Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina
Het Wanthuis Scharlaken.






























[1] M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 380-385.
Het tijnsgerecht onder de Lakensnijders in Utrecht
door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding


Utrecht is in vele opzichten een bijzondere stad. Zij is dat niet alleen vanwege haar ouderdom, maar ook door haar zeer speciale ontwikkeling. Haar hele grondgebied is op 1 januari 723 in het bezit gekomen van wat ‘de Utrechtse kerk’ werd genoemd. Aanvankelijk werd dit bezit als één vermogen beheerd, maar door de splitsing van dit kerkelijk vermogen, raakte het versnipperd tussen de verschillende instellingen van de Utrechtse kerk, waaronder de bisschop zelf, de vijf Utrechtse kapittels en de abdij van Sint-Paulus.

Ook de stad verwierf na haar ontstaan en eerste ontwikkeling in de twaalfde eeuw rechten. Die rechten hielden niet alleen rechten op de grond en haar bebouwing in die wij nu privaatrechtelijk zouden noemen, maar ook een zeker overheidsgezag, ‘publieke’ rechten. Het oorspronkelijk kerkelijk vermogen raakte door verdeling verder versnipperd.

Op deze webpagina wil ik ter illustratie van het bovenstaande aandacht besteden aan een klein stukje stad dat vanouds, waarschijnlijk al vanaf de twaalfde eeuw, een speciale positie had. Het gaat hierbij om het zogeheten tijnsgerecht onder de Lakensnijders. In de oudere literatuur werd gedacht dat deze jurisdictie, dit rechtsgebied in territoriale zin, het hele noordelijk gedeelte van de latere Choorstraat omvatte, vanaf de Steenweg tot aan de Stadhuisbrug. Maar mijn onderzoek heeft uitgewezen dat het veel kleiner was en alleen het gebied van de tegenwoordige nummers Choorstraat 11 tot en met 15 en 14 tot en met 20 (met Vismarkt 25) besloeg.[1] Mogelijk vormde deze jurisdictie oorspronkelijk slechts één huiserf, maar daar kom ik nog op terug.
Choorstraat noord plattegrond
Huisnummerplattegrond van het noordelijk deel van de Choorstraat (Utrechts Documentatiesysteem).

Choorstraat minuutplan sectie C
Detail van het kadastraal minuutplan van de gemeente Utrecht, sectie C, met de Stadhuisbrug en het noordelijk deel van de Choorstraat (Lakensnijders). Het geeft de situatie van 1 oktober 1832 weer. De percelen 1271 tot en met 1281 vormden hoogstwaarschijnlijk het rechtsgebied van het tijnsgerecht onder de Lakensnijders.

Choorstraat 15-11
Huidige toestand van de noordwesthoek van de Steenweg en de Choorstraat. Van links naar rechts Choorstraat 15 (het hoekhuis), 13 en 11 (met de witte gevel). Foto M.W.J. de Bruijn 19 augustus 2018.
Choorstraat noord kelderplattegronden
Het noordelijk deel van de Choorstraat met een reconstructie van de kelderplattegronden door A.F.E. Kipp (grijs de straatkelders). Tek. A.F.E. Kipp.
Choorstraat 1870
Onderaan de afbeelding, omstreeks 1870 gemaakt vanaf de Domtoren in noordwestelijke richting, de westzijde van de Choorstraat van zuid naar noord. Linksonder de percelen aan de westkant van de straat die tot het gerecht onder de Lakensnijders hoorden. Van links naar rechts de betrekkelijk smalle huizen Choorstraat 15 en 13 en vervolgens het brede huis Choorstraat 11. Aquarel van W.C. van Dijk.
Lakensnijders 16-20 Huidige situatie van de hoek van de Choorstraat met het Hanengeschrei. Van links naar rechts Choorstraat 16, 18, 20 en, om de hoek, Vismarkt 25. Foto M.W.J. de Bruijn 19 augustus 2018.
Choorstraat westzijde vooraanzicht
Reconstructie van de doorsnede van Choorstraat westzijde en Stadhuisbrug westzijde (met deels gecorrigeerde huisnummers). Geheel links de Buurkerk, vervolgens de Steenweg en dan van links naar rechts de percelen Choorstraat 15, 13 en 11 die met de percelen aan de oostkant van de straat het gerecht onder de Lakensnijders vormden.













[2] Nationaal Archief, Graven van Holland 2118, f. 149v., nr. 154.











[3] J.A. Coldeweij, De heren van Kuyc 1096-1400 (Tilburg 1981).








[4] Zie J.M. Maris, Van voogdij tot maarschalkambt. Bijdrage tot de geschiedenis der Utrechts-bisschoppelijke staatsinstellingen voornamelijk in het Nedersticht (Utrecht 1954).

