Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
De tekst, waarvan u hier een aangepaste versie aantreft, is gemaakt ten behoeve van het boekproject  ‘Landschapsbiografie Oostbroek’ dat het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen in samenwerking met het Utrechts Landschap in 2011-2012 heeft uitgevoerd. Voor een publicatie, waarin dit project moest resulteren en waarmee men zich op ‘een breed, groot lezerspubliek’ wenst te richten, werd evenwel deze tekst – al dan niet samen met andere aangeleverde teksten (voor onder meer kaders) – door de redactie en opdrachtgever te moeilijk, te wetenschappelijk en daarmee niet geschikt bevonden.
Zie voor een uitvoerige(r) beschouwing over het ontstaan en vroegste ontwikkeling van de Sint-Laurensabdij van de hand van C. Broer:
Monniken in het moeras. De vroegste geschiedenis van de abdij van Sint-Laurens in het Oostbroek bij Utrecht (Utrecht 2011). Deze uitgave is nog verkrijgbaar.

Begin mei 2013 is de ‘landschapsbiografie’ verschenen onder de titel Van wildernis tot oase. Landschapsgeschiedenis van landgoed Oostbroek bij De Bilt. Kanttekeningen bij de totstandkoming van dit boek vindt u onderaan deze webpagina.



Willibrords wereld
Onze streken in de zevende en achtste eeuw.

[1] W.A.M. Hessing, ‘Duistere tijden: de vijfde tot de zevende eeuw’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht,  C. Dekker, Ph. van Maarschalkerweerd, J.M. van Winter red. (Utrecht 1997) 59-64, met name 63; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 19-20.


[2] Broer en De Bruijn, a.w., 20-23.

[3] Ald., 29-30, 35-37.

Willibrord als aartsbisschop
Willibrord afgebeeld als aartsbisschop met het pallium, geflankeerd door twee diakens, op een afbeelding uit de elfde eeuw. Het is de oudste afbeelding die van deze heilige bewaard is gebleven. Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. lat. 10510, f. 20.

[4] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, S. Muller Fzn. (ed.), dl. I (Utrecht 1920) [OSU I] nr. 43 (= M.Gysseling en A.F.C. Koch uitg., Diplomata belgica ante annum millesimum centesimum scripta I (z.pl. [Brussel] 1950) [Diplomata belgica I] nr. 175), waarin deze schenking door de kleinzoon van Pippijn (II) de Middelste, koning Pippijn III wordt bevestigd (23 mei 753); M.W.J. de Bruijn, ‘Buurschap en gerecht. De ontwikkeling van twee samenhangende instellingen in middeleeuws Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 2008, 132.

Domplein met oudste kerken
Domplein met de oudste kerkelijke bebouwing. In dunne lijnen de huidige bebouwing en rooilijnen: 1. de domtoren; 2. de domkerk; 3. het Academiegebouw. In dikke lijnen: A. het voormalige Romeinse hoofdgebouw met daarin de eerste door Willibrord in 695 gestichte Sint-Salvatorkerk; B. de plaats van de door Willibrord omstreeks 718 herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde Sint-Thomaskerk van Dagobert; C. de door Bonifatius omstreeks 745 gebouwde nieuwe Sint-Salvatorkerk (later de kerk van Oudmunster). Tek. M.W.J. de Bruijn.

[5] OSU I, nr. 40 (= Diplomata belgica I, nr. 176); M.W.J. de Bruijn, ‘Consules civitatis’, Jaarboek Oud-Utrecht 1996, 14; dez., ‘Buurschap en gerecht’, 132.

[6] OSU I, nr. 35 (= Diplomata belgica I, nr. 173); C. Dekker, Het Kromme Rijngbied in de Middeleeuwen. Een institutioneel-geografische studie, Stichtse Historische Reeks 9 (z.pl. 1983) 31; De Bruijn, ‘Consules civitatis’, 14; dez., ‘Buurschap en gerecht’, 133.

[7] Broer en De Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland, 64-65.

[8] J.M. van Winter en C. Dekker, ‘De vroegste goederen van de Utrechtse kerk’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 93-94.

[9] Broer,
Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht: haar plaats binnen de Utrechtse kerk en de ontwikkeling van haar goederenbezit (ca. 1000 – ca. 1200) 260, waar in noot 2 verwezen wordt naar verdere meer algemene literatuur.

























Werkzaamheden op het land
Boeren aan het werk op het land. Miniatuur, Parijs, circa 1376.

[10]  Dekker, Het Kromme Rijngebied, 27-29, 37; ook 151-161, met name 151-152.

[11]  Broer, a.w., onder andere 283-285.

[12] Dekker, a.w., 28-29.




















[13] C.J.C. Broer, Uniek in de stad, 69-71; Broer en De Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland, 64.

[14] OSU I, nr. 49 (= Diplomata belgica I, nr. 195; laatstelijk uitgegeven door P.A. Henderikx, De beneden-delta van Rijn en Maas. Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca. 1000, Hollandse Studiën 19 (Hilversum 1987), 115-123, met name 122-123); zie ook: Dekker, Het Kromme Rijngebied, 31-33; Van Winter en Dekker, ‘De vroegste goederen van de Utrechtse kerk’, 93; De Bruijn, ‘Buurschap en gerecht’, 133.

Commemoratio
Deel van de tekst van de zogenaamde Commemoratio de rebus sancti Martini in het twaalfde-eeuwse handschrift in het Liber donationum van de Utrechtse kerk, waar enkele goederen in onder meer het Kromme Rijngebied worden vermeld. Het Utrechts Archief, Bisschoppelijk Archief 43, f. 18.

[15] J.M. van Winter, ‘De bisschoppen na de dood van Bonifatius’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 87-91, 91; dez., ‘Bisschop Balderic en de rijkskerk, ald., 103-114, 103-105.
Over de benedictijner abdij van Sint-Laurens
Bijdrage tot een biografie van het landschap rond Oostbroek-De Bilt
door Charlotte Broer


Kerk, politiek en economie in bisdom en Sticht van de zevende tot de twaalfde eeuw


In de Middeleeuwen waren macht, invloed en zeggenschap in de eerste plaats bepaald door het bezit van en de beschikking over grond. Met grondbezit was toen ook verbonden macht en zeggenschap over mensen (onvrijen) die op de een of andere manier aan die grond gebonden waren, daarop leefden en werkten. Geleidelijk wonnen evenwel ook andere vormen van vermogen aan belang. Dat geldt met name voor vermogen in geld, dat bijvoorbeeld verdiend werd door (stedelijke) kooplieden en handelaren. Echter ook deze nieuwe rijken belegden gedurende lange tijd vaak nog hun vermogens in grond en de daarmee verbonden rechten.

In verband met de ontwikkeling van een gebied is het daarom van belang te bezien wie er in de loop van de tijd over de grond heeft kunnen beschikken. Centrale rol blijkt in deze streken dan gespeeld te hebben de Utrechtse kerk onder leiding van haar bisschop. Deze is sinds haar vroegste bestaan door tal van schenkingen in wat we nu de provincie Utrecht noemen uiteindelijk de belangrijkste gerechtigde geworden. Op haar beurt heeft de kerk daarna ook weer grond en rechten in verschillende gebieden weggeschonken of anderszins uitgegeven, aan bijvoorbeeld kapittels en kloosters maar ook aan tal van leken. Van de rechten van de kerk zijn in de loop van de tijd dan ook veel, zo niet de meeste rechten van anderen, zowel instellingen als personen, afgeleid. Hoe is dat alles in zijn werk gegaan?

Friezen en Franken[1]

Na het vertrek van de Romeinen uit deze streken namen Germaanse stammen hun plaats in. Onder hen laten zich twee grote groepen onderscheiden: de Friezen en de Franken. De laatsten waren al als bondgenoten van de Romeinen binnen het Rijk toegelaten. Ze trokken eerst verder naar het zuiden en stichtten in het huidige België en Noord-Frankrijk enkele rijkjes. Omstreeks 500 gingen ze over tot het christendom, toen hun koning Clodewech (Clovis) zich liet dopen.

Over de nog heidense Friezen is voor de eeuwen na het vertrek van de Romeinen minder bekend. Zij woonden in het kustgebied vanaf het latere Vlaanderen tot ver in Noord-Duitsland, en verder ook in het Midden-Nederlandse rivierengebied. Men zou dus kunnen spreken van een Groot-Friesland.

Vanaf de zevende eeuw zien we dat vanuit het zuidoosten de Franken onder leiding van hun koning Dagobert (623-639) hun macht en invloed ook over het Midden-Nederlandse rivierengebied uitbreidden. Daar woonden nog steeds mensen op de stroomruggen, al was de bewoning er veel minder dicht dan in de Romeinse tijd. Er lag zelfs een niet onbelangrijke handelsplaats bij de splitsing van de Rijn en de Lek, Dorestad, ten zuidoosten van Utrecht. Dagobert kreeg deze nederzetting omstreeks 630 in zijn greep.

Een eerste kerkje

Verder de Rijn stroomafwaarts, bij de splitsing van de Rijn en de Vecht, nam Dagobert het Romeinse fort Traiectum, het latere Utrecht, in bezit. Hij stichtte er een kerkje, gewijd aan de apostel Thomas. Na de dood van Dagobert moesten evenwel de Franken zich terugtrekken. De burcht Traiectum werd rond 650 ingenomen door de Friezen en het kerkje tot op de bodem verwoest.

Gedurende enkele decennia beheersten daarna de Friezen weer het Midden-Nederlands rivierengebied. Aan het eind van de zevende eeuw begon echter de Frankische expansie in noordelijke richting opnieuw onder leiding van de Frankische hofmeier Pippijn (II) de Middelste. Omstreeks 690 wist hij ook de burcht Traiectum op de Friezen te heroveren.[2]

Verovering van deze gebieden betekende een aanzienlijk uitbreiding van het koningsgoed. Deels werden deze goederen en rechten door de koningen in leen uitgegeven aan getrouwen. Een belangrijk deel van het koningsgoed werd echter ook aangewend ter ondersteuning van het missiewerk en de opbouw van de kerk.

Willibrord en de stichting van de Utrechtse kerk[3]

Enkele jaren na de verovering van burcht Traiectum werd deze in 695 door Pippijn als missiebasis toegewezen aan de Angelsaksische missionaris Willibrord. Deze was kort tevoren in Rome gewijd tot aartsbisschop van de Friezen en zette zich nu vanhieruit aan de bekering van dit volk. Ter ondersteuning hiervan schonk Pippijn de Utrechtse kerk onder leiding van Willibrord het tiende deel van de koninklijke inkomsten uit de omgeving.[4] Waarschijnlijk waren hierbij inbegrepen de inkomsten uit de rijke handelsplaats Dorestad.

Willibrord bouwde binnen de burcht Traiectum een missie- en kloosterkerk die hij aan Sint-Salvator, de Verlosser, wijdde. Enkele decennia later, rond 718, liet hij ook de verwoeste Sint-Thomaskerk herbouwen, die toen gewijd werd aan Sint-Maarten, de patroon van zijn Frankische beschermers. Deze Sint-Maartenskerk zou later de kathedraal (of dom) van het bisdom Utrecht worden. In deze periode verkreeg de Utrechtse kerk van de koning eveneens een belangrijk voorrecht, het zogeheten immuniteitsprivilege.[5] Dit hield in dat personen en goederen behorend tot de kerk, voortaan onttrokken waren aan – dus immuun waren voor – het bestuur van de graven en andere rijksfunctionarissen. Dat gold voor de mensen en bezittingen van dat moment, maar ook voor de toekomstige. De Utrechtse kerk kon daarover dus geheel zelfstandig beschikken en het bestuur uitoefenen.

Schenkingen aan de Utrechtse kerk; de vorming van een bisdom Utrecht

Een andere belangrijke schenking aan de Utrechtse kerk was die van de burchten Traiectum en Vechten met het omliggende gebied in 723.[6] Na nog verschillende andere vooral koninklijke schenkingen en privileges te hebben ontvangen is de Utrechtse kerk eind achtste eeuw ten slotte zetel van een bisdom geworden.[7] Dit bisdom strekte zich uit langs de kust vanaf Vlaanderen tot aan Groningen. Het omvatte verder ongeveer de latere provincies Drenthe, Overijssel, de Veluwe en nagenoeg het hele Midden-Nederlandse rivierengebied.

Het vermogen van de Utrechtse kerk, waarvoor met de genoemde schenkingen de basis was gelegd, breidde zich ook nadien nog uit. Niet alleen de koning droeg allerlei bezittingen aan de kerk over. Dat deden ook belangrijke adellijke lieden en hun families, zoals bijvoorbeeld die van de missionaris Liudger. Bezittingen van de Utrechtse kerk – onder meer bestaande uit domeinen (of delen ervan), met de daartoe behorende en vooral erop werkende mensen, waarover de kerk algehele zeggenschap had – waren aldus verspreid gelegen over wat nu de provincie Utrecht is, maar ook elders in onder meer het Midden-Nederlandse rivierengebied.[8]

Het domaniale stelsel of hofstelsel

Het domaniale of hofstelsel is een landbouwexploitatiesysteem en stelsel van beheer van grootgrondbezit, dat wordt gekenmerkt door de volgende tweeledige structuur: enerzijds is er een hof (curtis, vroonhoeve) met daarbij land (terra indominicata, vroonland) dat vanuit de hof direct geëxploiteerd werd door middel van onvrijen en van de domeinheer afhankelijke boeren; anderzijds is sprake van een complex land (terra mansionaria) dat in verschillende delen (mansus, hoeven) van de domeinheer werd gehouden door van hem afhankelijke, dat wil zeggen onvrije boeren. Dezen bebouwden dat land voor eigen rekening, maar waren hun heer naast de betaling van een tijns (hoftijns) en leveranties in natura met name ook diensten verschuldigd, hetgeen onder andere inhield het gedurende een bepaalde tijd werken op het (vroon)land van de heer, dat is het land dat behoorde bij de hof. Voorts oefende die heer de rechtsmacht uit over deze mensen, die als onvrijen ook onderworpen waren aan allerlei beperkingen inzake huwelijken en vererving[9].

