Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen op deze webstek de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.

Voor de datering van Jeruzalemstraat 8-10 zie ► Jeruzalemstraat 8-10 in Utrecht en de hardheid van steen, hout en papier.
De voorgeschiedenis van Jeruzalemstraat 8-10 (en Herenstraat 42-44)
door Martin W.J. de Bruijn

Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘De voorgeschiedenis van Jeruzalemstraat 8-10 (en Herenstraat 42-44’ (www.broerendebruijn.nl/Jeruzalemstraat8-10(2).html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).
[1] Zie het in de dissertatie van M. van Dinter Living along the Limes (Utrecht 2017) opgenomen artikel van naast Van Dinter ook de geologen, fysisch geografen en archeologen J.M. Cohen, W.Z. Hoek, E. Stouthamer E. Jansma en H. Middelkoop, ‘Late Holocene lowland fluvial archives and geoarchaeology: Utrecht’s case study of Rhine river abandonment under Roman and Medieval settlement’. Nagenoeg iedere argumentatie ontbreekt in deze ‘studie’. Zie voor de argumenten tegen deze ideeën op deze internetpresentatie met name de webpagina’s Theorieën over de rivierlopen, Tussen Rijn en Vecht en De Oudelle.

[2] H.L. de Groot, ‘Jeruzalemstraat 4-6’, Archeologische en bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1985, 154-157.


Schoeiingen Jeruzalemstraat
De teruggevonden resten van Romeinse en middeleeuwse schoeiingen in de Jeruzalemstraat ter plaatse van nummer 6, gezien naar het westen (Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1985, 155).

[3] De Groot concludeerde ook, ald. 157, dat deze oever aansloot op het noordelijk deel van de Kromme Nieuwegracht en dat het zuidelijk deel van de gracht gegraven is. Dit is volledig in strijd met de ‘resultaten’ van het in de dissertatie van Van Dinter c.s. over de rivierlopen opgenomen artikel.

[4] Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen (Utrecht 1994) m.n. 326-333. Ik verwijs, behalve naar webpagina’s op deze internetpresentatie ook verder een aantal keren naar mijn dissertatie, omdat daar de onderbouwing en bronverwijzingen te vinden zijn.

[6] Zie ook voor het hierna volgende Husinghe ende hofstede, 315-319; zie verder de webpagina De Oudelle.

[7] HUA, Oudm. 2190.

[8] Husinghe ende hofstede, 322.

[9] Zie m.n. HUA, St.-Pieter 1060a-1 (1418.08.04?), 1060a-2 (1419.08.12) en 1061 (1426.07.11.

[10] Ik werd attent gemaakt op de publicatie Tussen Zwaansteeg en Achterom. Het stegenboek van Utrecht, geschreven door Bert Poortman en uitgegeven door de Historische Vereniging Oud-Utrecht (tweede druk, 2021). Na kennisname beperk ik me tot de opmerking die men vroeger nogal eens in verwijzingen naar literatuur tegenkwam: ‘met voorzichtigheid te lezen.’ Zo verwijst de auteur op een aantal plaatsen naar mijn dissertatie, maar hij doet dat zonder paginaopgaven en, wat erger is, hij geeft mijn opvattingen vaak verkeerd weer.

Jeruzalemstraat plattegrond bebouwing
Plattegrond met huisnummering van de bebouwing op het perceel Jeruzalemstraat 8-14 (en Kromme Nieuwegracht 42-44). Tek. Kees Terhorst in de Archeologische en Bouwwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1985, p. 168.


[11] HUA, Oudm. 978-3: unam aream sitam in platea que vulgariter dicitur der Herenstrate, et continet dicta area prout platea communis se extendit versus murum civitatis in longitudine quatuor virgas et in latitudine vero mensurando a communi platea sive strata versus pomerium domini Iacobi dicti Rode, presbyteri, continet duas virgas cum dimidia, cuius aree confines tales esse dicuntur: superius possidet Wilhelmus Koec cum una area a dictis dominis obtenta, inferius vero possidet Iacobus dictus de Daker, ad dictos dominos et eorum ecclesiam spectantem. Dat het om het tweede erf gaat, blijkt uit het vijftiende eeuwse cartularium van het kapittel, Oudm. 935-1, f. 103: Recognicio facta per Lubbertum dictum Spinter de secunda area a parte boreali der Herenstrate.

