Rivierfront Lekkerkerk
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina's
Kwartierstaat van Charlotte (Lotty) J.C.
     Broer
Lekkerkerkse families I
Lekkerkerkse families III

Lekkerkerkse families II (pagina in opbouw)
door Charlotte Broer

Prent Lekkerkerk 1661
Lekkerkerk vanaf de rivier gezien, 1661.










De familie Roest

Van de familie Roest is mij bekend dat ze al eeuwenlang in Lekkerkerk leefden en boerden, overwegend in Schuwacht, en daar een van toonaangevende families zijn geweest.
Mij is op basis van eigen onderzoekingen nu onder meer het volgende bekend.
Prent Lekkerkerk, Spilman 1730
Lekkerkerk. Tekening door Spilman, 1733.

Lekkerkerk, prent 18e eeuw
Lekkerkerk in de achttiende eeuw.










Handtekening Simon Roest 1795
Handtekening van Simon Roest onder het testament dat hij in 1795 liet opmaken.








Luchtfoto Lekkerkerk, 1948 (met weren)
Luchtfoto van Lekkerkerk, 1948. Goed te zien is hier nog de vanaf de rivierdijk naar het noorden opstrekkende strokenverkaveling, met kavels gelegen tussen sloten ('weren').
Simon Roest

Op 4 januari 1795 werd ten overstaan van de schout en secretaris van Lekkerkerk, Martinus Heijkop, en de heemraden van het ambacht Lekkerkerk Thijs Gouwens en Bouwen Breedveld een testament opgemaakt door Simon Roest, die verklaarde weduwnaar en boedelhouder te zijn van Pleuntje Flink en in Lekkerkerk te wonen.

Simon Roest bepaalde allereerst dat er een regeling getroffen diende te worden ten behoeve van de kinderen van zijn in het jaar tevoren, op 20 februari 1794, overleden dochter Martijntje Roest, die sinds 1782 getrouwd was geweest met Adriaan Fopsz. van Driel uit IJsselmonde. Simon liet vastleggen dat deze kindskinderen recht zouden hebben op een legitieme portie, maar stelde er daarbij de voorkeur aan te geven dat na zijn overlijden aan hen vanuit zijn nalatenschap een bedrag van 800 gulden zou worden uitgekeerd, welk bedrag geacht werd overeen te stemmen met die legitieme portie. Simon stelde dat dit door hem ‘alsoo is ingerigt ten eijnde sijne vaste goederen niet te veel soude worden verdeeld’.

Simon benoemde voorts tot zijn enige en universele erfgenamen voor wat betreft al zijn goederen zijn andere nog in leven zijnde dochter Hilletje Roest, weduwe van Cornelis van Dijk, en zijn zoon Hendrik Roest. Bepaald is dat deze goederen door de erfgenamen op minnelijke wijze moeten worden verdeeld of verloot. Aan Hilletje, of wanneer zij mocht zijn overleden aan haar kind of kinderen, dient te worden toebedeeld ‘een gedeelte in seker huijs en erve met den dijk daaraan gehoorende, staande en geleegen in Kors Huijgen weer en gemeen beseten wordende met Hendrik van Wijnen, in den Schuagtsen polder’, met voorts verschillende stukken land, welke gelegen heten te zijn in ‘Huijg Kuijnen weer’, ‘Arij Hermense weer’, ‘Barentse weer’, ‘Bastiaantjes weer’ en ‘Huijg Pieters Goris Waal weer’.

Een ‘weer’ is een strook land tussen twee sloten, duidt op de landerijen die tussen twee sloten liggen en verwijst derhalve naar de verkaveling. In hoeverre hier de genoemde namen van die kavels oude, inmiddels vaste namen zijn, die (allang) niet meer verwijzen naar de actuele eigenaar of gerechtigde, maar naar die uit het verleden, is mij vooralsnog niet duidelijk. Dit dient nog nader onderzocht te worden.

Aan Hendrik Roest, of in het geval van diens overlijden aan zijn nakomelingen, worden toebedeeld ‘alle sijn testateurs lande en huijsinge, geleegen op en in de navolgende weeren’, te weten ‘Kors Huijgen weer’, ‘Goris Huijgen weer’, ‘Senten weer’, ‘Letters weer’, ‘Arij Steijne weer’, ‘Cornelis Dirkse weer’ en ten slotte ‘Jan Klaase weer’. Hendrik Roest diende wel hiervoor in de boedel in te brengen een som van 1600 gulden, om daar uit te betalen de som van 800 gulden ten behoeve van de kinderen van Martijntje Roest alsmede een som van 800 gulden ‘om die te emploijeern tot betaling van seekere obligatie, door hem, testateur, gepasseerd ten behoeve van Maria Stork in Rotterdam, groot in capitale gelijk agthondert guldens’.
De verdere schulden die Simon mocht hebben, dienden de beide erfgnamen, Hilletje en Hendrik Roest, samen te betalen.

Tot executeurs testamentair, ‘redderaars van sijne boedel en nalatenschap, mitsgaders voogden over sijne na te latene minderjaarige erfgenamen’ worden door Simon Roest aangesteld zijn zoon Hendrik Roest, wonende te Lekkerkerk, en Adriaan Fopsz. van Driel, wonende in IJsselmonde, de weduwnaar van de voornoemde Martijntje Roest, dus de schoonzoon van Simon. Adriaan van Driel zou na de dood van zijn eerste vrouw Martijntje overigens spoedig hertrouwen met Johanna Hendrikse Kooyman uit IJsselmonde.


















Handtekeningen Hendrik Roest en J. van Driel, 1781
Hendrik Simonz. Roest bleek niet te kunnen schrijven en zette in 1781 onder het testament een kruisje; Johanna Foppen van Driel plaatste, naar het voorkomt wel gewend te schrijven, haar handtekening.


Schependoms(erf)recht en aasdoms(erf)recht

In beginsel gold in deze periode (vóór de invoering van het Wetboek Napoleon in het Koninkrijk Holland in 1809) het aasdomsrecht in het gebied ten noorden van de Hollandse IJssel, terwijl het schependomsrecht van kracht was in het gebied ten zuiden van deze rivier, in Holland en voorts in heel Zeeland. Werd in het gebied van aasdoms(erf)recht vanouds recht gesproken door schout, azing (rechtsvinder) en geburen, daar waar het schependoms(erf)recht gold, onder meer in de Krimpenerwaard en dus ook Lekkerkerk, gebeurde dat eertijds door schout en schepenen.
Op het vlak van het erfrecht bij versterf (intestaaterfrecht) betekenden beide stelsels het volgende.

Het (oude, tot 1580 in Holland geldende) schependomserfecht was een zogeheten parenteel stelsel met representatie tot in het oneindige. Goed vererfde in de eerste plaats en vooral in de neerdalende lijn, te weten op de zonen en dochters van de erflater (de eerste parenteel) en hun afstammelingen, met representatie (plaatsvervulling) tot in het oneindige, zodat ook de gezamenlijke kinderen van een eerder overleden kind of kindskind meeërfden. Alleen wanneer de eerste parenteel ontbrak, kwam de tweede in aanmerking om te erven, te weten de ouders van de erflater en hun nakomelingen, namelijk de broers en zusters van de erflater, met ook weer hun afstammelingen, waarbij plaatsvervulling tot in het oneindige gold. Wanneer de erflater geen nakomelingen had, er dus geen eerste parenteel was, dan moest er een verdeling van de nalatenschap plaatsvinden in twee helften, een vaderlijke en een moederlijke, die elk zouden terugvallen op verwanten van respectievelijk vader en moeder. Als regel gold in dit stelsel dus het terugvalsrecht: ‘het goet moet gaan van waar het kwam’.
Hierbij ging men er overigens van uit dat de erflater van elke zijde evenveel had gekregen, wat in geval van een huwelijk van de ouders van de erflater zonder huwelijkse voorwaarden en dus in volle gemeenschap ook min of meer voor de hand lag om te veronderstellen.
In Holland gold de algehele gemeenschap van goederen als het gewone ‘costumiere’ stelsel van huwelijksgoederenrecht.

In het nieuwe schependomsrecht, zoals dat vanaf 1580 in Holland gold, en waarin onder meer getracht werd het erfrecht voor de hele provincie uniform te regelen, werd bepaald dat de plaatsvervulling in de zijlijnen niet meer tot in het oneindige gold, maar in de tweede en derde parenteel beperkt werd tot de kindskinderen van broers en zusters en kinderen van ooms en tantes.
Uiteindelijk werd er in dit stelsel dus bij vererving in de opgaande en in de zijlijn de nalatenschap verdeeld in een vaderlijke en moederlijke lijn; het schependomserfrecht lijkt er aldus op gericht te zijn geweest het vermogen te houden in de familie, van welke het gekomen was.  

Bij het oude aasdomserfrecht daarentegen ging de neerdalende lijn (kinderen van de erflater) voor de opgaande lijn ((groot)ouders van de erflater) en deze voor de zijlijn (broers en zussen van de erflater), waarbij in elke lijn de naaste bloedverwant van de erflater de verdere bloeverwanten uitsloot en het er bovendien niet toe deed van welke zijde het goed gekomen was. Ten slotte was er geen sprake van representatie. In het algemeen laat zich het een en ander samenvatten als ‘het naaste bloed erft het goed’.