Domaniaal georganiseerde nederzetting
Een middeleeuwse domaniaal georganiseerde nederzetting.
1. de hof van de heer (vroonhoeve), met boederij en schuren; 2. dorp met de hoeven van de van de heer afhankelijke (onvrije) boeren; 3. op wat in onze streken de eng wordt genoemd was het akkerland gelegen, met: 3a. het vroonland (terra indominicata), dat vanuit de hof direct werd geëxploiteerd; en 3b. het hoevenland (terra mansionaria), dat in gebruik was bij en bewerkt werd door de boeren die een hoeve (van de heer) hielden. Het vroonland en het land behorend bij de hoeven lagen in het algemeen verspreid en vaak ook min of meer door elkaar (in aan elkaar grenzende stroken) op (verschillende delen van) de eng; 4. de gemeenschappelijke gronden, zoals die zowel ten behoeve van de heer als door de boeren met een hoeve in het dorp (gezamenlijk, collectief) werden gebruikt: 4a. de hooi- en weilanden; 4b. bossen; 4c. andersoortige gemeenschappelijke (woeste) gronden, bijvoorbeeld heidevelden, veengronden, etcetera; 5. overige elementen, ten aanzien waarvan de heer eveneens rechten had en voor het (verplichte) gebruik waarvan de boeren dienden te betalen: 5a. de molen; 5b. de (vis)vijver; en 5c. de kerk.

Het bestaan van domeinen in de hierboven beschreven klassieke zin (villae) met hoven (curtes) als uitbatingscentra van een goederencomplex is in het verleden voor de gebieden ten noorden van de grote rivieren sterk betwijfeld. Onderzoekingen als die van Dekker voor het Kromme Rijngebied[10] en Broer voor met name Eemland[11] hebben aangetoond dat het domaniale stelsel ook in deze streken niet onbekend is geweest en in de meeste oude nederzettingen op de een of andere wijze heeft gefunctioneerd.

Aangezien dit domaniale stelsel de meest typische vorm van beheer van grootgrondbezit in het Karolingische rijk was, valt wel aan te nemen dat invoering van dit systeem ook in deze streken heeft plaatsgehad na de verovering ervan door de Franken in de late zevende eeuw op het aldus uitgebreide koningsgoed en dus bestaan heeft in vele oude nederzettingen, in onder meer ook het Kromme Rijngebied. Door de Karolingische hofmeiers en koningen zijn sinds de achtste eeuw diverse schenkingen, onder meer van domeinen, gedaan aan de Utrechtse kerk. Deze aldus verworven bezittingen werden voor de kerk beheerd door de bisschop, waarom we dan spreken van bisschoppelijke (domein)goederen of domaniale bezittingen van de Utrechtse kerk.

In de loop van de elfde en vooral in de twaalfde eeuw blijkt dan het domaniale stelsel, zo het al in de hiervoor beschreven vorm in deze streken volledig gefunctioneerd heeft, vaak al verregaand ontbonden te zijn. We treffen dan hooguit restanten, herinneringen eraan aan, zoals het bestaan van (voormalige) vroonhoven, hoftijnzen, sporen van herendiensten en onvrijheid van mensen[12].

Alle bezittingen en de ermee verbonden rechten werden aanvankelijk door de bisschop als één vermogen, het bisdomsgoed, beheerd. Dit gebeurde onder het patronaat van Sint-Maarten, die vanaf het midden van de achtste eeuw gold als de kerkpatroon van de hele Utrechtse kerk. De bisschop had tot taak om dit vermogen aan te wenden ten behoeve van zijn kerk, dus ook voor het levensonderhoud van de hieraan verbonden geestelijken. Dezen zullen aanvankelijk een kloosterlijk leven hebben geleid in de gemeenschap die Willibrord gesticht had bij de kerk van Sint-Salvator (Oudmunster). Waarschijnlijk werden er voorts ook geestelijken verbonden aan de Sint-Maartenskerk. Deze was vanaf het midden van de achtste eeuw de hoofdkerk en werd in het laatste kwart van die eeuw de kathedraal van het bisdom Utrecht. Zo bestonden er op een gegeven moment twee kloostergemeenschappen, één verbonden aan Sint-Salvator en één aan Sint-Maarten.[13]

Bezit dat de Utrechtse kerk in de vroege negende eeuw in deze contreien moet hebben gehad, is vermeld in de zogenaamde Commemoratio.[14] Hierin worden voor het gebied rond Utrecht langs Kromme Rijn en Vecht verschillende nederzettingen (domeinen) genoemd, die geheel of gedeeltelijk aan de Utrechtse kerk behoorden (Werkhoven, Odijk, Fresdore, Bunnik, Vechten, Nesseshort, Suegnon, Rudinhem, Zwesen, Maarssen en wellicht Loenersloot). Mogelijk is in deze periode de Utrechtse kerk al de belangrijkste individuele gerechtigde geweest in wat nu de provincie Utrecht is en toen gold als bewoond gebied.

Bisschop en clerus op de vlucht

Na een periode van opbouw van de Utrechtse kerk, totstandkoming van het bisdom en de nodige schenkingen, waardoor zich een zeker kerkelijk vermogen had ontwikkeld, kregen in de negende eeuw grote delen van het Frankische Rijk en ook onze streken te maken met aanvallen van de nog heidense Noormannen. Het rijksbestuur – dat onder de opvolgers van Karel de Grote door interne verdeeldheid ernstig verzwakt was – bleek niet op een dergelijke bedreiging van buitenaf ingesteld. De bescherming van de bevolking werd noodgedwongen overgelaten aan regionale machthebbers, die er aldus in slaagden hun positie ten opzichte van het rijksgezag aanmerkelijk te versterken en uiteindelijk veel macht naar zich toe te trekken.

Voorkomen werd echter niet dat in deze periode naast Dorestad ook Utrecht herhaalde malen werd geplunderd, platgebrand en verlaten. De Utrechtse bisschop nam in 857/858 met zijn geestelijken de wijk. Eerst vestigden ze zich in Odiliënberg aan de Maas, later in Deventer. De bezittingen van de Utrechtse kerk zullen daarmee onbeheerd zijn geweest. Ze raakten in handen van veroveraars, maar zeker ook van voornoemde lokale heerschappen, die ze eenvoudigweg usurpeerden.[15]












[16] Van Winter, ‘Bisschop Balderic en de rijkskerk’, 105; Kaj van Vliet, ‘De stad van de bisschop’, in: Een paradijs vol weelde. Geschiedenis van de stad Utrecht (Utrecht 2000), 45-71, 46-47; Broer, Uniek in de stad, 69, 122-123.








[17] Van Winter, ‘Bisschop Balderic en de rijkskerk’, 106-110; dez., ‘De rijksbisschoppen in de 11e eeuw’, 115-130, 125; Van Vliet, ‘De stad van de bisschop’, 48-49; Broer, Uniek in de stad, 89-90; dez., Monniken in het moeras. De vroegste geschiedenis van de abdij van Sint-Laurens in het Oostbroek bij Utrecht (Utrecht 2011) 31-32.

Otto III en bisschoppen
Keizer Otto III met zijn helpers bij het bestuur, onder wie met name ook bisschoppen waren. Deze nauwe, maar vooral ook als vanzelfsprekend ervaren band en samenwerking tussen wereldlijke macht, het regnum, en de geestelijke macht, het sacerdotium, is typerend voor het zogeheten Ottoonse of rijkskerkstelsel, zoals dat sinds de tiende eeuw tot aan de Investituurstrijd in de latere elfde eeuw in het Duitse rijk functioneerde. Aken, Evangeliarium Otto III.


[18] Van Winter, ‘Bisschop Balderic en de rijkskerk’, 106-108(-110).

Bisdom Utrecht en Sticht
De grenzen van het bisdom Utrecht en het Sticht en de omliggende bisdommen. Het Sticht is grijs gearceerd (links-midden het Nedersticht en rechts-boven het Oversticht). Tek. A.F.E. Kipp. Legenda: 1. grenzen van het bisdom Utrecht; 2. grenzen van het Sticht; 3. grenzen van de omliggende bisdommen; 4. de plaatsen van de bisschopszetels.

Rivierlopen en kerken in Utrecht
Kaart van Utrecht met de rivierlopen en de kerken in de elfde eeuw.







Monniken in koorbanken
Benedictijner monniken, herkenbaar aan hun zwarte pijen, in het koor bijeen voor wat gold als de hoofdtaak van monniken (en kanunniken): het op vaste tijden, verdeeld over het etmaal, verrichten van het koorgebed.






















































[19] Broer, Uniek in de stad, 121-126.

[20] Zie voor het proces van goederendeling en ook de achtergronden van de schenkings-, stichtings- en doteringspraktijk: Broer, Uniek in de stad, 223-237, 121-126, 604-607 (samenvatting).

[21] Broer, a.w., 132-137, 208-209; dez., Monniken in het moeras, 32-33.












[22] Van Winter, ‘De rijksbisschoppen in de 11e eeuw’, 130.

[23] De Bruijn, ‘Consules civitatis’, 17-18; Van Vliet, ‘De stad van de bisschop’, 66-68.

Meier en boeren op het land
Meier met boeren, werkend op het land.

[24] J.M. van Winter, ‘De opkomst van ministerialiteit en ridderschap’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I , 169-180, 171-173; C. Dekker, ‘De ontginning’, ald. 131-142, 134; Van Vliet, ‘De stad van de bisschop’, 68-69.
















Markt onder toezicht bisschop
Markt. Onder toezicht van de bisschop, als stadsheer, worden vee en andere zaken verhandeld, zitten kooplui in hun kramen en wordt er wijn en bier gedronken. Miniatuur, Frankrijk, veertiende eeuw.

[25] De Bruijn, ‘Consules civitatis’, 7-8; Van Vliet, ‘De stad van de bisschop’, 51-52, 69-71.

[26] M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen. Stichtse Historische Reeks 18 (Utrecht 1994), 52-54 en de daar genoemde literatuur; dez., ‘Consules civitatis’, 7-8; dez., ‘Buurschap en gerecht’, 136-137; vergelijk ook: C. van Rooijen, ‘Utrecht in de periode 700-1200’, Jaarboek Oud-Utrecht 2010, 5-46, met een overzicht van de archeologische vondsten in het stadsgebied.

[27] Kaj van Vliet, ‘De stad van de burgers’, in: Een paradijs vol weelde. Geschiedenis van de stad Utrecht, 73-111, 75-79.
Terugkeer van de bisschop en herstel van de Utrechtse kerk

Omstreeks 920 konden bisschop en geestelijkheid weer naar Utrecht terugkeren. Men nam er de wederopbouw van de kerken ter hand en richtte zich ook op het herkrijgen van de verloren gegane bezittingen en rechten. Hiertoe diende toen mogelijk de eerder vermelde Commemoratio, de optekening van het bezit dat men eertijds had gehad. Belangrijke steun voor het herstel ging er uit van het feit dat de toenmalige bisschop Balderik (918-975) op goede voet stond met de koning of keizer van het Oost-Frankische, later Heilig Roomse of Duitse rijk, waartoe het grootste deel van ons land toen definitief is gaan behoren.[16]

Deze Duitse koningen en keizers slaagden erin in de loop van de tiende eeuw geleidelijk het rijksgezag te herstellen. Daarbij was het met name zaak om de binnen het Rijk naar meer zelfstandigheid strevende graven en andere heren in het gareel te brengen en weer aan het gezag van de keizer te onderwerpen. Met dat doel voor ogen hebben de keizers op een speciale manier de traditioneel nauwe band tussen koning en kerk benut en de onderlinge samenwerking geïntensiveerd.

‘Rijkskerkstelsel’: bisschoppen ook met wereldlijke macht bekleed[17]

Vanaf de latere tiende maar vooral in de elfde eeuw werden door de keizers benoemde bisschoppen – in beginsel kerkelijke functionarissen – steeds nadrukkelijker ingeschakeld in de uitoefening van het (wereldlijk) bestuur van het Rijk. Hun werden namelijk in verschillende delen van het Rijk grafelijke rechten toegekend en een soort oppergezag boven de graven verleend. Het voordeel hiervan was niet alleen dat de keizer hiermee over in het algemeen goed opgeleide mensen kon beschikken. In het verleden was ook gebleken hoe belangrijke ambten in handen van lekenheren, erfelijk waren geworden, waardoor – omdat een functionaris niet meer kon worden afgezet – de keizer zijn greep op de macht verloor. Een bisschop daarentegen mocht niet trouwen, had dus geen wettige nakomelingen aan wie hij zijn positie en macht kon overdragen, waardoor de keizer na de dood van zo’n bisschop eenvoudigweg een nieuwe, hem welgevallige en getrouwe persoon in een functie kon benoemen. Duidelijk is dat het succes van deze handelwijze stond of viel met de mogelijkheid van de keizer om zelf bisschoppen in zijn Rijk te benoemen.

De Utrechtse kerk als deel van de Rijkskerk

Ook de Utrechtse kerk functioneerde sinds de tijd van bisschop Balderik in de tiende eeuw op deze manier. Door de keizers werden haar aanvankelijk eenvoudigweg allerlei goederen (al dan niet domaniaal georganiseerd grondbezit) en rechten geschonken. Deze hielden, als gezegd, ook de uitoefening van gezag over mensen in. Daarbij ging het vooralsnog alleen om mensen die – vaak als onvrijen – verbonden waren aan de kerk en woonden en werkten op haar eigen bezittingen. Vanaf het begin van de elfde eeuw betreffen de schenkingen evenwel ook grafelijke rechten in verschillende gebieden en daarmee het algeheel gezag over mensen in zo’n gebied. De verwerving door de bisschop van uiteindelijk hele graafschappen deed op den duur het zogeheten Sticht ontstaan, het gebied waarover de bisschop het wereldlijk gezag had. Dit gebied bestond uit twee van elkaar gescheiden delen, namelijk het Nedersticht, ongeveer bestaande uit de huidige provincie Utrecht, en het Oversticht, dat globaal gesproken Overijssel, Drenthe en de stad Groningen omvatte.

Het zal duidelijk zijn dat dit Sticht als het wereldlijk gebied van de bisschop maar een betrekkelijk klein deel van het gebied van het bisdom was, waarover de bisschop als kerkelijk functionaris de leiding had. Daartoe behoorden immers ook zo ongeveer de latere provincies Zeeland, Holland, Friesland en Gelderland, waar in de meeste gevallen de wereldlijke macht in handen was van lekendynasten, zoals de graven van Holland en Gelre.[18] Zeker was het ook de bedoeling dat de bisschop als rijksbisschop een soort van oppergezag zou hebben en controle uitoefenen over deze en andere graven, die zich vaak alles behalve trouw ten opzichte van het Rijksgezag gedroegen. Deze laatsten hebben evenwel op den duur toch hun positie weten te versterken, waar die van het Rijk en ook de bisschop verzwakte. In de elfde eeuw leek vooralsnog de bisschop van Utrecht – in dienst van de keizer – oppermachtig en heeft hij door koninklijke steun en schenkingen van bevoegdheden, grondbezit en allerlei andere rechten geruime tijd het vermogen van zijn kerk steeds verder zien toenemen.