[12] Ald. 978-4: unam aream sitam in plathea que vulgariter dicitur der Heren straete. Et est sita dicta area a parte orientali iuxta communem viam apud murum civitatis et a parte occidentali extendit se ad domum seu aream Iacobi dicti Dakers, a parte vero septentrionali extendit se ad pomerium domini Iacobi dicti Rode et Wilhelmi dicti Coec et a parte meridionali versus communem viam sive stratam lapideam. De pacht werd op 2 april 1454 door Lubbert Splinter erkend. In het in de vorige noot genoemde cartularium, f. 102: Littera recognicionis Lubberti Splinters de prima et secunda areis prope murum civitatis.

[13] HUA, Oudm. 184-2, foto 3.

[14] HUA, Oudm. 483-4 (rekeningen 1390-1401), ontvangsten kleine kamer, 19de summa:
Item heredes Iohannis Rusche de IIII areis suis III lb. - - -.
Item Stephanus de Rietvelt filius Nycolai de area quondam Ghiselberti de Ruwehorst XII s. - - -.
Item Gertrudis Wolfs de area sua quondam Iohannis de Meer XII s.- - -.
Item eadem de area proxima versus murum civitatis XV s. - - -.

[15] Ald., ontvangsten kleine kamer, 19de summa:
Item heredes Iohannis Ruusche - - -.
Item Ava relicta Stephani de Ryetvelt de area sua quondam Ghiselberti de Ruhorst XVI s., pro quibus solvit VII pl. cum deutken - - -.
Item Iacobus Passert de penultima area prope murum civitatis que quondam fuit Lubberti Splinter sub pena dupli infra mensem XVI s., pro quibus solvit VII pl. cum doytken - - -.
Item Iohannes vander Meer de proxima area versus murum civitatis que quondam fuit Lubberti Splinter solvet XX s. monete civitatis sub pena dupli infra mensem, pro quibus solvit IX pl., fac. XII s. - - -.

[16] HUA, Oudm. 489-1 (rek. kleine kamer 1447-1476):
Item a domicello de Gaesbeeck de area angulari quondam Iacobi Ruhorst VIII placcas Dordracenses - - -. (De oudere vermeldingen spreken van een Ghiselbertus de Ruhorst, zie noot 15).
Item a Iohanne Moerken de area prope murum civitatis quondam Lubberti Splinteri sub pena dupli infra mensem XVI s. civitatis - - -.
Item ab eodem de area proxima versus murum quondam Lubberti predicti sub pena dupli XX s. civitatis - - -.

[17] In de rekening van de kleine kamer van Oudmunster van 1489/90 wordt domicella Johanna de Nyeweroyen als bezitster van het erf genoemd (HUA, Oudm. 489-3, rek. 1489/90, ontv. 23ste summa). De rekeningen 1490/91 tot en met 1496/97 ontbreken.

[18] HUA, Oudm. 184-2.

[19] HUA, Oudm. 980-2

[20] HUA, Oudm. 184-3. De recognitieoorkonde (Oudm. 980-5) is onvoltooid: zij heeft geen datering en geen zegel.


Jeruzalem zuidzijde
Het begin van de Jeruzalemstraat aan de zuidzijde. Links Jeruzalemstraat 40, rechts 42. Foto M.W.J. de Bruijn 2021.

