijn bisschopszetel hebben geplaatst. Met deze kerk verbonden was echter van meet af aan ook een monasterium, een klooster, aan het hoofd waarvan Willibrord zelf stond, in welke gemeenschap hij ook geleefd zal hebben, wanneer hij in Utrecht was, en van waaruit hij ten slotte zijn medewerkers voor het missiewerk recruteerde.

Was het aldus deze kerk en dit monasterium van Sint-Salvator, waarin de door Willibrord gegrondveste Utrechtse kerk haar oorsprong en basis heeft gehad, ze was toch niet de eerste kerk geweest die er in Utrecht was gebouwd.

Waarschijnlijk al zo omstreeks 630 was hier door de Frankische koning Dagobert een aan Sint-Thomas gewijd kerkje gebouwd, dat echter ook spoedig daarna weer, rond 650, toen het gebied rond Utrecht korte tijd weer door de Friezen heroverd was, werd verwoest. Willibrord moet bij zijn aankomst en vestiging in Utrecht de resten van dit kerkje hebben aangetroffen, maar hij verkoos het vooralsnog niet te herbouwen en stichtte zijn eigen, nieuwe en aan Sint-Salvator gewijde kerk en monasterium.
Het verwoeste kerkje zou, waarschijnlijk wel op instigatie van en ook met financiële steun van Willibrords Frankische beschermheren, zo omstreeks 720, uiteindelijk toch worden herbouwd en toen gewijd aan de beschermheilige van de Frankische machthebbers, Sint-Maarten.

Voor wat betreft de wijze van leven in het monasterium van Sint-Salvator is het waarschijnlijk dat de regel van Benedictus wel bekend zal zijn geweest. Dat ze hier ook de exclusieve leefregel was, en het monasterium dus een benedictijner abdij, valt echter zeer te betwijfelen. Gezien de deels Ierse vorming van Willibrord zelf, zijn optreden als missionaris-kloosterbisschop, en vooral ook het missiekarakter van kerk en klooster in Utrecht, mag het gelden van een monastieke (Iers-Angelsaksische) mengregel als meer voor de handliggend worden beschouwd. Anders dan de regel van Benedictus met haar voorschrift van de stabilitas loci, de gebondenheid van de monnik aan het klooster, zal een dergelijke mengregel bijvoorbeeld aan zowel de abt als de kloosterlingen ruimte hebben geboden om predikend en missionerend rond te trekken.

Ontwikkeling van de Utrechtse kerk na Willibrord

Willibrord overleed in 739 in Echternach, waarna het zijn jongere Angelsaksische landgenoot en ook vroege(re) leerling Bonifatius was die de zorg over de jonge Utrechtse kerk op zich nam, pogingen deed om te komen tot een echt bisdom, en in het kader van de plannen hiervoor omstreeks 745 in Utrecht ook een nieuwe, grotere kerk van Sint-Salvator liet bouwen, bedoeld om te dienen als kathedrale kerk. Waarschijnlijk vooral om politieke redenen kwam een echt bisdom Utrecht vooralsnog niet tot stand.

Leidende figuur in Utrecht zelf is in die periode Willibrords opvolger als abt van het monasterium, Gregorius. Vanuit het klooster zal door hem ook verder leiding zijn gegeven aan het voortgaande missiewerk in Friesland, terwijl tezelfdertijd de aan het monasterium verbonden school een zekere faam genoot.
Gregorius en Alberik
Op deze afbeelding van de zogenaamde 'dedicatie-miniatuur' uit de twaalfde of dertiende eeuw wordt Imago, abdis van Susteren vanaf 1174, geflankeerd door links van haar Gregorius en rechts Alberik. Gregorius werd in de jaren veertig van de achtste eeuw abt van het Utrechtse monasterium; Alberik werd na Gregorius' dood in 775 abt van ditzelfde monasterium en later ook gewijd tot (choor- of wij-)bisschop. Zowel Gregorius als Alberik liggen begraven in het door de hofmeier Pippijn II en zijn echtgenote gestichte en voorts aan Willibrord geschonken klooster Susteren. Susteren, Schatkamer Sint-Amelbergakerk.