Nieuwe geestelijke instellingen

Naast de bisschoppen profiteerden hiervan vooral ook de aan de Utrechtse kerk verbonden geestelijken. Voor hun levensonderhoud werden het toenemend kerkelijk vermogen of althans de inkomsten daaruit in het algemeen aangewend. In Utrecht was er aanvankelijk in de tweede helft van de tiende eeuw sprake van twee afzonderlijke gemeenschappen van geestelijken. Eén was er als gezegd vanouds – al sinds de tijd van Willibrord als grondlegger van de Utrechtse kerk – verbonden aan de kerk van Sint-Salvator of Oudmunster, de ander aan de in de achtste eeuw tot kathedrale kerk (dom) geworden kerk van Sint-Maarten. Beide instellingen, later als kapittels georganiseerd, kregen op den duur delen van het algemeen kerkelijk vermogen toebedeeld. Zo vormden zich eigen afzonderlijke vermogens, waarover men ook zelf het beheer ging voeren.

Deze geestelijken zullen bovendien ook betrokken zijn geraakt bij de uitoefening en ondersteuning van de zich uitbreidende bestuurs- en beheerstaken van de bisschop. De groei van het kerkelijk vermogen maakte het tezelfdertijd echter eveneens mogelijk meer geestelijken aan te trekken en te onderhouden.

Zo was al omstreeks het jaar 1000 vanuit het oude monasterium van Sint-Salvator een afzonderlijke gemeenschap van monniken ontstaan, die aanvankelijk gevestigd was op de Hohorst bij Amersfoort. In de loop van de elfde eeuw werden er daarna nog een drietal gemeenschappen van kanunniken, de kapittels van Sint-Pieter en Sint-Jan (omstreeks het midden van de elfde eeuw ten tijde van bisschop Bernold (1027-1054)) en dat van Sint-Marie (omstreeks 1081 onder bisschop Koenraad (1076-1099)), gesticht. Bisschop Bernold was ook degene die circa 1050 de toen inmiddels als benedictijner abdij georganiseerde gemeenschap van de Hohorst liet terug overbrengen naar Utrecht, waar ze naast de zusterinstellingen, de kapittels, een plaats kreeg en bekend zou staan als de abdij van Sint-Paulus.

Monniken en kanunniken en het belang voor een bisschop van het stichten van kapittels en kloosters

In het algemeen wordt onder een monnik verstaan degene die zich uit de wereld terugtrekt en zich – in een klooster of abdij, onder leiding veelal van een abt – volledig wijdt het opus Dei, het werk Gods, dat is het koorgebed op gezette tijden, waarin aan God lof werd gebracht. Zeven of acht maal per etmaal kwam men aldus bijeen voor het koorgebed, het eren van God door de liturgie, dat zo het hele dagritme van de monniken bepaalde. Als blijk van hun intentie de wereld vaarwel te zeggen en zich volledig te wijden aan het koorgebed, legden monniken een drietal geloften af, namelijk die van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede. Bij dat laatste ging het om persoonlijke armoede, want juist om de kloosterlingen in staat te stellen zich vrij van wereldse beslommeringen te wijden aan het (koor)gebed (zeven of acht keer per etmaal), had een kloostergemeenschap op zich toch altijd een zeker bezit nodig, waaruit opbrengsten en inkomsten voortkwamen, die konden worden aangewend voor het onderhoud van de monniken en de instandhouding, maar vaak ook verfraaiing van de kerk- en kloostergebouwen. In de regel van Benedictus was tevens handarbeid voorgeschreven, maar dat raakte – juist door de nadruk op het opus Dei, de goddelijke eredienst, die in de uitwerking steeds luisterrijker werd en meer tijd en energie in beslag nam – op den duur nogal eens op de achtergrond. In de loop van de Middeleeuwen hebben er mede daarom ook regelmatig monastieke ‘hervormingen’ plaatsgehad, waarbij dan onder meer het belang van die handarbeid of andere punten uit de regel, die men veronachtzaamd had, opnieuw benadrukt werden.

Monniken met regel
Monniken in de kapittelzaal bijeen, luisterend naar het voorlezen door de abt van (een hoofdstuk of kapittel uit) de regel van Benedictus. Tijdens dergelijke bijeenkomsten werden door de abt en de monniken ook allerlei aangelegenheden die de abdij betroffen besproken. Stedelijke Bibliotheek, Kortrijk.

Onder een (seculier) kapittel werd verstaan een gemeenschap van kanunniken, die levend volgens de zogenaamd Akense regel (institutio canonicorum) onder leiding van een proost weliswaar evenals monniken tot taak hadden het verrichten van het geregeld koorgebed, maar die anders dan monniken geen gelofte van (persoonlijke) armoede aflegden, dus persoonlijk bezit mochten hebben en houden. Dit betekende op den duur dat het in principe voor kanunniken (in hun regel) voorgeschreven en gebruikelijke gemeenschappelijk leven (de vita communis), zoals ook monniken dit kenden, bij kapittels in onbruik geraakte en de meeste kanunniken uiteindelijk afzonderlijk in eigen huizen (binnen de zogeheten kapittelimmuniteiten) gingen wonen. Minder nadrukkelijk uit de wereld teruggetreden waren kanunniken en vooral ook hun proosten vaak nauw betrokken in onder meer het bestuur van kerk, bisdom en ook het Sticht.

Uitbreiding van zijn bestuurlijke taken ten behoeve van bisdom en Sticht, zoals die vanaf met name de elfde eeuw plaatshad, zullen de bisschop er toe hebben gebracht meer geestelijken, vooral kanunniken, aan zijn kerk te doen verbinden.Het was echter meer in het algemeen ook de taak en plicht van de bisschop steeds te zorgen voor een vermeerdering van de goddelijke eredienst (augmentum cultus divini), dit door kerken te bouwen met daaraan verbonden geestelijken, kannuniken maar ook monniken, die daar hun koorgebed verrichtten en zo God eerden. Feitelijk diende iedere goede en verantwoordelijke bisschop steeds weer alles wat hem als vermogen ten dienste stond hiertoe aan te wenden. De groei van het kerkelijk vermogen, zoals die in loop van de elfde eeuw plaatshad door met name aanzienlijke koninklijke schenkingen van belangrijke goederen en (ook wereldijke) rechten, heeft de Utrechtse bisschoppen in staat gesteld niet alleen bestaande geestelijke instellingen als die van Sint-Salvator en dom nadere schenkingen te doen, maar ook in betrekkelijk korte tijd een aantal nieuwe te stichten en deze gemeenschappen van monniken (de abdij op de Hohorst, later de Sint-Paulusabdij in Utrecht) maar vooral ook kanunniken (de kapittels van Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Marie) vanuit het algemeen kerkelijk vermogen van een eigen (begin)vermogen te voorzien[19].

Aan elk van de nieuwe instellingen werden bij hun stichting maar ook nadien delen van het algeheel kerkelijk vermogen toebedeeld, bedoeld om te voorzien in het onderhoud van de geestelijken. Van meet af aan was hier dus sprake van afzonderlijke eigen vermogens, die door de geestelijken zelf werden beheerd en verder ontwikkeld.[20] Omdat ze ook steeds betrokken zijn geweest bij het bestuur van de Utrechtse kerk, werden deze instellingen – de vijf kapittels en de Sint-Paulusabdij in de bisschopsstad – belangrijke en vooral zeer rijke instanties, met uitgebreide en belangrijke bezittingen en rechten, verspreid gelegen over verschillende delen van het bisdom.[21]

Opkomst van de bisschoppelijke ministerialen

In de entourage van de bisschop zullen zich steeds tal van meer en minder belangrijke lieden hebben opgehouden. Hiervan waren er velen op de een of andere wijze ingeschakeld bij het bestuur van bisdom en Sticht maar ook het beheer van de al dan niet verspreid gelegen complexen van kerkelijke goederen en rechten. Naast de (kapittel)geestelijkheid en (vrije) adel ging het hierbij met name ook om de speciale categorie van oorspronkelijk onvrije dienstlieden (ministerialen).[22] Aanvankelijk vervulden deze lieden vooral functies aan het hof, bijvoorbeeld die van stalmeester, kamerheer, schenker, of ze deden dienst in het bisschoppelijk leger. Op een gegeven moment werden hen evenwel ook ambten op het gebied van het bestuur en de rechtspraak toegekend. Het kon dan bijvoorbeeld gaan om de functie van meier, dat wil zeggen de beheerder van bepaalde (domein)goederen, van schout, dit is de voorzitter bij de rechtspraak, of van tollenaar, opbeurder van de tollen. Soms was er ook sprake van een combinatie van functies.[23]

Door de vervulling van deze vaak belangrijke taken in dienst van de bisschop stegen deze dienstlieden op de maatschappelijk-sociale ladder, in rijkdom en ook aanzien. Daarmee geraakte op den duur hun onvrije status op de achtergrond of werd deze juist tot een geprivilegeerde en vooral voordeel brengende positie. Lieden uit deze groep van bisschoppelijke ministerialen waren het ook die – evenals verschillende kerkelijke instellingen met bezittingen her en der – nadrukkelijk betrokken werden bij de hierna te bespreken meer grootschalige ontginningen die in deze tijd een grote vlucht namen.[24]

Ministerialiteit

Ministerialen of dienstlieden waren in oorsprong onvrijen, belast met diensten in de huis- en hofhouding maar ook in het leger van de bisschoppen en andere landsheren (in wording). Betrof het hierbij aanvankelijk bescheiden en vaak duidelijk ondergeschikte functies, deze dienstlieden kregen van hun heren op den duur ook verschillende belangrijker bestuurstaken, bijvoorbeeld die van schout, meier en zelfs stadsgraaf. Het voordeel van inschakeling van deze onvrije lieden was voor de heer gelegen in hun gebondenheid en afhankelijkheid aan hem. In beginsel zullen deze functies ook alleen aan één persoon en voor diens leven zijn verleend. Ook op die manier zal de heer hebben willen voorkomen dat hij (een deel van) zijn macht niet definitief uit handen gaf. Echter op den duur werden ook deze functies erfelijk, raakte door het belang van de functies die ze bekleedden de onvrije status van deze lieden op de achtergrond en had er door huwelijk zelfs ook vermenging van deze ministerialen met de oude adel plaats. Geleidelijk vormde zich – vanuit de oude adelsgroep en de ministerialiteit – een nieuwe stand, die van de ridders. Deze leefden op adellijke wijze, riddermatig, als heer, wat wil zeggen dat zij krijgsdiensten te paard verrichtten, een verdedigbaar huis bezaten en grondbezit hadden waar zij niet alleen inkomsten uit trokken maar ook overheidsgezag (rechtsmacht) uitoefenden over degenen die er woonden en de grond bebouwden.

De opkomst van Utrecht als handelsplaats

De ontwikkeling van de Utrechtse kerk als onderdeel van de rijkskerk en de positie van de bisschop ook als wereldlijk heer heeft Utrecht al in de loop van de elfde eeuw doen uitgroeien tot niet alleen een politiek-kerkelijk machtscentrum, met verschillende grote kerken en daaraan verbonden geestelijke instellingen zoals de kapittels en de benedictijner Sint-Paulusabdij, maar ook een plaats van economische betekenis.[25]

In de schaduw van de bisschoppelijke burcht, waarbinnen zich de oudste kerken bevonden, groeide de bevolking en was er sprake van een toename van activiteiten op het gebied van handel en nijverheid. Belangrijk werden met name de kooplieden, die vooral gevestigd zullen zijn geweest in de ten westen van de burcht gelegen handelswijk Stathe. Ook langs de Vecht en in het zuiden van het latere stadsgebied langs de Rijn ontwikkelde zich een dergelijke nederzetting.[26] Aanvankelijk was de positie van kooplui en handelaren – naast clerus, krijgers en boeren – maatschappelijk gezien vaag en marginaal. Vanwege de waren, vaak luxe goederen, die ze leverden en met de rijkdom die ze voor zichzelf vergaarden, nam echter het aanzien van een deel van hen wel toe. En meer dan grondbezit en de daarmee verbonden rechten, die de basis waren geweest van de macht en invloed van koning, adel en kerk, was het nu rijkdom in geld en goederen die met name de handelaren macht gaf. Als burgers streefden ze voorts naar politiek-maatschappelijke erkenning en invloed. Daar hun aanwezigheid en activiteiten steeds belangrijker werden – via tollen, bedes en leningen verschaften ze ook machthebbers ruimere financiële middelen – waren uiteindelijk zowel de bisschop als de keizer bereid deze nieuw opkomende groep in hun streven tegemoet te komen en hun belangrijke rechten en privileges te verlenen.[27]

Stathe
De Oudegracht met zicht op de huizenrij waar eens de aanlegplaatsen voor schepen lagen van de vroegere handelswijk Stathe. Op de achtergrond de toren van de Buurkerk, de oudste parochiekerk van de burgers. Foto: M.W.J. de Bruijn 2011.













[28] Van Winter, ‘De rijksbisschoppen in de 11e eeuw’, 126; Broer, Monniken in het moeras, 35-36.

[29] C. Dekker, ‘De stichting van parochies’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 143-154, 148-149.





















[30] Kaj van Vliet, In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227 (Zutphen 2002), 348-349; Broer, Monniken in het moeras, 42.








[31] Broer, a.w., 38-41.

[32] B.J.P. van Bavel, ‘Het kloosterleven’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 313-328, 313-314; Broer, Monniken in het moeras, 42.















Monniken biddend en werkend
Monniken (cisterciënzers) in gebed en aan het werk op het land. Miniatuur, twaalfde eeuw. University Library Cambridge, Mm 5.31. f. 113r.

[33] Broer, a.w., 42-43.





[34] Van Vliet, In kringen van kanunniken, 347-348; Broer, Monniken in het moeras, 35-37.

Confrontatie paus en keizer
Afbeelding in de 'wereldkroniek' van Otto van Freising, 1170. Weergegeven is de confrontatie tussen paus Gregorius VII en keizer Hendrik IV. Bovenaan is te zien hoe paus Gregorius in 1082 uit Rome wordt verdreven, nadat  keizer Hendrik IV een tegenpaus had aangesteld. Links onder ziet men Gregorius omringd door  hem getrouwe bisschoppen, terwijl rechtsonder verbeeld is hoe Gregorius in 1085 in ballingschap in Salerno overlijdt. Thüringer Universiteitsbibliotheek, Jena.

