Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Voor andere Utrechtse huizen zie de webpagina ► Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.
Het huis Lamparden en het vijfde claustrale huis van Sint-Marie
door Martin W.J. de Bruijn

Soms kan een toevallige ontmoeting leiden tot al dan niet hernieuwd onderzoek. In dit geval trof ik op 13 april 2018 Jean Penders, de initiator en drijvende kracht achter het Utrechts Documentatiesysteem. Hij bleek onder meer bezig met de archeologische en bouwhistorische gegevens over een huis in het westen van het stadsgebied dat duidelijk boven de rest van de bebouwing uitsteekt. De oudste afbeelding waarop het voorkomt, is de bekende afbeelding van Antonie van Waterloo, gemaakt in het midden van de zeventiende eeuw vanaf de domtoren in westelijke richting (zie de afbeelding helemaal links). Volgens Penders zou het hier om het in de historische bronnen vermelde huis
Lamparden of Lamperden gaan.
Zadelstraat 17de eeuw
Afbeelding van rond 1650, gemaakt door Antonie van Waterloo vanaf de domtoren in westelijke richting. Links naast de boom het huis Lamparden of Lamperden, dat daar boven de andere bebouwing uittorent.
Lamperden Saftleven
Het huis Lamparden vanuit het zuidwesten op een afbeelding van Herman Saftleven van omstreeks 1660. Rechts de kloosterkerk van het Duitse Huis.

Lamperden Rademaker 1720 naar Saftleven
Het huis Lamparden omstreeks 1720 vanuit het noorden door Abraham Rademaker, mogelijk naar Saftleven.

Lamparden in 1824 door Bruno van Straten
Lamparden vanuit het zuidwesten in 1824 door Bruno van Straten. De nokrichting van het huis wijkt af van die op de andere afbeeldingen.

Lamparden in 1923
Groepsfoto met op de achtergrond het huis Lamparden in 1923.

Lamparden op plattegrond van 1897
Lamparden (Walsteeg 34) op een plattegrond uit 1897, met correctie door het Utrechts Documentatiesysteem.









[1] Het Utrechts Archief [HUA], Archief van het kapittel van Sint-Marie [Sint-Marie] 360-1 (goederen mensurnaalkamer ca. 1400), f. 9-3, part. 3: que area quondam fuit anterior pars aree quam Hubertus Foke predictus a nobis tenebat in pactum extense iuxta longitudinem vici que nunc dicitur vulgariter Duytschenhuys steghe usque ad commuem viam iuxta murum civitatis.

[2] Ald. achter f. 9-3, part. 3: Sed de hiis partibus aree Huberti Foken quam a nobis tenebat in pactum, scilicet secunda et quinta partibus, nichil in modernis registris invenitur. Nec dominus Theodericus Weert de hac quinta parte plus habet quam solum transitum ad vicum dictum Duytschenhuys steghe.



















[3] HUA, Sint-Marie 292.





[4] HUA, Sint-Marie 340-8, f. 215v.-216: Die lune XIa februarii, hora capitulari consueta, venerabiles domini Kroll, vicedecanus, Venrode, Buser, Rynensteyn, Dedell, Beyer, Frydach et Mommen, canonici capitulares nostre ecclesie, capitulariter congregati, decreverunt quatenus emptores domorum quondam Haefften et Grundick infra annum a die emptionis earundem tuguria et stabula cum stramibus exnunc tecta tegi faciant cum tegulis et solido tecto, alioquin deiiciantur et diruantur. Et quod mathale in horto Haefften penitus destruatur et removeatur, quod ita mandarunt in cedulis venditionis cuiuslibet earundem suo tempore annotari et in venditione publicari. Actum utsupra.

[5] HUA, Sint-Marie 40-8, f. 216: Adhuc hodie (= die lune XIa februarii) placuit eisdem dominis capitulariter congregatis quod dominus Antonius Venrode emere seu comparare poterit a schulteto huius civitatis Traiectensis domum et aream dictam vulgariter Lamperden vicinam et contiguam domui et aree quondam magistri Martini Grundick etc. Actum ut supra.
