[5] Maris, Van voogdij tot maarschalkambt, 65; Coldeweij, Heren van Kuyc, 30; De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 65-66.




[6] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 II, uitg. K. Heeringa (’s-Gravenhage 1940) nr. 673.







[7] NA, Graven van Holland 402, f. 26.
















[8] Ald. f. 22v.






[9] Ald. 401, f. 28 v.














[10] Het Utrechts Archief [HUA], Stadsarchief I, nr. 392-1. In zijn dissertatie De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek (Hilversum 1993) stelde A.L.P. Buitelaar dat hieruit kan worden afgeleid dat de graaf en zijn leenhouders er de hoge jurisdictie uitoefenden. Zie echter De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 381, nt. 10.

[11] NA, Graven van Holland 707, f. 81, nr. 418.

[12] Ald. 226, f. 204, nr. 1359.

[13] NA, Graven van Holland 2118, f. 145, nr. 104.





[14] Ald. 228, f. 276v.









[15] Ald. 710, f. 4, nr. 16.

[16] Ald. 710, f. 4, nr. 16.

[17] Ald. 713, f. 160-160v.

[18] Ald. 716, Sticht, f. 11.

[19] Ald. 718, Sticht, f. 9.

[20] Ald. 725, Sticht, f. 5-5v.




[21] Ald. 727, Sticht, f. 8. Zie ook ald. f. 8 (1541.01.24) met het verzoek om haar neef te belenen.


[22] HUA, Stad II, 3243 (nj. 1579) blz. 264.








[23] NA, Graven van Holland 202, f. 22.
















[24] Ald. f. 122v.










[25] HUA, Bisschoppelijk archief 4, f. 128-128v. nieuw.



















[26] HUA, Stad 1, 705 (nj. 1567) blz. 133-136).




[27] HUA, Stad I, 705 (vj. 1569) f  62v. Het stuk mocht wegens de slechte staat niet geraadpleegd worden. Ik heb de gegevens ontleend aan W. van Iterson, ‘Ouderve en ander vorderlijk goed in het Nedersticht’, Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 16 (1939) 215-244, ald. 224.


[28] HUA, Stad II, 3243 (nj. 1579) blz. 264. Op 9 december had Frederik zijn neef Jan van Renesse, kanunnik van Sint-Jan, en mr. Frans Rodius gemachtigd tot het verrichten van een aantal rechtshandelingen met betrekking tot de nalatenschap van zijn vader (HUA, Not. U003a001, f. 144-146). Frederik was universeel erfgenaam (ald. f. 144).






[29] Zie hieronder, nt. 36.


[30] De Bruijn en M.A. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, in: C. Streefkerk en S. Faber, Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. mr. H. van der Linden bij zijn afscheid als hoogleraar in de Nederlandse rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit (Hilversum 1987) 55-81, ald. 65-67; De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 375-376.








[31] Zie hieronder, nt. 39.
Bezit van de heren van Cuijk

In het archief van de Hollandse graven bevindt zich een lijst met zogeheten Cuijkse lenen. Dit waren bezittingen die de heren van Cuijk als leenheren aan anderen, hun leenmannen, in leen hadden gegeven. In die lijst komt de volgende post uit 1290 voor:

Die heere van Kuyc verlyet Lubbert heren Hermans Teutelair, scepen in Utrechts zoon, die goeden van Cuyck twusschen Grausnyders an beyden zyden mit alle hoeren toebehoeren etc. Datum XIIC XC in crastino Domine esto mihi.[2]

Dit betekent dat de heer van Cuijk aan Lubbert zoon van heer Herman Teutelair, schepen van Utrecht, had verleend – dit wil zeggen in leen uitgegeven – de goederen van Cuijk, gelegen tussen de kooplieden van ongeverfde lakens aan beide zijden van de straat, met alles wat daarbij behoorde. Zoals uit latere gegevens blijkt, betrof het de hierboven genoemde percelen.

De heren van Cuijk behoorden tot een hoogadellijk geslacht, genoemd naar hun bezittingen in het dorp Cuijk aan de Maas in het tegenwoordige Noord-Brabant.[3] Hun stamslot stond echter in Geldermalsen in de Betuwe. Deze heren streden tegen onder meer de graven van Holland om de macht in het Midden-Nederlands rivierengebied. In 1127 werd een telg uit dit geslacht, Andries van Cuijk, tot bisschop van Utrecht gekozen. Waarschijnlijk dateert het genoemde bezit in de stad Utrecht uit die periode.