Zegel bisschop Godebald
Zegel van bisschop Godebald, 1119. Natekening door Diderik van Atteveld, 1698. Het Utrechts Archief.


[35] Broer, a.w., 37-38, 49-51.






































[36] De Bruijn, ‘Consules civitatis’, 20-21; Broer, Monniken in het moeras, 37, 51-52.

Paleis Lofen
Een deel van de onderverdieping met zuilen van het voormalig keizerlijk paleis Lofen tussen de Vismarkt en het Domplein, waar zowel de oorkonde van keizerin Mathilde van 14 mei 1122 voor de Sint-Laurensabdij in het Oostbroek als ook de zogenaamde stadsrechtoorkonde van 2 juni 1122 voor de burgers zal zijn uitgevaardigd.

[37] Broer, a.w., 117-121.








[38] Ald., 121.

[39] Dekker, Het Kromme Rijngbied, 163-165.

Rivierlopen Nedersticht
Overzicht van de rivierlopen rond Utrecht met de Vaartse Rijn, die na de afdamming van de  Rijn bij Wijk bij Duurstede naar de IJssel toe gegraven is. Afb. ontleend aan: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 239. Bew. M.W.J. de Bruijn.









[40] C. Dekker, ‘De voortgang van de ontginning’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht I, 157-168, 157; Kaj van Vliet, ‘Utrecht, Muiden en omgeving. Oude privileges opnieuw bezien’, Jaarboek Oud-Utrecht 1995, 5-52, 28-34, met name 30-31; dez., ‘De stad van de burgers’, 75; Broer, Monniken in het moeras, 57, 64.
Veranderingen sinds de latere elfde eeuw:
kerkelijke hervormingen en meer


De latere elfde, maar vooral de (vroege) twaalfde eeuw is een periode waarin zich op tal van terreinen – kerkelijk en monastiek, maar ook politiek, economisch en sociaal-maatschappelijk – ingrijpende en vergaande veranderingen voltrokken.

Het beeld van deze periode wordt dan eerst en vooral bepaald door de opkomst, al in de tweede helft van de elfde eeuw, van een streven naar hernieuwing van de kerk.[28] Centraal daarbij stond de kerkelijke libertas, de vrijheid van de kerk ten opzichte van leken. Hun macht en invloed op en in de kerk waren tot dan toe steeds bijzonder groot geweest. Een lekenheer kon, omdat hijzelf, zijn voorouders of rechtsvoorgangers een rol hadden gespeeld bij de stichting en begunstiging van een kerk, deze blijven beschouwen als zijn eigendom of eigenkerk. Dit gaf hem dan behalve de beschikking over het kerkelijk vermogen en een deel van de kerkelijke inkomsten vaak ook het recht de priester-pastoor te benoemen.[29] Door onder meer dit eigenkerkrecht van leken tegen te gaan, zo was de gedachte, zou ook aan allerlei misstanden binnen de kerk een einde komen. De kerk zou voorts zelf haar koers kunnen bepalen en zaken regelen, met behulp van goed opgeleide, op hun taak berekende en op de belangen van de kerk zelf gerichte mensen. Inderdaad werd er aldus aan bepaalde wantoestanden een eind gemaakt en werden er ook regelingen getroffen waarbij eigenkerkheren van hun rechten afstand deden of anderszins garanties gaven dat de libertas ecclesie zou worden gerespecteerd.

Religieuze herleving: het ideaal van de vita apostolica

De strijd tegen missstanden, het nieuwe besef van normen en regels en de nadruk op naleving hiervan, zoals dat aanvankelijk bij het hervormingsstreven centraal stond, maakte religieuze krachten los die verder en dieper gingen dan alleen het wegnemen van die misstanden, de naleving van regels en het kerkelijk recht of zelfs een hervorming van het pausdom. Normen werden uiteindelijk hoger gesteld en men ging ook nadenken over de bron en basis van het geloof. Zo ontwikkelde zich eveneens een beweging waarbinnen de evangeliën en de geschriften van de apostelen zelf (opnieuw) de primaire norm werden geacht voor een waarlijk christelijk leven, als bron van vroomheid en appèl aan elke christen om de eerste volgelingen van Christus, de apostelen na te volgen. Daarmee werd het ideaal van de vita apostolica, op zich al oud en de basis voor de vroege kerk, nieuw leven ingeblazen en vond het ook in een brede kring van gelovigen weerklank.[30]

Nieuwe kloosterstichtingen

Belangrijke vergelijkbare ontwikkelingen deden zich inmiddels ook voor op het monastieke vlak. Niet alleen was op verschillende manieren getracht ook kloosters te vrijwaren van te grote macht en invloed van leken.[31] In deze periode werden er vrijwel overal onder invloed van de algehele vernieuwingsbeweging tal van nieuwe kloosters en abdijen gesticht. Kenmerkend voor de meeste van deze nieuw ontstane gemeenschappen -- en dan maakt het nauwelijks verschil of het ging om reguliere kanunniken, premonstratenzers, cisterciënzers of zelfs `gewone' benedictijnen – was een houding ten opzichte van rijkdom en armoede, de taak van kloosterlingen in de wereld en persoonlijke spiritualiteit, die sterk verschilde van wat tot dan toe in het benedictijnendom gebruikelijk was.[32]

Traditioneel gold het als de primaire taak van monniken God te eren. Daarop diende in beginsel alles in het leven van iemand die de wereld vaarwel had gezegd en monnik was geworden gericht te zijn. Dat betekende echter niet dat in het verleden, de tiende en elfde eeuw, monniken niet ook een sociaal-religieuze functie hadden in en ten opzichte van de samenleving. Van hen werd namelijk toch ook verwacht dat ze baden en missen lazen ten behoeve van anderen buiten het eigen klooster. Dat konden bisschoppen zijn, maar zeker ook leken en hun families die het klooster hadden gesticht of het begunstigden. Het resultaat was dat kloosters vaak materieel gezien welvarend, zo niet rijk waren, terwijl echter tegelijkertijd macht en invloed van buiten – de vaak machtige begunstigers – op het kloosterleven groot was.

Bij veel nieuwe stichtingen die nu in de latere elfde en vooral vroege twaalfde eeuw plaatshadden was er sprake van dat men zich werkelijk en zeer rigoreus terugtrok uít de samenleving en (als heremieten) de eenzaamheid zocht. Nadruk legde men ook op contemplatie, gericht op de eigen spirituele behoeften van de monniken, en vooral ook op soberheid en armoede. Materiële rijkdom voor nieuwe kloosters en abdijen wees men ook resoluut af. Met eigen arbeid diende voorzien te worden in het eigen onderhoud. Het is deze visie op het monastieke leven die in de loop van de twaalfde eeuw terrein won en uiteindelijk ook de maatstaf werd voor de beoordeling van het streven naar religieuze perfectie, zoals dat in het kloosterleven centraal stond.[33] Het is in dat licht dat we ook het ontstaan zo omstreeks 1121 van de nieuwe kloostergemeenschap van Sint-Laurens in het Oostbroek moeten zien.

Investituurstrijd

Het kerkelijk hervormingsstreven heeft geruime tijd kunnen rekenen op de steun van de koningen en keizers van het Duitse rijk en de traditioneel nauw met hen verbonden bisschoppen in het Rijk.[34] Op een gegeven moment richtte echter het hervormingsstreven zich ook op de positie van de koning zelf. Bij sommige hervormers, waaronder paus Gregorius VII, ontwikkelde zich de overtuiging dat uiteindelijk ook de koning gewoon als leek moest worden beschouwd. Deze zou dan ook binnen de kerk niet die vergaande bevoegdheden hebben die hij vanouds claimde. De nadruk bij de hervormingen kwam daarmee in de latere elfde eeuw dus te liggen op de lekeninvloed op het hoogste niveau, met name de mogelijkheid dat de koning zelf bisschoppen benoemde. Het recht om dit te doen werd daarop de koning door de paus ontzegd.

De confrontatie en daaropvolgende strijd – men spreekt in dit geval van de Investituurstrijd – tussen keizer en paus waren hevig. Dat kwam vooral ook doordat het conflict het kristallisatiepunt vormde voor tal van andere politieke tegenstellingen in het Rijk. Wereldlijke heren, die zich vaak beknot voelden in de ontplooiing van hun eigen macht, zagen nu hun kans schoon. Ze kozen partij voor de paus en zegden de (door de paus geëxcommuniceerde) keizer hun trouw op. De bisschoppen in het Rijk daarentegen, vaak door de keizer als zijn getrouwen benoemd en als steunpilaren voor het rijksgezag uitvoerig door hem begunstigd, kozen in het algemeen niet de kant van de paus maar juist die van de keizer.

Situatie in Utrecht

Lang zijn in Utrecht de bisschoppen trouw gebleven aan de keizer. Pas in de vroege twaalfde eeuw leek echter langzaam het tij te keren. Na de dood van bisschop Burchard (1100-1112) was er enige aarzeling bij het aanstellen van een opvolger. Deze trad pas na twee jaar aan in de persoon van Godebald (1114-1127), van wie uiteindelijk niet echt bekend is hoe hij werd benoemd: als vanouds door de keizer of op de door de hervormers voorgestane canonieke wijze door verkiezing `door clerus en volk'.

Godebald treffen we omstreeks 1116 echter aan in het hervormingsgezinde kamp, ogenschijnlijk dan staand tegenover de keizer. Bij andere gelegenheden echter blijkt hij, ondanks zijn hervormingsgezinde stellingnames, met keizer Hendrik V steeds een betrekkelijk goed contact te hebben gehad. Verschillende malen bezocht de keizer, al dan niet samen met de keizerin, Utrecht en was er – bij bijvoorbeeld de ontginningen, maar ook de stichting van een nieuwe abdij – sprake van een constructieve samenwerking.[35]

Verloving Hendrik en Mathilde
Nadat eerder in het jaar in Utrecht de verloving had plaatsgehad, werd in juli 1110 in Mainz het huwelijk gesloten tussen keizer Hendrik IV en de jonge Mathilde, dochter van koning Hendrik I van Engeland, ter gelegenheid waarvan uiteraard ook een feestmaal werd gehouden. Hendrik en Mathilde bezochten nadien samen nog regelmatig ook Utrecht, waar in paleis Lofen  aldaar vergelijkbare maaltijden en ontvangsten zullen zijn gehouden. Miniatuur uit een anonieme keizerskroniek, 112-1114. Corpus Christi College Cambridge, MS. 373, f. 95b.

Einde van de Rijkskerk

Toch veranderde er ook in Utrecht geleidelijk een en ander in de verhoudingen. Duidelijk was dat van een directe benoeming van bisschoppen door de keizer in de toekomst geen sprake meer kon zijn en daarmee feitelijk een einde kwam aan de Rijkskerk zoals die tot dan toe functioneerde.[36]

Voor de uitoefening van zijn gezag kon de keizer sindsdien niet meer volledig en onvoorwaardelijk rekenen op de Utrechtse bisschop als steunpilaar voor zijn gezag. Veeleer zal hij zich ook hebben moeten richten op belangrijker wereldlijke heren, zoals de graven van Holland en Gelre. Steun heeft hij bovendien gezocht bij andere, nieuw opkomende groepen, zoals bijvoorbeeld burgers en kooplieden. Deze politieke verschuivingen hebben uiteraard consequenties gehad.

In de eerste plaats gold dit natuurlijk de bisschop zelf. Hij was niet langer de enige op wie de keizer steunde. En zonder de vanzelfsprekende steun van de keizer stond hij in het algemeen betrekkelijk zwak tegenover met name de graven van Holland en Gelre, maar ook andere wereldlijke heren. Ook aan de schenkingen en de toekenning van allerlei lucratieve rechten aan de Utrechtse kerk door de keizers was een einde gekomen, waardoor de bisschop over aanzienlijk minder middelen beschikte om zijn positie te handhaven.

Dat het kerkelijk vermogen niet langer groeide, merkten ook de belangrijke Utrechtse kapittels en de Sint-Paulusabdij. Tot dan toe had de bisschop deze instellingen steeds ruimhartig laten delen in het kerkelijk vermogen. Daaraan leek nu een einde gekomen. Met lede ogen heeft men wellicht moeten aanzien hoe de bisschop met wat hij nog aan midddelen had noodzakelijkerwijs anderen, bijvoorbeeld zijn ministerialen, begunstigde. En zeker zal men er op voorhand moeite mee hebben gehad dat de bisschop een nieuwe religieuze gemeenschap nog met delen van dat algemeen kerkelijk vermogen zou begunstigen.[37]

Plannen voor nadere ontginningen

Een zekere uitweg bood in deze situatie wellicht de in verschillende delen van het Nedersticht nog ruimschoots aanwezige wildernis en de mogelijkheid tot het ontginnen daarvan.[38] Voor wat betreft die meer uitgestrekte, vrijwel lege en onbewoonde wildernis gold dat ze in beginsel viel onder het regaal, het recht van de koning om erover te beschikken. Al in de tiende en elfde eeuw zien we dat evenwel ook de bisschop doen, waarschijnlijk wel in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het rijksgezag, anders omdat er geen anderen waren die aanspraken op die wildernis deden gelden. In met name het westen van het Nedersticht – het Utrechts-Hollands veengebied – hadden toen al tal van uitgiften ter ontginning plaatsgehad, waarbij ook de verschillende kapittels en ministerialen als belanghebbenden betrokken waren. Op betrekkelijk systematische wijze is toen al een belangrijk deel van dit gebied opengelegd en ontgonnen.[39]

In de latere elfde maar vooral in de vroege twaalfde eeuw is men vervolgens waarschijnlijk ook de mogelijkheden gaan zien voor vergelijkbare, vaak meer grootschalige en ook systematische ontginningen in andere delen van het Nedersticht, namelijk het uitgestrekte veengebied ten oosten van de Vecht, de nog onontgonnen lager gelegen gebieden in het Kromme Rijngebied en het Oostbroek daar tussenin. Schenkingen van dergelijke tot dan toe niet ten nutte gemaakte gebieden en uitgiften ervan ter ontginning zouden verschillende partijen – kapittels en ministerialen – nog tevreden kunnen stellen en zelfs ook de stichting en dotering van een nieuwe abdij mogelijk maken. Vooraf noodzakelijk was wel een belangrijke waterstaatkundige ingreep, namelijk de afdamming van de Kromme Rijn.