Regel van Benedictus
Monniken in de kapittelzaal bijeen, luisterend naar het voorlezen door de abt van (een hoofdstuk of kapittel uit) de regel van Benedictus. Tijdens dergelijke bijeenkomsten werden door de abt en de monniken ook allerlei aangelegenheden die de abdij betroffen besproken. Stedelijke Bibliotheek, Kortrijk.







































































Ansfriedcodex
Codex die door bisschop Ansfried is geschonken aan de Utrechtse Sint-Maartenskerk en waarop de schenker zelf is afgebeeld.
Gregorius overleed in 775 en werd als abt opgevolgd door zijn neef Alberik, die niet lang na 777, het jaar waarin hij in een oorkonde nog als abt van het Utrechts monasterium vermeld wordt, in Keulen gewijd wordt tot (choor- of wij-)bisschop. De feitelijke totstandkoming van een bisdom Utrecht heeft waarschijnlijk uiteindelijk nog iets later plaatsgehad, namelijk toen tegen het jaar 800 Keulen tot aartsbisdom werd, waaronder sindsdien onder meer Utrecht als suffragaanbisdom ressorteerde. Bisschopszetel of kathedraal van het bisdom Utrecht werd toen echter niet de door Willibrord gestichte dan wel de door Bonifatius nieuw gebouwde kerk van Sint-Salvator, maar de toen inmiddels belangrijker geworden (Frankische) kerk van Sint-Maarten.

Daarnaast heeft evenwel Sint-Salvator als stichting van Willibrord zelf en als bisschoppelijk eigenklooster haar belangrijke positie behouden. Uiteindelijk is eigenlijk gedurende de gehele Middeleeuwen in meer of mindere mate het besef aanwezig gebleven dat de Utrechtse kerk haar oorsprong had gehad in dit oude monasterium van Sint-Salvator, ook wel Oudmunster geheten; iets wat de kerkelijk-institutionele ontwikkeling in Utrecht zeker tot in de elfde eeuw maar feitelijk zelfs ook nog daarna onmiskenbaar heeft meebepaald.

Kerkelijke hervormingen onder de Karolingen:
het begin van een scheiding tussen de ordines:
monniken en kanunniken


Op dat punt van die kerkelijk-institutionele ontwikkeling nu zien we dat er zich in de latere achtste en vroege negende eeuw een scheiding begon af te tekenen tussen verschillende groepen religieuzen, namelijk ‘monniken’ enerzijds en wat men is gaan noemen ‘kanunniken’ anderzijds.

Zo werd ten tijde van Karel de Grote in het kader van de al eerder begonnen, maar voorts geïntensiveerde kerkelijke hervormings- en uniformeringspolitiek voor kloostergemeenschappen nadrukkelijker de regel van Benedictus voorgeschreven. Daarbij ging men er op een gegeven moment ook al vanuit dat degenen die in een gemeenschap kloosterlijk of monastiek leefden maar niet de regel van Benedictus volgden, niet meer golden als monachi, ‘monniken’. Dit soort geestelijken ging toen veeleer gerekend worden tot de grote, meer algemene categorie van clerici, voor wie aanvankelijk de voorschriften voor hun leefwijze nog niet zo duidelijk waren omschreven.

Enige navolging vond in deze kring een leefregel die omstreeks 742 bisschop Chrodegang van Metz had opgesteld voor de aan zijn kathedrale kerk verbonden geestelijkheid. Maar algemeen van kracht was ze niet. Clerici, verbonden aan een belangrijke kerk, werden veelal eenvoudigweg geacht te leven – eventueel nog onder leiding van een abt, en ook in een monasterium – volgens de meer algemene voorschriften van bijvoorbeeld de kerkvaders, de canones, en werden daarom ook wel aangeduid als canonici.

Met deze ontwikkeling begon zich geleidelijk de vorming van twee afzonderlijke groepen geestelijken of ordines af te tekenen, waarbij het evenwel belangrijk is ons te realiseren dat in beginsel met de aanduiding clerici of zelfs canonici dus niet meer gezegd schijnt te zijn dat de leden van de gemeenschappen (in elk geval) geen monachi, dat wil dus zeggen geen benedictijnen waren. Tegelijkertijd betekende het feit dat ze – als niet-Benedictijnen – gerekend werden tot de categorie van clerici of canonici ook niet dat deze geestelijken geen monastiek aandoende vita communis, een gemeenschappelijk leven leidden en niet ook een echte, maar dan dus een niet-benedictijner kloosterregel of regula mixta volgden.

Het strikt ‘regulerende’ hervormingswerk betekende veeleer dat aan gemeenschappen met een onmiskenbare monastieke achtergrond en die aan dat gemeenschappelijke leven vaak ook bleven vasthouden, maar uiteindelijk toch niet de regel van Benedictus als leidraad voor hun kloosterleven aannamen, formeel de naam monachi werd onthouden, waarna ook deze zich aldus zijn gaan ontwikkelen tot gemeenschappen van clerici-canonici. De scheiding was evenwel niet volledig en er bleven vooralsnog overgangsvormen bestaan.