[6] HUA, Sint-Marie 340-2, f. 3 over de opeenvolgende bezitters van het vijfde claustrale erf: Hanc nunc possidet magister Arnoldus Grundic, decanus sancti Iohannis Osna­burgensis, canonicus noster, qui eandem coemit et coedificavit domum et hortum post pontem, inter vicum domus Teutonice et cloacam que interfluit, (andere hand:) vulgariter dictam Lamparden.
Hanc nunc possidet magister Martinus Grundic, canonicus noster.

















[7] HUA, Sint-Marie 40-8, f. 224-224v.: Similiter (= die veneris VIIa iunii) Montfoordt et Frydach exposuerunt hodie capitulo quatenus sub beneplacito capituli iam convenissent cum domino Brunone Henrici de domo Lamperden et attinentiis suis, immunitati ecclesie contigua, ita videlicet quod domum eandem unacum suis attinentiis predictis capitulum vendere poterit simul cum quinta domo et area claustralibus quondam magistri Martini Grundick, sub ea conditione quod ipse dominus Bruno dictam domum Lamperden inhabitabit libere, habendo etiam cum ancilla eius domestica, cum opus fuerit presertim hyeme, transitum per hortum ad cemiterium ecclesie usque festum Pasche proxime futurum dumtaxat seu diem solite transmigrationis mox subsequentis, prout hec in cedula venditionis specificabuntur et tempore venditionis publicabuntur. Unde capitulum premissa acceptando mox decrevit quatenus emptor domus et aree predictarum tenebitur intra triennium a die emptionis inclusive suis impensis pretactam domum Lamperden tegi facere cum tecto solido, videlicet tegulis aut petris, prout sibi videbitur. Actum utsupra.

[8] HUA, Sint-Marie 40-8, f. 225: Similiter hodie (= die martis XVIIIa iunii) conclusum fuit capitulariter quod domus Lamperden libere vendetur cum quinta area claustrali nostre ecclesie et quod emptor illius pro tempore nunquam eandem alienabit, onerabit aut ypothecavit, sed illam dimittet liberam appropriatam et unitam aree claustrali antedicte, cum qua semper melioratio eius vendetur ut supra. Et desuper dabit emptor litteras sub sigillo suo recognoscendo quod post mortem suam heredibus nullum ius ad dictam domum Lamperden quoad illius proprietatem competere debeat aut possit. Unde capitulum mandavit huiusmodi conditiones in cedula venditionis conscribi et tempore venditionis publicari. Actum ut supra.

[9] HUA, Stad I, 704 (1544), nr. 10, en 705 (vj. 1564), p. 49-50.

[10] HUA, Sint-Marie 487, f. 2v.

[11] Ald. f. 225v.-226: Die veneris XXVIIIa iunii, tamquam in termino continuato hora completorii et venditioni consueta, venerabiles domini vicedecanus et capitulum nostre ecclesie vendiderunt domino Loeffrido Verhaer, concanonico nondum capitulari, meliorationem domus et quinte aree claustralis quondam magistri Martini Grundick unacum domo dicta Lamperden et suis attinentiis, iuxta conditiones in cedula venditionis descriptas et ibidem publicatas, ac sub pensione ex eisdem debita et publicata pro trecentis et septuaginta florenis Renensibus aureis de pondere aut eorundem vero pro tempore solutionis valore, quem ecclesie Traiectenses tunc recipient a pactionariis, solvendis intra annum et sex hebdomadas a festo Remigii proxime futuro computandas. Presentibus in aula domus predicte Iacobo Kroll, vicedecano, Venrode, Buser, Montfoordt, Rijnesteyn, Dedell, Beyer, Frydach et Lochorst, canonicis capitularibus, necnon dicto domino Loeffrido emptore, Vinea, canonicis non capitularibus, Lapp, Vaell, Arnoldo Venrode, Borsen [?], Tulman etc., vicariis et chorisociis nostre ecclesie, ac schulteto nostro, testibus.
Item decretum fuit mox ante venditionem domus predicte quod murus ad introitum porte domus eiusdem protendens ad cameram domus domini Wilhelmi de Paulude, vicini, sit vulgariter een heyn muer, qui debebit communibus impensis renovari ac interteneri. Et si emptor huius domus velit murum huiusmodi habere alteriorem, id fiet communibus impensis, ut prefertur ad altitudinem dumtaxat duorum pedum etc.