Een belangrijke wereldlijke functionaris binnen het territoir van de bisschop was toen al de stadsgraaf, die het bestuur en de rechtspraak organiseerde over een gebied in en rond Utrecht. Hij combineerde dit recht met dat van voogd over de Utrechtse kerk.[4] Dit betekende dat hij ook de organisatie leidde over de vrije en onvrije personen die tot de Utrechtse kerk behoorden. Het spreekt voor zich dat hij hiermee een aanzienlijke machtspositie innam.

De eerste voogd-stadsgraaf uit het geslacht van Cuijk was Herman, een neefje van de bisschop, die in 1145 voor het eerst als zodanig, als comes Trajectensis, wordt genoemd.[5] Tot 1220 hebben telgen uit dit geslacht stadsgraafschap en voogdij bekleed. Maar op 12 maart van laatstgenoemd jaar droeg voogd-stadsgraaf Albert van Cuijk het stadsgraafschap, de comitia Trajectensis, met wat daartoe behoorde, voor 200 pond terug over aan de bisschop. Hij behield zich hierbij wel de ‘manschap’ voor die aan het ambt verbonden was.[6]

Het zijn deze lenen die we in de hierboven genoemde lijst in het archief van de graven van Holland tegenkomen. Daartoe behoorde dus ook het gebiedje met de daarbij behorende rechten – daarover dadelijk meer – in de Choorstraat in Utrecht.

We vinden die lijst in het archief van de graven van Holland, omdat op 27 januari 1327 Otto van Cuijk de Stichtse manschap, met enige uitzonderingen die hier niet van belang zijn, heeft verkocht aan de graaf van Holland.[7]

Hoewel deze strikt genomen de manschap van de bisschop in leen hield, kreeg hij op deze wijze weer meer invloed in het Sticht. Meer invloed, want de Utrechtse bisschoppen waren in de voorgaande eeuwen al steeds meer in de macht van de graven van Holland geraakt.

De graven gaven op hun beurt het gebiedje in achterleen uit, al zal men de term achterleen niet in hun archieven tegenkomen. Dankzij hun bewaard gebleven administratie hebben we vanaf 1327 een tamelijk goed inzicht in de houders van het leen, die zowel mannen als vrouwen omvatten.

De eerste die we in het archief van de graven tegenkomen is Gerard de Vries, die op 24 april 1327 een bedrag van 30 pond Tourse zwarten op het goed vestigde als lijtocht voor zijn vrouw Aleid. Het werd toen omschreven als dien goede dat gheheten es onder die Grawe snider, legghende tUtrecht.[8]

Dezelfde Gerard de Vries of een gelijknamige zoon van hem werd Van der Hogerstraten genoemd in een oorkonde van 5 april 1333, waarin hij een lijftocht van 30 pond op het leen vestigde ten behoeve van zijn vrouw Machtild. Behalve het gerecht werd hier ook de tijns genoemd die er deel van uitmaakte.[9]

Het is wel interessant om te zien dat in beide gevallen de houders van het leen een deel van de inkomsten gebruikten voor het levensonderhoud van hun echtgenotes. Vanzelfsprekend diende een dergelijke ‘bezwaring’ van het goed te geschieden voor de leenheer en zijn leengerecht.

Interessant is verder ook een verzoeningsoorkonde van 15 mei 1351 tussen graaf Willem IV van Holland en de Hollandse steden aan de ene zijde en bisschop Jan van Arkel en de stad Utrecht aan de andere. Hierin verklaarde de graaf onder meer dat hij geen in het Sticht wonende Utrechtse burgers of welgeboren dienstlieden binnen de grenzen van het Sticht zou aanspreken voor geleden schade of schuld behalve in tgherechte datmen van ons houdt gheleghen binnen der stat van Utrecht onder die Laken sniders.[10] Hieruit kan worden afgeleid dat dit gerecht de enige plaats binnen het Sticht was waar de Hollandse graaf jurisdictie uitoefende.

Op 4 augustus 1352 kreeg Alfert van Nijendaal het gerecht van de graaf in leen,[11] op 29 maart 1383 Gerrit van Nijendaal tot een recht leen.[12] Recht, kwaad of versterfelijk leen betekende dat het niet kon vererven in de zijlinie, wanneer de leenman geen kinderen had. Was het een zwaardleen, dan konden alleen zonen erven. Op 10 oktober 1390 deed Gerrit van Nijendaal, burger van Utrecht, afstand van het leen.[13]

Van Renesse van Rhijnauwen


Hierna zal het in bezit zijn gekomen van Willem van den Cou(l)ster, die er op 14 februari 1398 afstand van deed ten behoeve van de hofmeester van de graaf, hertog Albrecht van Beieren, Jan van Renesse van Rhijnauwen. Het werd nu uitgegeven als een onversterfelijk erfleen, dit wil zeggen dat het ook aan vrouwen en in de zijlinie kon vererven. Bij iedere belening moest als ‘heergewaad’ een rode sperwer worden geleverd.[14]

