Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Terug naar de stamreeks
Justus (Joost) de Bruijn








































[1]  A. van den Oord en W. van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom, drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot 1996) 71-72. Later in de negentiende eeuw was een Johannes de Bruin (sic) een van de drie Berkelse stierhouders. Waarschijnlijk was dit Hendriks zoon Johannes (Jan) de Bruijn, geboren in 1805, die in 1840 trouwde met Adriana Brekelmans en op 24 april 1873 in Heukelom overleed. Adriana is daar op 26 juni 1862 gestorven (zie generatie XIV).


[2]  RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1816, Kerkeind.


[3]  W. de Bakker en G. Berkelmans, Anderhalve eeuw in Oisterwijk (’s-Hertogenbosch 1974) 378-379. Ook te raadplegen op internet.


[4]  Ald. 232-233.


[5]  Gedoopt te Oisterwijk op 24 juli 1739 als zoon van Antonius en Guilielma Poiters. Hij gaf zelf 26 juli op en zat er dus maar een paar dagen naast.


[6]  W.H.Th. Knippenberg, ‘Brabants gildezilver XIV’, De Gildetrom 18 (1971) 42-43, ald. 43.


[7]  RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1824, Kerkeind.


[8]  RAT, B.S. Berkel-Enschot, geboorten 1826, nr. 13.


[9]  RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1834-1840, Kerkeind, blz. 21, nr. 89. Het is niet duidelijk of dit het huisnummer was.


[10] Zie voor meer gegevens over de familie Roodklif de website van M.A.P.M. van Iersel en voor de familie Hendriks: De Bakker en Berkelmans, a.w., 179-180.


[11] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 89.


[12]   Knippenberg, a.w.


[13] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 89.


[14] BHIC, Memorie van successie, kantoor Tilburg, inv.nr. 66, nr. 203.


[15] BHIC, Memorie van successie, kantoor Tilburg, inv.nr. 66, nr. 203.


[16] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 57.
Mijn betovergrootvader Joost de Bruijn heeft een leven geleid dat aanmerkelijk opwindender zal zijn geweest dan dat van de meeste van zijn voorouders. Hij werd op 14 maart 1792 onder de voornaam Justus gedoopt in de Oisterwijkse parochiekerk als zoon van Hendrik de Bruijn en Maria Burgers. Doopheffers waren zijn oom Peter de Bruijn en zijn tante Johanna Burgers. Zijn ouders woonden in Heukelom, dat weliswaar onder Berkel gelegen was, maar tegen Oisterwijk aanligt. De kinderen uit hun huwelijk werden dan ook in Oisterwijk gedoopt. Zijn ouders Hendrik de Bruijn en Maria Burgers hadden net als hun voorouders een boerenbedrijf. Hendrik wordt vermeld als de enige stierhouder in Berkel-Enschot in de eerste helft van de negentiende eeuw.[1]

Joost was het tweede kind. Hij had een oudere broer Thomas, geboren in 1790. Hierna zou het gezin nog uitgebreid worden met Arnoldus (1794, overleed al na enkele maanden), Joanna (1796), Paula (1798), Wilhelma (1800), Arnoldus (1802), Johannes (1805) en Jacobus (1807). Een gevoelig verlies zal het overlijden van de tweede Arnoldus zijn geweest, op 4 februari 1814, ruim elf jaar oud. Joost zou enkele jaren later zijn tweede kind naar deze Arnoldus vernoemen.

Een ander verdriet trof het gezin toen de oudste zoon Thomas niet terugkeerde van zijn militaire dienst. In dienst getreden op 19 maart 1812 zal hij deelgenomen hebben aan een van de Napoleontische veldtochten, wellicht zelfs de catastrofale naar Rusland. 

Toen nog maar nauwelijks tot het gezin kan zijn doorgedrongen dat hij niet meer thuis zou komen, kwam de jeugdige Joost in de problemen. Hij begon een relatie met een bijna twintig jaar oudere weduwe – of zij met hem – en maakte haar zwanger. Zwangerschap vóór het huwelijk was voor zover ik heb kunnen nagaan in de familie De Bruijn nog niet eerder voorgekomen. Hier kwam nog bij dat de vrouw protestants was, wat in het roomse Brabant ongetwijfeld als een groot bezwaar zal zijn gevoeld. Zij heette Johanna (Janna) Margareta Reintsen – later meest Rense(n) genoemd – en was afkomstig uit het Gelderse Steenderen.