In het gebied van het aasdomserfrecht bestond onder meer bezwaar tegen de regel in het schependomserfrecht dat wanneer een erfenis in de tweede parenteel (de ouders van de erflater) moest vererven en er één van die beide ouders was overleden vóór de erflater, de nog levende ouder niets kreeg (‘er komt niets van een, die leeft’, dat wil (op een enigszins ingewikkelde manier) zeggen: van iemand die leeft is nog niets geërfd en het goed moet gaan van waar het kwam, dus krijgt een nog levende ouder niets).
Tegelijkertijd achtte men enige vorm van representatie bij vererving toch wel wenselijk.

In 1599 werd er derhalve een nieuw aasdomrecht vastgesteld. Als hoofdregel bleef gelden ‘het naaste bloed erft het goed’, waarbij evenwel uitzonderingen werden toegelaten op het punt van de representatie. In de neerdalende lijn gold representatie tot in het oneindige. Waren er geen kinderen die konden erven, dan erfden de vader en de moeder van de erflater, ieder voor de helft. Was een van de ouders van de erflater reeds overleden, maar waren er broers en zussen, dan erfde niet meer, zoals eerder in het oude aasdomserfrecht het geval was, de langstlevende ouder alles, maar viel hem of haar de helft toe, terwijl de andere helft ging naar de broers en zussen, met plaatsvervulling tot de kindskinderen van die broers en zussen. Waren er geen ouders, dan erfden broers en zusters, met representatie ten bate van de kinderen en kindskinderen van deze broers en zusters.
In gematigde vorm was aldus in het nieuwe aasdomsrecht het gradueel stelsel van vererving, dat het oude aasdomserfrecht had gekend, gehandhaafd. Er werd niet uitgegaan van de herkomst van het vermogen (er gold geen terugvalrecht), van primair belang was de naaste graad van verwantschap, waarbij enige representatie gold, die het volledig graduele aspect matigde.

Uiteindelijk zouden het nieuwe schependomsrecht en het nieuwe aasdomsrecht geheel met elkaar overeenkomen, waar het het erven door nakomelingen betreft. In dat opzicht was er in Holland na 1580/1599 eenvoudigweg sprake van één stelsel. Verschil gold er evenwel in het geval dat er anderen dan afstammelingen van de erflater zouden erven.
(A.S. de Blécourt, H.F.W.D. Fischer, Kort begrip van het Oud-Vaderlands Burgerlijk recht, heruitgave van de zevende druk uit 1959, aangevuld door J.A. van Ankum, Groningen 1967, p. 336-346).
Hendrik Simonsz. Roest (1752-1800) en Johanna Fopsdr. van Driel (1756-1808)

Hendrik Simonsz. Roest en Adriaan Fopsz. van Driel waren niet alleen zwagers door het huwelijk van Adriaan met Martijntje Roest, maar ook door het huwelijk van Hendrik met Adriaans zuster Johanna Foppe van Driel, dat op 7 mei 1780 in IJsselmonde was gesloten. Adriaan en Johanna waren kinderen van Fop Pietersz. van Driel en Alida Adriaanse Mijnlief uit IJsselmonde.

Van verschillende leden van de familie Van Driel wordt al sinds de vijftiende eeuw vermeld dat ze functies vervulden als die van (laag- of hoog-)heemraad, (plaatsvervangend) schout, dijkgraaf, rentmeester, waarsman, kerkmeester, schepen in (Oost-)IJsselmonde, Barendrecht, en Ridderkerk; landbezit lijken ze ook te hebben gehad in de Oud- en misschien ook Nieuw-Reijerwaard, bij (de herhaalde pogingen tot) herinpoldering waarvan ze in diezelfde vijftiende eeuw mogelijk wel betrokken zullen zijn geweest. 

Op 7 augustus 1781 maakten de echtlieden Hendrik Simonsz. Roest en Johanna Fopsdr. van Driel, wonende in het ambacht Lekkerkerk, ten overstaan van de secretaris Martinus Heijkoop en de schepenen Johannes Lambertsen van de Wal en Cornelis van der Velden hun testament.
Ze hadden toen inmiddels een zoon, Simon, die geboren was in augustus 1780; een tweede zoon, Fop, zou in september 1781 worden geboren.

De echtelieden benoemden elkaar over en weer tot erfgenamen, dat wil zeggen degene die het eerst zou komen te overlijden liet alles na aan de langstlevende, op wie dan de verplichting zou rusten het kind of de kinderen die uit het huwelijk waren geboren op te voeden en te onderhouden tot hun mondig- of meerderjarigheid, en hen vanuit de erfenis hun legitieme portie te doen toekomen, ‘verkiezende de comparanten ten opsigte van ’t versterf van de goederen hunner kinderen ’t aasdoms met verwerping van ’t scheependoms versterfregt’.

Wat Hendrik Roest en Johanna van Driel ertoe gebracht heeft aan vererving volgens het (nieuwe) aasdomsrecht te verkiezen boven het (nieuwe) schependomserfrecht zoals dat in beginsel  in de Krimpenerwaard gold, is niet geheel duidelijk, want verder in het testament niet aangegeven. Misschien heeft een en ander te maken met de positie van zowel Hendriks vader Simon Roest, die als enige ouder van het echtpaar nog in leven was en volgens het aasdomserfrecht – wanneer er althans geen kinderen zouden zijn – zou kunnen erven, als ook de broers van Johanna van Driel, die dat bij plaatsvervulling eveneens konden. Naar het precieze hoe en waarom dient nog eens gekeken te worden.
(Interessant is in dit verband dat eenzelfde bepaling dat men de voorkeur gaf aan vererving volgens het aasdomsrecht ook voorkomt in het testament van een andere voorvader en voormoeder, namelijk Pieter Hendriksz. van der Graaf en Annigje Huijgensd. Boon, uit iets later tijd, namelijk 12 december 1794. Mogelijk ligt dus toch wel aan de wens om een en ander in afwijking van het gewoon geldende recht te regelen volgens ander recht een specifieke, meer algemeen levende overweging ten grondslag).   

Voorts volgen er in het testament van Hendrik Roest en Johanna van Driel bepalingen voor het geval de echtelieden geen kinderen nalaten, na het overlijden van een van de partners de ander een nieuw huwelijk wil aangaan en er kinderen uit het eerste huwelijk zijn, of wanneer de langstlevende zonder kinderen na te laten komt te overlijden.

Terwijl degene die het eerst zou sterven de langstlevende aanstelde tot voogd of voogdes van de na te laten minderjarige kinderen, zouden in het geval dat de langstlevende hertrouwde of eveneens komen te overlijden voordat de kinderen meerderjarig waren, de voogden zijn Simon Roest, de vader van Hendrik, en Pieter Foppen van Driel, vermoedelijk een broer van Johanna, al wordt dit in de akte niet vermeld. Wanneer Simon Roest eerder zou komen te overlijden, dan trad in diens plaats Adrianus Foppen van Driel,  broer van Johanna, die evenwel ook door zijn eigen huwelijk met Martijntje Simonsdr. Roest zwager was van Hendrik Roest.

In dit testament worden – anders dan in dat van Simon Roest uit 1795 – niet met zoveel woorden bezittingen genoemd en omschreven, maar is slechts in algemene termen sprake van na te laten goederen. Kennelijk was het er de echtelieden kort na het sluiten van hun huwelijk en de geboorte van de eerste kinderen om te doen in algemene termen elkaar tot volledig erfgenaam en voogd over minderjarige kinderen te benoemen.

Hendrik Simonsz. Roest, van wie als beroep (elders) wordt vermeld touwslager, en Johanna Foppen van Driel zouden een groot aantal kinderen krijgen; bekend zijn er twaalf (zes zonen en zes dochters), waarvan er twee dochters, Hilletje en Martijntje, jong (als zuigeling) stierven, maar er tien de volwassen leeftijd bereikten en ook trouwden.

Behalve de al genoemde zonen Simon (die in 1815 trouwde met Elizabeth Vermeulen) en Fop (in 1800 getrouwd met Lena van Zoest (1780-1847)), waren dat Klaas Roest (1783-1872; in 1810 gehuwd met Teuntje Verwaal (1787-1865)), Leendert Roest (geb. 1788; in 1830 getrouwd met Geertje de Korte), Hendrik Roest (1791-1863; in 1814 getrouwd met Teuntje Hofman (1795-1866)), en Martinus Roest (1796-1857; in 1826 gehuwd met Elisabeth Neef); en de dochters Alida Roest (1784-1850; in 1810 getrouwd met Aart Baan), Apollonia Roest (1786-1838; in 1816 gehuwd met Jan Stam), Petronella Roest (geb. 1793; gehuwd met Nicolaas Bontebal) en Martijntje Roest (geb.1798; in 1823 gehuwd met Jan Mudde, die in 1826 overleed, waarna Martijntje in 1830 hertrouwde met Johann Gerdelman).

Bij het overlijden van Hendrik Simonsz. Roest op 6 maart 1800 waren in beginsel al zijn kinderen nog minderjarig en zal dus Johanna Fopsdr. van Driel voogdes zijn geworden; voorts zal de tweede zoon Fop Roest op 8 mei 1800 als eerste de meerderjarigheid hebben bereikt door zijn huwelijk met Lena van Zoest.

Johanna Foppen van Driel overleed op 18 februari 1808 en liet vijf nog minderjarige kinderen na, waaronder ook de toen bijna twaalfjarige Martinus Hendriksz. Roest, mijn betbetovergrootvader (zie hierna).

Klaas Hendriksz. Roest (1783-1872)

De in 1783 geboren derde zoon van Hendrik Roest en Johanna van Driel, Klaas Roest, trouwde in 1810 met Teuntje Verwaal.