Bijna twee eeuwen lang zouden de Renesses het tijnsgerecht onder de Lakensnijders van de graven van Holland in leen houden. Dit levert de volgende lijst op:

Tijnsheren

<1405.03.10>   Jan van Renesse van Rhijnauwen,
                          gehuwd met Liesbet van Heukelum[15]
1417.11.16        > zijn zoon Jan van Renesse van Rhijnauwen[16]
1440.04.16        > zijn zoon Jan van Renesse van Rhijnauwen[17]    
                          Frederik van Renesse van Rhijnauwen,
                          gehuwd met Elisabeth van Kruiningen
1455.08.07        > zijn zoon Jan van Renesse van Rhijnauwen,[18]
                          gehuwd met Cornelia Oem, vrouwe van Bokhoven
1472.05.07        > Joost van Kruiningen, ridder[19]
1519.08.19        > Anna van Harff, [20], dochter van Godard van Harff,
                          heer van Reifferscheidt, en van
                          Anna dochter van Jan van Renesse, gehuwd met
<1536.05.09>    Willem van Rossum, heer van Zoelen
1541.04.28         > Anna’s neef Gerrit van Renesse[21], ridder en raad
                          van de koning in het hof van Utrecht
1567 of kort daarna confiscatie door de Raad van Beroerten wegens ontrouw
                           later herstel aan Gerrits zoon Frederik van Renesse
1579.12.12         > zijn neef Gijsbert van Mathenesse[22]

Deze opeenvolging en de handhaving verliepen niet altijd zonder problemen. Op 10 maart 1405 machtigde leenheer hertog Willem zijn leenman tot wederopzeggen van onser weghen ende in onsen name rechts te pleghen, te spreken ende te vervolgen optie gene dair wij ende hij aen vercort worden, roerende van onsen goeden ende heerlicheden die wij hebben binnen der stat van Utrecht onder die Lakensnyders. De hertog beloofde van waarde te houden wat door zijn leenman bereikt werd.[23]

De problemen werden niet onmiddellijk opgelost. Op 14 december 1406 gaf de hertog de volgende machtiging af:

Willem etc. doen cond allen luden dat wy gemachticht hebben ende machtigen mit dezen brieve onsen geminden heren Jans van Rynesse van Rynouwen van onser wegen ende in onsen name onse goede te verantwoirden die gelegen siin onder die Grawesniders binnen der stat van Utrecht. Voirt machtigen wij hem mede inden selven goeden mit recht te spreken, recht dair off te eysken ende oirdel dair off tontfaen, tsi inden gerechte voirscreven of mit beroepen oirdele vanden scout ende scepenen vander stat van Utrecht vornoemt. Ende so wez onse geminde voirscreven inden voirscreven rechte doen sal, dair geven wy hem onse volcomen macht in, duerende tot onsen wederseggen.[24]

Omstreeks 1470 was er onenigheid tussen Jan van Renesse van Rhijnauwen als tijnsheer en de tijnslieden, de burgers wonende Onder de Lakensnijders heercomende om zeker tynzen ende ponden die de borger uut hoer huysinghen onder die Laken snijders den voirscreven heren Johan jairlicx sculdich sijn te betalen ende oic anders, des sie alinghe ende al ende dat dair uut ghesproten mach wezen aen ons ghebleven ende ghecompromittiert syn rechts op de pene van IIc (hiernaast in margine: twee hondert) Engelsche nobels nae uutwijsinge eens compromis dairaff gemaect.[25] De bisschop oordeelde op 18 augustus 1471 in zijn slot in Wijk bij Duurstede dat het compromis van kracht bleef en dat de burgers de tijnzen zouden betalen in stadsgeld en niet in goede penningen (mit ponden gheheiten statpay, alse binnen onser voirscreven stat elck pont gheheiten statpay gancachtich is, ende geen ponden bonorum). Dit laatste was vanwege het steeds slechter worden van de munten in het voordeel van de burgers. De kosten van het proces zouden gelijkelijk worden gedeeld. Mede seggen wij, wijsen ende pronuncieren dat de perthien voirscreven dese onse uutsprake byder pene voirscreven holden, naegaen ende vollentrecken ende onder malcander guede vrunde wesen ende om dese sake wille ghene onmynne noch onlede maken, mer wesen sullen als sie waren voir deser onlede ende gheschele ende hier mede gescheiden ende verenicht, sonder argelist.