[12] HUA, Sint-Marie 292.

[13] HUA, Sint-Marie 340-2, f. 3 : qui eandem coemit et coedificavit domum et hortum post pontem inter vicum domus Teutonice et cloacam que interfluit. Met andere hand is daaraan toegevoegd: vulgariter dictam Lamparden.
Met Lamparden of Lamperden werd in de Middeleeuwen Lombardije aangeduid. Het lijkt aantrekkelijk om te denken aan een huis waar lombarden, geldschieters uit Lombardije, gevestigd waren. Maar ik heb er geen enkele aanwijzing voor gevonden. Wat de ouderdom betreft, ben ik niet verder gekomen dan het eind van de vijftiende eeuw. En, zoals nog blijkt, het huis was in 1527 nog gedekt met stro of riet. Misschien dient men zich zelfs af te vragen of het in die tijd al de hoogte had die het later zou blijken te hebben.

Op deze webpagina zet ik nog eens op een rij wat de (laat)middeleeuwse bronnen over dat huis en zijn omgeving meedelen. Het Utrechts Documentatiesysteem – waaraan ik ook de meeste hier geplaatste afbeeldingen ontleen – biedt inmiddels uitstekende mogelijkheden voor nadere situering, omdat hierin behalve de oudste kadastrale gegevens ook de opeenvolgende huisnummeringen op overzichtelijke wijze zijn weergegeven. Dat was in de tijd dat mijn dissertatie uitkwam, in 1994, nog niet het geval, zodat de ligging van percelen zonder tijdrovend nader onderzoek nogal eens verkeerd uitkwam of althans vaag moest blijven.

Om de bronvermelding op deze webpagina beperkt te houden, verwijs ik in zijn algemeenheid naar de behandeling in mijn dissertatie, met name de pagina’s 208, 212-215.

Immuniteit Sint-Marie
Plattegrond van de immuniteit van Sint-Marie. Het huis Lamparden stond linksonder achter het vijfde caustrale perceel, tussen de immuniteitssloot en de Walsteeg (op de afbeelding nr. 6). Tek. A.F.E. Kipp op aanwijzingen van M.W.J. de Bruijn (uit Husinghe ende hofstede, 208).

De kapittelimmuniteit van Sint-Marie werd vanouds, waarschijnlijk vanaf de stichting omstreeks 1080, begrensd door sloten of grachtjes. Aan de zuidkant bleek de grenssloot te lopen ongeveer achter Springweg 13, oost-west, evenwijdig aan de latere Walsteeg. Vijf claustrale erven van het kapittel van Sint-Marie grensden met hun achterzijde aan de sloot. In de vijftiende eeuw werden deze van oost naar west genummerd van één (I) tot vijf (V). Tussen de zuidelijke immuniteitssloot en de Walsteeg bevond zich een in oorsprong breed perceel, dat zich uitstrekte vanaf de Springweg tot aan de stadswal. Waarschijnlijk had dit grondstuk al in de dertiende eeuw toebehoord aan Hubrecht Foke (waarschijnlijk gelijk aan Foec). Blijkens de registers zal het toen al in erfelijke pacht uitgegeven zijn geweest door het kapittel van Sint-Marie. Zo zegt een rond 1400 aangelegd goederenregister van het eerste erf, gelegen achter claustraal erf I, onder meer: ‘(dit) huiserf was eertijds het voorste deel van het erf dat Hubert Foke voornoemd van ons in zijn geheel in pacht hield langs de lengte van de straat die nu gewoonlijk de Duitse-Huissteeg – de tegenwoordige Walsteeg – wordt genoemd tot aan de gemeenschappelijke weg langs de stadsmuur’.[1]