Dat was zelfs ook het geval nadat in 816 Karels zoon, keizer Lodewijk de Vrome behalve de regel van Benedictus voor monniken nu ook voor kanunniken een eigen regel, de zogeheten Institutio canonicorum of Akense regel bindend voorschreef. Werkelijk effect lijkt dit slechts gesorteerd te hebben in het westelijk deel van het Rijk, waar al langer clericale instellingen bestonden, waarbinnen het monastieke leven feitelijk reeds was losgelaten en deze Akense regel aansloot bij en voorzag in een behoefte aan een zekere eigen regulering.

Veel minder, of zelfs in het geheel niet was dat het geval in globaal gesproken de Oost-Frankische gebieden, en dan met name daar waar (Iers-)Angelsaksische missionarissen de basis hadden gelegd voor de kerkelijke organisatie, bisdommen hadden gesticht, en daarbij voornamelijk gewerkt hadden vanuit onmiskenbaar kloosterlijke instellingen. Kenmerkend was daar een – door maatregelen van bovenaf kennelijk niet op te lossen, maar voortdurende –  nauwe verwevenheid van bisdomsorganisatie en vaak niet-benedictijner maar wel degelijk kloosterlijke instellingen, die bijvoorbeeld daarin tot uitdrukking kwam dat de bisschop – als ‘bisschop-abt’ –  van die kloostergemeenschap eenvoudigweg en vanzelfsprekend deel uitmaakte.

Het zou in deze gebieden uiteindelijk pas in de vroege elfde eeuw zijn – opnieuw in het kader van een opnieuw van hogerhand, nu door de Duitse koningen en keizers gesteunde, maar vooral ook in samenwerking met de bisschoppen in hun rijk uitgevoerde kerkelijke hervormingspolitiek – dat die scheiding tussen de ordines, de invoering van onderscheiden regels voor monniken en kanunniken werkelijk werd doorgevoerd, waarmee hier eerst dan gesproken kan worden van benedictijner abdijen onder leiding van een eigen abt en vooral ook echte kapittels onder leiding van een proost.

De ontwikkeling in Utrecht: de traditionele visie

Trachten we ons een beeld te vormen van de situatie en ontwikkeling in Utrecht, dan moeten we vaststellen dat we eigenlijk voor de hele periode van de achtste tot en met de tiende eeuw beschikken over slechts een beperkte hoeveelheid bronnen, die bovendien niet altijd even eenvoudig, want eenduidig te interpreteren zijn. Traditioneel is evenwel de opvatting geweest dat zich in Utrecht naast – volgens sommigen ook wel vanuit – het oude door Willibrord gestichte monasterium van Sint-Salvator op een gegeven moment een tweede monasterium gevormd zou hebben, verbonden met de kerk van Sint-Maarten of dom, en dat de twee monasteria zich voorts op enig moment geworden zijn tot kapittels, waar kanunniken onder leiding van een proost leefden volgens de Akense regel. Voor zowel het ontstaan van een tweede gemeenschap van geestelijken als ook de ontwikkeling van beide instellingen tot kapittels nu zijn – op basis van de voor handen zijnde bronnen – geen exacte data te geven.

In het algemeen lijkt er evenwel van te worden uitgegaan dat een en ander reeds in de negende eeuw, bijvoorbeeld in 816, dan wel (opnieuw) in de tiende eeuw zijn beslag heeft gekregen, na de Noormannentijd, de terugkeer van de bisschop en geestelijkheid uit hun ballingschap en het daaropvolgende herstel van de Utrechtse kerk onder bisschop Balderik, vanaf circa 920. Daarmee zou dan feitelijk ook de aloude monastieke traditie in Utrecht zijn verdwenen, opgelost, en zou er tot omstreeks het jaar 1000, eigenlijk zelfs tot 1050 in de bisschopsstad Utrecht geen echt klooster meer hebben bestaan.

En dat nu is, zo mag men wel stellen, uiterst vreemd, wanneer men bedenkt dat aan de aanwezigheid van (echte) monniken in het algemeen groot belang werd gehecht: hun in beginsel volledig van de wereld afgewende wijze van leven werd gezien als het meest perfecte religieuze leven, waarom ook aan het gebed van monniken, ten behoeve ook van anderen, de directe omgeving, groot belang werd gehecht.

De vraag is dan ook hoe houdbaar dit traditionele idee van de ontwikkeling in Utrecht op kerkelijk-institutioneel gebied is. Zowel op basis van wat de Utrechtse bronnen ons toch aan gegevens bieden als ook in het licht van wat over de ontwikkeling in vergelijkbare (Duitse) bisdommen elders bekend is, valt toch ook voor wat betreft Utrecht te denken aan ietwat andere ontwikkeling.