Daar was zij op 30 november 1773 gedoopt als dochter van Jacobus Reintsen en Berendina Stoltenberg. Zij zal in Bronkhorst getrouwd zijn met de schoenmaker Roelof Hendriks (gedoopt in Hoog Keppel op 30 november 1764 en overleden in Heukelom op 23 mei 1812). Hun eerste kind werd op 29 maart 1799 in de hervormde kerk van Oisterwijk gedoopt. Eind 1799 leverde het echtpaar in Oisterwijk zogeheten borgbrieven in, Roelof een van 14 december 1799 van Oldenkeppel en Keppel, Janna Margareta een van twee dagen later van Bronkhorst. In zo’n brief nam de gemeente van herkomst verantwoordelijkheid op zich voor het onderhoud van de betreffende persoon wanneer die tot armoede kwam te vervallen.
Mogelijk verhuisde het echtpaar Reintsen-Stoltenberg in 1800 van Oisterwijk naar het nabijgelegen Heukelom. Er werden vijf kinderen uit dit huwelijk geboren, die in Oisterwijk hervormd werden gedoopt: Roelof nog in 1799, op 29 maart, Bernhardina op 18 maart 1801, Jan op 7 juli 1805), Jacoba op 30 augustus 1809 en Agnetta, geboren in de gemeente Berkel c.a. op 26 juni 1811.

Op 3 april 1814 zijn Joost de Bruijn en Janna Margareta Reintsen in het stadhuis van de gemeente Berkel c.a. in het dorp Enschot getrouwd. Hoewel Joosts vader Hendrik de Bruijn aanwezig was om zijn toestemming voor het huwelijk te geven, ontbreken onder de getuigen de gebruikelijke familieleden.

De bruid en de bruidegom waren bij het sluiten van het huwelijk beiden woonachtig in Heukelom. Waarschijnlijk zijn zij hierna in Oisterwijk gaan wonen. Op 14 augustus van hetzelfde jaar werd in Oisterwijk hun eerste kind geboren. Het werd Thomas genoemd, naar Joosts oudste broer. Hun tweede en laatste kind, Arnoldus, werd geboren in Oisterwijk op 7 maart 1819. Janna Margareta was toen al ruim 45 jaar oud.


Handtekeningen huwelijksakte
De handtekeningen onder de huwelijksakte van Joost de Bruijn en Janna Margareta Reintsen (Rensen).

In 1816 woonde het gezin in Oisterwijk aan het Kerkeind op huisnummer 100 (later omgenummerd tot 99).[2] Dit was het zogeheten Mannenhuis in de Hoogstraat.[3]
Opmerkelijk is dat het iedereen, met inbegrip van Janna Margareta, nu te boek staan als rooms. Zij zal dus de hervormde godsdienst hebben opgegeven. Op de namen en de geboortedata van de kinderen werd kennelijk niet erg gelet; er klopt weinig van. Bernardina werd Berdina, Agnetta werd Antonetta genoemd. Zo ging ze ook door het leven en wordt ze hier aangeduid. Van de twee jongste kinderen werd gezegd dat zij in Heukelom waren geboren, voor de overige werd Oisterwijk als geboorteplaats aangegeven. De opgegeven data zijn bijna allemaal onjuist. Verder woonde er een bejaarde kostganger in, Adriaanke van Huis (moet eigenlijk Nuys zijn, dit wil zeggen het Duitse Neuß), 77 jaar oud, een spinner. [4] Hij staat vermeld als weduwnaar en zal blijkens een aantekening niet lang daarna zijn overleden.[5]

Dat Joost deelnam aan het Oisterwijkse gemeenschapsleven, blijkt uit het feit dat hij zich in 1822 koning schoot van het plaatselijk Sint-Barbaragilde. Dit betekent ook dat hij welgesteld genoeg was om de kosten die aan die titel verbonden waren te betalen. Hij schonk een zilveren genopt schildje aan het gilde, waarop hij staat afgebeeld als boer met ploeg en paard. Ook het wapen van Oisterwijk en een kruisboog met pijlen staan erop.[6]

