Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De stichting van het johannieterklooster in Utrecht
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn




















[1] Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 IV (1278-1291), uitg. J.G. Kruisheer (Assen 1997) nr. 2465.





[2] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 II, uitg. F. Ketner (’s-Gravenhage 1949) 1nr. 972. Zie voor deze gegevens ook J.M. van Winter, ‘De heren van Sint-Catharijne te Utrecht’, in W. Frijhoff en M. Hiemstra (red.), Bewogen en bewegen. De historicus in het spanningsveld tussen economie en cultuur (Tilburg 1986) 349-364, ald. 351-352.

Teruggevonden skeletten
Tijdens de opgraving teruggevonden skeletten. Uit Archeologische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1976/77, 29.

Resten van de oudste kerk
Resten van de oudste, tufstenen kerk, gezien naar het noordoosten. Uit Archeologische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1976/77, 25.

Hoofdgebouw van het klooster
'De binnenplaats van het slot Vredenburg'. Achttiende-eeuwse afbeelding met aan de achterzijde het hoofdgebouw van het klooster. Uit H. Renes, Historische atlas van de stad Utrecht (Amsterdam 2005) 25.


[3] OSU I, nr. 308: Jerosolimitani: Godescalcvs, Vscherus, Algerus, Petrus, Tanco, Gerardus, Robertus. Van Winter, 'De heren van Sint-Catharijne', 360-364; D.R. Stiller, Utrecht Vredenburg. Vanaf de toren een duik in de slotgracht van kasteel Vredenburg. Basisrapportage Archeologie 81 (Utrecht 2013) 15.

[4] J.H. Mol en F. Koorn, ‘Netwerken voor het Heilige Land. Jacob van Zuden en de expansie van de johannieters in het bisdom Utrecht’, in: J.A. Mol, Vechten, bidden en verplegen. Opstellen over de ridderorden in de Noordelijke Nederlanden (Hilversum 2011) 106-130, ald. 106. Over de gewijzigde positie van de bisschop en de betekenis die dit had voor het beschikken over vermogensbestanddelen van de Utrechtse kerk zie vooral, zeer uitvoerig, C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) 223-237, met reactie op de bestaande literatuur.

[5] A. Wienand, Der Johanniter-Orden. Der Malteser-Orden. Der ritterliche Orden des hl. Johannes vom Spital (Keulen 1970) 594-595. Dat er al tussen 1145 en 1150 een commanderij zou zijn gevestigd in het Oostenrijkse Mailberg (aldus K. Lechner, ‘Die Kommende Mailberg’, in: Wienand, a.w. 413-425, ald. 415) wordt onwaarschijnlijk geacht (D. Weltin, Studien zur Geschichte der Johanniterkommende Mailberg (Wenen 2007) 59-60).

[6] J.A. Huisman, ‘Utrecht in Merigarto’, Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 87 (1965) 379-389.

[7] Zie G.A. van der Toorn-Piebenga, ‘Utrecht als doorgangsplaats voor pelgrims uit IJsland en Noorwegen’, Maandblad Oud-Utrecht 60 (1987) 260-262.

[8] Van Winter, ‘De heren van Sint-Catharijne’, 358-359; zie voor de tekst J.M. van Winter (uitg.), Sources concerning the hospitallers of St John in the Netherlands 14th-18th centuries (Leiden-Boston-Keulen 1998) 497.

[9] Zie Van Winter, ‘De heren van Sint-Catharijne’, 360-361, en dezelfde Sources, 193-387 (goederenregister van 1368). In de Oudnederlandse spelling werd de hof vanzelfsprekend Ter Weyde of Ter Weijde genoemd. Bij de aanleg van de nieuwe stadswijk Leidse Rijn wilde men de spelling kennelijk moderniseren. In plaats van de ij om te zetten in een i, zoals het hoorde, dus Terweide, werd de e geschrapt, zodat we nu opgescheept zitten met het stadsdeel Terwijde. Er is zelfs een treinstation naar vernoemd. Het nieuwe treinstation in Leidse Rijn is daarentegen Leidsche Rijn genoemd, met een archaïsche en dus overbodige ch. Dit zal ook het geval zijn met het nieuwe station aan de Vaartse Rijn. Inconsequent dus.