In de latere negentiende eeuw was het hun zoon Hendrik Klaasz. Roest die een grote boerderij had in Schuwagt (nr. 90) en in het maatschappelijk leven in Lekkerkerk een niet onbelangrijke rol speelde. Zo was deze Hendrik Roest een fel tegenstander van de bouw van het beneden stoomgemaal, waarvan onder meer verschillende leden van de familie Van der Graaf uit Den Hoek (Opperduit) en in De Loet juist als fervente voorstanders golden.

Boerderij Hendrik Roest
Hendrik Klaasz. Roest (1825-1916) met onder meer leden van zijn familie bij zijn
(na een brand in 1896 herbouwde) boerderij (Schuwacht 90), 1906.


Interessant maar helaas waarschijnlijk niet meer te achterhalen is hoe Willem Martinusz. Roest, neef van Hendrik Roest, en zijn vrouw Neeltje van der Graaf, dochter van 'Loetboer' Huig van der Graaf en nicht van de broers Jacob en Cornelis Hendriksz. van der Graaf, en zelf voornamelijk boerend in Schuagt hebben gestaan tegenover deze ontwikkelingen, de verschillen van inzicht en de naar het schijnt soms hoog oplopende emoties daaromtrent.


Martinus Hendriksz. Roest (1796-1857) en Elisabeth Neef (1789-1867)

Martinus Hendriksz. Roest, op 29 april 1796 geboren als zesde en jongste zoon van Hendrik Simonsz. Roest en Johanna Fopsdr. van Driel, kocht op 9 maart 1825 grond, gelegen in Schuwagt, in totaal 18 roeden en 56 ellen, dat wil (sinds de invoering van het Nederlands metriek stelsel in 1816) zeggen 18 are (een are is 10x10 m = 100 m2) en 56 centiaren (een centiare is 1x1 m = 1 m2).

Op 29 april 1826 trouwde Martinus Roest in Krimpen aan de Lek met de aldaar in 1789 geboren Elisabeth Neef, dochter van Willem Neef (ca. 1739-1819) en Neeltje Kooiman (1749-1825).

Tijdens een op 1 juli 1848 in het logement De Groote Boer in Lekkerkerk gehouden openbare verkoping van onroerende goederen die tot dan toe toebehoorden aan de deels minderjarige kinderen van Jan Smits Janszoon, kocht Martinus Roest voor een bedrag van fl. 5200 verschillende stukken land (in totaal 13 van de 17 in het proces verbaal van de verkoping beschreven percelen), welke gelegen heten te zijn in Lekkerkerk.
Daarvan omvatte perceel 1 een huis, schuur en erf met zomerhuis en verdere betimmering, dijkgrond, rietveld en tuin, ‘geteekend met nummer 234 en 235’, gelegen in de polder Schuwagt, strekkend met de dijk en het rietgors dat ervoor gelegen is naar het noorden toe tot halverwege de Korte Achterweg. Als belenders (eigenaren van aangrenzende percelen) worden genoemd Aart Pot en anderen (aan de oostzijde?) en aan de westzijde Heiman Philip van Blankensteijn. Het bewuste perceel was kadastraal bekend onder de gemeente Lekkerkerk, sectie D onder de nummers 3141, 3142, 3143 en 3144, was 14 roeden (aren) en 83 ellen (centiaren) groot, vrij van polderlasten, maar werd wel aangeslagen voor de dijklasten. Het gaat hier om het huis dat stond aan de dijk in Lekkerkerk, ter plaatse van het huidige Voorstraat 158.
Handtekening Martinus Hz. Roest, 1848
De ietwat onhandige handtekening van Martinus Roest (in de linker kolom, met abusievelijk dubbel 'r') onder het proces verbaal van de openbare verkoping in 1848, waarbij hij onder meer zijn boederij aan de dijk in Lekkerkerk, ter plaatse van het huidige Voorstraat 158, kocht.
























































































Handtekening E. Neef, M. de Jager en W. Roest, 1865
Handtekeningen van Elisabeth Neef, weduwe van Martinus Roest, haar schoonzoon Marinus de Jager en haar zoon Willem Roest Mz., onder de notariële akte van scheiding en verdeling van de boedel uit 1865.
De andere door Martinus Roest aangekochte stukken land betroffen akkerbouwland (41 roeden en 88 ellen), 2 hennepakkers (47 roeden en 60 ellen) alsmede verschillende partijen wei- en hooiland.
Zowel het genoemde eerste perceel als de overige aangekochte stukken land komen we later tegen in de in 1910 verkochte en verdeelde boedel van Martinus’ zoon Willem Roest (1828-1909; getrouwd in 1858) en diens vrouw Neeltje Huigsdr. van der Graaf (1833-1909), zie hierna.

Het totale in 1825 en 1848 door Martinus Roest gekochte bezit vinden we eveneens vermeld in de notariële akte van scheiding en verdeling van de boedel, welke op 4 april 1865 werd opgemaakt. Het ging daarbij om een verdeling van de nalatenschap van Martinus Roest, die op 9 februari 1857 was overleden, tussen zijn weduwe Elisabeth Neef, wonende te Lekkerkerk, en haar beide kinderen, te weten Johanna Roest (1827-1889; getrouwd in 1856), voor wie optrad haar echtgenoot Marinus de Jager, en Willem Roest (1828-1909), van wie gesteld wordt dat hij evenals Marinus de Jager ‘bouwman’ was en woonde in Lekkerkerk.

Elisabeth Neef en Martinus Roest waren sinds 1826 in gemeenschap van goederen getrouwd geweest. Na het overlijden van Martinus Roest in 1857 had er, zo blijkt, tot op dat moment geen inventarisatie van de boedel en een verdeling van de nalatenschap plaatsgehad, welke boedelbeschrijving en verdeling nu evenwel op verzoek van de comparanten zou plaatsvinden, en wel in dier voege ‘dat de waarde van de tot den boedel en nalatenschap behorende roerende en onroerende goederen door de gezamenlijke deelgenoten, met onderling goeddunken en gemeen overleg bij hierna te melden staten is vastgesteld en wel de effecten berekend naar den prijs courant voor de successie van den zevenentwintigsten februarij achttienhonderd vijf en zestig, terwijl de huur- of pachtpenningen van de onroerende goederen, zoomede de interesten van de effecten gebragt zullen worden tot den laatsten dag van diezelfde maand februarij’.

Daarna volgt een staat van de huwelijksgemeenschap, bestaande uit onroerende goederen (te weten het in 1848 door Martinus en Elisabeth samen gekochte grondbezit, met nog een enkel, mogelijk later afzonderlijk verworven perceel), met in totaal een geschatte waarde van fl. 17.700. De levende have, bouw- en melkgereedschappen, wagens, etc., huisraad en verdere inboedel worden gesteld op een waarde van fl. 8.000, terwijl aan contante gelden (‘gereed geld’) een som van fl. 5.865 wordt genoemd.

Interessant is voorts de post ‘certificaten van nationale schuld’, waaronder vermeld worden ‘tien stuks certificaten van Nederlandschen nationale twee en half percent rente gevende schuld, alle groot duizend gulden, en dus te samen tienduizend gulden kapitaal, […] berekend naar de prijs courant hierboven opgegeven tegen 62¼ percent, is zesduizend tweehonderd vijfentwintig gulden. Bij interest van den eersten januarij tot de laatsten februarij jongstleden, zijnde twee maanden, is eenenveertig gulden zesenzestig cents. Te zamen zesduizend tweehonderd zesenzestig gulden zesenzestig cents.’
Ook worden genoemd tien obligaties ten laste van het keizerrijk Rusland, elk groot duizend gulden en een rente gevend van 5%, gewaardeerd (inclusief interest) op fl. 8.958,33; twintig obligaties ten laste van het keizerrijk Oostenrijk, elk groot duizend florijnen, waarbij de florijn waard wordt geacht fl. 1,25 gulden, tegen 5% rente, en op een waarde gesteld (inclusief interest) van fl.17.666,66; en vijftien obligaties ten laste van het koninkrijk Portugal, elk groot 100 pond sterling, waarbij het pond sterling gerekend wordt fl. 12 waard te zijn en de nominale waarde van de obligaties dus gesteld wordt op fl. 18.000, tegen een rente van 3%, met een actuele waarde (inclusief interest) van fl. 8.370.

De totale waarde van de bovengenoemde posten is fl. 72.826,65, waarvan op basis van de gemeenschap van goederen welke door haar huwelijk met Martinus Roest bestond dan de helft (fl. 36.413,32½) aan Elisabeth Neef toekomt, en de andere helft de nalatenschap vormt van Martinus Roest, ter waarde van eveneens fl. 36.413,32¼. Hierbij werd evenwel nog opgeteld, de waarde van de perceeltjes grond die Martinus in 1825, voor hij in gemeenschap van goederen trouwde, had gekocht, namelijk een bedrag van fl. 300, hetgeen de totale waarde van zijn nalatenschap deed komen op fl. 36.713,32½. Daarvan kwam nu bij de de akte van scheiding aan de beide kinderen van Martinus Roest en Elisabeth Neef, Johanna Roest, huisvrouw van Marinus de Jager, en Willem Roest elk de helft toe, namelijk een bedrag van fl. 18.356,66¼.