In 1824 woonde het gezin nog op hetzelfde adres.[7]Roelof en Jacoba Hendriks waren al het huis uit. Antonetta vertrok blijkens een aantekening in het bevolkingsregister kennelijk in mei 1828 om bij Verhoeven op Kerkhoven te gaan wonen. Op 22 juni 1825 trokken twee bejaarde personen, een Jan en een Maria Gertrude van Wijk in, beiden geboren in Enkhuizen. In maart 1826 zijn ze vertrokken naar Sint-Michielsgestel. Hierna zal de in Oisterwijk geboren weduwnaar Cornelis van Meegen zijn komen inwonen. Hun woning was dus groot genoeg voor extra inwonenden. Overigens is de familie op een onbekend tijdstip naar een nieuw aangekochte woning verhuisd, ook in het Kerkeind van Oisterwijk (nummer 53a; kadastraal sectie F, nummer 52a).

Op 23 december 1826 kwam bij de burgemeester van Berkel-Enschot een certificaat uit Parijs binnen waaruit bleek dat Thomas de Bruijn, militair, in dienst getreden op 19 maart 1812, op 2 juni 1813 opgenomen was in het hospitaal in Stettin (Pruisen, thans Polen) en daar op 18 juni was overleden. Het hierdoor opgerakelde verdriet zal verzacht zijn door de zekerheid die het bericht in ieder geval bood.[8]

In 1834 bestond het gezin De Bruijn-Reintsen nog uit Joost en zijn vrouw, Arnoldus de Bruijn, Bernardina, Jan en Antonetta Hendriks.[9] Roelof Hendriks en Thomas de Bruijn waren inmiddels dus het huis uit. Roelof Hendriks was op 3 mei 1830 in Tilburg getrouwd met Catharina van Hamborg, maar bleef in Oisterwijk wonen.

In 1835 raakte Joosts stiefdochter Antonetta Hendriks zwanger. Zij woonde toen waarschijnlijk al niet meer bij hem, maar bij haar broer Roelof. Daar werd in ieder geval op 17 december van genoemd jaar om tien uur ’s morgens haar kind geboren. Het werd Cornelus – met een u – genoemd en kreeg de achternaam Hendriks. De spruit werd de achttiende december aangegeven door de timmerman Geert Jochems Roodklif, oud achtentwintig jaar, en de Oisterwijkse deurwaarder Jan Willems, oud achtenvijftig. De eerste aangever tekende met Geert J. Roodkleef. Deze Fries was in verband met de Belgische Opstand in 1830 met de Friesche Mobiele Schutterij naar Noord-Brabant gekomen.[10] Dat hij er meer van wist, moet al snel zijn gebleken, want ruim een maand later, op 28 januari 1836, trouwde hij in Oisterwijk met zijn Antonetta, waarbij het kind Cornelus door hem werd erkend en geëcht. Onder de getuigen bij dit huwelijk was Antonetta’s halfbroer Thomas de Bruijn, waaruit blijkt dat de relaties met haar familie niet verbroken waren.
Uit het echtpaar Roodklif-Hendriks werden na Cornelis nog twee kinderen in Oisterwijk geboren, in 1838 Adriana en in 1841 Jacoba (Koosje). Antonetta overleed in Oisterwijk op 28 mei 1849. Voelde de Fries Gerrit Jochems Roodklif zich toen niet meer thuis in het Brabantse, of misschien zelfs al eerder? In ieder geval ontving de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Oisterwijk een extract van Roodklifs overlijden in het Friese Oudega op 29 april 1856 om acht uur ’s morgens, rondzwervende doch gedomicilieerd te Oisterwyk, provincie Noord Brabant, zonder dat aan de aangevers iets meer betrekkelyk de overledene bekend is.
Gerrit Jochems’ zoon Cornelus woonde in die tijd in bij mijn betovergrootouders.[11] Hij had toen nog geen beroep en was op 3 july 1854 tydelyk afwezig te ’s Gravenhage. Cornelus Roodklif had toen de leeftijd van negentien jaar; mogelijk betrof het de vervulling van zijn militaire dienstplicht.