Volgens diezelfde registers was dit erf echter al kort daarna verdeeld onder de vijf claustrale huizen aan de zuidkant van de immuniteit, die met een brug over de sloot in verbinding stonden met hun deel van het perceel. Van die vijf erven waren er omstreeks 1400 al weer twee vervreemd, te weten het tweede en het vijfde. Van de bezitter van het vijfde perceel in die tijd wordt gezegd dat hij alleen nog een doorgang naar de Walsteeg had behouden.[2] Zoals we zullen zien werd dit erf later weer door een bezitter van het claustrale perceel V teruggekocht en aan zijn claustraal erf toegevoegd.

Opmerkelijk is dat de pachtbedragen aan het kapittel verschilden, hoewel ze alle half op Sint-Maarten en half op Sint-Pieter moesten worden betaald: van het eerste, derde en vijfde erf moest 20 schellingen per jaar worden betaald, van het tweede 36 schellingen, van het vierde 39 schellingen. Deze bedragen correspondeerden niet met de breedte van de percelen.

Het perceel waarop het huis Lamparden verrees, had behoord tot het claustrale huis dat in de vijftiende eeuw het nummer vijf (V) kreeg, maar was volgens de registers daarvan vervreemd. Het is niet bekend wanneer en onder welke bezitter van claustraal erf V dit gebeurd is. Maar Aart Grundick, deken van Sankt-Johann in Osnabrück en kanunnik van Sint-Marie, kocht het perceel terug en voegde het weer bij zijn claustrale erf. Op 30 augustus 1487 was het erf gerechtelijk toegeëigend aan Heimen de Gruiter voor een half jaar pacht van de helft van een losrente van 4½ Rijnsgulden. De omschrijving luidde dat Heimen werd geëigend aenden erffpacht vander hofstede ende aen alsulck ghetymmert alse daer op staet van voer tot after mit allen horen toebehoren gelegen opten noertwesten hoeck van Duytschenhuyse steghe ende is geheten Lamperden, dair die selve steghe zuytwairt ende joncker? Rovers nacomelingen van Zuelen noertwairt naestgelegen zijn. Op 5 augustus 1490 droeg Heimen het goed over aan Aernt Gruntdijck, deken van Osenbrugge ende canonick sinte Marien tUtrecht.[3]

Op 11 februari 1527 gebood het kapittel om binnen een jaar na de koop de hutten en stallen op het perceel van Grundick met daken van stro te dekken met tegels en harde daken, zoals dat in de verkoopceel was omschreven. Anders zouden ze worden afgebroken.[4] Op dezelfde dag stond het kapittel aan zijn kanunnik Antoon Venrode toe dat hij van de stadsschout van Utrecht het huis en erf gewoonlijk geheten Lamperden naast het huis en erf van wijlen mr. Maarten Grundick mocht kopen.[5]

Een oorkonde van 18 maart 1527 maakt geeft nadere informatie over wat er met dit huis aan de hand was:

Alle denghenen die desen brieff zellen zien off horen lesen doe wy verstain scout ende schepen der stadt van Utrecht dat ons kenlicken is dat hem Melis uuten Eng, schout van ts heeren wegen, mitt recht inne heeft doen leyden in den alingen huysingen, hoffsteeden, hoff, poerten ende poirtweegen mit allen horen toebehoren, gelegen opten noortwesten hoick van sunte Marijen ende ten Duytschenhuyse steege, ende is geheeten Lamperden, dair dieselve steege zuijtwerts ende die huysinge ende hoffstede gelegen op sunte Marijen kerckhoff ende meyster Meerten Grundwijck, wyleneer canonick sunte Marien tUtrecht, toe te behoeren ende in ’t laetste van synen leven te gebruijcken plach oestwerts ende noirtwerts naestgelegen syn, streckende van der stadt mueren totter uutgange ofte poirtwech van der huijsinge van meyster Meerten voirscreven die in der selver steege voirscreven mede uutgaet aender huijsinge van heeren Willem Uutenbroeck, canonick sunte Marien voirscreven, soe meijster Arent Gruntwijck, wyleneer deecken van sunt Jans ten Osenbrugge ende canonick sunte Marijen t’Utrecht voirscreven voir ende meijster Meerten voirscreven na dese huijsinge, hoffstede, poerten ende poirtweegen geheet Lamperden in ’t laetste van horen leven aen der ander huysinge ende hoffstede gelegen aen sunte Marien kerckhoff mede te gebruijcken ende te bewoenen pleegen. Ende dese inleydinge sell weesen tot Melis uuten Eng van ’ts heeren weegen behoiff als voirscreven staet, soe dair geen erffgenamen van selighe meijster Aert Grundtwijck, wijleneer deecken sunt Jans ten Osenbrugge ende canonick sunte Maryen voirscreven, tevoirscijn gecomen en syn, ten wair dair noch erffgenamen van selige meyster Aert voirscreven ter goider tijt tevoirscyn quamen ende beweesen als recht wairen erffgenamen te syn van zelige meijster Aert voirscreven, zonder arch.