Bij de scheiding en ‘aanbedeeling’ wordt dan verder geregeld dat Elisabeth Neef van de huisraad en verdere inboedel ontvangt spullen voor een bedrag van fl. 656,67½, van het contante geld fl. 2865, de tien certificaten van de Nederlandse nationale schuld, de tien obligaties ten laste van het keizerrijk Rusland, en de twintig obligaties ten laste van het keizerrijk Oostenrijk, ‘makende in alles tezamen de som of waarde van zesendertigduizend vierhonderd dertien gulden twee en dertig en een halve cent, gelijk staande met hetgeen haar uit den gemeenschappelijken boedel toekomt: f. 35.413,32½.’

Aan Marinus de Jager ‘als in huwelijk hebbende Johanna Roest’, wordt toebedeeld vanuit de levende have, de bouw- en melkgereedschappen, huisraad en verdere boedel voor een bedrag van fl. 6986,66¼, van het contante geld een bedrag van fl. 3000 alsmede de 15 obligaties ten laste van het koninkrijk Portugal, ‘sluitende met hetgeen aan de huisvrouw van dezen comparant uit de nalatenschap van de erflater alsnog toekomt ter som van achttienduizend driehonderd zesenvijftig gulden, zesenzestig en een vierde cents: fl. 18.356,66¼.’

Willem Roest krijgt toegewezen alle genoemde onroerende goederen (die in 1848 door Martinus en Elisabeth waren gekocht) voor de nu hiervoor bepaalde waarde van fl. 17.700, onroerende goederen (die Martinus in 1825 kocht) ter waarde van fl. 300, en verder vanuit de levende have, de bouw- en melkgereedschappen, de huisraad en overige inboedel voor een bedrag van fl. 356,66 ¼, ‘uitmakende met elkander hetgeen hem alsvoren uit de nalatenschap des erflaters toekomt ter som van achttienduizend driehonderd zesenvijftig gulden, zesenzestig en een vierde cents: fl.18.356,66 ¼.’

De comparanten, Elisabeth Neef, Marinus de Jager en Willem Roest, verklaarden voorts allen met deze scheiding en verdeling akkoord te zijn, beloofden van elkaar nimmer een nadere scheiding, verrekening of verdeling te vragen, waarna te kennen werd gegeven dat de onroerende goederen zijn toe- en aanbedeeld met alle daarbij behorende rechten, lasten en dienstbaarheden, alsmede de verplichtingen tot het maken en onderhouden van alle kaden, wegen, wateringen, ban- en omwerken, mitsgaders tegen rijks- en plaatselijke belastingen te rekenen vanaf dan. De comparanten erkenden te hebben ontvangen, overgenomen of onder zich gehouden hetgeen aan ieder van hen zoals beschreven is toe- en aanbedeeld alsmede de bewijzen van eigendom die hierop betrekking hebben, en verleenden elkaar over en weer kwijting, zonder enig voorbehoud.
De akte, door de notaris W.A. Meijboom opgemaakt, werd ten slotte ten huize van Willem Roest (ter plaatse van Voorstraat 158) in tegenwoordigheid van getuigen, te weten een kandidaat-notaris en Barend Pruijt, koopman, wonende te Lekkerkerk, verleden en na voorlezing door de comparanten, de getuigen en de notaris getekend.

Elisabeth Neef overleed op 2 oktober 1867 te Lekkerkerk.
Ik beschik over een aanzienlijke collectie oude foto's van mensen, van wie ik deels weet wie het zijn, bijvoorbeeld mensen met achternamen Van der Graaf, De Jong, De Jager, Bak, Van der Wouden, Man in 't Veld,  Voet. Van een deel van de afgebeelde personen weet ik evenwel niet wie het zijn. Gezien het feit dat de foto's vooral afkomstig zijn uit de families Roest-Van der Graaf, is het aannemelijk dat  veel van de mij niet bekende personen tot die families behoren. Graag zou ik in contact komen met mensen – verre familieleden – die zouden kunnen helpen bij het identificeren van op de foto's afgebeelde personen, bijvoorbeeld door deze foto's eens te leggen naast en te vergelijken met eventuele eigen exemplaren van anderen.
Ook beschik ik over een poëziealbum van mijn grootmoeder, met daarin stukjes van tal van familieleden en vrienden. In ruil voor hulp bij het onderzoek naar mijn foto's ben ik bereid  om afdrukken (scans) van eigen foto's en albumbladen te verschaffen aan wie daar belangstelling voor heeft. Zelf ben ik uiteraard ook zeer geïnteresseerd in scans of kopieën van oude foto's, die voor mij interessant kunnen zijn.
U kunt contact met mij opnemen via mijn e-mailadres cjcbroer[at]casema[punt]nl
.








Handtekening W. Roest, 1897
Handtekening van Willem Roest onder het proces verbaal van de openbare verkoping (en de aankoop door hem) in 1897 van twee huispercelen aan de Korte Achterweg.




Heel graag zou ik beschikken over een foto van mijn overgrootvader Huig Roest Willemsz., maar ook van mijn betovergrootouders Cornelis van der Graaf en Stijntje Broere, maar misschien heb ik die zelfs en weet ik dat niet. Hebt u wellicht foto's van de families Roest, Van der Graaf en anderen en kunt u mij helpen aan (kopieën, scans van) foto's, of bij het inventariseren van mijn foto's en ansichtkaarten, dan kunt u mij mailen via cjcbroer[at]casema[punt]nl.



Sijgje van der Graaf
Sijgje van der Graaf



























Stijntje Roest als meisje
Stijntje Roest







Kaart voor Stijntje van haar broertjes
Stijntje Roest, wonend bij haar grootouders Willem Roest en Neeltje van der Graaf op het dorp, kreeg voor haar verjaardag (in welk jaar is onduidelijk, want ook niet meer aan het poststempel af te lezen, maar in elk geval vóór 1910) een kaart toegezonden door haar broertjes Willem en Huig Cornelis, die bij de andere grootouders, Cornelis van der Graaf  en Stijntje Broere, op Opperduit woonden.





Poesiealbum, versje Huigerina
Op 6 december 1908 schreef ook tante Huigerina Roest, bij wie Stijntje na de dood van haar grootouders in 1909 zou inwonen, een versje in het poëziealbum van haar nichtje.
Willem Roest (1828-1909) en Neeltje van der Graaf (1833-1909)

Willem Roest, zoon van Martinus Hendriksz. Roest (1796-1857) en Elisabeth Neef (1789-1867), werd geboren te Lekkerkerk op 9 juli 1828.

Neeltje van der Graaf werd geboren te Lekkerkerk op 21 mei 1833 als dochter van Huig van der Graaf Pietersz. (1798-1883) en Cornelia Berk(h)ouwer (1803-1887), wonende in Lekkerkerk (De Loet).

Willem Roest en Neeltje van der Graaf trouwden op 8 januari 1858 in Lekkerkerk.

Willem Martinusz. Roest
Willem Roest
Neeltje Huigsd. van der Graaf
Neeltje van der Graaf

Wellicht al na de dood van zijn vader Martinus Roest in februari 1857, maar anders na de verdeling van de boedel en nalatenschap van zijn vader in 1865, heeft Willem Roest het boerenbedrijf met de boerderij aan de dijk (ter plaatse van het huidige Voorstraat 158) in Lekkerkerk voortgezet.

Mogelijk zijn dus alle dertien kinderen, die Willem Roest en Neeltje van der Graaf tussen 1858 en 1876 kregen, daar ook geboren. Vier kinderen (onder wie een tweeling) stierven al bij de geboorte of als zuigeling, maar zes dochters en drie zonen bereikten de volwassen leeftijd.

1. Martijntje (1858-1926), in 1882 gehuwd met Dirk de Jong;
2. Cornelia (1859-1921), getrouwd in 1887 met Anthonij de Jager;
3. Huig  (geb. en overl. in 1860);
4. Martinus (1860-1929);
5. Doodgeboren kinderen (1862, tweeling);
6. Elizabeth (1863-1925), getrouwd in1882 met Arie Bak;
7. Huigerina (1865-1940);
8. Huig (1866-1901); in 1893 getrouwd met Sijgje van der Graaf (1868-1899);
9. Neeltje (1868-1951), getrouwd in 1891 met Jan Dirksz. van der Wouden;
10. Pietertje (geb. en overl. in 1870);
11. Pietertje (1872-1942), in 1897 getrouwd met Johannes Marinus Dirksz. van der Wouden;
12. Willem (1876-1936), getrouwd in 1902 met Lena Kool.


Huig Roest (1866-1901) en Sijgje van der Graaf (1868-1899)

De op 27 december 1866 geboren zoon Huig Roest trouwde op 9 november 1893 met Sijgje van der Graaf, de op 2 januari 1868 in Lekkerkerk geboren dochter van Cornelis van der Graaf Hendriksz. (1838-1930) en Stijntje Broere (1839-1924). Huig Roest en Sijgje van der Graaf waren achterneef en -nicht van elkaar; hun beide grootvaders Huig van der Graaf en Hendrik van der Graaf waren broers, beide zonen van Pieter Hendriksz. van der Graaf en Annigje Huijgensdr. Boon uit De Loet.

Uit het huwelijk van Huig Roest en Sijgje van der Graaf werden tussen 1894 en 1899 zes kinderen geboren.

1. Willem (1894-1952), in 1926 gehuwd met Willemijntje van Herk;
2. Cornelis (1895-1897);
3. Stijntje (1895-1976), in 1919 getrouwd met Nicolaas Broer;
4. Huig (1896-1899);
5. Neeltje Cornelia (1897-1950); en
6. Huig Cornelis (1899-1979), in 1931 getrouwd met Johanna Boon.