Daarmee waren echter wel de belangen van onder meer de Utrechtse kooplieden in het geding. Weliswaar was vanwege verlanding de Kromme Rijn als handelsroute van de Rijn naar de stad Utrecht in die tijd al niet optimaal meer te noemen, een afdamming zou evenwel een echte stremming inhouden. Dat betekende dat er gelijktijdig met, liefst voorafgaand aan de afdamming een alternatieve vaarroute moest komen. Daarin nu werd voorzien met het graven van de Vaartse Rijn, een kanaal dat Utrecht verbond met de Hollandse IJssel en via deze rivier met de Lek. Omdat – net als over de wildernis – ook over rivieren en stromen in beginsel de keizer diende te beschikken (rivierregaal), zal wellicht voor het graven van de Vaartse Rijn, maar in elk geval de afdamming van de Kromme Rijn diens toestemming nodig zijn geweest. Waarschijnlijk heeft keizer Hendrik V tijdens een bezoek aan Utrecht omstreeks Kerst 1121 die toestemming verleend, waarna in voornoemde gebieden nadere ontginningen werkelijk een aanvang konden nemen.[40]

Vaartse Rijn, Jan de Beijer
Zicht op de Vaartse Rijn, met zicht op de Domtoren en de Nicolaaskerk in Utrecht. Jan de Beijer 1737/1739.








[41] OSU I, nrs. 302 (1122 mei 14) en 313 (1125 mei). Zie voor de tekst van deze oorkonden alsmede een uitvoerige zowel diplomatische als inhoudelijke bespreking van deze oorkonden (en de overige vroege bronnen) met betrekking tot de geschiedenis van Sint-Laurens, Broer, Monniken in het moeras, bijlagen I en II, 203-204, (hoofdstuk 1) 16-24 en (hoofdstuk 3) 85-108.

[42]  J. Beke, Chronographia, H. Bruch uitg. (’s-Gravenhage 1973) caput 51, p. 99: Nam et hic anno Domini MCXXIo superedificavit in palustri solitudine de Oestbroec cenobium monachorum et monialium in honore beate Marie perpetue virginis et sancti Laurencii preciosi martiris, quod monasterium propter artam religionis observanciam dicebatur olim carcer ordinis. Ibidem enim congregatio maxima fuit et rigor monastice discipline secundum regulam sancti Benedicti districtissime pullulavit. Zie met betrekking tot dit jaar van ontstaan van de heremietenvestiging met name ook: Broer, Monniken in het moeras, 17-18.




Moeraslandschap Winterswijk
Moeraslandschap bij Winterswijk, vergelijkbaar met hoe het Oostbroek en omgeving er omstreeks 1122 moeten hebben uitgezien. Met op de foto rechts een uit boomstammetjes samengestelde knuppelweg door het drassige gebied. Foto's: M.W.J. de Bruijn 2010.





[43] Dekker, Het Kromme Rijngebied, 167-174; Broer, a.w., 124-125.





























Oostbroek, Hoofddijk
De Hoofddijk, als verlengde van de Oude Steenweg de belangrijkste toegangsweg tot de abdij vanuit de stad Utrecht. Met links zicht op het voormalige abdijterrein, thans het landgoed Oostbroek. Foto: M.W.J. de Bruijn 2010.

Oostbroek, sluisje Bisschopsetering
Eenvoudig houten sluisje in de Bisschopswetering ten zuiden van het abdijterrein. Vergelijkbare sluisjes zullen de monniken hebben aangelegd ten behoeve van de ontwatering en ontginning van het gebied. Foto: M.W.J. de Bruijn 2008.









[44] Dekker, a.w., 174-175; J.W.H. Meijer, Kleine historie van De Bilt en Bilthoven (Bunnik 1995) 18.




Mathilde met monnik
Afbeelding van keizerin Mathilde met een voor haar neerknielende monnik die een oorkonde in ontvangst neemt. Mathilde heeft later, als weduwe en troonpretendent terug in Engeland, verschillende onder meer ook benedictijner abdijen begunstigd. Deze miniatuur verwijst naar een schenking aan een Engelse abdij, waarschijnlijk wel enigszins vergelijkbaar met die aan de monniken van de nog jonge Sint-Laurensabdij in 1122. Parker Library, Corpus Christi College, Cambridge.





Oorkonde Mathilde, Parijs
Oorkonde van keizerin Mathilde voor de abdij St. Martin des Champs in de nabijheid van Parijs, met afhangend zegel. Zo zou ook de oorkonde van Mathilde van 14 mei 1122, die ons slechts in afschriften in cartularia (zie hierboven) is overgeleverd, er feitelijk kunnen hebben uitgezien toen ze werd uitgevaardigd. King's College Cambridge, Muniments, SJP/19.















[45] De Bruijn, ‘Buurschap en gerecht’, 134-135.



















[46] Dekker, Het Kromme Rijngebied, 411-412; M.W.J. de Bruijn, IJsselstein. De Vesting (IJsselstein 2005) 16-17.














[47] Broer, Uniek in de stad, 223-237, 604-614; dez., Monniken in het moeras, 113-123.











[48] Dekker, Het Kromme Rijngebied, 176.





Houthakkende monnik
Miniatuur van een houthakkende monnik in de marge van een handschrift dat dateert uit de twaalfde eeuw. Bibliothèque Nationale Dijon.

[49] Broer, Monniken in het moeras, 78.

Affligem
De abdij van Affligem in haar huidige gedaante.

[50] Ald., 78-85.

[51] Ald., 92-103.

Ontstaan en vroege ontwikkeling van de abdij van Oostbroek

Vroom verlangen naar verlatenheid

Over het ontstaan van Sint-Laurens berichten ons oorkonden uit 1122 en 1125.[41] Beschreven wordt daarin hoe enkele bekeerde ridders – Herman en Dirk – hun wapens aflegden en zich terugtrokken in het veen- en moerasgebied dat, naar de ligging ervan ten oosten van de stad Utrecht, het Oostbroek heette. Hier verkozen ze voortaan als heremieten een van de wereld afgewend en aan God gewijd vroom leven te leiden. Steun voor dit initiatief kregen ze waarschijnlijk van de toenmalige bisschop Godebald. Deze zal onder meer toestemming hebben gegeven voor de bouw van een kerkje. Aangenomen mag worden dat zich daarna al snel ook anderen als volgelingen bij de heremieten hebben gevoegd. Dit waren mannen, maar waarschijnlijk ook vrouwen, die in het eenvoudige en vrome leven van de heremieten wensten te delen. En zo vormde zich in het Oostbroek een nieuwe, aanvankelijk waarschijnlijk nog kleine religieuze gemeenschap.
Wat we hier zien gebeuren paste geheel in de sfeer van religieuze herleving die zich in de periode van de latere elfde en vroege twaalfde eeuw voordeed. Centraal stond daarbij onder meer het ideaal van de vita apostolica, de bewust gekozen terugkeer naar het eenvoudige en sobere leven van de vroege Kerk, de tijd van de apostelen. Hiertoe hebben zich toen in betrekkelijk brede kring velen, vaak juist ook vrouwen aangetrokken gevoeld. Wanneer precies de voornoemde ridders zich terugtrokken en aldus de basis voor het nieuwe klooster in het Oostbroek werd gelegd, vermelden de oorkonden helaas niet. Maar waarschijnlijk valt een en ander wel te plaatsen zo omstreeks 1121. Dat is ook het jaar dat onder meer de veertiende-eeuwse kroniekschrijver Jan Beke in dit verband noemt.[42]

Vroege vestiging in het Oostbroek

Wanneer inderdaad de heremieten en hun volgelingen zich al in het gebied vestigden vóórdat – in of omstreeks 1122 – de afdamming van de Kromme Rijn plaatshad, dan verklaart dit in belangrijke mate de keuze voor de exacte plek van vestiging. Deze vormde in het landschap een lichte, maar toch duidelijke verhoging temidden van verder lager gelegen gebieden.

Winterswijk moeras

Ze grensde bovendien direct aan een aantal eerder al ontgonnen gebieden (Zeisteroever, Eigen, Goor), die behoorden tot het bisschoppelijk domeingoed in Zeist.[43] Voor de afwatering van het terrein kon daarom ook in eerste instantie de watergang dienen die tevoren gebruikt was voor de oudere ontginning van Zeisteroever. Feitelijk ging het hierbij om een (aanpassing van) de oude stroomdraad van de verlande ‘Zeister meander’ van de Kromme Rijn, die nadien als Onlandsche of Bisschopswetering  bekend stond.

Ontginningen onder Oostbroek en Zeist
Kaart met het abdijterrein met de ontginningen in omgeving. Uit: Dekker, Het Kromme Rijngebied, 166.

Deze Bisschopswetering vormde aldus de zuidgrens van de vestigingsplek. In het oosten was de grens de eveneens al bestaande Bisschopsweg, een kade die eertijds haaks op de wetering was gelegd ten behoeve van de voornoemde Zeister ontginningen.

Oostbroek, Bisschopswetering
De thans nog in het landschap aanwezige Bisschopswetering, gelegen ten zuiden van het abdijterrein. Foto: M.W.J. de Bruijn 2011.

Haaks vanuit de Bisschopswetering werd er voorts ook een sloot of gracht aangelegd die als westelijke begrenzing diende, waarna het geheel in het noorden werd afgesloten met de zogeheten Boswetering. Aldus ontstond het trapeziumvormige kloosterterrein, zoals dat ook tegenwoordig nog herkenbaar is in het landschap. Ten behoeve van de verdere ontwatering van het gebied zullen voorts meer greppels en sloten zijn aangelegd. Voor ontsluiting van het gebied zorgde verder onder meer een houten knuppelweg, die waarschijnlijk aansloot op wat later de Tolakkerlaan is gaan heten en waarvan in de jaren zeventig van de vorige eeuw restanten zijn teruggevonden.[44]

Noodzakelijke bestaansbasis voor de kloosterlingen

Was er aanvankelijk waarschijnlijk sprake van een nog kleine, vrij informeel georganiseerde gemeenschap, waar men bewust genoegen nam met een uiterst sober leven, een toeloop van mensen maakte spoedig toch een zekere economische basis en ook nadere organisatie nodig. Hierin werd dan allereerst voorzien met de schenking van een dos of bruidsschat die, ongetwijfeld op voorspraak van bisschop Godebald, door Roomskoningin Mathilde werd gedaan op 14 mei 1122. Formeel had hiermee de stichting plaats van een nieuwe, aan de moeder Gods Maria en Sint-Laurens gewijde benedictijner abdij. In de van de schenking opgemaakte oorkonde wordt deze voor wat betreft de inhoud omschreven als ‘het gehele moeras Oostbroek en het aangrenzende land, dat in de volkstaal veen wordt genoemd, met de tijns, de tienden en de rechtsmacht, in eeuwig bezit’.

Cartularium Sint-Laurens
Tekst van de oorkonde van Roomskoningin (keizerin) Mathilde voor Sint-Laurens, 1122 mei 14. Afschrift in het zestiende-eeuwse cartularium van Sint-Laurens. Het Utrechts Archief, Sint-Laurens, nr. 12, f. 1v.


Duidelijk is dat het hierbij ging om landbezit met verschillende daarbij behorende rechten. De betreffende gronden waren op dat moment evenwel nog onontgonnen en leverden dus vooralsnog niet veel aan opbrengsten en inkomsten op.

Daarmee verschilde de begindotatie van Sint-Laurens in een belangrijk opzicht van die van de oudere kerkelijke instellingen als de Utrechtse kapittels en de Sint-Paulusabdij. Ook deze waren, bij hun stichting en daarna, voorzien van bezittingen en rechten. Omdat het daarbij echter voornamelijk ging om al in cultuur gebrachte gronden, verkregen ze daarmee direct inkomsten en opbrengsten, die nodig waren voor het levensonderhoud van de kanunniken en monniken. Het is hooguit daarnaast of pas later geweest dat deze gevestigde instellingen ook bezittingen en rechten in ontginningsgebieden verwierven. Sint-Laurens daarentegen kreeg bij zijn stichting alleen maar het nog vrijwel geheel in cultuur te brengen gebied Oostbroek toebedeeld, dat dus pas op termijn na de feitelijke ontginning ervan, met de ermee verbonden rechten op tijnzen, tienden en rechtsmacht, iets zou gaan opleveren.

Tijns, tienden en rechtsmacht

Grondbezit (van de adel en van de kerk) hield in de Middeleeuwen in het algemeen ook rechtsmacht in. In de bronnen wordt in het geval van schenkingen van onroerend goed veelal gesproken van het daarbij inbegrepen zijn van (het recht op) ‘tiend, tijns en gerecht’. De tiend omvatte het tiende deel van de opbrengsten van de landbouw, zowel van gewassen als van het vee, dat de boeren aan de tiendheer moesten afdragen. Oorspronkelijk betrof het hier een belasting geheven ten behoeve van de kerk, die evenwel al vroeg in de Middeleeuwen ook in handen was gekomen van de adel. De tijns was de jaarlijkse betaling die opgebracht moest worden door degenen die van de ‘grondheer’ grond ‘in tijns’ hadden ontvangen, ‘in tijns hielden’. Het gerecht ten slotte omvatte de organisatie van de rechtspraak door de grondheer over zowel de grond alsook de personen die deze grond gebruikten en erop woonden.[45]

Voor wat betreft de rechtsmacht of jurisdictie als belangrijk(ste) heerlijk recht valt onderscheid te maken tussen de hoge en de lage of ‘dagelijkse’ rechtsmacht. De hoge hield in het recht om straffen ‘aan lijf en lid’, dus de doodstraf en verminkende straffen, uit te voeren; de lage omvatte hooguit de straffen aan ‘huid en haar’, zoals brandmerken, geselen en kaalscheren en de geldboetes, maar verder ook de burgerlijke rechtspraak en de zogeheten vrijwillige rechtspraak. De laatste betrof voornamelijk de registratie van rechtshandelingen (overdracht) met betrekking tot onroerend goed. In het Sticht was, op een enkele uitzondering na, de hoge jurisdictie in handen van de bisschop. De lage jurisdictie of dagelijkse rechtsmacht vaak in die van anderen, zowel geestelijke instellingen als ook leken. Deze (lage) rechtspraak – in de praktijk ging het hierbij dus ook om wat wij nu bestuur en regelgeving noemen – werd uitgeoefend door de (gerechts)heer of zijn vertegenwoordiger de schout, samen met vertegenwoordigers van het volk. Dit waren ofwel de gezamelijke buren – dat zijn alleen de mannelijke gerechtigden op de grond – ofwel een vastgesteld aantal schepenen, die meestal door de heer werden benoemd.[46]

Dat er in het geval van de Sint-Laurensabdij met een dergelijke op het oog beperkte schenking werd volstaan, zal te maken hebben gehad met de inmiddels veranderde politiek-kerkelijke en sociaal-economische omstandigheden in die tijd. Hiervóór zijn de politieke ontwikkelingen geschetst, die onder meer betekend hebben dat de groei van het algemeen kerkelijk vermogen stagneerde, vooral omdat de belangrijke keizerlijke schenkingen aan de Utrechtse bisschop en zijn kerk, die tevoren voor groei hadden gezorgd, achterwege bleven. Dat had dus ook als consequentie dat de bisschop bij de stichting en dotering van een nieuwe abdij terughoudender moest zijn. Er stonden hem daarvoor in elk geval waarschijnlijk gewoonweg veel minder belangrijke en lucratieve onderdelen uit het kerkelijk vermogen ter beschikking. Sint-Laurens heeft dus eenvoudigweg tevreden moeten zijn met een in beginsel bescheidener dotering dan de oudere instellingen eertijds hadden gehad. [47]

Onoverkomelijk lijkt dit evenwel niet te zijn geweest. Zo is voor de nieuwe gemeenschap, waar vanuit religieuze idealen genoegen werd genomen met een sober bestaan, op zich al een beperkter (begin)bezit toereikend geacht. Bovendien zal er ook de gerede verwachting zijn geweest dat de kloosterlingen de ontginning met geestdrift ter hand zouden nemen om snel en door eigen arbeid een zeker bestaan op te bouwen. Dit laatste nu zal alles te maken hebben gehad met de in diezelfde tijd rond 1121 bestaande plannen voor de afdamming van de Kromme Rijn bij Wijk. Het was deze belangrijke waterstaatkundige ingreep die een ontginning van het achterland, waartoe ook het Oostbroek behoorde, mogelijk maakte.[48]

Een eerste abt voor Sint-Laurens:
de komst van Ludolf van Affligem


Behalve een economische basis waarin de schenking van keizerin Mathilde voorzag, werd er in 1122 ook een nadere organisatie van de gemeenschap nodig gevonden. In dat verband werd in beginsel de aloude en vertrouwde regel van Benedictus als richtsnoer voor de leefwijze van de monniken en monialen gekozen. Voor een noodzakelijke nadere invulling van het nieuwe monastieke leven lijkt men daarna hulp van buitenaf te hebben ingeroepen.