[10] M. Gumbert-Hepp en J.P. Gumbert (uitg.) Annalen van Egmond (Hilversum 2007) 278-279. Over de goede samenwerking tussen bisschop en graaf in die tijd zie de door H. van Rij uitgegeven kroniek Een verhaal over Groningen, Drente, Coevorden en allerlei andere zaken (Hilversum 1989) 8-9. Zie over Floris III verder bv. D.E.H. de Boer en E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland. Portretten in woord en beeld (880-1580) (Zutphen 1995) 49-51.

[11] [T.J. Hoekstra], ‘Vredenburg’, in: ‘Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1976/77’, Maandblad Oud-Utrecht 53 (1980) 24-31.

[12] Zie de webpagina Wed3A-9.

[13] Zie bv. ARA, Graven van Holland 402, f. 27: graaf Willem van Holland heeft een weg gekregen van de stad Utrecht, gelegen tussen erf van het Sint-Catharijneconvent (op de plaats van het nieuwe muziekcentrum) en erf van Lubbrecht heren Tiedemansz. Hij geeft deze weg door aan de commandeur en het convent, vennoet tot eninghe ende vergaderinghe onser herberghen aldair ende stallaerdsen, toit ons ende onser ghemeenre gheselscip oirbair, ewelic ende erflic te ghebruken toit hoirer behoef ende horer nacomelinghe.

[14] S.B.J. Zilverberg, De Stichtse burgeroorlog (Zutphen 1978); M.W.J. de Bruijn, IJsselstein de Vesting (IJsselstein 2005) 78-81.
Na de Sint-Paulusabdij, voortgekomen uit het Sint-Salvatorklooster van Willibrord, was het Sint-Catharijneklooster van de johannieters het vroegste mannenklooster in het Utrechts stadsgebied. Het was om verschillende redenen een bijzonder klooster. Het maakte deel uit van een ridderlijke orde die gesticht was in Palestina ten tijde van de Kruistochten. De orde was ontstaan uit een nog in de elfde eeuw gesticht hospitaal in Jeruzalem voor de verpleging van zieken en gewonden. De leden van de johannieterorde hielden zich bezig met vechten tegen de moslims en het verplegen van gewonden en zieken.

Deze laatste functie heeft het Utrechtse klooster ook door de eeuwen heen uitgeoefend. De oudste gegevens over de vestiging daarvan dateren nog uit de eerste helft van de dertiende eeuw. In een ongedateerde oorkonde, die moet zijn uitgevaardigd tussen 1267 en 1290, gaf de Hollandse graaf Floris V zijn rentmeester in Noord-Holland opdracht om twee pond per jaar uit te keren aan de commandeur van het huis van Sint-Catharijne in Utrecht, zoals die door zijn grootvader aan het klooster waren vermaakt.[1] Laatstgenoemde graaf, Floris IV, regeerde van 1222 tot 1234.

In september 1241 gaf Boudewijn graaf van Bentheim de helft van de Borchbrug in Utrecht, die hij als burggraaf van Utrecht van de bisschop in leen hield, aan het domkapittel aldaar in erfelijke pacht. Het stuk is nogal gehavend overgeleverd, maar er wordt in gesproken van een huis en plaats die de graaf eerder aan het hospitaal van Sint-Catharijne in Utrecht had geschonken. Dit huis bij de Borchbrug – een voorganger van de huidige Maartensbrug – werd ‘het huis van de Heilige Geest’ genoemd.[2]

Opgraving Vredenburg
Luchtfoto van de opgravingen op het Vredenburg in 1976, gezien naar het zuidoosten. Hierbij zijn ook resten van het klooster teruggevonden, waarvan de bebouwing gedeeltelijk was opgenomen in de in 1528 door keizer Karel V gebouwde dwangburcht. Foto J.W. Stegeman. Uit Archeologische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1976/77, 26.