Nadat twee zoontjes, Cornelis en Huig, in respectievelijk juni 1897 en juli 1899 waren komen te overlijden, stierf Sijgje van der Graaf op 14 september 1899 in het kraambed, bij de geboorte van haar jongste zoon Huig Cornelis.

Huig Roest Wz. overleed ruim anderhalf jaar later, op 28 april 1901, vier kinderen van tussen de zes en anderhalf jaar oud nalatend.

Na de dood van Sijgje van der Graaf in 1899 was reeds haar broer Arie van der Graaf Cz. tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen aangesteld, na de dood van Huig Roest in 1901 werd Dirk de Jong, echtgenoot van Martijntje Roest Wdr., tante van de kinderen, tot voogd benoemd.

De kinderen zelf werden bij verschillende andere familieleden ondergebracht. De oudste zoon Willem, zes jaar oud, en de zuigeling Huig Cornelis groeiden op bij hun grootouders van moederszijde, Cornelis van der Graaf en Stijntje Broere (Opperduit), het ruim drie jaar oude dochtertje Neeltje Cornelia werd ondergebracht in het gezin van haar tante Elisabeth Bak-Roest in Bergambacht, terwijl het oudste in 1895 geboren dochtertje Stijntje Roest, mijn grootmoeder, zou opgroeien en tot haar veertiende inwonen bij haar grootouders Willem Roest en Neeltje van der Graaf, 'op het dorp', aan de dijk.

Schoolklasje Stijntje Roest, ca. 1899
Kleuterschoolklasje Lekkerkerk, circa 1899. Op de voorste rij, vierde van links, naast het meisje met de pop, Stijntje Roest.

Schoolklasje Stijntje Roest, 1902
Schoolklasje, Eerste Openbare School te Lekkerkerk, november 1902. Rechts staande en (vanwege het overlijden van haar vader in april 1901) gekleed in een zwarte jurk, Stijntje Roest, 7 jaar oud.

Schoolklasje Stijntje Roest, 1904
Schoolklasje, Eerste Openbare School te Lekkerkerk, november 1904. Op de tweede rij van achteren, de tweede van rechts, Stijntje Roest, 9 jaar oud.

Poesiealbum, eerste bladzijde
Op haar dertiende verjaardag, op 22 maart 1908, kreeg Stijntje Roest van haar grootouders een poëziealbum. De eersten die hierin een versje schreven waren de beide grootouders, Willem Roest en Neeltje van der Graaf. Interessant is evenwel dat zowel bovenstaande tekst op het binnenvoorblad als de versjes van de beide grootouders in hetzelfde handschrift lijken te zijn geschreven, wellicht toch wel door Stijntje zelf?



Dirk de Jong
Dirk de Jong

Martijntje de Jong-Roest
Martijntje Roest (1858-1926) (?)

Cornelia de Jager-Roest
Cornelia (Kee) Roest ((1859-1921) (?)

Amsterdam Weteringstraat
Amsterdam, Weteringstraat


Neeltje van der Wouden-Roest
Neeltje Roest (1868-1951) (?)

Wiillem Roest jr.
Willem Roest jr. (1876-1936)

Hollandsche melkinrichting Gorkum
Presentatie van de Hollandsche Melkinrichting uit Gorkum; rechts op de foto Willem Roest jr.


























Lange Stoep in de winter
De Lange Stoep met, deels wit bepleisterd en met uithangbord, de herberg 'Het Bonte Paard' (Lange Stoep nr. 33); op het eind van de straat links (Lange Stoep 35) het (nu verdwenen) huisje waar Pietje van der Wouden-Roest woonde en haar zuivelwinkeltje moet hebben gehad.































Handtekeningen bij de boedelbeschrijving, 1910
Handtekeningen van de aanwezigen, met name zonen en schoonzoons, bij de beschrijving van de boedel van wijlen Willem Roest en Neeltje van der Graaf in 1910.

















































Het gaat dan om, perceel nummer 1, een woonhuis met gebouw ten noorden daarvan, erven en pad aan de oostzijde, strekkende van de dijk naar het noorden toe, tot aan perceel nummer 3, met als belending aan de oostzijde de percelen 2 en 3 en aan de westzijde Ph. van Blankensteijn; perceel nummer 2: een bouwterrein met loods en pad aan de westzijde van het perceel, strekkend van de dijk naar het noorden toe tot perceel nummer 3, met als belending aan de oostzijde de firma J. den Boon & Co, en aan de westzijde perceel nummer 1; bij dit perceel nummer 2  behoort eveneens  'buitengrond strekkende uit de Lek tot den Dijk', waarvan de belending aan de oostzijde is genoemde firma J. den Boon & Co en aan de westzijde genoemde Ph. van Blankensteijn; perceel nummer 3: een gebouw dat dient tot stalling met een afzonderlijk staande schuur, erven en open grond, strekkend van de percelen nummer 1 en 2 naar het noorden toe tot perceel nummer 4 en R. Mudde en consorten, waarvan de belenders aan de oostzijde zijn Martinus Roest en de firma J. den Boon & Co, en aan de westzijde Ph. van Blankensteijn; perceel nummer 4: een bouwterrein, strekkende van perceel nummer 3 en L. Mudde en consorten, naar het noorden toe tot perceel nummer 5, met als belending aan de oostzijde Martinus Roest en aan de westkant Ph. van Blankensteijn; perceel nummer 5: een bouwterrein, strekkend van perceel nummer 4 naar het noorden toe tot perceel nummer 6, met als belending aan de oostzijde Martinus Roest en aan de westzijde Ph. van Blankensteijn; en ten slotte perceel nummer 6: een bouwterrein met schuur, strekkende van perceel nummer 5 naar het noorden toe tot op de helft van de Korte Achterweg, met als belending  aan de oostzijde Martinus Roest en aan de westzijde Ph. van Blankensteijn.

Huisnummerkaart
Deel van de huisnummerkaart van Lekkerkerk, met daarop uiteindelijk nog  goed herkenbaar de in 1910 beschreven percelen (ter plaatse van Voorstraat 154 en 158), met op de achterterrein waarschijnlijk zelfs nog delen van de oude bebouwing.




















De boerderij en een deel van de overige gebouwen, nog te zien op verschillende ansichtkaarten, zijn na 1910 successievelijk vervangen door andere bebouwing. In 1911 werd er op het tot dan toe open terrein (perceel 2) een voor die tijd nieuw, modieus huis gebouwd, dat er nu nog staat (Voorstraat 154); nadat de oude 'bouwmanswoning' (op perceel 1) was afgebroken, werd ergens in de jaren twintig van de twintigste eeuw het huidige Voorstraat 158 gebouwd, en werd begin jaren vijftig de eerste steen gelegd voor Voorstraat 152.

Lekpanorama
Gezicht over de Lek vanaf de toren van de kerk, naar het westen toe; op de voorgrond is nog te zien de oude boerderij van Willem Roest en Neeltje van der Graaf, met  ook een deel van het stalgebouw, en ook links onder in beeld de oude bebouwing ter plaatse van Voorstraat nr. 152.

Voorstraat 1911
De oude boerderij van Willem Roest en Neeltje van der Graaf (ter plaatse van Voorstraat 158) is hier nog te zien, maar inmiddels is (op perceel nummer 2) ook de toen moderne bebouwing Voorstraat 154 verrezen; deze dateert van 1911.

Voorstraat jaren 20
Hier is inmiddels ook de oude boerderij verdwenen en de nieuwe bebouwing verrezen,  het huidige Voorstraat 158, dat dateert van ergens in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Wel is nog de oude bebouwing ter plaatse van Voorstraat 152 te zien, die in de vroege jaren vijftig plaats zal maken voor dan uiterst moderne bebouwing.

























Huigerina Roest
Huigerina Roest (1865-1940).

















Bouwvergunning Korte Achterweg 8, 1910
Vergunning, verleend aan Martinus Roest Wz., voor de bouw van een woning aan de Korte Achterweg 8.


Fotot Korte Achterweg 8
Het huidige huis Korte Achterweg 8, gebouwd in 1910/1911 door Martinus Roest Wz.




kaart voor Stijntje Roest
Kaart voor Stijntje Roest van haar nichtje Cornelia de Jager uit Amsterdam, geadresseerd p.a. (haar grootvader) W. Roest in Lekkerkerk, juli 1908.










Zie voor Stijntje Roest en Nicolaas Broer verder: Lekkerkerse families III: De familie Broer.
Neeltje van der Graaf overleed op 27 januari 1909 en Willem Roest op 18 december van datzelfde jaar.

Boedelbeschrijving

Op 26 januari 1910 is daarop door de Lekkerkerkse notaris A.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van getuigen 'tot bewaring der rechten van allen die daarbij belang zouden mogen hebben' overgegaan tot 'de beschrijving der goederen behorende tot den gemeenschappelijke boedel en de nalatenschappen van wijlen de echtelieden den heer Willem Roest en mejuffrouw Neeltje van der Graaf, beiden gewoond hebbende te Lekkerkerk' en ook daar overleden.