Niet ongebruikelijk was het dat men zich in zo’n geval wendde tot een oudere, gerenommeerde abdij, van waaruit dan een abt en eventueel ook enkele monniken overkwamen om de jonge gemeenschap in te wijden in het geregelde kloosterleven. Een dergelijke en eveneens benedictijner abdij was er weliswaar in de bisschopsstad Utrecht zelf, namelijk de Sint-Paulusabdij. Toch lijkt men in Sint-Laurens aan Sint-Paulus toen geheel voorbij te zijn gegaan. Reden was waarschijnlijk dat men in de jonge gemeenschap in het Oostbroek – op basis van de oorspronkelijke herwaardering van het heremieten- en armoede-ideaal – een geheel andere benadering van het monastieke leven verkoos dan in het voorname en ongetwijfeld luisterrijker Sint-Paulus het geval was.

Bij het vinden van een andere abdij die als voorbeeld kon dienen zullen voorts de contacten van bisschop Godebald met hervormingsgezinde kringen in Brabant en Vlaanderen een rol hebben gespeeld. Begin 1125 werd namelijk vanuit het Vlaamse Brugge de oorspronkelijk Affligemse monnik Ludolf naar Sint-Laurens gehaald om er als eerste abt de leiding over de jonge abdij op zich te nemen.[49]

De Brabantse abdij Affligem was omstreeks 1060 ontstaan, toen ook hier zich bekeerde (roof)ridders in een afgelegen bosgebied terugtrokken en er na verloop van tijd een benedictijner abdij werd gevormd. Niet alleen was daarmee de oorsprong van deze gemeenschap zeer vergelijkbaar met die van Sint-Laurens, Affligem was net als Sint-Laurens eveneens een dubbelabdij. Bovendien was er in Affligem op een nieuwe wijze invulling gegeven aan benedictijnse monastieke leven. Zo werd er onder meer door het opstellen van aanvullende regels en bepalingen die golden naast de regel van Benedictus, sterk de nadruk gelegd op vrijwaring van het kloosterleven van macht en invloeden van buitenaf, of dit nu lekenheren waren of zelfs de bisschop. Vooral daarin was het dat Affligem als voorbeeld voor andere gemeenschappen fungeerde. Ludolf zelf was bijvoorbeeld al vanuit zijn moederabdij Affligem naar Vlaanderen uitgezonden om daar als prior leiding te geven aan de eerste dochterstichting van Affligem, Sint-Andries in Brugge. Behalve de herkomst uit Affligem zelf zal ook de organisatorisch ervaring opgedaan in Brugge in de ogen van bisschop Godebald Ludolf bijzonder geschikt hebben gemaakt om de eerste abt van de nieuwe abdij in het Oostbroek te worden.[50]

Ludolf stelde – naar het voorbeeld van Affligem – verschillende regelingen op, die de bepalingen van de regel van Benedictus aanvulden maar tegelijk vooral ook de vrijheid van het monastieke leven moesten waarborgen. Deze werden vastgelegd in een oorkonde die bisschop Godebald in mei 1125 uitvaardigde. Hierin werd niet alleen de eerdere schenking van de keizerin bevestigd, herhaald en mogelijk aangevuld. Bepaald was vooral ook dat de monniken voortaan zelf hun abt mochten kiezen, zonder enige inmenging van buitenaf. Zelfs de bisschop zou op die abtskeuze geen invloed mogen uitoefenen. Ook werd vastgelegd dat de abt, die de bezitingen van de abdij beheerde, deze in geen geval in leen mocht uitgeven aan leken. In leen uitgegeven goederen leverden (anders dan zelf geëxploiteerde, in tijns of pacht uitgegeven goederen) in het algemeen geen directe inkomsten en opbrengsten voor de gemeenschap zelf op en neigden ertoe erfelijk in handen te geraken van (leken)families. Hierdoor zou de abdij op den duur de beschikking erover verliezen en inkomsten mislopen. Dat diende met deze maateregel dus op voorhand te worden voorkomen. De abt diende veeleer het volledige bezit met alles wat het aan inkomsten opbracht aan te wenden ten behoeve van de kloostergemeenschap zelf en verder te besteden aan christelijke caritas of liefdadigheid. Bij dat laatste dienen we waarschijnlijk vooral te denken aan het verschaffen van aalmoezen en eventueel het bieden van opvang (het verlenen van gastvrijheid) aan hulpbehoevenden. Ten slotte verklaarde de bisschop zelf ook af te zien van bepaalde betalingen, zoals bijvoorbeeld de bede, die hij als wereldlijk heer van de abdij zou kunnen vragen. Overzien we het geheel van bepalingen, dan lijkt het vooral de bedoeling te zijn geweest abt en kloosterlingen intern-organisatorisch baas in eigen huis te laten zijn en vrij te stellen van nadere (materiële) verplichtingen tegenover de buitenwereld, waaronder feitelijk dus ook de bisschop werd gerekend.[51] Op die manier konden de kloosterlingen zich geheel toeleggen op wat men zich als monniken en monialen ten doel stelde: zich volledig wijden aan God, primair door in gebed en liturgie Hem lof te brengen, en zich daarbij in een uiterst sober leven te richten op Hem welgevallige werken.



Ligging Scherpenburg
De ontginningen onder Driebergen en Werkhoven ten oosten van de Kromme Rijn, met het net ten zuidoosten van Odijk aan de overkant van de Kromme Rijn gelegen Scherpenburg. Uit: Dekker, Het Kromme Rijngebied, 184.


[52] HUA, Archief Sint-Laurensabdij, nr. 12, f. 6v.-7r. (G. Brom, ‘De abdij van Oostbroek en het Vrouwenklooster’, Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 32 (1906) 331-371, 359 (1356 oktober 2)): Et ad probandum coram nobis produxerit quaedam privilegia et literas , super hoc a quondam domino Goldebaldo episcopo Traiectensi et domini quondam Hereberti ipsius successoris, ipsi monasterio in Ostbroic concessa et concessas; zie ook: Broer, Monniken in het moeras, 131-133.

[53] Ontwerper van dit monument is
W. Wijsman, architect en bouwkundige, werkzaam bij het Utrechts Landschap (vriendelijke mededeling van A. Kinebanian, Bosch en Duin)

Plaquette bisschop Godebald






















Infirmeria van een klooster
De infirmarius of ziekenmeester met een zieke monnik in het hospitaal van een klooster. British Library, Londen.

[54] OSU I, nr. 337 (1131 september 13-24): - - - de predicte ecclesie reditibus marcam unam canonicis Maioris ecclesie et item marcam firmerie beati Laurencii in Palude canonici beati Petri singulis annis ad Vincula sancti Petri persolvant; zie ook Broer, a.w., 99-101.

[55] OSU I, nr. 335 (1131): Terram cum lignis fructuosis sive infructuosis, que dicitur Hengescoten, ad decimis, a censu, denique ab omni exactione liberam. Potestatem etiam que vulgo dicitur werscap, omnimodis eandem quam circumiacentes terre habent, in pratis et in silva, que dicitur Westerwolt, secundum suam qantitatem pariter habere - - -; zie in verband met deze schenking en de ontwikkeling van dit gebied met name C. Dekker, ‘Een mislukte cope in het Westerwoud. De eerste aanzet tot de ontginning van Woudenberg’, in: C. Streefkerk en S. Faber red., Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. Mr. H. van der Linden bij zijn afscheid als hoogleraar in de Nederlandse rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit (Hilversum 1987) 113-138, 118-121, alsmede Broer, Monniken in het moeras, 170-175.

[56] OSU I, nr. 345 (1133): Notum sit - - - qualiter ego Andreas - - - vendidi XL mansos in Westerwalt, sitos inter Luessden et Ruuoerdt, abbati, videlicet Ludolpho, ecclesie sancti Laurencii in Bethlehem ceterisque fratribus, Deo inibi servientibus, necnon et cuidam Berberto, itemque duobus aliis, quorum uterque Godefridus nuncupatur.

Varkens in ene bos
Bos, en ook andere woeste (onontgonnen) gronden waren op verschillende manieren belangrijk voor de middeleeuwse landbouw. Zo leverde bos bouwmaterialen, brandstof en werden ook varkens het bos in gejaagd, waar ze zich te goed konden doen aan eikels en dergelijke. Uiteraard kon het ook worden gerooid, waarna de grond tot bouwland kon worden gemaakt.

[57] Dekker, ‘Een mislukte cope in het Westerwoud’, 122-126.

[58] Broer, Monniken in het moeras, 176-186.

[59] Ald., 175-176, 184-186.

Kasteel Zuilen
Kasteel Zuilen, in zijn huidige staat. Leden van het ministerialengeslacht Van Zuilen bouwden op deze plek, een stuk grond dat ze van de abdij van Sint-Laurens oorspronkelijk in erfelijke pacht en later in leen hielden, een slot dat in de vijftiende eeuw werd verwoest, maar in de zestiende eeuw weer opgebouwd.

[60] Dekker, ‘Een mislukte cope in het Westerwoud’, 133-138; Broer, a.w., 175-176.

[61] Ald., 182-184.
Aansprekende resultaten of toch een moeizaam begin?

Aangenomen mag worden dat vanuit de aanvankelijke vestigingsplaats, het abdijterrein, de kloosterlingen voortvarend de ontginning van de noordelijk ervan gelegen gebieden zullen hebben aangevat. Ze moesten ook wel, want de enige manier om de waarschijnlijk toch wel groeiende gemeenschap te onderhouden, was het in cultuur brengen, dat wil zeggen voor landbouw geschikt maken van het hun toegewezen veen- en moerasgebied. Er zijn evenwel aanwijzingen dat het oorsponkelijke bezit en de inspanningen die men zich bij de ontginning ervan getroostte, aanvankelijk toch niet voldoende middelen van bestaan hebben geboden.

Zo spreekt Godebald in zijn oorkonde van 1125 over een arm en nog pril klooster, wat dan onder meer reden is om vrijstelling van normaliter aan hem verschuldigde betalingen te verlenen. Misschien was de schenking van echt alleen een veen- en moerasgebied in en bij het Oostbroek dus toch te karig en de verwachting dat ontginning ervan direct een voldoende bestaansbasis bood te optimistisch geweest. Hoe dan ook blijkt Godebald – ten behoeve ook van zijn eigen zieleheil – de abdij nog een nadere schenking te hebben gedaan van een hof te Scherpenburg onder Werkhoven.[52] Hierbij ging het om oud (oorspronkelijk waarschijnlijk domaniaal georganiseerd) kerkelijk bezit, waaruit in elk geval al inkomsten en opbrengsten voortkwamen die dus direct konden worden aangewend voor het onderhoud, de ‘tafel’, van de monniken en monialen.

Bisschop Godebald en Sint-Laurens

Bisschop Godebald heeft zich, zo blijkt, steeds zeer betrokken gevoeld bij zijn stichting, waarvan hij niet alleen door verschillende regelingen de positie tegenover de buitenwereld trachtte zeker te stellen. Godebald zou zich er aan het eind van zijn leven ook als monnik hebben teruggetrokken en uiteindelijk zelfs zijn gestorven op 13 november 1127. En hoewel het toen inmiddels vrijwel algemeen gebruikelijk was dat de bisschoppen werden bijgezet in de Utrechtse Domkerk, is hij op zijn uitdrukkelijke wens ook begraven in de kerk van Sint-Laurens, naar de kroniekschrijver Johannes Beke vermeldt voor het altaar van de apostel Petrus dat zich daar bevond. De abdij is samen met de kerk omstreeks 1580 afgebroken en van het graf van Godebald is uiteindelijk niets bewaard gebleven. Op het huidige landgoed Oostbroek, achter het grote huis, is thans evenwel een modern gedenkteken met een plaquette geplaatst dat herinnert aan bisschop Godebald als medestichter van Sint-Laurens. [53]

Gedenkteken Godebald
Gedenkteken voor Godebald op het landgoed Oostbroek. Van het gedenkteken maakt ook deel uit een plaquette (afbeelding links), waarvoor model heeft gestaan het uit 1119 bekende zegel van bisschop Godebald (zie de afbeelding hiervóór). Foto's: M.W.J. de Bruijn 2008.