Plattegrond opgraving Vredenburg
Plattegrond van het in 1976 opgegraven gedeelte met het donkerst gekleurd (1) de resten van de oudste, tufstenen bebouwing. Tek. G. Brainich en H. de Graaf. Uit Archeologische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1976/77, 25. Op basis van deze minimale bouwresten (zie de afbeelding hiernaast) is vanwege de gemeente Utrecht een volledige kerk met de bijbehorende kloostergebouwen driedimensionaal ‘gereconstrueerd’ . Over de beperkingen van dergelijke 3D-reconstructies, die gebaseerd zijn op een zeer beperkt aantal gegevens, zie de webpagina Is meten altijd weten?

Over de datum van de vestiging in Utrecht, op het latere Catharijneveld, nu Vredenburg, heeft de Utrechtse mediëviste J.M. (Marietje) van Winter, die decennialang uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar de johannieters, in 1986 de suggestie gedaan dat er al in 1122 broeders van de orde in Utrecht waren. Als zodanig wijst zij aan de zeven jerosolomitani, die als getuigen voorkomen in de oorkonde van 2 juni van dat jaar, waarin door keizer Hendrik V stadsrechten aan Utrecht worden verleend en bevestigd.[3] Waar een dergelijke hypothese toe kan leiden, blijkt uit een archeologisch verslag van de Afdeling erfgoed van de gemeente Utrecht uit 2013, waarin D.R. Stiller beweert: ‘De stichtingsdatum van dit klooster is niet exact bekend, maar omdat de stadsrechten in 1122 mede-ondertekend zijn door een vertegenwoordiger van de orde, moet het er al vóór die tijd gestaan hebben.’

J.A. (Hans) Mol, net als Van Winter kenner van de geschiedenis van de ridderlijke kloosterorden in Nederland, zette echter al eerder vraagtekens bij die vroege datering. Zo ontkrachtte hij het argument van Van Winter dat het klooster wel vroeg in de twaalfde eeuw gesticht moest zijn, omdat de bisschop later in die eeuw geen dotering van enige omvang aan het klooster meer kon doen. Dit zou verband hebben gehouden met de veranderde positie van de bisschop na het Concordaat van Worms in 1122. Mol toonde aan de hand van een duidelijk voorbeeld aan dat de bisschop ook later nog wel aanzienlijke schenkingen heeft gedaan, zoals de dotering van de vrouwenabdij van Sint-Servaas in het begin van de dertiende eeuw.[4] Het is overigens de vraag of de dotering door de bisschop wel zo omvangrijk geweest is.

Wij achten een zeer vroeg ontstaan van het Sint-Catharijneklooster om verschillende redenen onwaarschijnlijk. Om te beginnen was de orde in 1122 nog in de beginfase van haar ontstaan. Weliswaar was er al in de elfde eeuw in Jeruzalem een hospitaalbroederschap  voor de verpleging van pelgrims gesticht, maar het duurde tot 1113 voor paus Paschalis II de orde erkende. Dat deze al binnen tien jaar een vestiging in een ver afgelegen plaats als Utrecht zou hebben gekregen, achten we niet erg waarschijnlijk. Als eerste vestiging in het Duitstalige gebied zou pas in 1152 in Duisburg een eerste kloosterkerk van de orde gewijd zijn.[5] Dit ontstaan vond eerst plaats na de Tweede Kruistocht, die plaatshad van 1147 tot 1149 onder leiding van de Duitse keizer Koenraad III en de Franse koning Lodewijk VII.

Verder staan de jerosolomitani in de oorkonde uit 1122 helemaal achteraan in de getuigenlijst. Nu hoeven het niet per se geestelijken geweest te zijn, die recht hadden als eerste vermeld te worden. Maar als leden van een ridderlijke orde zouden ze toch wel opgenomen zijn geweest vóór de ministerialen van de bisschop. We achten het daarom waarschijnlijker dat het eenvoudigweg om pelgrims naar het Heilig Land is gegaan, die belangrijk genoeg werden gevonden om bij de privilegeverlening aan de stad Utrecht door de keizer aanwezig te zijn.