Confiscatie en gedeeltelijk herstel


Hierna lijkt de rust te zijn weergekeerd. Dat duurde tot 1567 of kort daarna, toen de leenman, Gerrit van Renesse, – op 4 november van dat jaar nog als zodanig vermeld[26] – wegens opstandigheid tegen koning Philips II van zijn lenen vervallen werd verklaard. Het gerecht bleef echter functioneren. Op 14 februari 1569 werd ten overstaan van de gecommitteerde van de koning, mr. J. van Oprode, het huis De Bontemantel (Choorstraat 11) getransporteerd. Ook de tijns was nog intact; hij bedroeg voor dit goed één Carolusgulden.[27]

Gerrit van Renesses zoon Frederik werd in de rechten van zijn vader hersteld, met dien verstand dat dit waarschijnlijk niet meer gold voor de jurisdictie, alleen nog voor de tijns. Op 12 december 1579 droeg Frederik over aan zijn neef Gijsbert van Matenesse alsulcken thyns ende thynsrecht als hij comparant heeft ende hem competeren mach vuyt zeeckere huysen ende hoffsteden staende ende gelegen onder dye Laeckensnyders alhier binnen Utrecht, vermogens zyn registre ende oude possessie daer van.[28]

De organen van het gerecht en hun functies

We kennen de werking van de jurisdictie pas uit de zestiende eeuw. Op 9 mei 1536 verschenen de schout en twee tijnsgenoten en buren van het gerecht onder de Lakensnijders voor schout en schepenen van de stad, en ‘brachten hun aan’ dat Christoffel Jansz. vanden Bosch aan Goort van Gelre een losrente en al zijn recht had overgedragen uit het huis en erf gelegen onder die Lakensnyders, geheten den Bonten Mantell (het noordelijk deel van Choorstraat 11). Ook Christoffel van den Bosch verscheen en erkende dat hij deze overdracht aldus had gedaan. Op dezelfde wijze werd gehandeld in 1555.[29] Een dergelijke procedure was in Utrecht ook gebruikelijk bij het gerecht van de burggraaf aan de Vismarkt en de Lichte en Donkere Gaard.[30]

Er zijn echter ook oorkonden bewaard gebleven waarin de gerechtsheer en twee tijnsgenoten oorkonden dat een rechtshandeling voor het gerecht had plaatsgevonden. Zo oorkondden op 26 juni 1563 Gerrit van Renesse, ritter, raidt ordinaris des coninclycke mayesteyts inden hove provinciael tUtrecht, heer ende thinsheer, Anthonis Foeyt ende Peter Daemssen, thinsgenoten ende buere onder die Lakensnyders tUtrecht, dat voer Hubert van Culenborch, schout vande Lakensnyders, en voor hen als tijnsgenoten de weduwe van Floris Foeyt, haar vader Jacob Lam en Arend Foeyt in ’t gerechte verschenen waren en, mede voor haar minderjarige kinderen, hun huis en erf Het Paradijs (Choorstraat 14) hadden overgedragen aan de apotheker Alard Willemsz. van der Kemp. Bovengenoemde tijnsgenoten verschenen vervolgens voor schout en schepenen van de stad en brachten daar de rechtshandeling aan. Hierna werd een stadsoorkonde vervaardigd waarin de zojuist genoemde oorkonde woordelijk werd opgenomen.[31]

Het aantal tijnsgenoten bedroeg telkens twee. Gezien het geringe aantal percelen dat tot het gerecht behoorde, hoeft dit niet te verbazen.

De door mij getraceerde oorkonden leveren de volgende schouten, en buren en tijnsgenoten op:

Schouten


Jan Jansz. uten Waal de schrijver (1536.05.09)
Merten Jansz. (1555.05.02)
Hubert van Culemborg (1563.06.26; 1564.07.03)

Buren en tijnsgenoten


Floris Foeyt (1536.05.09; 1555.05.02)
Peter Klaasz. van Tiel (1536.05.09)
Dirk van Doyenborch (1555.05.02)
Antonis Foeyt (1563.06.26)
Peter Daamsz. (1563.06.26)
Alard Willemsz. van der Kemp (1564.07.03)

De omvang van het gerecht


In mijn dissertatie Husinghe ende hofstede hield ik nog de mogelijkheid open dat Choorstraat 9, het huis De Munt, het noordelijkste van het gerecht onder de Lakensnijders was. Ik acht het nu zeer onwaarschijnlijk. De jurisdictie omvatte hoogstwaarschijnlijk slechts Choorstraat 11 tot en met 15 en Choorstraat 14 tot en met 20 (met Vismarkt 25). Ik behandel hier de gegevens van de successievelijke percelen tot de tijd waarin aan de jurisdictie een eind is gemaakt.











[32] HUA, Stad I (704) nr. 73.

[33] Zie hierboven nt. 27.















[34] HUA, Stad I, 705 (nj. 1564) blz. 8-10.