Aanvullende schenkingen aan de abdij deed ook Godebalds opvolger bisschop Andries van Cuijk (1128-1139). Dat betrof allereerst in 1131 een jaarlijks vanuit bepaalde inkomsten uit de kerk van Ulsen in Twente uit te keren geldbedrag. Dit zou bestemd moeten zijn voor een hospitaal (firmeria) dat verbonden was aan Sint-Laurens.[54] Of we hierin een echt hospitaal mogen zien, dat ook fungeerde voor de opvang van passanten, van mensen dus van buiten het klooster zelf, is overigens de vraag. Weliswaar zou daarmee concreet invulling kunnen zijn gegeven aan wat men zich – blijkens ook de oorkonde van 1125 – tot taak stelde, namelijk het verrichten van liefdadigheid. Tegelijkertijd is er helaas weinig of niets bekend over het aldus functioneren van een dergelijk hospitaal. De vermelding in 1131 kan uiteindelijk ook heel goed betrekking hebben op de ziekenzaal voor het klooster zelf, slechts bestemd voor de eigen monniken en monialen.

Ter versterking en verdere verbreding van de economische basis van de abdij in het algemeen schonk bisschop Andries eveneens in 1131 het goed Henschoten. Dit goed was gelegen in wat nu de gemeente Woudenberg is. Bij de schenking inbegrepen waren ook de met de grond verbonden rechten op de tienden, tijns en rechtsmacht alsmede (het gebruik van) een stuk bosgrond.[55] Evenals in het geval van de schenking van de hof Scherpenburg ging het hier om bezit dat bestond uit akkerland, met ook bij de gerechtigden (boeren) ter plaatse in gebruik zijnde weiden en bosgronden. Voortaan zou abdij dus – in de vorm van door die gerechtigden in geld of natura betaalde tijnzen en tienden – inkomsten en opbrengsten (in geld en natura) ontvangen, die ze ten eigen bate kon aanwenden.

Ligging Henschoten en de 40 hoeven
De ligging van Henschoten en de veertig hoeven in het Westerwoud bij Woudenberg, zoals die worden genoemd in het cope-contract van 1133. Uit: Dekker, 'Een mislukte cope in het Westerwoud', 122.

Gesteld is hoe er in de begintijd van de abdij incidenteel bepaalde schenkingen van al renderend bezit zijn gedaan om te voorzien in de accute behoefte van de abdij aan middelen voor het directe levensonderhoud van de kloosterlingen. Niettemin zullen ook de eerste ontginningen in het Oostbroek zelf op een gegegeven moment resultaat hebben laten zien. Voor bisschop Andries kan dit reden zijn geweest om toch ook voort te gaan op de oorspronkelijk ingeslagen weg en de abdij verder voornamelijk te begunstigen met andere nog in cultuur te brengen gebieden. Zo was er in 1133 sprake van de als ‘verkoop’ (cope) aangeduide uitgifte aan de abdij en enkele leken van een nog te ontginnen bosgebied van veertig hoeven groot in het Westerwoud, kern van het latere Woudenberg.[56] Bij deze regeling werd door de bisschop ten behoeve van abdij als één van copers eveneens afstand gedaan van de na de ontginning te heffen (ontginnings)tijns, de tienden en de rechtsmacht over het gebied. Opnieuw werd hier dus aan met name Sint-Laurens een nog vrijwel geheel onontgonnen gebied met bijbehorende rechten toebedeeld. Daarbij ging het niet om een veen- en moerasgebied zoals in het Oostbroek, maar om bos. De bedoeling zal evenwel ook hier zijn geweest dat de ontginning (het rooien van bos en het in gebruik nemen als akkerland) vrijwel direct ter hand werd genomen. Misschien heeft men ook gedacht hieraan vanuit een recent ingerichte hof in het nabijgelegen Henschoten leiding te geven.[57] Denkbaar is ten slotte dat er juist in deze zelfde periode – in aanvulling op de beginschenkingen in 1122 en 1125 van het Oostbroek en eventueel zelfs naar aanleiding van het succes daarvan – nog een schenking of opnieuw een uitgifte van een ontginningsgebied aan de abdij heeft plaatsgehad. Deze betrof dan wellicht het direct aan de Vecht gelegen Zwesen (het latere Zuilen) met daarbij het aan de overzijde van de rivier gelegen toen nog onontgonnen veengebied dat Westbroek is gaan heten. Niet alleen heeft Sint-Laurens in later tijd nog een weliswaar beperkt, maar niet onbelangrijk bezit in Zuilen zelf. Ook met Westbroek, waarvan de naam gezien mag worden als de (geografische) tegenhanger van Oostbroek, had de abdij zekere relaties.[58]

Ontginningen dichtbij en verder weg

Uit het bovenstaande is wel gebleken dat Sint-Laurens waar het de vorming van haar vermogen betreft een nieuw en ander soort instelling was dan de oudere bestaande Utrechtse instellingen. Anders dan deze had de jonge abdij als beginbezit nauwelijks meer dan een ontginningsgebied toebedeeld gekregen, waar ze vrijwel vanuit het niets een bestaansbasis moest opbouwen. Dat hiermee op een gegeven moment succes werd geboekt, op basis waarvan de hoop en het vertrouwen ontstonden dat de abdij ook elders die ontginningen kon (laten) verrichten, mag wel worden afgeleid uit de nadere schenkingen in de jaren dertig van de twaalfde eeuw van andere nog te ontginnen gebieden in het Westerwoud en Zwesen-Westbroek. Een succes zijn die laatste ontginningen onder leiding van de abdij echter niet geworden. De reden hiervan is niet geheel duidelijk. Misschien is echter de toch ietwat in zichzelf gekeerde en als streng bekend staande abdij van Sint-Laurens niet in alle opzichten in staat geweest – in het geval van het Westerwoud bijvoorbeeld vanuit de hof in Henschoten, met behulp van conversen of lekenbroeders – adequaat sturing te geven aan deze ontginningen op afstand.[59] Bekend is hoe de abdij in 1200 in het Westerwoud nog een hernieuwde poging heeft gedaan om, nu met behulp van ontginners-kolonisten die de grond van de abdij tegen betaling van een tijns in gebruik zouden krijgen, tot ontginning van het gebied te komen. Maar ook dat mislukte. Uiteindelijk gaf daarom Sint-Laurens in 1240 het hele haar toebehorende gebied in erfelijke pacht aan Filips van Rijningen, aan wie men daarmee de feitelijke ontginning en verdere exploitatie ervan overliet. Bij de regeling behield de abdij zich nog wel het recht voor om vanuit verschillende (uit)hoven die ze elders had, in het Westerwoud vee te mogen laten weiden. Ook bleef ze gerechtigd om – voor zichzelf, voor Vrouwenklooster en voor de verschillende uithoven van de beide gemeenschappen – naar behoefte hout (als bouwmateriaal) uit het bos hier te betrekken.[60] Een dergelijke (erfpacht?)regeling is misschien ooit ook getroffen voor wat betreft in Zwesen en Westbroek, maar dan met lieden uit het ministerialengeslacht Van Zuilen. Zij zullen dan degenen zijn geweest die, na een geslaagde ontginning, voorts hun naam aan een deel van het gebied (het eerdere Zwesen) hebben gegeven en hier de voornaamste gerechtigden zijn geweest. In concreto weten we – net als over een schenking – over een dergelijke regeling niet veel naders.[61] Duidelijk is echter wel dat men vanuit Sint-Laurens zich op den duur vooral heeft gericht op de ontwikkeling en de exploitatie van het bezit in directe omgeving, Oostbroek-De Bilt.





[62] Ald. 153-157. Zie voor dubbelabdijen in het algemeen onder meer P. Hagemeijer, ‘Samen maar wel apart. Vrouwen en dubbelkloosters in de Noordelijke Nederlanden, 1100-1400’, in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 5 (1984) 11-130.

[63] OSU I, nr. 447 (1165) (zie ook Broer, Monniken in het moeras, bijlage IV, 206-207).

Benedictus met regel voor moniaal
Miniatuur met een afbeelding van Benedictus die zijn regel overhandigt aan een moniaal. Staatbibliothek Berlin, Preuszischer Kulturbesitz, MS theol. lat. quart. 199, Bl. 67v.

[64] OSU I, nr. 282 (1113/1142). Zie voor de tekst en een uitvoerige bespreking van deze als falsum te beschouwen oorkonde: Broer, Monniken in het moeras, bijlage III, 205, en 19-20, 161-169.












Biddende monialen
Miniatuur met biddende monialen. Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte Münster.


[65] Broer, a.w., 156.

[66] A. Doedens en H. Looijesteijn uitg., De kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster. Middeleeuwse Studies en bronnen CXXII (Hilversum 2010) 90-91; Broer, a.w., 159-160.

Ligging Sint-Laurens en Vrouwenklooster
Sinds 1139 was op geruime afstand van de Sint-Laurensabdij in het Oostbroek als afzonderlijke vrouwengemeenschap Vrouwenklooster gevestigd aan wat later genoemd wordt de Biltse Steenweg. Vrouwenklooster stond daar waar thans het K.N.M.I. is gevestigd en in de omgeving namen als Kloosterlaan en Kloosterpark nog herinneren aan Vrouwenklooster. Waarschijnlijk ongeveer in de dertiende eeuw ontwikkelde zich hier ook het dorp De Bilt.


[67] Broer, a.w., 160.

[68] Ald.,156-157, 166-169.

[69] Ald., 157.

[70] OSU II, nr. 976 (1241).

Archeologische vondsten Vrouwenklooster
Verschillende vondsten van aardewerk en steengoed (deels gereconstrueerd), dat behoord moet hebben aan Vrouwenklooster. Hoofdzakelijk gaat het om zestiende-eeuws materiaal. In een enkel geval is evenwel ook sprake van oudere, zelfs twaalfde-eeuwse voorwerpen, zoals bijvoorbeeld (nr. 1) een gedeelte van een kruik (Limburgs, omstreeks 1150), (nr. 2) een schaaltje (Andenne) eveneens circa 1150, (nr. 4) een kandelaar (Andenne, circa 1200) en ten slotte (nr. 14) een eenvoudig, primitief gevormd rood aardewerk olielampje (circa 1200).

















[71] Pas in de loop van de zestiende eeuw zijn er berichten over een enorme schuldenlast van de abdij en maatregelen die in verband daarmee worden getroffen.

Huis Oostbroek achterzijde
Na de opheffing van de Sint-Laurensabdij en de afbraak van haar gebouwen verrezen op deze plek grotere landhuizen, laatstelijk in de negentiende eeuw het huidige huis Oostbroek. Naar resten van de vroegere abdij wordt nog steeds gezocht. Mogelijk bevinden deze zich nog in de ondergrond van het terrein achter het huis. Recente metingen kunnen hier mogelijk uitsluitsel bieden.

Sint-Laurens als dubbelabdij

Wat in de begintijd van de abdij mogelijk een zware wissel zal hebben getrokken op de materiële mogelijkheden en middelen is het feit dat Sint-Laurens aanvankelijk een dubbelabdij was,[62] dat wil zeggen een gemeenschap van – binnen het klooster zelf overigens wel gescheiden van elkaar levende – mannen en vrouwen, die gezamenlijk onder leiding stonden van een enkele overste of abt. Door sommigen is wel betwijfeld of Sint-Laurens werkelijk in de begintijd zo’n dubbelabdij is geweest. Noch in de genoemde oudste oorkonden van 1122 en 1125 noch in een latere keizerlijke bevestigingsoorkonde uit 1165[63] wordt immers expliciet gesproken van de aanwezigheid van vrouwen. Over het al of niet aanwezig zijn van vrouwen zegt dit echter niet alles. Bij het uitvaardigen van deze oorkonden ging het er immers om de rechtspositie van de (nieuwe) abdij te regelen. En daarbij was het vermelden van vrouwen niet echt van belang. Bovendien werden vrouwen ook verder – waar het hun bijdrage aan het religieuze of zelfs economische en praktisch-dagelijkse leven betrof – nauwelijks de moeite van het vermelden waard geacht. In veel kloosters en ook kloosterorden als geheel werd hun aanwezigheid vaak vooral als last (voor de mannen) ervaren.

In het geval van Sint-Laurens hebben zich echter waarschijnlijk toch al in de werkelijke begintijd, vrijwel direct nadat de heremieten zich in Oostbroek terugtrokken en zich de eerste volgelingen bij hen voegden, behalve mannen ook reeds vrouwen hier gevestigd. Aldus zal de basis zijn gelegd voor het dubbelklooster dat Sint-Laurens daarna tot pakweg 1139 is geweest. Een mooi verhaal, maar weinig aannemelijk is dat – zoals in een allerminst onberispelijke bron (de zogenaamde oorkonde van 1113) wordt vermeld[64]  – eerst de komst van een zuster van Ludolf naar Sint-Laurens aanleiding zou zijn geweest voor een toetreding van vrouwen tot de gemeenschap. Waarschijnlijker is het evenwel dat het al aanwezig zijn van vrouwen een eventuele overkomst van Ludolfs naamloze zuster juist mede mogelijk heeft gemaakt. Voorts kan de vestiging hier van deze vrouw, waarvoor de broeders nadrukkelijk hun toestemming verleenden, overigens wel weer een zekere impuls en ook nadere legitimatie voor een verblijf van vrouwelijke religieuzen hebben betekend. En ook zonder dat hierover verder veel naders bekend is, kan Ludolf na zijn aantreden als abt op dit punt eveneens zekere organisatorische regelingen hebben getroffen. Voorbeeld kan in dat opzicht weer Affligem zijn geweest, waarvan we weten dat het in de begintijd eveneens een dubbelabdij was.

Dat de vrouwelijke religieuzen of monialen zich – evenals de monniken en waarschijnlijk eveneens aanwezige lekenbroeders – veel hebben beziggehouden met het zware ontginningswerk en het overige werk op het land is niet erg waarschijnlijk. Er zullen evenwel binnen de gemeenschap voldoende huishoudelijke taken te vervullen zijn geweest, waarmee ze invulling konden geven aan de religieuze plicht om zich – behalve natuurlijk op het (koor)gebed – te richten op zinvolle handarbeid en christelijke naastenliefde. In dit verband is het interessant nogmaals te wijzen op het wellicht toch al vroeg aanwezige hospitaal. Ook los van de vraag of dit slechts dienst deed voor alleen de kloosterlingen dan wel ook bedoeld was voor reizigers, passanten en zelfs behoeftige armen, zouden met name de vrouwen hier een rol kunnen hebben vervuld in het verlenen van praktische zorg.

Wat we verder ten aanzien van het bestaan en functioneren van de jonge abdij wel mogen aannemen is dat – gezien het aanvankelijk toch beperkte en nog weinig ontwikkelde bezit, de waarschijnlijk aanzienlijke toeloop van met name vrouwen, en de mogelijke taken (het bieden van gastvrijheid en zorg voor zwakken) die men zich stelde – het leven er in beginsel hoe dan ook hard, sober en zeker niet altijd eenvoudig is geweest.