De aanduiding jerosolomitani werd namelijk behalve voor kruisvaarders ook gebruikt voor pelgrims. Zo reisden al in de twaalfde eeuw pelgrims uit IJsland via Utrecht naar Rome en vandaar uit ook naar Jeruzalem. Zelfs al een eeuw eerder is er sprake van reisbewegingen tussen Utrecht en IJsland.[6] De IJslander Hallur Teitson, die in 1149 in Rome tot bisschop van IJsland werd gewijd, overleed een jaar later op de terugweg in Utrecht.

De geestelijke Nikulás Bergsson reisde van 1150 tot 1154 vanuit IJsland naar het Heilig Land. In zijn reisverslag gaf hij voor het eerste deel van de reis twee mogelijke routes op. De ene, die door hemzelf genomen werd, ging over zee naar Noorwegen en vervolgens over land via Denemarken naar Duitsland, de andere route echter per schip over de Noordzee, de Vecht en de Rijn, dus via Utrecht.[7] Op grond van deze gegevens houden we de jerosolomitani in de oorkonde van 1122 dan ook voor pelgrims die – misschien wel vanuit IJsland, maar noodzakelijk is dit niet; het kan bijvoorbeeld ook vanuit Engeland zijn – Jeruzalem hadden bezocht dan wel gingen bezoeken.

Maar wanneer is de vestiging van de johannieters in Utrecht dan wel tot stand gekomen, ervan uitgaande dat die na 1122 maar vóór het tweede kwart van de dertiende eeuw zal hebben plaatsgehad? J.M. van Winter heeft al de aandacht gevestigd op een mededeling van de balijer van de orde Bernard van Duven uit 1540 dat het klooster in oorsprong gedoteerd was door de bisschop van Utrecht, de graaf van Holland en de heren van Woerden.[8] Opmerkelijk is in ieder geval dat de meeste bezittingen van het klooster ten westen en ten noorden van Utrecht lagen, dus aan de ‘Hollandse’ kant van de stad. Een van de belangrijkste was de hof Ter Weide in Vleuten, die grensde aan de stadsweide van Utrecht en dus mogelijk, maar niet noodzakelijk uit het oude bisdomsgoed afkomstig was.[9]

Vanaf de tiende eeuw waren de bisschoppen ingeschakeld bij het bestuur van het Heilige Roomse Rijk. Met de hertogen van Neder-Lotharingen oefenden zij gezag uit over de graven van het rijk. Maar al vroeg gingen de graven zich zeer zelfstandig ten koste van het rijk en dus ook ten koste van de bisschoppen gedragen. Dit was ook met de Hollandse graven het geval. Hun gedrag werd nog versterkt toen zij na het zogeheten Concordaat van Worms in 1122 invloed kregen op de bisschopsverkiezingen.

Omdat de Utrechtse bisschoppen en de graven van Holland in het algemeen niet erg vriendschappelijk met elkaar omgingen, en dan drukken we ons voorzichtig uit, en het bij de stichting en dotering waarschijnlijk om samenwerking tussen bisschop en graaf is gegaan, opteren we voor de vestiging van de johannieters in Utrecht voor de periode tussen 1184 en 1190. Toen was namelijk een broer van de graaf, Boudewijn van Holland, bisschop van Utrecht (1178-1196). Hier kan nog aan worden toegevoegd dat de graaf zelf, Floris III (1157-1190), in 1184 een pelgrimstocht naar Jeruzalem heeft gemaakt, waar de johannieters hun hospitaal hadden. [10] Het is dus niet ondenkbaar dat de stichting gedaan is uit dankbaarheid voor zijn behouden terugkeer.