Dankzij de goed bewaard gebleven archieven is de geschiedenis van het zuidoostelijk stadsgebied, de Oudelle, van Utrecht vanaf de dertiende eeuw goed te volgen. Daar stroomde in oorsprong geen rivier, zoals sommigen willen.[1] Het was wel een laaggelegen gebied – Oudelle betekent oud dal – gelegen in de binnenbocht van de rivier de Rijn, die vanuit het zuiden in noordwestelijke en vervolgens in westelijke richting stroomde en bij het tegenwoordige Hoog Catharijne het latere stadsgebied weer verder in westelijke richting verliet. Voor de aanleg van de oostelijke stadswal en stadsgracht omstreeks 1122 zal voor een deel nog van het tracé van de Rijnloop gebruik zijn gemaakt.

­
Tussen de Kromme Nieuwegracht en de Herenstraat werd in 1985 door de Utrechtse stadsarcheoloog H.L. (Huib) de Groot op het perceel Jeruzalemstraat 4-6 de beschoeiing aangetroffen van de westelijke oever van een rivier, die daar zowel in de Romeinse tijd als in de Vroege en Volle Middeleeuwen gestroomd had. Aangenomen mocht worden dat het hier om de rivier de Rijn ging, die ten noorden van de burcht Traiectum of Trecht in westelijke richting stroomde.[2]
 
Toen rond 1122 de stadsgrachten werden aangelegd, werd het stroomopwaartse gedeelte van deze rivierarm buiten gebruik gesteld, maar bleef het noordelijk deel van de latere Kromme Nieuwegracht, vanaf het Hiëronymusplantsoen, als gekanaliseerde restgeul in gebruik. Het zuidelijk deel van de Kromme Nieuwegracht, werd gegraven als sloot rond de immuniteit, het kerngebied, van het kapittel van Sint-Pieter.[3]
 
Aan de buitenzijde van de gracht, toen de Regenboog van Sint-Pieter geheten, werden percelen uitgeslagen en huizen gebouwd, die aan de lage jurisdictie, het ‘dagelijk gerecht’, van het kapittel werden onderworpen.[4]
 
Uit verschillende gegevens blijkt, dat dit alles al op zijn laatst in de dertiende eeuw zijn beslag heeft gekregen. In 1228 was men al bezig met het bouwrijp maken van het zuidwestelijk deel van de gracht bij de Dam, de latere Pausdam.[5]
 
Het gebied ten zuiden van de percelen aan de Kromme Nieuwegracht behoorde niet aan het kapittel van Sint-Pieter, maar dat van Oudmunster. Hier werd de parcellering uitgeslagen vanaf de latere Nieuwegracht, toen de Oudelle geheten. In 1252 schonk de proost van het kapittel een kamp aldaar, dit wil zeggen een omsloten agrarisch terrein, en zeven huiserven aan zijn kapittel. Uit latere gegevens blijkt dat deze erven gesplitst zijn. Het is aannemelijk dat het gebied van meet af aan meer erven dan de genoemde zeven heeft omvat. In 1288 werden er in ieder geval twee aan toegevoegd.[6] Zoals uit de registers en rekeningen van Oudmunster, die vanaf 1295 bewaard zijn gebleven, blijkt, is het aantal percelen geleidelijk groter geworden; in 1348 waren het er al 43.
 
De eerste straat die west-oost door het gebied werd aangelegd, was de Herenstraat, waarvoor de grondslag waarschijnlijk werd gelegd in een oorkonde van 1 februari 1335. Hierin droegen Margriet, weduwe van Gijsbert Calewaert en haar vijf dochters een erf over
dat erve dat gheleghen is in der heren gherechte van Oudemonster tUtrecht ende gheheten is Groyen camp, streckende afterwaert an haren Nouden bomgaerd, mitter hofsteden die voer daer ane gheleghen is, ende mit der steghen die daer toebehoert uutgaende voer an der straten, ende streckende after aen den borchwal.[7]

Op 24 januari 1338 sloten het kapittel en de stad een overeenkomst, waarbij de stad van het kapittel het recht kreeg
alse tot eenre steghe ewelike te leghen ende dier alman te bruken alse enen vrien wech, onse hofstede de leghet in de Oudelle tUtrecht, daer Rutgheer op te wonen plach, ende also veel erves daer toe van onsen erve dat daer after die hofstede gheleghen is, recht uut te metene oestwaert tot dier stat mure toe, also breet alse die hofstede is.[8]