Monachi en canonici in Utrecht in achtste tot en met de tiende eeuw

Kort gezegd komt die ontwikkeling erop neer dat hier zich mogelijk al in achtste eeuw, maar anders toch wel bij de totstandkoming van het bisdom, met de kerk van Sint-Maarten als de kathedrale kerk, er zich al onderscheiden groepen geestelijken vormden, die als ze al niet aan de verschillende kerken verbonden waren, daar toch dienst deden. Daarbij kan dan eventueel ook al van een zeker verschil in leefwijze – meer of minder monastiek of echt kloosterlijk – sprake zijn geweest. Zo vinden we bijvoorbeeld in 769 in Utrecht al melding gemaakt van zowel canonici als monachi, wat mogelijk wijst op een zeker onderscheid in leefwijze. Het feit dat we daarna – tot ongeveer het jaar 1000 – in de Utrechtse bronnen geen monachi meer tegenkomen, wil evenwel niet zeggen dat daarmee het werkelijk monastiek leven in Utrecht niet meer voorkwam. Hooguit betekende het dat van een exclusief naar de regel van Benedictus georganiseerd monastiek leven geen sprake was, maar dat was, als gezegd, al vanouds, namelijk sinds het begin onder Willibrord, het geval geweest.

Echter, het nog slechts voorkomen van canonici in Utrecht nadien betekende waarschijnlijk evenmin dat het leven in het ene oude, en misschien ook de nieuwe tweede monasterium reeds georganiseerd was op basis van de Institutio canonicorum; zelfs niet nadat deze regel in 816 voor clericale gemeenschappen van hogerhand werd voorgeschreven, maar waarschijnlijk in Utrecht – evenals in verschillende bisschopssteden elders in het Oost-Frankische Rijk – in het geheel niet dan wel onvolledig en niet consequent werd doorgevoerd en nageleefd. Daarmee is dan feitelijk de voortdurende aanwezigheid in Utrecht zelf van een nog wel degelijk monastiek levende groep geestelijken – in naam dus geen monniken – zeker niet uitgesloten, en zelfs waarschijnlijk.

Het meest voor de hand ligt dan te veronderstellen dat het in Utrecht vooral in het oude monasterium van Sint-Salvator is geweest dat dit monastieke element zich – naast een waarschijnlijk in aantal maar misschien ook in belang toenemende groep van canonici – heeft gehandhaafd, waarbij het waarschijnlijk formeel zelfs nog steeds onder leiding stond van de bisschop(-abt), die hier ook lang nog werkelijk deel lijkt te hebben uitgemaakt van deze gemeenschap. Niet uitgesloten is dat de bisschop(-abt) zich in de andere gemeenschap, het aan Sint-Maarten verbonden zuster- of dochter-monasterium toen al liet vervangen door een proost, zoals die ook in monastieke kring vanouds fungeerde als tweede man na de abt.




Ligging Hohorst
Amersfoort met ten zuidoosten ervan de Hohorst in het stroomgbied van de Eem, en de beken die daarin uitmonden. Tek. M.W.J. de Bruijn.

Heiligenberg Van Deventer
Detail van de omstreeks 1560 door Jacob van Deventer gemaakte kaart van Amersfoort en omgeving, waarop nog net de De Heiligenberg is te zien met op het zuidelijk deel ervan de toenmalige kapel. Aan de voet van de Berg bevindt zich aan de oostzijde een vierkant gebouw dat door een gracht wordt omgeven. Waarschijnlijk is dit de proosdij, die hier gevestigd bleef nadat in 1050 de abdij zelf terug verhuisd was naar de stad Utrecht. Deze proosdij heeft gefunctioneerd tot kort na 1572. In dat jaar namen de Geuzen Amersfoort in en werd mogelijk de kapel op de Berg verwoest. Na de Hervorming en opheffing van de Sint-Paulusabdij in Utrecht in 1580 namen de Staten van Utrecht alle bezittingen van de abdij over. De Heiligenberg kwam nadien in handen van particulieren en het geheel ontwikkelde zich tot buitenplaats.

Heiligenberg
De Hohorst of Heiligenberg aan een tak van de Eem, die hier ook wel de Heiligenberger of Lunterse beek wordt genoemd.














Poppo van Stavelot
Reliquiarium met beeltenis van Poppo van Stavelot.



























Kerkelijk-institutionele hervormingen rond de overgang naar de elfde eeuw

Werkelijke verandering doet zich – overigens in fasen, maar dan toch aardig te volgen – ook in Utrecht voor vanaf de overgang van de tiende naar de elfde eeuw, in samenhang met verschillende monastieke maar ook meer algemene kerkelijk-institutionele hervormingen, die onder meer weer inhielden dat er – nu echt – onderscheid gemaakt werd tussen de verschillende groepen geestelijken en men werkelijk belang is gaan hechten aan invoering en naleving van de specifieke leefregels door deze onderscheiden groepen.