[35] HUA, Coll. Buchel-Booth 308: hofstede gheleghen onder de Lakensnyders, gheheten Steghenberch.














[36] HUA, Stad I, 705 (vj. 1555) blz. 72-73.
















[37] HUA, Stad I, 705 (nj. 1567) blz. 133-136.














[38] Ald. 705 (nj. 1553) blz. 78-81.























[39] Ald. 705 (nj. 1563) blz. 2-3.

























[40] HUA, Stad II, 3243 (vj. 1586) blz. 225-226.




[41] HUA, Stad II, 3243 (nj. 1586) blz. 92-94.
























[42] HUA, Stad II, 3243 (nj. 1586) blz. 92-94.






















[43] HUA, Stad II, 3243 (vj. 1586) blz. 174-175.

[44] Zie hiervóór, nt. 40.






















[45] Voor een overzicht van de parcellering in de stad Utrecht – overigens in een aantal opzichten achterhaald en met veel redactiefouten – zie vooralsnog ‘De huiserven’, in: M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de singels. Beschrijving (’s-Gravenhage 1989) 37-56. Op blz. 30 een gedetailleerd overzicht van de parcellering van Onder de Lakensnijders, het noordelijk deel van de Choorstraat.

[46] Vgl. P.G.M. Vermast, ‘De heeren van Goye’, De Nederlandsche Leeuw 67 (1950) kol. 243-244; J. Maris, Van Voogdij tot maarschalkambt (Utrecht 1954) 65; en J.A. Coldeweij, De heren van Kuyc (Tilburg 1981) 226-228.

[47] Zie hiervoor de webpagina Het Wanthuis Scharlaken.
De huizen en erven

Choorstraat 11 noordelijk deel (C1280; De Bonte Mantel)


Op 9 mei 1536 verklaarden de schout en twee buren en tijnsgenoten onder de Lakensnijders voor schout en schepenen van Utrecht dat ten overstaan van hen Christoffel Jansz. van den Bosch, mede voor zijn vrouw Adriaantje Jansdr. van Malsen aan Goort van Gelre had overgedragen een losrente van 18 gulden en 15 stuivers uuter huysinge ende hofstede gelegen onder die Laeckensnyders, geheten den bonten Mantell.[32] Hoogstwaarschijnlijk was Goort toen de bezitter (erfelijk gerechtigde). Zoals hierboven is vermeld, werd het goed op 14 februari 1569 getransporteerd.[33]

Choorstraat 11 zuidelijk deel (C1279; Klein Stegenberg)


Op 7 juli 1563 transporteerde Marie Jan Janszoen uute Wael die scryvers weduwe en haar kinderen over aan haar zoon Antonis

die alinge huysinge ende hoffstede mitten kelre ende plaetse, van voren tot afteren ende mit allen horen toebehoren alsoe die staende ende gelegen is op die west zyde onder die Lakensnyders, genaempt Cleyn Stegenbergen, dwelck Anthonis Janssen voorschreven nu ter tijt bewoent, daer Belichgen Jasper van Honthorsts weduwe mitter huysinge genaempt Groot Stegenbergen zuytwerts ende Marie Goerdts weduwe van Gelre mitte huysinge genaempt den Bonte Mantel noortwerts naestgelegen syn
.[34]

Choorstraat 13 (C1278; Groot Stegenberg)


Steghenberch
komen we al tegen in een oorkonde van 18 oktober 1403, toen een aandeel in een tijns van 14 schellingen uit dit huis werd overgedragen.[35] Op 2 mei 1555 werd het goed getransporteerd aan Jasper Jansz. van Honthorst door
   Jan van Langerak en zijn vrouw Clementia Steven van Wedes dochter (met toestemming en in aanwezigheid van Steven);
    Folpert Mertensz. en zijn vrouw Aleid;
    Katrijn weduwe van Melis Thonisz. en haar kinderen;
De familierelatie tussen deze personen wordt uit de akte niet duidelijk. Het complex werd omschreven als

die alinge huysinge ende hofstede, van voren tot afteren, onder ende boven, kelnaer, cluyse, bodem ende boort, mit allen horen toebehoren staende ende gelegen onder die Lakensnyers, genoemt Groot Stegenberch, daer het hoeckhuys vande Schoenmakerhalle boven ende derfgenamen van Jan Janssen uutte Wael beneden naestgelegen zyn.