De steeg werd van meet af aan der Heren strate van Oudemunster genoemd, uiteraard de tegenwoordige Herenstraat. Later heette de straat overigens ook de Winsensteeg, naar de familie Van Winsen die er bezit had.[9]
 
Terwijl het gebied ten zuiden van de Herenstraat tot 1367 een agrarische bestemming heeft behouden – de hierboven genoemde kamp en boomgaard duiden hier al op –, werden aan de noordkant van de straat, dus in de richting van de Kromme Nieuwegracht, in of kort na 1338 door het kapittel van Oudmunster achttien percelen ‘uitgeslagen’.[10]
 
Het is lastig om deze percelen precies te identificeren met die uit later tijd. Dat is voor een deel te wijten aan het feit dat de rekeningen waarin de pachtbedragen werden verantwoord op den duur niet meer de percelen in de volgorde van hun ligging behandelden, maar ten dele geclusterd op de pachtplichtigen. Bovendien ontbreken er rekeningen van een aantal jaren, ongelukkigerwijs in dit geval ook die juist voor ons onderwerp van belang zijn.
 
Vanuit de rekeningen bezien lijkt het erop dat het hier behandelde grondstuk, waarop later het huis Jeruzalemstraat 8-10 gebouwd zou worden, het derde perceel in de Herenstraat vanaf de stadswal was. thans Herenstraat 42-44. In de rekeningen van Oudmunster werden de kavels vanaf de wal genummerd. Maar de bouwer van dit huis, de kanunnik en medicus Christiaan Zenden, heeft oudere akten betreffende het perceel aan het kapittel nagelaten en die wijzen behalve op perceel drie ook op de percelen twee en één (ongeveer Herenstraat 46 en 48). Deze oudere akten zijn opgenomen in een zogeheten transsumpt daterend van 13 april 1450. In een dergelijke oorkonde werden voorafgaande rechtshandelingen woordelijk overgenomen. Het opstellen van een transsumpt was in de vijftiende eeuw gebruikelijk in de administratie van de stad Utrecht en is vanzelfsprekend heel behulpzaam bij het reconstrueren van de geschiedenis van een goed. Probleem is wel dat niet altijd alle relevante gegevens betreffende de rechten op een goed in een dergelijk transsumpt zijn overgeleverd. Het gaat dus om een legpuzzel waarin stukjes ontbreken. Dat lijkt ook hier het geval te zijn. Over de inhoud straks meer. Eerst terug naar de percelen aan de noordkant van de Herenstraat.
 
Van de eerste twee percelen – hierna te noemen percelen of erven I en II – zijn in het kapitttelarchief van Oudmunster uitgifteoorkonden bewaard gebleven van 15 april 1353 en 31 maart 1354. In de eerste erkende Lubbert Splinter dat hij het tweede erf, waarschijnlijk het latere Herenstraat 46, voor 16 schellingen per jaar van het kapittel van Oudmunster had ontvangen. Het goed werd – ik vertaal zo letterlijk mogelijk – omschreven als ‘een erf gelegen in de straat die gewoonlijk der Heren strate werd genoemd, en het erf bevat zoals de openbare straat zich uitstrekt naar de stadsmuur in de lengte vier roeden en in de breedte te meten vanaf de openbare weg of straat naar de boomgaard van heer Jacob Rode, priester, bevat het tweeënhalve roede, de grenzen van welk erf worden gezegd: boven bezit Willem Koec met een erf verkregen van de genoemde heren, beneden bezit heer Jacob geheten de Daker, tot de genoemde heren en hun kerk behorend’.[11]
 