De beschrijving geschiedt ten verzoeke van en in tegenwoordigheid van:
  1. Dirk de Jong, 'bouwman', wonende te Bergambacht, die in algehele gemeenschap van goederen getrouwd was met Martijntje Roest (dochter van de erflaters) en dus ook voor haar optreedt, maar dat ook doet als (via een aangehechte schriftelijke lastgeving) gemachtigde voor Cornelia Roest (dochter van der erflaters), weduwe van Anthonie de Jager, melkverkoopster, wonende te Amsterdam, Weteringstraat 41, en als voogd over de minderjarige kinderen Willem, Stijntje, Neeltje Cornelia en Hugo Cornelis Roest, kinderen van wijlen Huig Roest (zoon van de erflaters) en Sijgje van der Graaf;
  2. Arie van der Graaf Cornelisz., 'bouwman', wonende te Lekkerkerk, als toeziend voogd over genoemde minderjarige kinderen. (Arie van der Graaf was een broer van Sijgje van der Graaf, de moeder van de kinderen);
  3. Martinus Roest (zoon van de erflaters), zonder beroep, wonende te Lekkerkerk, die optreedt voor zichzelf, maar ook als gemachtigde voor Huigerina Roest (dochter van de erflaters), ongehuwd en zonder beroep, die haar broer blijkens aangehechte akte van lastgeving heeft gemachtigd;
  4. Arie Bak, koopman, wonende te Bergambacht, in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met Elizabeth Roest (dochter van de erflaters), en dus voor haar optredend;
  5. Johannes Marinus van der Wouden, 'bouwman', wonende te Lekkerkerk, in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met en daarom optredend voor Pietertje Roest (dochter van de erflaters);
  6. Jan van der Wouden, 'bouwman', wonende te Lekkerkerk, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met en optredend voor Neeltje Roest (dochter van de erflaters); en ten slotte
  7. Willem Roest (zoon van de erflaters), melkhandelaar en wonende te Gorichem.
Verklaard wordt  door deze comparanten dat de voornoemde heer Willem Roest en mejuffrouw Neeltje van der Graaf in algehele gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest en dat Neeltje van der Graaf (niettemin?)  middels haar laatste wil, waarvan een akte is opgemaakt, bij vooruitmaking heeft gelegateerd aan haar zoon Martinus Roest en aan haar dochter Huigerina elk een som van fl. 750,-, te betalen binnen drie maanden na haar overlijden, wat evenwel tot op heden niet is gebeurd, vrij van successierecht of enigerlei kosten; voorts dat zij tot erfgenaam van het beschikbare deel van haar nalatenschap heeft benoemd haar echtgenoot Willem Roest, aan hem heeft gelegateerd alle door haar nagelaten roerende en onroerende goederen (tegen inbreng in hare nalatenschap van de waarde), welke beschikking door haar echtgenoot niet is aangenomen; en ten slotte dat zij hem benoemd heeft tot uitvoerder van haar laatste wil.
Van Willem Roest wordt eveneens gesteld dat hij bij testament gelegateerd heeft aan zowel zijn zoon Martinus als aan zijn dochter Huigerina elk een som van fl. 750,-, af te geven binnen drie maanden na zijn overlijden, vrij van successierecht of enigerlei kosten, en nadere beschikkingen heeft gemaakt, welke echter zijn vervallen.

Als erfgenamen en 'recht verkregen hebbenden' van beide echtelieden gelden de acht uit hun huwelijk geboren kinderen, te weten genoemde Martijntje, Cornelia, Martinus, Elizabeth, Huigerina, Pietertje, Neeltje en  Willem Roest, elk voor een  negende deel, en de vier minderjarige kinderen van de in 1901 overleden zoon Huig Roest, te weten genoemde Willem, Stijntje, Neeltje Cornelia en Hugo Cornelis Roest, bij plaatsvervulling voor hun vader voor een negende deel, dus elk voor een zesendertigste deel.

De betreffende boedel is tot op dat moment gemeenschappelijk en onverdeeld gebleven.

De boedelbeschrijving wordt gedaan in het sterfhuis van genoemde echtelieden, 'geteekend B354 aan den dijk op het dorp te Lekkerkerk', in tegenwoordigheid van Barend Pruijt, smidsknecht, en Cornelis de Gruijter Gerritsz., touwslager, beiden wonende te Lekkerkerk, als getuigen.

De opgave en aanwijzing van al hetgeen dient te worden opgeschreven zal worden gedaan door de comparant Martinus Roest, 'als in het bezit der goederen zijnde', die belooft alles getrouw te zullen opgeven en aanwijzen.

De waardering der roerende goederen zal worden gedaan door de heer Lourens Broere, 'bouwman', wonende te Lekkerkerk, 'als deskundige daartoe door partijen verkozen' en als 'schatter' kort voordien, namelijk op 19 maart, beëdigd. (Lourens Broere (1842-1939) was overigens een zwager van wijlen Neeltje van der Graaf, want getrouwd met haar jongste zus, Geertrui van der Graaf Huigsd. (1844-1912)).

'Alsdan tot de beschrijving overgaande bracht de aangever te voorschijn 'onder meer 'Titels en papieren', waartoe behoorden afschriften van testamenten, (uittreksels van) akten van scheiding, (uittreksels of afschriften van) processen-verbaal van openbare verkopen, (onderhandse) akten van ruiling en (onderhandse) koopakten, daterend uit de periode 1865 tot en met 1900, terwijl de testamenten dateerden van juni 1908.

Interessant is om vast te stellen dat in 1909/1910 onder het bezit aan onroerend goed van Willem Roest nog volledig aanwezig is dat wat Willems vader Martinus Hendriksz. Roest in 1848 had gekocht en in 1865 Willem bij akte van scheiding was toebedeeld; van de zes percelen land die Martinus in 1825 had verworven, waren er nog twee in het bezit van Willem, die verder kennelijk na 1865 ook nog het nodige aan land had aangekocht.

Voor zover is nagegaan is er - bijvoorbeeld bij de verdeling van de boedel van Cornelia Berkouwer en de afwikkeling van de nalatenschap van Huig van der Graaf Pz., de ouders van Willems vrouw Neeltje van der Graaf, welke in 1887 plaatshad - geen onroerend goed in handen van Willem Roest en Neeltje van der Graaf overgegaan. Misschien hebben ze wel - net als wellicht na het overlijden van Willems moeder Elisabeth Neef in 1867 - hen als erfenis toegevallen sommen gelds aangewend voor verdere landaankopen.

Speciale aandacht verdient de aankoop door Willem Roest op 15 januari 1897 van twee perceeltjes, welke aansloten op zijn reeds bestaande landbezit op het dorp. Ze worden omschreven als (perceel 4) 'een huis met schuur, getimmer, weg en erf en aanbehooren, staande en gelegen aan den Korten Achterweg, strekt van halver Achterweg noordop tot C. van der Wouden, belend oost G. Slijk en perceel 5; kadaster sectie D, nummer 4993, groot een are vijfenvijftig centiaren' en (perceel 5) 'een huis met getimmerten, erf, weg en aanbehooren, staande en gelegen bewesten perceel 4, strekt van halver Achterweg noordop tot C. van der Wouden, belend oost perceel 4 en west de weduwe B. van Vliet; kadaster sectie D, nummer 4992, groot een are zevenentwintig centiaren'. Willem Roest kocht deze percelen van Willem Pruijt voor een bedrag van fl. 2505. Bedoeld zijn wellicht deze perceeltjes en huizen, waarin de boedelbeschrijving sprake is van 'drie huizen aan de Korte Achterweg'.

Krachtens de in de boedelbeschrijving van 26 januari 1910 opgesomde bescheiden behoorden namelijk tot de gemeenschappelijke boedel en nalatenschappen de volgende onroerende goederen in de gemeente Lekkerkerk, 'eene bouwmanswoning met schuur en voorhuis, spoelhuis, veestal en rijtuigschuur op het dorp, drie huizen en erven aan den Korten Achterweg en enige percelen wei-, hooi- en bouwland, boschhakhout, weg en water, op den kadastralen legger dier gemeente voorkomende in sectie A [...], sectie B [...], sectie C [...] en sectie D [...], samen groot negentien hektaren 61 aren en 95 centiaren'.
Eveneens blijken tot de boedel en de nalatenschappen te behoren een vijfde deel in een huis, hooi en bouwland te Lekkerkerk, samen groot  zestien aren zeven centiaren, waarvan geen eigendomsbewijzen in de boedel voorhanden zijn, en nog een gedeelte van een perceel, groot 78 centiaren.

In de stal blijken achttien koeien, drie pinken en een paard te staan en zich ook een forse partij hooi te bevinden. Op het erf worden onder meer partijen mest en hout genoemd; in de wagenschuur een tilbury, verschillende wagens, een eg en tuigen; in en bij de schuur naast het huis een wasmachine (?), wastobben, maar ook landbouwgereedschappen, en een waterfornuis; voor verschillende andere locaties ('op den til boven den stal', 'in de schuur onder den til', 'op den voorzolder', 'op de bovenkamer', 'in de benedenvoorkamer', 'in twee keldertjes', 'op den achterzolder', in de benedenachterkamer') wordt dan steeds een opsomming gegeven van wat er zich bevindt en wat de geschatte waarde van een en ander is.