In 1839 schoot mijn betovergrootvader Joost de Bruijn bij het koningschieten van het Oisterwijks Sint-Barbaragilde opnieuw de papegaai af. Op het schild dat hij aan het gilde schonk stond deze keer een voerman met paard en huifkar afgebeeld. Ook dit schild was genopt en bevatte weer het wapen van Oisterwijk en een kruisboog met pijlen.[12]

Johanna Margareta Rensen overleed in Oisterwijk op 6 juni 1843 om één uur ’s middags. Joost hertrouwde op 3 april 1845 met mijn betovergrootmoeder Maria Elisabeth Brabers. Zij was geboren in Goirle op 31 december 1813 als dochter van Johannes Brabers en Adriana de Bont, die bij haar huwelijk woonachtig waren in Heukelom. Als beroep van de bruid wordt in de huwelijksakte dienstmeid vermeld. Terwijl de eerste echtgenote van Joost bijna twintig jaar ouder was dan hij, was zij meer dan twintig jaar jonger. Op 20 februari 1846 om één uur ’s nachts werd in Oisterwijk, waarschijnlijk aan het Kerkeind, hun kind Johannes – mijn overgrootvader Jan de Bruijn – geboren. Bij de aangifte gaf Joost als beroep voerman op. Toen de kleine Jan nog gezoogd werd, overleed mijn betovergrootmoeder op 3 september van hetzelfde jaar om elf uur ’s avonds.


Handtekeningen huwelijksakte Joost en Maria Elisabeth
De handtekeningen onder de huwelijksakte van Joost de Bruijn en Maria Elisabeth Brabers.

Joost zelf stierf ruim zes jaar later, op 30 december 1852. Behalve de genoemde Cornelus Roodklif, zijn stiefkleinzoon, woonden toen in zijn huis aan het Kerkeind in Oisterwijk nog zijn ongehuwde zoon uit het eerste huwelijk Arnoldus, die net als zijn vader het beroep van voerman uitoefende, en verder Joosts enig kind uit zijn tweede huwelijk, mijn overgrootvader Jan de Bruijn. Een Maria Brabers had als dienstmeid ingewoond, maar was op 15 mei 1851 vertrokken naar de gemeente Berkel.[13] Waarschijnlijk ging het hierbij om Maria Anna Brabers, jongere zuster van Maria Elisabeth (geboren Tilburg 10 november 1823).

De onroerende goederen in de boedel van Joost de Bruijn waren:
een huis, woning, schuur en tuin in het Dorp te Oisterwijk, kadastraal bekend 
  als tuin (sectie F nr. 52), 680 m2, 
  als huis (sectie F nr. 52a), 18 m2,
  als huis, schuur en erf (sectie F nr. 53), 308 m2;
bouwland in de Kluisheide, 5510 m2;
opgaande bomen, 840 m2;
weiland in de Bunders, 3240 m2;
weiland in de Bunders, 3010 m2;
bouwland op Kreitenheide, 6150 m2.[14]
Er behoorden dus een huis en een kleiner huis toe. Het akkerland bedroeg in totaal 10.660 m2 – dus ruim een hectare – en het weiland 6.250 m2, te weinig voor de uitoefening van een volwaardig boerenbedrijf. Mogelijk heeft Joost ook grond gepacht en, zoals uit het gildeschild van 1839 blijkt, zal hij tevens gewerkt hebben als voerman. Hiernaast bezat hij nog 840 m2 beplant met opgaande bomen. Wellicht waren dit populieren voor de klompenmakerij. Dit was in de omgeving een populaire oudedagsvoorziening. Al met al was Joost dus niet geheel onbemiddeld.

Zijn erfgenamen waren Thomas en Arnoldus de Bruijn uit zijn eerste huwelijk en mijn overgrootvader Johannes de Bruijn uit zijn tweede. Omdat Jan minderjarig was, werden voor hem voogden benoemd. Dit waren Jan de Bruijn als voogd en Jan Mathijssen, die getrouwd was met zijn tante Johanna de Bruijn, als toeziend voogd, beiden wonende te Oisterwijk.[15] Jan de Bruijn was een jongere broer van Joost, gedoopt in Oisterwijk op 21 maart 1805 en op 30 april 1840 aldaar getrouwd met Adriana Brekelmans.

Het kind werd niet uitbesteed bij zijn halfbroer Thomas, maar bij zijn al op leeftijd zijnde kinderloze oom en tante Jan Mathijssen en Johanna de Bruijn.[16] Het geld van de erfenis zal besteed zijn aan zijn opvoeding. Zoals uit zijn latere handtekeningen blijkt, heeft hij in ieder geval ook leren lezen en schrijven.


© 2015 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 20 september 2015; laatst bewerkt 20 september 2015.