Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Andere historische gegevens over Utrechtse huizen op deze webstek:
Janskerkhof achter tussen 16 en 17
Kromme Nieuwegracht 49 (Paushuize)
Nieuwegracht 6
Wed 3A-9
Jeruzalemstraat 8-10 in Utrecht
en de hardheid van steen, hout en papier

door Martin de Bruijn

Op 16 november 2012 nam Ad van Drunen afscheid als bouwhistoricus van ’s-Hertogenbosch. Hij deed dit naar eigen wens met een symposium, waarin de inhoud van het woonhuisonderzoek, het bouwblokonderzoek en de toekomst van het onderzoek centraal stonden.

























Jeruzalemstraat 8-10
De hoofdvleugel van Jeruzalemstraat 8 vanuit het noorden. Uit: Utrecht. De huizen binnen de singels, 403.



[1] Er is inmiddels in Nederland zelfs een hoogleraar in de dendrochronologie, de archeologe Esther Jansma.

[2] Ald. 97-102.

[3] M.W.J. de Bruijn (in de publicatie staat abusievelijk M.J.W), ‘Wanneer werd het huis Jeruzalemstraat 8-10 in Utrecht gebouwd’, Maandblad Oud-Utrecht 60 (1987) 13-16.

[4] M.W.J. de Bruijn, ‘De hardheid van steen, hout en papier: nogmaals de datering en situering van Jeruzalemstraat 8-10’, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1988, 40-43.

[5] M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de singels. Beschrijving (’s-Gravenhage 1989) 401-404.

[6] D.J. de Vries, ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (3)’, Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 89 (1990) nr. 5, 19-26, ald. 24.

[7] Het enigszins vergelijkbare huis Nieuwegracht 20, het Huis Loenersloot, werd op bouwkundige gronden op de late vijftiende of de vroege zestiende eeuw gedateerd (Utrecht. De huizen binnen de singels, 404-407. Zowel historisch als dendrochronologisch kwam de datering uit op 1515-1520. Zie M.W.J. de Bruijn en D.J. de Vries, ‘"D’huysinghe van Loenerslooth". Nieuwe gegevens over de bouw, bouwers en naamgeving van Nieuwe Gracht 20’, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1991-1992, 11-23, volledig opgenomen in D.J. de Vries, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht (Utrecht 1994) 219-230. Dit pand is dus aanvankelijk bouwhistorisch ongeveer vijftien tot vijfentwintig jaar te oud gedateerd.
In de periode dat Ad bouwhistoricus van Den Bosch was, is de bouwhistorie uitgegroeid van een bovengrondse zijtak van de archeologie tot een volwassen zelfstandige wetenschap met een eigen opleiding en een hoogleraar in de persoon van Dirk de Vries. Die volwassenheid bleek op het symposium onder meer duidelijk uit de zelfkritische toon van enkele bijdragen. Op de webpagina Is meten altijd weten? heb ik al melding gemaakt van de bijdrage van de historica en archeologe Roos van Oosten over de gevaren bij de toepassing van zogeheten driedimensionale reconstructies.

Een andere kritische bijdrage was die van de bouwhistoricus van Amsterdam, Gabri van Tussenbroek. Hij stelde vast dat de oudste Amsterdamse huizen, die tot nu toe op grond van bouwhistorische criteria hoofdzakelijk op de vijftiende eeuw waren gedateerd, met behulp van de zogeheten dendrochonologie, ook wel jaarringenonderzoek genoemd, nagenoeg allemaal op de zestiende eeuw uitkwamen.

Bij de dendrochronologie gaat het in beginsel om het nemen van uitgeboorde houtmonsters in een gebouw, liefst met het zogenaamde spinthout aan de buitenzijde.[1] Door de jaarringen – een soort van streepjescode met dikke en dunne ringen – te vergelijken met exemplaren die met zekerheid gedateerd konden worden, kan men aldus een vermoedelijke kapdatum van het hout vaststellen. De verwerking van het hout zal dan enige tijd later hebben plaatsgehad.

Dat de foutieve bouwhistorische datering van de oude Amsterdamse huizen mogelijk niet op zichzelf staat, kan worden afgeleid uit een voorbeeld uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik heb toen archiefonderzoek gedaan naar de geschiedenis van het pand Jeruzalemstraat 8-10 in Utrecht, een fors woonhuis, met een hoofdvleugel en een dwarsvleugel en in de oksel een traptoren.