Ontdubbeling: een afzonderlijk Vrouwenklooster

Niet alleen in het Oostbroek, maar ook elders was het in de sfeer van het religieus enthousiasme, waardoor met name ook vrouwen waren gegrepen, in deze periode regelmatig gekomen tot de vorming van dubbelkloosters. Vooral omdat het aldus in elkaars aanwezigheid leven van mannen en vrouwen niet passend werd gevonden, rezen er echter spoedig ook bezwaren tegen dit verschijnsel. Binnen de kloosterorden waarin dergelijke dubbelkloosters aanvankelijk voorkwamen, maar ook in de kerk in het algemeen werden er daarom in de latere jaren dertig van de twaalfde eeuw van hogerhand maatregelen tegen genomen. Niet alleen mochten er geen nieuwe dubbelkloosters meer worden gevormd, ook bestaande dubbelkloosters werden geacht zich op te splitsen (te ontdubbelen) in afzonderlijke en op afstand van elkaar gevestigde mannen- en vrouwenkloosters.[65]

Die ontdubbeling van Sint-Laurens had naar alle waarschijnlijkheid plaats in 1139.[66] Aan de vrouwen werd toen een andere locatie toegewezen om zich te vestigen. De plek waar het nieuwe Vrouwenklooster verrees, zo’n anderhalve kilometer verwijderd van de abdij van Sint-Laurens zelf, was gelegen aan een waarschijnlijk al vanouds belangrijke doorgaande route vanuit het oosten naar de stad Utrecht. Het was hier ook dat zich het dorp De Bilt zou ontwikkelen.

Weliswaar betekende de ontdubbeling dat de monialen een meer zelfstandig religieus leven konden leiden en misschien ook, los van de monniken, eigen specifieke taken op zich konden nemen. Toch bleef ook nadien Vrouwenklooster zowel bestuurlijk als economisch geheel afhankelijk en onderworpen aan het gezag van de abt van Sint-Laurens. Boven de priorin die in Vrouwenklooster de leiding over de nonnen had, stond een direct door de abt van Sint-Laurens aangestelde proost. Aan te nemen valt ook dat uit de gezamenlijke boedel bepaalde bezittingen aan de vrouwengemeenschap zijn toegewezen om te dienen voor het eigen onderhoud.[67] De regelingen die – mogelijk nog door abt Ludolf in 1142 – hieromtrent zijn getroffen zullen echter zeker niet hebben betekend dat de monialen en hun priorin zelf ook de volledige beschikking en het beheer hebben gehad over dat bezit en de daarmee verbonden rechten.[68]

Juist daarover blijkt in de loop van de tijd steeds veel strijd te zijn gevoerd. In veel van de overgeleverde (vroege) bronnen met betrekking tot Sint-Laurens en Vrouwenklooster gaat het om soms hoogoplopende conflicten tussen beide of om uiteindelijke regelingen aangaande bezittingen en rechten (met uiteraard de inkomsten daaruit en de opbrengsten ervan) en vooral het al of niet zelfstandig kunnen beschikken door de monialen van Vrouwenklooster over het eigen vermogen. Eerst in de loop van de veertiende eeuw, maar mogelijk zelfs nog later lijkt Vrouwenklooster meer zelfstandig te functioneren onder leiding van een abdis.[69] Deze blijkt zich echter ook dan nog steeds zeer te hebben moeten inspannen om het bezit en de rechten van haar abdij – ook tegenover derden – te handhaven. Op gezette tijden wordt er daarbij ook gerefereerd aan financiële problemen, armoede en zeer beperkte middelen, waarom het bijvoorbeeld in 1241 zelfs noodzakelijk was het aantal monialen van Vrouwenklooster te beperken tot dertig,[70] eenvoudigweg omdat men niet in het onderhoud van meer vrouwen kon voorzien.

Vrouwenklooster, De Beijer
Afbeelding van een na de opheffing in de zestiende eeuw aanvankelijk nog behouden gebleven gedeelte van het voormalig Vrouwenklooster bij De Bilt. Tekening Jan de Beijer, circa 1745.

In het geval van Sint-Laurens, de mannenabdij dus, vernemen we van dergelijke problemen minder.[71] Dat betekent echter niet dat we Sint-Laurens – heel anders dan Vrouwenklooster – uiteindelijk moeten zien als een bijzonder rijke en welvarende abdij. Niet alleen in haar begintijd maar ook later nog was ze bijvoorbeeld geenszins vergelijkbaar met een abdij als die van Sint-Paulus in Utrecht. Deze bezat, net als ook de Utrechtse kapittels, niet alleen in het (Neder-)Sticht maar verspreid over het hele bisdom vanouds verschillende belangrijke goederen- en rechtencomplexen. De kloosterlingen van Sint-Laurens hebben het van meet af aan moeten doen met slechts in de directe omgeving gelegen geheel van bezit en rechten, dat aanvankelijk ook nog vooral bezit in potentie was. Waarschijnlijk door vooral eigen inspanningen van monniken en lekenbroeders is dit beginvermogen door ontginning tot ontwikkeling gebracht en in betekenis toegenomen. Als gezegd hebben er na de beginschenkingen in 1122 en 1125 ook nadere schenkingen plaatsgehad, in een enkel geval mogelijk zelfs van (veel) verder weg gelegen bezit. Toch is haar hele geschiedenis door het overgrote merendeel van het bezit van de abdij gelegen geweest in het Nedersticht, en daarvan is het bezit in eigen directe omgeving, in Oostbroek-De Bilt, eigenlijk steeds het kerngebied geweest. Van de ontginning van dat gebied lijkt men wel een succes hebben weten te maken, waarna het vanuit (uithoven van) de abdij zelf geëxploiteerd dan wel aan anderen verpacht en/of tegen een tijns uitgegeven landbezit de nodige inkomsten en opbrengsten zal hebben opgeleverd. Ook de door of namens de abt uitgeoefende rechtsmacht alsmede tienden die door de boeren dienden te worden afgedragen, droegen hieraan bij. Betwijfeld mag worden of op basis van dit alles door de monniken, lekenbroeders en alle andere bijvoorbeeld ook als dienstpersoneel met de abdij verbonden lieden een meer dan vrij sober leven werd geleid.

Kaart Van Wijngaerde
Anthonie van Wijngaerde, vogelvluchtkaart van omstreeks 1558, met op de achtergrond, vanuit Utrecht naar het oosten gezien de abdij van Sint-Laurens in het Oostbroek. Oxford, Ashmolean Museum.

Van wildernis tot oase

Kanttekeningen bij
Van wildernis tot oase
en de aanhoudende noodzaak tot wieden, snoeien en rooien


Het begin mei verschenen en op 29 mei gepresenteerde boek Van wildernis tot oase. Landschapsgeschiedenis van landgoed Oostbroek bij De Bilt heeft een merkwaardige geschiedenis. In beginsel was door het Utrechts Landschap aan het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen gevraagd om de geschiedenis van Oostbroek te vervatten in een zogeheten landschapsbiografie. Hiervoor werden verschillende deskundige onderzoekers-auteurs aangetrokken.


Een aantal ingeleverde teksten werd echter niet goedgekeurd door de redactie, bestaande uit prof. dr. ir. Th. Spek en R. Raven MA, namens het Kenniscentrum, en drs. P. Vesters en dr. F. Vogelzang, namens het Utrechts Landschap, omdat ze te moeilijk, te wetenschappelijk zouden zijn. Aangenomen mag worden dat deze kritiek en de wens om te komen tot wat men noemt een voor een breed publiek aantrekkelijk boek afkomstig is geweest van Vesters en Vogelzang namens het Utrechts Landschap, maar dat is nooit geheel duidelijk geworden. In ieder geval hebben Spek en Raven van het Kenniscentrum Landschap van de Universiteit Groningen zich hiervan nooit gedistantieerd, laat staan zich sterk gemaakt voor uitvoering van de oorspronkelijk gekozen, in beginsel toch hoe dan ook wetenschappelijk verantwoorde opzet. Opmerkelijk is intussen dat de nu verschenen publicatie niet meer de naam landschapsbiografie draagt – er is sprake van een landschapsgeschiedenis – en ook alleen gepromoot wordt door het Utrechts Landschap (zie bijvoorbeeld het op 15 mei verschenen artikel van H. van de Bunt in het Biltse blad De Vierklank). In het colofon van het boek wordt enigszins omfloerst gesproken van ‘manuscriptrealisatie’ die ‘in handen was van Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen’.

Mijn bijdragen werden in eerste instantie, tot tweemaal toe, omgewerkt door redacteur R. Raven van het Kenniscentrum,  en hoewel ik me eigenlijk niet met de gang van zaken kon verenigen, heb ik haar teksten toch van uitvoerig commentaar voorzien, maar tevens – rekening houdend met de overigens nooit nader gespecificeerde kritiek – steeds zelf die teksten herschreven. Globaal gesproken zijn dat de teksten geworden die nu hierboven zijn weergegeven.

Maar ook de aldus door mijzelf herschreven tekst kon de goedkeuring van de redactie niet wegdragen. Besloten werd toen de hele tekst van het boek – dus ook de inmiddels geleverde bijdragen van de andere onderzoekers-auteurs – te laten herschrijven door redacteur F. Vogelzang namens het Utrechts Landschap. Hoewel dit alles in strijd was met de gemaakte afspraken voor de realisering van de publicatie, heb ik daarmee ingestemd, maar nadrukkelijk een beslissing over hoe mijn deelname en bijdrage aan dit project vermeld diende te worden vooruitgeschoven en afhankelijk gemaakt van het uiteindelijk resultaat. En hoewel dit redelijkerwijs van mij niet meer verwacht kon worden, heb ik de tekst die op een gegeven moment werd voorgelegd toch nog weer van een uitvoerige reactie voorzien, zowel inhoudelijk als nadrukkelijk ook voor wat betreft taal en formuleringen. Hetzelfde gold ook voor de bijschriften die bij de afbeeldingen in de betreffende hoofdstukken geplaatst zouden worden.

Met die uitvoerige commentaren is daarna, zo bleek uit een nieuwe tekst, weinig tot niets gedaan. Enkele gemakkelijk over te nemen wijzigingen en correcties werden weliswaar doorgevoerd, maar aan de moeilijker en ook fundamentelere opmerkingen werd eenvoudigweg door Vogelzang voorbijgegaan.

Mij heeft dit er eens te meer toe gebracht om in het Ten geleide bij de publicatie duidelijk geformuleerd te krijgen wat mijn bijdrage aan dit project is geweest, maar ook dat de verantwoordelijkheid voor de tekst zoals die gepubliceerd zou worden geheel en al lag bij de samenstellers en de redactie en uitdrukkelijk niet bij mij als de oorspronkelijke auteur. Het Ten geleide is wat dat betreft en in die zin dan ook in overleg tot stand gekomen.

Anders ligt dat voor wat betreft de titelpagina, waarover met mij geen overleg meer is geweest en die dus ook niet is voorgelegd. Tot mijn verrasssing bleek daarop ineens vermeld dat het boek was samengesteld ‘naar bijdragen van’ onder anderen mijzelf. Kennelijk werd toch de pretentie van wetenschappelijkheid niet geheel opgegeven en was er nog een soort vlag van deskundigheid nodig voor de uiteindelijke niet-wetenschappelijke, zogenaamd publieksvriendelijke lading. Intussen werd die pretentie op tal van punten geenszins waargemaakt. En was een en ander aan mij vooraf voorgelegd, dan had ik voor wat betreft die vermelding op de titelpagina zeker bezwaar gemaakt of op zijn minst bedongen een formulering als ‘zeer vrij en met voorbijgaan aan gegeven commentaar naar bijdragen van …’

Ik zou nu hier uitvoerig kunnen aantonen dat de publicatie die er thans ligt helemaal niet publieksvriendelijk is, laat staan prettig leesbaar, en bovendien een onvoorstelbaar groot aantal onjuistheden bevat; zo is de, neem ik aan, juist voor dat bredere publiek bedoelde verklarende woordenlijst niet meer aan mij voorgelegd! –  zeker voor wat betreft de middeleeuwse termen en begrippen een regelrechte aanfluiting. Het wieden, snoeien en rooien van deze wildernis zal ik evenwel te gelegener tijd en plaats doen. Hier wil ik mij vooralsnog beperken tot kritiek op de wijze waarop deze publicatie uiteindelijk gerealiseerd is.

Mijn bezwaar hiertegen geldt nog eens te meer, nu ik – na het het boek onder ogen te hebben gekregen – bovendien heb moeten vaststellen dat nog in een late fase van de totstandkoming van de feitelijke tekst – dat wil zeggen de fase tussen de laatste tekst die ik nog onder ogen heb gehad en becommentarieerd, en de uiteindelijke, nu gepubliceerde tekst – er op een fundamenteel punt een belangrijke inhoudelijke wijziging is doorgevoerd. Het gaat hierbij om vervanging van een door mijzelf en anderen uitvoerig wetenschappelijk beargumenteerde en onderbouwde opvatting door een ander – nergens ooit op enigerlei wijze nader verantwoord – idee, waarbij dan evenwel in een noot toch naar míjn meest recente publicatie wordt verwezen. Voor de goede orde, het betreft hier in geen geval een aanpassing van een te moeilijke tekst aan wat een breder lekenpubliek geacht wordt aan te kunnen; het is een duidelijke keuze van de samenstellers van het boek voor een volledig uit de lucht gegrepen, van de wetenschappelijke communis opinio afwijkende opvatting, die blijk geeft van een volstrekt gebrek aan historische kennis, inzicht en ervaring. Met het doorvoeren van deze wijziging en verwijzing hiervoor naar mijn publicatie wordt intussen wel duidelijk dat er bij dit boek – ‘geschreven door enthousiaste onderzoekers’ – niet zomaar alleen sprake is van slappe knieën van de kant van het Kenniscentrum naar de opdrachtgever toe, die een ‘fraai’ en gemakkelijk lezend boek wil, maar dat er in de manier waarop is omgegaan met de bijdragen van deskundigen ook ronduit sprake is van gebrek aan wetenschappelijke integriteit.

Ik wil me als oorspronkelijk aangetrokken onderzoeker-auteur daarom nadrukkelijk en in alle opzichten volledig van dit boek distantiëren.


© C.J.C. Broer 2011-2013. - Aangemaakt: 26 augustus 2012; laatst bewerkt: 30 mei 2013.