Uit het goed ging een tijns van 5 pond stadsgeld.[36]

Op 4 november 1567 vestigden Mobilia weduwe van Jasper Jansz. van Honthorst en haar kinderen ten behoeve van de twee kinderen van Frederik Fransz. uten Ham en zijn vrouw Emmeke Peter Jansz. Vastertsdr., Frans (oud 7 jaar) en Jutje (oud 10 jaar) een lijfrente van 25 gulden per jaar op dit complex en op de helft van een huis onder de Handschoenmakers tegenover de Visbrug (waarschijnlijk ging het hier om Choorstraat 22 oostelijk deel (C1309)). Gedurende hun leven zouden Frederik en Emmeke die 25 gulden zelf ontvangen. De debiteuren mochten de som aflossen met 200 gulden, wat op 21 maart 1581 ook daadwerkelijk gebeurd is. Het huis werd in de akte van 4 november 1567 Groot Stegenbergen genoemd en als belendingen werden aangegeven Peter Daamsz. zuidwaarts en Anthonis Jansz. noordwaarts. Er ging een tijns van 1 gulden uit het huis Onder de Lakensnijders ten behoeve van Gerrit van Renesse, ridder.[37]

Choorstraat 15 (C1277)


Op 17 oktober 1553 droeg Kunera zalige Bernt Daemssens naegelaten wedue aan haar zonen Cornelis, Gijsbert en Peter over onder meer

die helfte van twedelen van vyffdelen vander huysinge ende hofstede van voer tot after, onder ende boven, mit allen hoeren toebehoeren soe die staende ende gelegen is aen Buerkerckroester opten hoeck vande Laeckensnyders, daer die hall zuytwerts ende die huysinge genaemt Groet Stegenbergen noertwerts naestgelegen zyn.

De tijns aan Gerrit van Renesse, ridder, uit dit goed bedroeg 6 stuivers en 1 oort (= ¼ stuiver).[38]

Choorstraat 14 (C1304; Het Groot Paradijs)


Tegenover Choorstraat 11 noordelijk deel bevond zich als secundaire bebouwing Choorstraat 14.Op 26 juni 1563 transporteerden Emmeke Jacob Lamsdr., weduwe van Floris Foeyt, haar vader Jacob Lam en de kinderen van Emmeke en Floris aan Alert Willemz. van der Kemp, apotheker, en zijn vrouw Mechteld Jacob van Compestelsdr.

die alinge huysinge ende hofstede genaempt het Paradys, van voren tot afteren, onder ende boven, cluyse, bodem ende boort, glasen, glaesraempten ende mit allen horen toebehoren ende mit alsulcken haudtwerck alse daer nu ter tyt in is, ende soe Alert ende zyn huysfrou voerscreven dselfde nu ter tyt gebruycken ende bewoenen, staende ende gelegen onder die Lakensnyders aende oestzyde der straten, daer Anthonis Foeyt zuytworts ende Dyrck Jhelissen backer noortworts naestgelegen zyn.

Ook uit dit goed ging een tijns van 1 gulden aan ridder Gerrit van Renesse.[39]

Choorstraat 16 (C1305; Het Klein Paradijs)


Op 25 april 1586 werden door Johan van Doyenborch, mede voor zijn vrouw Peternel, Jacob van Quaribbe, Adriaan Ram en zijn vrouw Sophia van Doyenborch, Anna van Doeijenborch, weduwe van Johan Foeyt, Aart van Zanten en zijn vrouw Cornelia Peter van Doeyenborch aan Adam Petersz., burger van Utrecht, hun aandelen getransporteerd

vander alinge huijsinge ende hofstede van voren tot achteren, onder ende boven, kelder, cluijse, bodem ende boort, glaes, glaesraempten ende met allen haeren toebehoren eertvast ende negelvast, genaempt het Cleijn Paradijs, alsoe die staende ende gelegen is onder die Laeckensniders aende oostzijde der straten, ende Adam Peterszoon nu ter tijdt selver gebruijct ende bewoont, daer Jan Foeijten weduwe voorscreven mitsgaders Aert van Zanten ende sijn huijsfrou, ende oick Caerll Stuer als man ende voocht van sijn huijsfrou te samen suijdtwerts ende Alardt Willems zoon vander Kemp noortwerts naestgelegen sijn.

Van een tijns aan de tijnsheer onder de Lakensnijders is in deze akte geen sprake.[40]

Op 7 september 1586 deed Anna de weduwe van Jan Foeyt aan haar zonen Johan en Herman en Peter zoon van haar overleden zoon – zijn naam wordt niet genoemd – een schenking onder de levenden van goederen en renten uit goederen, waaronder een rente uit Het Klein Paradijs.[41] Ik zal deze akte hieronder behandelen bij Choorstraat 18.