Interessant is vooral ook de post 'In den karnmolen', waarbij dan onder meer vermeld worden 'een karn met toebehoren', melkteilen, melk- en wateremmers, aardewerk en keukengereedschap, en 'op den voorzolder' kaasvaten, tobben, blikken melkkannen, jukken, vloten, koperen kannen en ketels. Kennelijk was er hier kaas en boter bereid; wellicht ook (meer dan voor eigen gebruik) voor de verkoop, misschien zelfs ook elders dan in Lekkerkerk alleen?
Zowel een dochter van het echtpaar, Cornelia de Jager-Roest, als de jongste zoon, Willem Roest jr., waren zo wordt vermeld actief in de zuivelhandel, in respectievelijk Amsterdam en Gorkum.
Wat bovendien blijkt is dat bij de kort daarop volgende openbare veiling en verkoop van de boedel juist de karnmolen en toebehoren nadrukkelijk buiten de verkoping worden gehouden. In later tijd heeft nog een andere dochter van het echtpaar, Piet(ert)je van der Wouden-Roest, aan de Lange Stoep in Lekkerkerk een zuivelwinkeltje gehad. Heeft die wellicht ook de activiteiten op het gebied van de zuivelbereiding voortgezet?

De totale boedel, voor zover beschreven, wordt gewaardeerd op fl. 4457,-. Aan geld blijkt er (in diverse muntspeciën') in totaal aanwezig te zijn een bedrag van fl. 638,45.

Aan vorderingen van de gemeenschappelijke boedel worden opgetekend vorderingen op de comparant Bak voor twee betrekkelijk recente (deels renteloze) leningen ten bedrage van fl. 2104,55, en een vordering op lastgeefster Cornelia Roest, renteloos, een bedrag van fl. 50,-.
Verklaard wordt tevens dat aan enkele van de kinderen een huwelijksuitzet is gegeven, namelijk aan Martijntje Roest, echtgenote van Dirk de Jong, een som van fl. 2830,-, aan Neeltje Roest, echtgenote van Jan van der Wouden, fl. 1026,-, en aan Willem Roest een som van fl. 704,50. Dit alles wordt opgevoerd voor een totaalbedrag van fl. 4560,50, waarschijnlijk met de bedoeling dat een en ander verrekend zal worden met de te verdelen nalatenschap.

Voorts wordt overgegaan tot inventarisatie van de schulden en lasten van de gemeenschappelijke boedel. Wat daarbij opvalt is dat het -- afgezien van een openstaande rekening ad fl. 30,80 van een veearts in Schoonhoven 'wegens veeartsenijkundige hulp' -- uitsluitend gaat om waarschijnlijk kort tevoren afgesloten leningen (waarvoor althans eerst vanaf november 1909 en in een geval zelfs eerst vanaf januari 1910 rente verschuldigd is) ter hoogte van in totaal fl. 14.900,-. Het betreft allereerst een lening ('onder hypothecair verband van voorschreven onroerende goederen') verstrekt door de heer De Jonckheere te Dordrecht, groot fl. 12.000,-; leningen verstrekt door de heer Willem Jacobus de Mooij te Amsterdam, van een bedrag van fl. 900,-, en door de notaris Albertus Johannes de Mooij te Lekkerkerk van fl. 1000,-; en ten slotte een lening van fl. 1000,-, verstrekt door den heer Anthonie van der Graaf te Lekkerkerk. Laatstgenoemde zal naaste familie (een broer?) zijn geweest van wijlen Neeltje van der Graaf.

Daarmee wordt dan de boedelbeschrijving afgesloten, wordt al het geïnventariseerde in bewaring gegeven en gelaten aan Martinus Roest, die zich daarmee belast heeft en belooft alles weer te zullen opleveren en 'verantwoorden wanneer en aan wie zulks zal behooren'. Martinus legt daartoe in handen van de notaris en in tegenwoordigheid van de getuigen een eed af en belooft dat wanneer er 'naderhand nog iets mocht opkomen hetgeen bevonden werd tot de voorschreven gemeenschappelijke boedel en nalatenschappen te behooren deze boedelbeschrijving daarmede te zullen aanvullen, waarna en onder welk voorbehoud deze alzoo ook is gesloten en vastgesteld'.

'Gedaan en verleden en daarvan dit proces verbaal opgemaakt ten tijde ter plaatse en in tegenwoordigheid als is gezegd'.

De comparanten -- D. de Jong, A. van der Graaf, M. Roest, A. Bak, J.M. v.d. Wouden, J. v.d. Wouden, W. Roest --, de schatter L. Broere, de getuigen B. Pruijs en C. de Gruijter Gz. en de notaris A.J. de Mooij hebben direct na voorlezing van de akte deze ondertekend.

Openbare veiling en verkoping

Voorts compareerden op 2 maart 1910 om 10.00 uur 's morgens in het koffiehuis 'Het Bonte Paard' in Lekkerkerk ten overstaan van notaris Albertus Johannes de Mooij, residerende te Lekkerkerk, in tegenwoordigheid van getuigen opnieuw de heren Dirk de Jong (optredend voor zijn vrouw Martijntje Roest, als gemachtigde voor zijn zijn schoonzus Cornelia de Jager-Roest te Amsterdam, en als voogd over de minderjarige kinderen van wijlen Huig Roest en Sijgje van der Graaf, namelijk Willem, Stijntje, Neeltje Cornelia en Hugo Cornelis Roest), Arie van der Graaf Cornelisz. (als toeziend voogd over de voornoemde minderjarige kinderen), Martinus Roest (hier nu aangeduid als 'bouwman', optredend voor zichzelf en als gemachtigde voor zijn ongehuwde zus Huigerina Roest), Arie Bak (optredend voor zijn echtgenote Elizabeth Roest), Johannes Marinus van der Wouden (optredend voor zijn echtgenote Piet(ert)je Roest, Jan van der Wouden (voor zijn vrouw Neeltje Roest) en Willem Roest, en verklaarden ingevolge het bevel verleend door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam bij beschikking van 18 februari 1910 te willen overgaan tot de openbare veiling en verkoping van de navolgende alle in de gemeente Lekkerkerk gelegen onroerende goederen 'en te hebben bepaald dat de opveiling en verkooping op heden te dezen plaatse en de nadere verkooping der afslag ook in combinatiën en de toewijzing te zelfder plaatse in eenen zal geschieden op woensdag den negenden dezer maand', waarna een omschrijving van de te verkopen onroerende goederen volgt.

Het gaat dan om in totaal 25 percelen, waarvan de ligging wordt aangeduid met de kadastrale indeling en nummers, maar ook de belendingen (met vermelding van zowel landschappelijke elementen als naburige eigenaren).

Het meest interessant zijn de percelen 1 tot en met 6, die de plek betreffen waar het boerenbedrijf van Willem Roest en Neeltje van der Graaf gevestigd was, en waarvan behalve een beschrijving (met onder meer de bebouwing ter plaatse) ook een tekening met een opmeting door de landmeter van het kadaster d.d. 17 februari 1910 is bijgevoegd.

kadasterkaart

De overige in de akte genoemde percelen 7 tot en met 25 omvatten voornamelijk weide-, gras- en hooilanden, waarschijnlijk verder naar het noorden toe buiten het eigenlijke dorp gelegen.

Met name aan de hand van deze bij de akte gevoegde tekening van de percelen 1 tot en met 6 is de boerderij met de bijbehorende gebouwen van  Willem Roest en Neeltje van der Graaf te lokaliseren en wel ter plaatse van de huidige bebouwing aan de Voorstraat, nummers 154-158.

In de akte wordt voorts ook aangegeven hoe deze onroerende goederen, die behoorden tot de gemeenschappelijke boedel en nalatenschappen van Willem Roest en Neeltje van der Graaf, indertijd verkregen en verworven zijn, waarbij voor het merendeel van de percelen en in elk geval ook voor wat betreft de percelen 1 tot en met 6 verwezen wordt naar een scheiding van een boedel van Martinus Hz. Roest en Elisabeth Neef, die blijkens een daarvan opgemaakte akte in 1865 heeft plaatsgehad,

Uit de akte met betrekking tot de (voorgenomen) veiling van onder meer de boerderij in 1910 kan evenwel worden opgemaakt dat Willem een en ander en zeker deze boerderij heeft verworven van zijn vader Martinus Roest (1796-1857), waarvan vermeld wordt dat deze als eigenaar van het perceel en de boerderij in 1851 aan David en Simon Heijman van Blankensteijn en hun rechtverkrijgenden heeft toegestaan om hun woonhuis (dat ten westen van het huis van Martinus Roest moet hebben gestaan, dat wil zeggen ter plaatse van Voorstraat 160, waar het huidige huis overigens lijkt te dateren van omstreeks 1900) naar de oostzijde uit te bouwen tot tegen de westelijke muur van het huis van Martinus (nu onder perceel nummer 1, ter plaatse van Voorstraat 158), welke muur dan als scheiding van de twee gebouwen zal dienen en waarbij ook een regeling wordt getroffen met betrekking tot het aanbrengen van een goot en de afvoer van het water, waar Martinus Roest en zijn opvolgers nooit en te nimmer last van zouden mogen ondervinden.

Uiteindelijk worden na de veiling en openbare verkoping op 9 maart 1910 deze percelen 1 tot en met 6 gekocht ('gemijnd') door Jacob den Boon, sigarenfabrikant, wonende te Lekkerkerk, waarbij deze verklaarde perceel nummer 2 voor zichzelf te kopen voor een bedrag van fl. 1.450,-, en de percelen 1 en 3 tot en met 6 voor fl. 6.620,- voor en ten behoeve van Gijsbert van der Voet, meestermetselaar, wonende te Lekkerkerk.

Voorstraat 1890
Op deze ansichtkaart van circa 1892 zijn nog te zien (achter de telefoonmast) zowel de oude 'bouwmanswoning' van Willem Roest en Neeltje van der Graaf (nr. 158) met daarnaast het nog open perceel (nr. 2, nu Voorstraat 154) als ook de bebouwing van de firma J. den Boon & Co (nr. 152), en de thans nog bestaande bebouwing, waarin zich op de bovenverdieping tot in de vroege twintigste eeuw de Lekkerkerkse synagoge bevond (nrs. 148 en 150).