In de tweede oorkonde, van 31 maart 1354 geeft het kapittel zowel het eerste als het tweede erf voor 36 schellingen uit aan Lubbert Splinter. De belendingen luiden nu: ‘En het genoemde erf is gelegen aan de oostkant bij de openbare weg bij de stadsmuur en aan de westkant strekt het zich uit tot aan het huis of erf van Jacob geheten Dakers, aan de noordkant strekt het zich uit tot aan de boomgaard van heer Jacob geheten Rode en Willem geheten Coec en aan de zuidkant naar de openbare weg of stenen straat’.[12]
 
Laten we nu de akten betreffende het perceel op de oosthoek van de Jeruzalemstraat – hierna te noemen perceel of erf III – maar eens aan een nader onderzoek onderwerpen. Om te beginnen gaat het zoals gezegd om een oorkonde van 30 april 1450, waarin verschillende oudere akten zijn opgenomen.
 
De oudste akte die in het transsumpt is overgeleverd is een oorkonde van 14 mei 1388, waarin het kapittel voor 12 groten per jaar op zekere voorwaarden verleent
tot enen eweliken erfpacht Steven van Ryetvelt Clais soon een hofstede mit allen horen toebehoren alse gelegen is inder Nyewerstege diemen gaet uuter Oudellen toter stat muere waerts in onsen gherechte tusschen onsen hofsteden aen beyden zyden die joncfrou Geertrude Wolf Wolfs soon dochter van Jutfaes aen die oistside ende Johans Ruysschen erfnamen aen die westside nu ter tijt van ons in pachten hebben.[13]
 
De rekeningen geven uitsluitsel over de ligging. Die van 1390/91 (ze lopen van Sint-Remeis tot Sint-Remeis, dus van 1 oktober tot 1 oktober) vermeldt van west naar oost, dus van de Nieuwegracht naar de stadswal toe:
– de erfgenamen van Jan Ruysch (Rusche) betaalt over zijn vier erven 3 pond;
– Steven Klaasz. van Rietveld van het erf van Gijsbrecht van Ruwenhorst of Ruhorst 12 schellingen van perceel III;
– Geertruid Wolfs van het erf van wijlen Jan van der Meer 12 schellingen van perceel II;
– dezelfde van het erf het dichtst bij de stadsmuur 15 schellingen van perceel I.[14]
 
So far, so good. In de volgende rekening, van 1391/92, wordt Van Rietvelds weduwe vermeld, waarbij op de plaats van haar voornaam een stukje opengelaten is; uit latere rekeningen blijkt dat zij Ave heette.
 
Als oostelijke belending – dus erf II – heeft Ave in 1392/93 in plaats van Geertruid Wolfs de naam Geertruid Sluters. Mogelijk gaat het hierbij om een verschrijving van de naam Wolfs, zo niet, dan gaat het om een ander.
 
In 1393/94 wordt in plaats van Geertruid voor erf II Jacob Passert genoemd en van erf I Jan van der Meer. Volgens deze rekening zouden beide erven afkomstig zijn van Lubbrecht Splinter.[15] Zoals hierboven is gebleken, werd deze ook als gerechtigde vermeld in de oorkonden van 15 april 1353 en 31 maart 1354. Op enkele andere gegevens in deze rekeningposten kom ik nog terug.
 
In 1411/12 was erf I nog steeds in het bezit van Jan van der Meer. Helaas ontbreken de rekeningen van 1412/13 tot en met 1422/23. Hierna vinden we tot en met 1441/42 de erfgenamen van Jacob Passert voor de erven II en III en Jan van der Meer voor erf I.
 