Choorstraat 18 (C1306) en 20 (C1307)


Zoals zojuist gezegd deed op 7 september 1586 Anna de weduwe van Jan Foeyt een schenking onder de levenden aan haar twee zonen en een kleinzoon. Hiertoe behoorde ook

den vryen eygendom van het rechte vierendeel van seeckere twe alingen huysingen zoe die nu ter tyt by Jacob Terspil zyde laeckencoper ende Gerrit Splinter spiegelmaker respectivelick bewoont worden, staende ende gelegen aen ende besyden malcanderen over de Laeckensnyders, beyde streckende vander stadts strate tot inder stadgrafte toe, daer Wermbout van Noort ende Carel Steur als getrout hebbende Elysabeth Dirck van Doyenborchs dochter met haere twe woningen boven zuytwerts ende Peter Adamssen voornoemt met zyn voirscreven huysinge genaemt het Cleyn Paradys beneden noortwerts naestgelegen zyn, welcke voirscreven vierendeel zy comparante verclaerden haer toe te behoiren ende aengecomen te zyn vermits dode van jouffrou Ida van Doyenborch voornoemt, vermoegens zeecker verbant van hylicxvorwaerden tusschen des zelven jouffrou Idaes vader ende moeder zaliger op Sint Apollonius dach anno XVC ende seventien opgerecht ende gemaeckt
.[42]

Met de twee zuidwaarts vermelde woningen zullen Choorstraat 20 zuidelijk deel en Vismarkt 25 (C1306) bedoeld zijn (zie hieronder).


Choorstraat 20 zuidelijk deel (C1307) en Vismarkt 25 (C1306)


Deze beide huizen komen we tegen in een akte van 13 april 1586, waarin Aart van Zanten en zijn vrouw Cornelia van Doeyenborch, en Anna van Doeyenborch, weduwe van Jan Foeyt overdroegen aan Werebout Jacobsz. van der Noort, burger van Utrecht, zijn vrouw Anna


den vrijen eijgendom van die rechte halffscheijdinge van eender huijsinge, erve ende allen haren toebehoren, alse kelder, cluijs, bodem ende boort, glaes, glaesraempten ende allen tgene daer inne eerdtvast ende negelvast is, henluyden toebehorende, soe die staende ende gelegen is opden hoeck vande Vischbrugge ende Laeckensnijders noortwaerts ofte noortsijde vander straten, nue in twee woeningen onderdeijlt, daervan deene naede Vischbrugge bijden voornoemden Wereboudt van Noort selver ende dander naede Laeckensnider bij Aerdt Jacobs zoen van Doorn bewoendt werdt.[43]

Zoals hiervóór gezegd,[44] bevat de akte een clausule voor het geval uit het goed nog de tijns zou gaan die die Van Rhenesse daer van oudts vuijt plagen te hebben.

Overzicht van de bezitters van Choorstraat 14-20


Het bovenstaande levert voor de tweede helft van de zestiende eeuw de volgende bezitters op:
Choorstraat 14:

Emmeke Jacob Lamsdr., weduwe van Floris Foeyt, en kinderen;
daarna hun zoon en broer Antonis Foeyt; daarna Alert Willemsz. van der Kemp
Choorstraat 16:

Anna van Doyenborch, weduwe van Jan Foeyt;
daarna Adam Petersz.
Choorstraat 18:

Anna van Doyenborch, weduwe van Jan Foeyt, Aart van Zanten en echtgenote, Karel Steur en echtgenote Elisabeth Dirk van Doyenborchsdr.
Choorstraat 20 n.:

Peter Adamsz.
Choorstraat 20 z. en Vismarkt 25:

Wereboud van Noort en zijn vrouw Anna

Oorspronkelijk één huiserf?


Dit alles overziende kunnen we vaststellen dat het gerecht onder de Lakensnijders slechts beperkt van omvang was en in de Late Middeleeuwen acht percelen omvatte. Het is niet ondenkbaar dat het in oorsprong slechts om één perceel of hooguit twee percelen ging, waar wellicht de heer van Cuijk zijn woonhuis in de stad Utrecht heeft gehad.[45] De bisschop zal dit perceel met de lage jurisdictie hebben uitgegeven en wanneer dit juist is, kan het al vóór de bevestiging van het stadsrecht in 1122 hebben plaatsgehad, maar ook is denkbaar dat het door bisschop Andries van Cuijk (1128-1139) is gebeurd. Zijn neef-oomzegger Herman is mogelijk al vanaf 1131 stadsgraaf van Utrecht geweest.[46] Het oorspronkelijke huis ‒ mogelijk dat van stadsgraaf Herman van Cuijk ‒ zal in ieder geval gestaan hebben aan de westzijde van de straat, terwijl de oostzijde nog bestond uit een glooiend talud naar de gracht.[47] Mogelijk ging het om voorganger van De Bonte Mantel (Choorstraat 11) of Groot Stegenberg (Choorstraat 13).


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2018. - Gepubliceerd 18 augustus 2018; laatst bewerkt 18 augustus 2018.