Overigens zijn er voor wat betreft de verkoop van de onroerende goederen van wijlen Willem Roest en Neeltje van der Graaf wel meer interessante dingen te melden, die met de vragen die ze oproepen nader onderzoek verdienen. Zo werden in de loop van de veiling de percelen 7 en 8 - waarbij het ging om weiland, 'gelegen binnen de Tiendweg' , in het geval van perceel 7 'strekkende van de erven W. Roest' en in het geval van perceel 8 'strekkende van de erven W. Roest en A. van der Graaf Mzoon', naar het noorden toe tot op de helft van de Tiendweg - niet in de koop 'gegund', maar 'bij scheiding' toebedeeld aan een van de comparanten, namelijk Johannes Marinus van der Wouden, die zich verbond de percelen tegen een som van fl. 3225,- bij scheiding aan te nemen.
Johannes van der Wouden en zijn echtgenote, Pietje Roest, dochter van de erflaters, woonden als gezegd aan de Lange Stoep 35 en hechtten wellicht daarom aan de verwerving van dit waarschijnlijk nabijgelegen land.

Een aantal percelen weiland (de nummers 11, 12, 13 en 14) werden uiteindelijk gekocht door Lourens Broere, zelf zwager van de erflaatster Neeltje van der Graaf, voor en ten behoeve van mevrouw Annigje van der Graaf, weduwe van de heer Cornelis Kersbergen. Annigje van der Graaf was een dochter van Huig van der Graaf en Cornelia Berkouwer en zuster van zowel de erflaatster Neeltje van der Graaf als de echtgenote van Lourens Broere, Geertrui van der Graaf.

Behalve dat interessant is dat Neeltje Roest-van der Graaf als getrouwde vrouw in de akten steevast wordt aangeduid als 'mejuffrrouw', terwijl haar oudere zuster, getrouwd met de zalmhandelaar en langdurig wethouder in Lekkerkerk C. van Kersbergen, als 'mevrouw' wordt betiteld, is het ook opvallend dat het voor Annigje Kersbergen-van der Graaf uit de boedel van onder meer haar zus aangekochte land gelegen is direct naast land dat ze zelf al had, maar ook naast land dat toebehoort aan M. van der Graaf Az., een neef van zowel Annigje als Neeltje van der Graaf.
Gaat het hier wellicht om land dat oorspronkelijk al behoorde tot het bezit van de familie Van der Graaf in de Loet, dat in de loop van de tijd verdeeld is geraakt onder erfgenamen, maar nu dan toch deels weer in één hand kwam?

Het lijkt daarom hoe dan ook interessant om nog eens na te gaan op welke manier dat wat in 1910 zich als gemeenschappelijke boedel van Willem Roest en Neeltje van der Graaf aan ons voordoet, misschien toch voor een deel althans ook nadrukkelijk bestaan kan hebben uit bezit dat afkomstig was van de familie van der Graaf, gevestigd in De Loet.

Of we nu met de boedelbeschrijving, de waardering van een en ander, en de veiling in maart 1910 een volledig beeld hebben van wat Willem Roest en Neeltje van der Graaf nalieten, en of we hen eigenlijk als rijke, middelgrote of toch als bescheiden boeren mogen zien, is mij vooralsnog niet geheel duidelijk. Echt kleine boeren lijken het me toch zeker niet te zijn geweest. Een erfenis ter grootte van die van hun ouders, Martinus Hz. Roest en Elisabeth Neef, maar ook Huig van der Graaf en Cornelia Berkouwer, hebben ze evenwel niet nagelaten.

Wat ik nu weet is dat ze in 1910 een boerderij, met bijbehorende gebouwen, aan de Dijk in Lekkerkerk, een drietal huisjes aan de Korte Achterweg aldaar en zo'n 19 hectare land lijken te hebben gehad, met een veestapel die bestond uit achttien koeien, drie stuks jongvee en een paard.
Blijkens de opgemaakte boedelinventaris was er voor fl. 4457,- aan roerende goederen (geschatte waarde), fl. 638,45 aan (contant) geld, aan vorderingen en (aan ergenamen) voorgeschoten geldbedragen respectievelijk fl. 2154,50 en fl. 4560,50; de schulden (recent aangegane leningen) bedroegen fl. 14.930,80.

De veiling en verkoop van de onroerende goederen, het landbezit en de boerderij en erbij behorende gebouwen, bracht bij veiling, voor zover ik kon nagaan, op een bedrag van fl. 35,450,-.

Als we buiten beschouwing laten wat er eventueel aan kosten diende te worden afgetrokken, en bij dit bedrag de (deels geschatte) waarde van de boedel, de vorderingen en voorgeschoten gelden optellen en de schulden aftrekken, lijkt er een batig saldo te zijn geweest van ruim fl. 32.000,-, dat
dus verdeeld zou moeten worden onder de erven, acht kinderen en bij plaatsvervulling vier minderjarige kleinkinderen


Voor wat betreft de feitelijke 'liquidatie' van het boerenbedrijf van Willem Roest en Neeltje van der Graaf in 1910 en de verdeling van de erfenis onder de kinderen en bij plaatsvervulling enkele kleinkinderen, valt nog op te merken dat kennelijk toch de zoon Martinus Roest (1860-1929), die in de van de boedelbeschrijving opgemaakte akte vermeld wordt als zijnde 'zonder beroep', maar in de akte van 2 en 9 maart 1910 wordt aangeduid als 'bouwman', dus landbouwer, toch in het bezit moet zijn geweest en gebleven van waarschijnlijk kleinere stukjes land, gelegen ten oosten van de te verkopen percelen 3 tot en met 6, wellicht om als (deels ook rentenierende) keuterboer actief te blijven.

Waar hij en ook zijn zus Huigerina Roest (1865-1940), eveneens ongehuwd en zonder beroep, eerder of op dat moment woonden, is niet uit deze akten op te maken. Misschien hebben ze tot dan toe gewoond bij hun ouders, waar ook een van de minderjarige kinderen van Huig Roest en Sijgje van der Graaf, namelijk kleindochter Stijntje, inwoonde.

Korte Achterweg

Wat in elk geval buiten de openbare verkoop van de onroerende goederen van Willem Roest en Neeltje van der Graaf in 1910 was gebleven waren de twee perceeltjes aan de Korte Achterweg, die Willem Roest in 1897 had gekocht (Sectie D nummers 4992 en 4993).

In februari 1910 vroeg Martinus Roest vergunning om op deze percelen een woonhuis te laten bouwen voor hemzelf en waarschijnlijk zijn eveneens ongehuwde zuster Huigerina. Bij het verzoek is een beschrijving en tekening van de te bouwen woning gevoegd.

Aanvraag bouwvergunning, 1910 (1)
Aanvraag door Martinus Roest Wz. voor een vergunning om aan de Korte Achterweg een huis te bouwen, februari 1910.
Aanvraag bouwvergunning 1910 (2)


Bouwtekening Korte Achterweg 8
Bouwtekening met een ontwerp voor een woonhuis voor Martinus Roest aan de Korte Achterweg.

Op 7 maart 1910 wordt door burgemeester en wethouders van Lekkerkerk de vergunning voor de bouw van de woning verleend, onder de voorwaarde 'dat aan alle artikelen als bedoeld in art. 1 der Woningwet voor deze gemeente worde vorldaan [...]. het huis dat voorts werd gebouwd staat er thans nog, Korte Achterweg 8.

Martinus en Huigerina Roest hebben na het overlijden in 1909 van haar grootouders Willem Roest en Neeltje van der Graaf, hun nichtje Stijntje, de dochter van hun overleden broer Huig Roest, in huis genomen. Ansichtkaarten aan Stijntje Roest gericht, waren sinds 1910 geadresseerd: p.a. M. Roest, al dan niet met vemelding van een nader adres: Korte Achterweg.

Kaart voor lieve Stijntje
Kaart verzonden door de dienstplichtig militair Nicolaas Broer Wz. aan zijn verloofde Stijntje Roest, wonend bij haar oom Martinus Roest Wz. (en haar tante Huigerina Roest) aan de Korte Achterweg in Lekkerkerk, juli 1917.

In 1925 blijkt op het adres Korte Achterweg 8 H. Roest te wonen, waarvan dan wellicht kan worden aangenomen dat het Huigerina Roest is geweest. Martinus Roest overleed overigens eerst in 1929, dus waarom hij dan - als hij daar ook woonde - niet vermeld werd, is vooralsnog niet duidelijk. Stijntje Roest had toen inmiddels, bij haar trouwen in 1919 met Nicolaas Broer, het huis verlaten en woonde met haar jonge gezin op Opperduit.
Aanstellingsbriefje Zondagschool
Aanstellingsbriefje voor Stijntje Roest als zondagschoolonderwijzeres, 1911.


Stijntje Roest als jongedame

Stijntje Roest Huigsd.
De jongejuffrouw Stijntje Roest

Kerstfeest Zondagschool
Kerstviering in de Nederlands Hervormde kerk in Lekkerkerk. Zittend in de kerkbank vooraan, derde van rechts, Stijntje Roest.

Nicolaas Broer en Stijntje Roest
Nicolaas Broer en Stijntje Roest, tijdens hun verloving.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2015-2016. - Gepubliceerd 17 april 2015; laatst bewerkt 29 februari 2016.