Hierna ontbreken helaas de rekeningen van 1442/43 tot en met 1446/47. In die van 1447/48 krijgen we een ander beeld. Na nog de erven van wijlen Jan Ruysch vinden we vermeld:
– jonkheer Van Gaasbeek van het ‘hoekerf’ van Jacob Ruhorst (dit moet zijn: Gijsbrecht Ruhorst) – dus erf III;
– Jan Moerke (Moerken) van het erf bij de stadsmuur van Lubbrecht Splinter – erf II;
– dezelfde van het erf het dichtst bij de stadsmuur van Lubbrecht Splinter – erf I.[16]
 
Ik kan hier wat de eerste post betreft geen andere conclusie uit trekken dan dat er een administratieve fout is gemaakt en dat het perceel van de jonkheer Van Gaasbeek niet het erf III van Gijsbrecht Ruhorst, is. De beide laatstgenoemde erven, over elk waarvan later door de hierna te noemen domvicaris mr. Peter Hasert 20 schellingen betaald werd, vormen in werkelijkheid de percelen I, II en III. Dat kan namelijk worden afgeleid uit de oorkonden die er zijn overgeleverd, al hebben we al geconstateerd dat die ook lacunes bevatten.
 
Laten we die oorkonden betreffende perceel III op de oosthoek van de Jeruzalemstraat, opgenomen in het transsumpt van 30 april 1450, met uitzondering van de al behandelde oorkonde uit 1388, maar eens aan een nader onderzoek onderwerpen.
 
Blijkens een opgenomen oorkonde van 26 oktober 1430 had Johan Moerke het goed op die datum verkregen van Gerit Knoop. Deze was er gerechtelijk aan ‘geëigend’ vanwege een transactie die Voorn van Tienhoven met hem gesloten had op 24 februari 1428. Volgens deze overeenkomst moest hij aan Gerit Knoop 13½ gulden betalen, maar was hij daarbij in gebreke gebleven, waarna Gerit beslag had gelegd op het goed in de Jeruzalemstraat. Ik besteed nadere aandacht aan de interessante transactie in een excursie achteraan op deze webpagina.
 
Op de genoemde datum 30 april 1450 droegen Johan Moerke (Moerkijn) en zijn vrouw Haze, met toestemming van heer Peter Passert (Passaert), kanunnik van Sint-Marie, juffrouw Engele, weduwe van Gerit Voorn van Tienhoven, en hun beider kinderen Gijsbert, Jacob, Gerit en Engele over aan de domvicaris mr. Peter Hasert een goed dat in een oudere, opgenomen oorkonde van 18 december 1428, omschreven werd als
husinghe ende hofstede gelegen in Oudelle, dair Jan vander Meer oistwairts ende Jacob Passer westwairts naist gelegen siin.
 
Het zou dus, gezien de rekeningen, om perceel II moeten zijn gegaan.
 
Vier in de oorkonde van 30 april 1450 opgenomen schepenoorkonden van na 26 oktober 1430 geven nadere informatie over de erfenis van Berend(ke), de (eerste) vrouw van Johan Moerke:
– op 18 juni 1439 deed Johans zoon Bartoud, gehuwd met Willem(ke), ten behoeve van zijn vader afstand van alles wat hij van zijn moeder geërfd had;
– op 12 februari 1443 deed Johans zoon Dirk hetzelfde;
– op 14 maart van hetzelfde jaar Johan en Hendrik, kinderen van Reinier Jager, ten behoeve van hun moeder Haze afstand van alle goederen die zij geërfd hadden van hun vader (Haze was, zoals we zullen zien, de tweede vrouw van Johan Moerke);
– op 13 augustus 1443 deed Steffanie, gehuwd met Johan Spierinck, ten behoeve van haar vader Johan Moeke afstand van wat zij geërfd had van haar moeder Berend(ke);
 
Eveneens op 30 april 1450 toonden de genoemde heer Peter Passert, Engele weduwe van Gerit Voorn van Tienhoven en haar kinderen de hierboven genoemde pachtoorkonde  van 14 mei 1388. Door deze laatste oorkonde was een transfix gestoken van 26 februari 1394, waarin Ave weduwe van Steven Klaasz. van Rietveld aan juffrouw Ide Hein Iewijnsdochter overdroeg haar helft en haar vruchtgebruik van de andere helft in het betreffende goed. Haar man Steven had op 16 december 1371 al zijn goed aan haar in vruchtgebruik gegeven.
 