Het oudste deel van dit huis, de hoofdvleugel langs de straat, werd door de Utrechtse bouwhistoricus Bart Klück gedateerd op het derde kwart van de vijftiende eeuw. Hij deed dit in de befaamde, helaas later ter ziele gegane Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht, en wel in het deel over 1984.[2]

Op grond van achiefonderzoek kwam ik enkele jaren later evenwel tot de conclusie dat dit bouwdeel in of kort vóór 1528 gebouwd was.[3] De geestelijke Christiaan van Zenden, kanunnik van Oudmunster in Utrecht, vermaakte namelijk in zijn testament van 7 november 1528, dit huis, quam ipse denovo construxit, ‘dat hij onlangs ge­bouwd had’, aan de armenproven in de Heilig-Kruiskapel van genoemd kapittel. Mijn datering kwam dus een halve à driekwart eeuw later uit dan de bouwhistorische.

Fragment testament Christiaan van Zenden
Fragment uit het testament van de kanunnik Christiaan van Zenden van 7 november 1528, waarin hij zijn onlangs gebouwde huis aan de armenproven in de Heilig-Kruiskapel in Utrecht vermaakt. De tekst luidt: Item prefatus magister Christianus Zenden testator legavit ad usus prebendarum pauperum in capella nostra sancte Crucis domum suam anteriorem, quam ipse denovo construxit, videlicet quod ea que singulis annis de dicta locatione provenerint, applicentur ad dictas prebendas. ‘Eveneens heeft voornoemde testateur mr. Christaan Zenden gelegateerd ten bate van de armenproven in onze kapel van het Heilig Kruis zijn voorste huis, dat hij onlangs heeft gebouwd, te weten dat wat ieder jaar uit de genoemde verhuur voortkomt wordt aangewend tot de genoemde proven.’

In de archeologische en bouwhistorische kroniek van 1987 kwam Bart Klück op de datering van Jeruzalemstraat 8-10 terug. Hij stelde nu dat de hoofdvleugel gebouwd was in of kort na 1498, toen – zoals uit mijn archiefonderzoek gebleken was – Christiaan van Zenden het perceel had verworven. Ik ging vervolgens nog eens uitvoeriger in op mijn datering in een artikel in de kroniek van 1988 en hield vast aan in of kort vóór het jaar 1528.[4]

Zonder nadere argumentatie of verwijzing naar mijn bevindingen werd in het grote Utrechtse huizenboek, verschenen in 1989, het oudste bouwdeel van Jeruzalemstraat 8-10, echter stellig gedateerd op ‘rond 1500’. Mijn beide artikelen werden niet in de literatuuropgave bij dit huis vermeld, wél die van Bart Klück.[5]

Het jaar daarna, in 1990, verschenen de resultaten van door bouwhistoricus Dirk de Vries uitgevoerd dendrochronologisch onderzoek. Hierin schreef deze onder meer: ‘De monsters genomen uit spant nummer 1 van het voorhuis bevatten geen volledig spinthout, zodat de datering voor het vellen van het hout valt in 1525 ± vijf jaar.’[6] Mijn datering ‘in of kort vóór 1528’ op grond van zorgvuldig archiefonderzoek bleek dus achteraf perfect overeen te komen met de dendrochronologische.

Mede op grond hiervan acht ik het niet onaannemelijk dat, net als in Amsterdam, ook in Utrecht althans een deel van de op bouwkundige gronden gedane dateringen van middeleeuwse huizen te oud is uitgevallen. Van deze mogelijkheid is destijds al intern bij de dienst archeologie en bouwhistorie van de gemeente Utrecht mededeling gedaan, waarop de mondelinge reactie toen was dat een halve of driekwart eeuw verschil toch niet zo veel uitmaakten. Misschien kan er, meer dan een kwarteeuw later – nu de bouwhistorie is uitgegroeid tot een zelfstandige wetenschap –, volwassener met dit soort vaststellingen worden omgegaan dan toen. Het lijkt me in ieder geval zinvol dat historische panden behalve bouwkundig zo mogelijk ook historisch en dendrochronologisch worden gedateerd.[7]


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2013-2014. - Gepubliceerd 2 januari 2013; laatst bewerkt 1 juli 2014.