Het ontstaan omstreeks het jaar 1000 van een kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort – op enige afstand van de bisschopsstad – zal dan verband hebben gehouden met de geleidelijke ontwikkeling van de bestaande Utrechtse instellingen, maar waarschijnlijk vooral ook het oude monasterium van Sint-Salvator, tot gemeenschap van kanunniken, geestelijken die – niet per se meer monastiek, dus in gemeenschap levend – ook bepaalde taken binnen de kerkelijke organisatie op zich namen en die nu geacht werden de Akense regel voor kanunniken aan te nemen.

Voor degenen die verlangden om – werkelijk afgewend van de wereld – als monnik te (blijven) leven, dus vast te houden aan een zuiver monastiek leven, zal deze ontwikkeling aanleiding zijn geweest om zich op de Hohorst terug te trekken en daar dat monastieke leven vorm te geven. In dit initiatief werden ze nadrukkelijk gesteund door de toenmalige bisschop Ansfried (995-1010), die formeel zelfs ook nog als hoofd of abt zal hebben gegolden van de nieuwe gemeenschap, daar bij tijd en wijle – overigens als bescheiden kloosterling – ook verbleef, en de gemeenschap voorzag van een zeker eigen vermogen (een dos), bestemd voor het onderhoud van de kloosterlingen.

Het vertrek van het monastieke element uit met name het oude monasterium Sint-Salvator – maar misschien toch ook zelfs nog dat van de dom – en de vestiging ervan op de Hohorst als zelfstandige gemeenschap betekende voorts dat daarna in elk van de (nu drie!) monasteria thans ook duidelijk onderscheiden regels konden worden ingevoerd. En dat is dan wat we voorts zien gebeuren ten tijde van Ansfrieds opvolger, Adelbold, bisschop van 1010 tot 1026.

Invoering van de regel van Benedictus op de Hohorst…

Van bisschop Adelbold wordt verhaald hoe hij op een gegeven moment niet alleen de kloostergemeenschap op de Hohorst maar ook het bestuur van het bisdom heeft overgedragen aan de in zijn tijd befaamde kloosterhervormer Poppo van Stavelot, toen hij overwoog om zijn bisschopsambt neer te leggen en als monnik in de abdij op de Hohorst in te treden.

Aan deze Poppo van Stavelot als belangrijkste representant van de beweging van de zogeheten Lotharingse mengobservantie werden in die tijd, de jaren twintig van de elfde eeuw, tal van kloosters verspreid over het Rijk ‘ter hervorming’ overgedragen. Bij dergelijke hervormingen – waarvan in het algemeen gesproken in de bronnen zelden wordt aangegeven wat ze concreet inhielden – dient dan echter niet zozeer te worden gedacht aan herstel van discipline en het uit de wegruimen van missstanden in wat al vanouds benedictijner abdijen zijn, maar veeleer aan een nadere regeling van het bestuur en de invoering eerst dan van de regel van Benedictus in zowel vanouds bestaande als ook nieuw gevormde kloostergemeenschappen.

En dit lijkt uiteindelijk ook het meest voor de hand te liggen met betrekking tot Poppo’s optreden ten aanzien van de kloostergemeenschap op de Hohorst. Over maatregelen in de disciplinaire sfeer vernemen namelijk niets en er lijkt ook weinig reden om aan te nemen dat die in de nog jonge gemeenschap een voornaam deel  hebben uitgemaakt van Poppo’s activiteiten. Bij wat we – op summiere wijze – vermeld vinden met betrekking tot Poppo’s bemoeienissen lijkt het toch in de eerste plaats te zijn gegaan om maatregelen op het bestuurlijk vlak, onder meer de aanstelling van lieden – van een abt was aanvankelijk nog geen sprake – om het bestuur over de kloostergemeenschap te voeren.

Naar analogie van de ontwikkelingen en hervormingen elders zal de overdracht door Adelbold van de vanuit de oude monastieke gemeenschap in Utrecht voortgekomen jonge kloostergemeenschap op de Hohorst aan Poppo primair de losmaking hebben betekend van de band met de bisschop als feitelijk overste en dus het opgeven door Adelbold van de abtswaardigheid, zoals die in Utrecht sinds het einde van de achtste eeuw zeker tot dan toe besloten had gelegen in de waardigheid van bisschop.