Het probleem was dus dat mr. Aart Grundick geen erfgenamen had nagelaten. Opmerkelijk is echter dat zijn opvolger een mr. Maarten Grundick, kanunnik van Sint-Marie, was,[6] misschien wel geen erfgenaam, maar hoogstwaarschijnlijk toch wel een familielid in de mannelijke lijn.

Op dezelfde datum, 18 maart 1527, oorkondde het Utrechts schepengerecht

dat ons kenlicken is dat Melys uuthen Eng, schout t’Utrecht, van der bancke tradt dair hij the rechte sat ende sette eenen anderen schout in synen stadt alse recht wijsde. Dat gedain wesende ter selver tyt quam voir ons in ’t gherechte Melys uuter Enge, scout voirscreven, ende gaf voir hem ende synen nakomelingen, scouten indertyt wesende, over heeren Bruijn Henrickssen, vicarius sunte Marien t’Utrecht, den stadtbrieff van Utrecht van der inleydinge ende den vrijen eijgendom van het betreffende goed.

Het huis en erf Lamparden was dan wel toegevoegd aan het claustrale erf, maar dit betekende niet dat het daarmee ook aan de wereldlijke rechtsmacht onttrokken was, zoals de bemoeienis van het stedelijk schepengerecht van Utrecht bewijst.

In juni 1527 stelde het kapittel nadere bepalingen op. Op de 7de werd bepaald dat het kapittel het huis met het vijfde claustrale huis mocht verkopen en dat de hierboven genoemde vicaris Bruin Hendriksz. het huis Lamperden vrij mocht bewonen en dat hij met zijn dienstmeid, vooral wanneer dit in de winter nodig was, een doorgang door de tuin naar het kerkhof zou hebben, en wel tot aan Pasen of de gebruikelijke verhuistijd kort daarna. Binnen drie jaar moest de koper het huis Lamperden dekken met tegels of pannen.[7] De verleende doorgang bespaarde de vicaris en zijn meid een flinke omweg door de Walsteeg en de Springweg of over de stadswal naar de kerk toe.

Op 18 juni stelde het kapittel nadrukkelijk vast dat Lamperden met het vijfde claustrale erf verkocht zou worden en dat de koper het nooit zou vervreemden, belasten of verpanden, maar dat het altijd met het claustrale erf verenigd zou blijven. Deze bepaling zou in de verkoopceel worden opgenomen.[8]

Op 28 juni werd het complex door het kapittel verkocht aan zijn kanunnik Loef Verhaar voor 370 Rijnsgulden. Kort vóór de verkoop werd bepaald dat de muur bij de ingangspoort van het huis, zich uitstrekkend tot de kamer van het huis van de buurman Willem van den Broeck[9] (de Palude) – claustraal huis IV[10] ten oosten van V – een heynmuer zou zijn die op gemeenschappelijke kosten moest worden vernieuw en onderhouden. De muur mocht ook met twee voet verhoogd worden.[11]