Per e-mail deelde Hans Mol ons op 27 februari 2015 mee, in navolging van Marietje van Winter, dat het klooster toch wel vroeg gesticht zou moeten zijn, omdat anders de ziekenzorgtaak en het niet-ridderlijke karakter van het Utrechtse klooster niet te verklaren zouden zijn. We vragen ons echter af of het verschil tussen de opvang van armen en pelgrims aan de ene kant en de verzorging van zieken wel zo groot was, en verder waar uit af te leiden valt dat 'echte' ziekenverpleging wel van oude datum moet zijn. In Wesel bijvoorbeeld namen de johannieters in 1297 nog een door een geestelijke gesticht ziekenhuis over (Wienand, Der Johanniter-Orden, 377 en 599-600). Een stichting door de Hollandse graven achtte hij verder mogelijk, maar speculatief. Dat vinden we niet terecht, omdat we, zoals uit ons vertoog blijkt, wel degelijk over aanwijzingen voor een dergelijke stichting beschikken. Omdat de historische werkelijkheid bij ons te allen tijde voorop staat, zien we overigens iedere aannemelijkere suggestie met belangstelling tegemoet.

Gezien het feit dat de teruggevonden kloosterbebouwing ten dele nog uit tufsteen en dus niet uit baksteen was opgetrokken,[11] mag een stichting nog in de twaalfde eeuw worden aangenomen, al treffen we ook nog tuf aan in het pand Wed 3A-7(-9) in Utrecht, dat onmiskenbaar gebouwd is in het eerste kwart van de dertiende eeuw.[12]

Een dergelijk ‘Hollands’ klooster bood een aantrekkelijk pied-à-terre voor de Hollandse graaf in de stad Utrecht, waar zoveel grafelijke belangen lagen. En inderdaad was het Sint-Catharijeklooster door de eeuwen heen het logies van de Hollandse graven, wanneer deze in Utrecht verbleven. Zo sprak graaf Willem III in 1328 van onser herberghen aldair ende stallaerdsen (stal).[13]

De ligging aan de Hollandse kant van de stad bij de Catharijnepoort vormde hierbij nog een extra prettige bijkomstigheid. Sterker nog, de poort heeft in later tijden soms gediend de doorgaans agressieve stad Utrecht letterlijk binnen de palen te houden. Zo zetelde er tijdens de Stichtse burgeroorlog, die woedde tussen 1481 en 1483, de heer van IJsselstein, Frederik van Egmond, namens de gravin van Holland, Maria van Bourgondië, gehuwd met Maximiliaan van Oostenrijk. Dat zich in de Catharijnepoort de Utrechtse archieven bevonden, maakte het belang alleen nog maar groter.[14]

De Catharijepoort omstreeks 1550
De schamele restanten van de Catharijnepoort omstreeks 1558. De poort werd grotendeels afgebroken voor de aanleg van de gracht om de dwangburcht Vredenburg, waarvan het noordwestelijk bolwerk rechts zichtbaar is. Fragment van de vogelvluchttekening van Utrecht door Anthonie van Wijngaerde.

De bouw van het kasteel Vredenburg op deze plek door keizer Karel V, die tevens graaf van Holland was, vanaf 1529, waarbij een deel van de kloosterbebouwing van de johannieters in het complex werd opgenomen, berust hiermee dan ook niet op toeval, maar kan gezien worden als de versterking van een vanouds gegroeide situatie.

Samenvattend en concluderend achten we het al met al dus het meest aannemelijk dat het Utrechtse Sint-Catharijneklooster gesticht is onder bisschop Boudewijn, door zijn broer graaf Floris III van Holland, en wel tussen 1184 en 1190, waarna het onder meer gediend heeft als logies en steunpunt van de Hollandse graven in de stad Utrecht.
Reconstructie van het kasteel Vredenburg 1660
Reconstructie van het kasteel Vredenburg, gezien naar het noorden, op een kopergravure van S. van Lamsweerde van omstreeks 1690. Uit A.A.S. Kamerling-van Haersma Buma, Utrecht in prent (Zaltbommel 1981) 40.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2015. - Gepubliceerd 25 februari 2015; laatst bewerkt 19 maart 2015.