De voorts door Poppo getroffen bestuursmaatregelen ten aanzien van de Hohorst dient men dan vooral te zien als een reorganisatie na deze afstand en de voorbereiding tot de verzelfstandiging van de gemeenschap als benedictijner abdij. Daarmee zou dan ook – na een ruimtelijke scheiding – de formele scheiding tussen de gemeenschap op de Hohorst en die van Sint-Salvator in Utrecht, dat wil zeggen tussen (benedictijner) monachi en (niet-benedictijner) canonici, een feit zijn.

In die context zijn voorts de door Poppo op de Hohorst aangestelde bestuurders te beschouwen als figuren die als ‘oversten’, dekens wellicht, de monniken vertrouwd moesten maken met en onderwijzen in de voorschriften van de regel van Benedictus. Hun optreden in dat verband ging daarmee dan vooraf aan de aanstelling van een eerste reguliere abt Werinher, die we kort nadien, in 1028, als zodanig voor het eerst vermeld vinden.

In het kader van die nadere organisatie als benedictijner abdij – waarschijnlijk zo omstreeks 1020 – zal ook de schenking door Adelbold hebben plaatsgehad vanuit het algemeen kerkelijk vermogen (het bisdomsgoed) van een reeks van bezittingen, zoals we die vermeld vinden in een oorkonde, waarin keizer Koenraad kort nadien de abdij in haar bezit bevestigde. Zowel de bisschoppelijke schenking zelf als ook de bevestiging ervan door de keizer dienen te worden beschouwd als belangrijke ondersteuning van de toen recent doorgevoerde organisatie en ‘hervorming’ van de kloostergemeenschap op de Hohorst tot benedictijner abdij.

…en van de Akense regel voor kanunniken in Utrecht

Voor de invoering van de regel van Benedictus in de kloostergemeenschap op de Hohorst ten tijde van Adelbold en door toedoen van Poppo pleit onder meer ook  de hiervoor al gememoreerde houding van Adelbold zelf toen hij overwoog om monnik te worden.

Het feit dat hij, naar in de bronnen wordt gesteld, zijn taken als bisschop had neergelegd om als monnik te kunnen leven, kan haast niet anders dan te maken hebben gehad met de invoering van de regel van Benedictus, die dat vereiste. Aan het hoofd van een benedictijner abdij stond de abt, en daarnaast was zeker binnen de abdij geen plaats voor de bisschop. Poppo nu haalde Adelbold over om zijn bisschoppelijke taken toch weer op zich te nemen, wellicht omdat hij het wenselijk achtte dat een krachtdadige en hervormingsgezinde figuur als Adelbold als invloedrijk bisschop aanbleef en niet als monnik zich van de wereld afwendde.

Adelbold lijkt daarop inderdaad toch niet te zijn afgetreden en monnik te zijn geworden, al zou hij tot zijn dood toe wel monnikskleren zijn blijven dragen.

Dat laatste bericht moet in dit verband waarschijnlijk toch wel heel letterlijk worden genomen, in de zin dat het hier inderdaad slechts ging om het dragen van een monnikshabijt en nadrukkelijk niet om een werkelijk monastiek leven in welke gemeenschap dan ook. Anders dan in de tijd van zijn voorganger Ansfried was dat waarschijnlijk in Utrecht toen inmiddels niet meer mogelijk.

Zij die monastiek wensten te leven, benedictijner monniken waren geworden, waren thans definitief gevestigd in de abdij op de Hohorst. En waarschijnlijk min of meer gelijktijdig, in elk geval in samenhang daarmee en mede door toedoen van Poppo van Stavelot – van wie bekend is dat hij ook bij dergelijke reorganisaties elders betrokken is geweest – zal ook voor de in het oude monasterium van Sint-Salvator en dat van de dom achtergebleven canonici de Akense regel zijn ingevoerd. Eerst daarmee zullen uiteindelijk deze gemeenschappen geworden zijn tot kapittels, waaruit toen ook het monastieke element volledig moet zijn verdwenen.

Aldus was feitelijk aan een eeuwenlange traditie in Utrecht zelf althans voorlopig een einde gekomen, of liever gezegd, was deze overgegaan op de sinds die tijd als benedictijner abdij onder leiding van een eigen abt georganiseerde kloostergemeenschap op de Hohorst.

Bisschop Bernold
Afbeelding van bisschop Bernold. Dit portretje is opgenomen in het oudste necrologium of 'dodenboek' van het door Bernold zelf gestichte kapittel van Sint-Pieter. Het Utrechts Archief, Sint-Pieter, inv. nr. 74.

Monniken in koorgebed bijeen
Benedictijnen in het koor van hun kerk bijeen voor wat gold als de hoofdtaak van monniken (en kanunniken): het op vaste tijden, verdeeld over het etmaal, verrichten van het koorgebed.