Op dezelfde datum oorkondde Loef van de Haar dat hij het complex van zijn kapittel gekocht had:

Allen den ghenen die desen brieff sullen syen off horen lesen doe ick verstaen Loeff vander Haer, canonick tsinte Marien tUtrecht, datt ende alsoe myn weerdige heren ende mitbrueders deken ende capittell der kercken van sinte Marien voirscreven huden op datum sbrieffs mij vercofft hebben die beterscapp vande vijffte husinge ende hoffstede in haer vrijheit staende, dair zelige meister Meerten Grundick, wilneer canonick der selver kercken, in te wonen plach, mitgaders die husinge ende hoffstede genoempt Lamperden, soe die aldair zuytwert affter aen gelegen is, mit alle zyne gerechticheit ende toebehoeren, op zekere vorwaerden als inde vercoopcedell dair off wesende breder verclaert staen, soe is’t datt ick beloeft hebbe ende belove mits desen datt ick die voergenoemde husinge ende hoffstede geheiten Lamperden mit zynen toebehoeren tott gheenre tytt en zall becommeren, bezwaren, vercopen oft aen yemants anders handen brengen, mer deselve altijtt vrij ende onbecommert laten blijven aen ’t principaell huijss ende erve van onser kercken vrijheyt voirscreven. Ende lije ende bekenne oeck tegenwoerdelicken datt ick aen de voergenoemde husinge ende hoffstede van Lamperden mit zijnen toebehoeren nyett meer gecofft en hebbe noch my daeraen toebehoert dan mijn lyfftochte ende die beterscapp, die men nae mijnre doott mit datt principaell voorhuyss vercopen zall nae gewoenten onser kercken voirscreven, ende datt hyeromme myn erffnamen nae mijnre doott aen den gront vander husinge ende hoffstede van Lamperden mit zynen toebehoeren geen recht noch toeseggen en sellen hebben oft vermeten mogen in enigerwijs, sonder alle argelist.
In kennisse der waerheytt soe hebbe ick mijn zegell uutthangende aen desen brieff gedaen.
Gegeven int jare onses Heren duysent vijffhondert seven ende twijntich, opten acht ende twyntichsten dach in iunio.[12]

Het is opmerkelijk hoe zorgvuldig werd vastgelegd dat de erfgenamen geen recht op de grond van het perceel Lamperden zouden verkrijgen. Anders dan het gebied binnen de immuniteit viel dit perceel binnen het wereldlijk rechtsgebied. Hierbij werd uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de grond en de bebouwing, welke laatste werd aangeduid met de Romeinsrechtelijke term ‘beterschap’ (melioratio).

Ik heb niet nader onderzocht hoe het verder met Lamparden is gegaan. Het Utrechts Documentatiesysteem vermeldt dat het huis pas in 1936 is afgebroken.

In het goederenregister van de kleine kamer van Sint-Marie worden tot omstreeks 1400 de volgende opeenvolgende bezitters, tevens bezitters van het vijfde claustrale huis van Sint-Marie, genoemd:
heer Hendrik van Gelre
heer Rijkert Hotman (?)
heer Jan van Neuenahr
heer Jan Tengnagel
heer Rogier van Ech (?)
heer Tiaso
heer Roelof van IJzendoorn, proost van Sint-Pieter
Na omstreeks 1400:
heer Dirk Weert
heer Willem Voecht
heer Waltard van Oosterhout
heer Jan Hornse
heer Aart Grundick
Deze laatste wordt als bezitter genoemd in het register van de kleine kamer van 1487. Hij was behalve kanunnik van Sint-Marie ook deken van Sankt-Johann in Osnabrück.
Hij kocht het perceel met het huis Lamparden, dat klaarblijkelijk van het claustrale erf was afgescheiden en verkocht, weer terug.[13]
Vervolgens de kanunnik van Sint-Marie mr. Maarten Grundick
heer Loeffried Verhaar
Herman van Gouda, deken van Sint-Marie
heer Wicher Schuering


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2018. - Gepubliceerd 18 augustus 2018; laatst bewerkt 18 augustus 2018.