Ligging kerken
De ligging van de kerken van dom, Sint-Salvator of Oudmunster, Sint-Pieter, Sint-Paulus, Sint-Jan, Sint-Marie en de Buurkerk, met daarbij gearceerd aangegeven de oeverwallen aan weerszijden van de Rijnloop waarop de meeste van deze belangrijke kerken gelegen worden. Slechts de kerken van Sint-Salvator en Sint-Paulus blijken iet op een oeverwal te zijn gelegen. Tek. M.W.J. de Bruijn, op basis van gegevens van L. van der Tuuk.
Terugkeer van de monniken van de Hohorst naar Utrecht

Al spoedig lijkt men het dan tijdens het episcopaat van Adelbolds opvolger Bernold (1027-1054) toch als een gemis te hebben ervaren dat er in de bisschopsstad zelf geen werkelijk in gemeenschap levende monniken meer waren. Weliswaar hadden ook kanunniken tot taak het verrichten van het koorgebed, het opus Dei of werk Gods. Dus om zijn taak en plicht als bisschop te vervullen, namelijk het vermeerderen van de dienst aan God, zou Bernold in beginsel hebben kunnen volstaan met de steunen en begunstigen van de bestaande kapittels van Oudmunster en dom, en met de stichting ook van nieuwe kapittels, wat hij met in het geval van de kapittels van Sint-Pieter en Sint-Jan inderdaad heeft gedaan.

Deze jongere kapittels werden – evenals dat van de dom – geacht te zijn voortgekomen uit, dochters te zijn van Sint-Salvator of Oudmunster als de moederkerk in Utrecht. Toch waren het – zoals eerder opgemerkt – met name monniken die door hun in beginsel meer volledig van de wereld afgewende leefwijze golden als een bijzondere groep, meer perfecte christenen, die dichter bij God stonden en door wier gebed, dat als bijzonder effectief en heilzaam werd beschouwd, God ook ten behoeve van anderen benaderd kon worden. Door het stichten en begunstigen van een kloostergemeenschap zouden aldus ook mensen van buiten die gemeenschap betrokken kunnen worden bij en delen in de heilzame werking van het gebed van de kloosterlingen.

Wat er waarschijnlijk in die periode in Utrecht bovendien gebeurde was dat juist onder de kanunniken in Utrecht het gemeenschappelijk leven, zoals dat in beginsel ook voor hen was voorgeschreven in de Akense regel, reeds begon te desintegreren. Het feit dat zij – anders dan (benedictijner) monniken die de gelofte van armoede aflegden – persoonlijk bezit mochten hebben, had tot gevolg dat door in elk geval een deel van kanunniken het gemeenschappelijk leven werd opgegeven en het wonen in afzonderlijke claustrale huizen binnen de kapittelimmuniteit voor velen van hen normaal werd. Die teloorgang van het gemeenschappelijk leven, die zich waarschijnlijk al omstreeks het begin van de elfde eeuw begon te voltrekken, zal voor Bernold een reden zijn geweest om in zijn stad ook (weer) een echt klooster of abdij te vestigen, om zo dit gemeenschappelijk leven in een andere vorm te handhaven.

Aan de aanwezigheid van wél in gemeenschap levende monniken, wier leefwijze in persoonlijke armoede mede bepalend werd geacht voor het hoge rendement van hun gebed ook ten behoeve van anderen, zal toen zonder meer groot belang zijn gehecht. Naast de koordienst door kanunniken verzorgd, zou zo in Utrecht ook het gebed van monniken plaatshebben, voor het welzijn van de wereld en het volk, en meer in het bijzonder voor dat van de stichters en begunstigers van de abdij, waaronder natuurlijk bisschop Bernold zelf.

Professieoorkonde monnik
Professieoorkonde van de Sint-Michaelsabdij in Hildesheim uit het tweede kwart van de elfde eeuw, waarin de monnik Garman zijn ten overstaan van God en zijn heiligen afgelegde mondelinge belofte (de promissio of professie) bekrachtigt door een door hemzelf (met een kruisje) ondertekende schirftelijke verklaring (de petitio) en smeekt om opname in de kloosterlijke gemeenschap. Een dergelijke oorkonde werd na het opmaken ervan op het altaar gelegd en daarna in het archief bewaard. Vertaald uit het Latijn luidt de tekst: 'Ik Garman beloof ten overstaan van God en ten overstaan van deze en al zijn heiligen bestendigheid van verblijf (stabilitas), naleving van de kloosterlijke levenswijze (conversio morum), en gehoorzaamheid (obedientia) aan mijn abt Adelbertus, voor zover mijn [menselijke] zwakheid dit mogelijk maakt, overeenkomstig de regel van de heilige Benedictus'. Uit: Bernward von Hildesheim und das Zeitalter der Ottonen. katalog der Ausstellung Hildesheim 1993, Dom- und Diözesanmuseum Hildesheim und Poemer- und Pelizaeus-Museum, Hrsg. von Michael Brandt und Anne Eggebrecht, Hildesheim Bernward Verlag und Mainz am Rhein Verlag Philipp von Zabern, 1993, Band 2, p. 595, afb. IX-2.1.

De Sint-Paulusabdij: onderdeel van de Utrechtse kerk, werkelijk monastiek opvolgster van Willibrords monasterium

Dat bisschop Bernold er voorts voor gekozen heeft om in 1050 een reeds bestaande gemeenschap, de abdij op de Hohorst, naar Utrecht te halen, zal misschien te maken hebben gehad met het feit dat deze gemeenschap haar bestaansrecht als benedictijner abdij inmiddels had bewezen, maar waarschijnlijk vooral ook omdat ze hoe dan ook haar wortels had in Utrecht zelf.

Omstreeks het midden van de elfde eeuw zal zeker nog het besef aanwezig zijn geweest dat de kloostergemeenschap op de Hohorst ongeveer vijftig jaar eerder ontstaan was vanuit het Utrechtse monasterium van Sint-Salvator, waarmee feitelijk haar oorsprong niet anders dan die van het domkapittel en de omstreeks het midden van de elfde eeuw gestichte kapittels van Sint-Pieter en Sint-Jan. Evenals die kapittels zal daarom ook de abdij, hoewel inmiddels elders gevestigd, toch beschouwd zijn als een loot aan de stam van de Utrechtse kerk, zoals die haar basis had in het Utrechtse monasterium.

De notie van verbondenheid met Utrecht en de instellingen aldaar is, zo valt aan te nemen, het voornaamste motief geweest om de abdij, werkelijk monastiek opvolgster van Willibrords stichting en daarmee een belangrijk stuk Utrecht, van de Hohorst naar de bisschopsstad terug te halen en als Sint-Paulusabdij een plaats te geven naast en temidden van de kapittels van Oudmunster, dom, Sint-Pieter en waarschijnlijk kort daarna ook Sint-Jan.
Voormalige Sint-Paulusabdij
Het Hof van Utrecht, sinds 1595 gevestigd in een deel van de voormalige abdijgebouwen. tekening door Jan de Beijer uit 1744. Het Utrechts Archief, T.A. Mb 1.9.



















Gedurende de daarop volgende anderhalve eeuw heeft de abdij als Sint-Paulusabdij een unieke positie ingenomen. Niet alleen was ze in deze periode de enige abdij in de bisschopsstad, ook in het bisdom als geheel was er geen ander klooster dat een dusdanig nauwe en exclusieve band met de bisschop (als eigenkloosterheer) had, zoals Sint-Paulus die kende.

Opvallend was bovendien die in principe gelijkwaardige plaats van de abdij naast en temidden van haar moeder- en zusterinstellingen, de kapittels, die zich ook uitte in de wijze waarop ze evenals deze kapittels deelde in het in die tijd sterk groeiende vermogen van de Utrechtse kerk en haar tot een prominente en ook rijke instelling maakte.

Via de persoon van haar abt was de abdij nadrukkelijk ook betrokken bij het bestuur van het bisdom en Sticht. Met andere woorden: de abdij werd – op grond van de overeenkomstige oorsprong in het oude monasterium, de moederinstelling van de Utrechtse kerk – samen met de vijf kapittels als vanzelfsprekend geacht deel uit te maken van die Utrechtse kerk, de ecclesia Traiectensis, binnen welk gezelschap ze evenwel de enige instelling was, waar de oude, tot Willibrord teruggaande monastieke traditie zich uiteindelijk had gehandhaafd en werd voortgezet.

Voormalige rechtbank Utrecht
Het inmiddels voormalige gerechtsgebouw aan de Hamburgerstraat. De gebouwen van de Sint-Paulusabdij, zoals die op de tekenening van Jan de Beijer nog te zien zijn (zie hiernaast), werden in de loop van de tijd grondig verbouwd en opgenomen in een aangepast gebouw met een negentiende-eeuwse gevel. Opnieuw grondig verbouwd, biedt het gebouw thans huisvesting aan onder meer een deel van het Utrechts Archief. Foto M.W.J. de Bruijn 2000.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2013. - Gepubliceerd 24 maart 2013; laatst bewerkt 24 maart 2013.