Hierna, dus op 30 april 1450, gaven de genoemde Gijsbert, Jacob en Gerit, heer Peter Passert, juffrouw Engel, gehuwd met Gerit Voorn van Tienhoven, en hun beider dochter Engel (dus de zuster van Gijsbert, Jacob en Gerit), het goed over aan mr. Peter Hasert.
 
Vervolgens, dus eveneens op 30 april 1450, toonde heer Hubert de Waal, kanunnik van Oudmunster, daartoe gemachtigd door zijn kapittel, een volmacht om de voorkoop van het betreffende goed kwijt te schelen, wat hij vervolgens voor deze ene gelegenheid deed.
 
Het is mij niet duidelijk geworden wie Ide Hein Iewijnsdochter was en hoe het goed vervolgens aan heer Jacob Passert is gekomen. Verder ben ik er niet achter gekomen wat de relatie tussen Passert en Van Tienhoven is geweest. Peter Passert zal wel een familielid van de eerdere bezitter Jacob Passert zijn geweest, maar van de Van Tienhovens is mij die relatie niet duidelijk geworden.
 
Het is evenmin duidelijk hoe het goed verder vererfd is. In ieder geval vinden we het vanaf 1450 in de rekeningen van Oudmunster op naam van de genoemde mr. Peter Hasert, vicaris van de dom.
 
Erfgenaam van hem zullen Gerit van Rijn en zijn zuster Liesbet, gehuwd met Johan van Nijenrode, zijn geweest.[17] Blijkens een door de oorkonde van 30 april 1450 gestoken zogeheten transfixbrief (‘brief’ wil zeggen oorkonde) droegen dezen op 9 februari 1492 over aan Niclaas Lambertsz., kanunnik van Sint-Pieter:
die husinghe ende hofstede mit allen zijnen toebehoren alsoe die gelegen is opten hoeck van Gaesbeecx steghe, alsoe heeren Nyclaes Lamberts soen voirscreven die selve nu gebruyckt ende bewoent, dair boven ther stadt mueren wert heeren Braem van Leeuwenberch, canonick then doem tUtrecht, ende Gaesbeecx steghe beneden naestgelegen zijn.[18]
 
In de rekening van 1449/50 vinden we nog dezelfde gerechtigden als in 1447/48, zoals hierboven weergegeven. De rekeningen van 1450/51 tot en met 1472/73 ontbreken. Die van 1473/74 levert een ander beeld op. Het erf van Van Gaasbeek, toen van diens weduwe, is, met een ander Gaasbeek-erf in de opsomming van de posten naar voren opgeschoven, dit wil zeggen verder westwaarts. Daarna volgen nog twee posten en dan pas de erven I en II die van Lubbrecht Splinter waren geweest en die toen op naam stonden van mr. Peter Hasert.
 
Dat hierbij wel degelijk erf III inbegrepen was, valt af te leiden uit het feit dat, zoals uit andere gegevens blijkt, de erven van Gaasbeek niet ten oosten maar ten westen van de Jeruzalemstraat gelegen waren. Verder staat bij de erven II en III die vroeger van Lubbrecht Splinter waren dat daarover binnen een maand dubbele pacht betaald moest worden. Zoals uit de hierna te behandelen oorkonde blijkt, hield dit in dat deze dubbele pacht verschuldigd was, wanneer niet binnen een maand de jaarlijkse pacht was betaald.
 
De derde oorkonde die door die van 30 april 1450 getransfigeerd is, dateert van 9 november 1498. Op deze datum transporteerde Klaas Lambertsz. voor het schepengerecht aan Christiaan van Zenden (Senden)
die huysinge ende hofstede gelegen opten zuytoesten hoeck van ende inde Gaesbecx stege bynnen Utrecht.[19]
 
Klaas deed dit als gemachtigde van de karthuizers in Geertruidenberg, waar zijn naamgenoot en waarschijnlijk ook familielid Klaas Lamberts, eertijds kanunnik van Sint-Pieter en toen broeder van het klooster, was ingetreden en dit huis aan het klooster had overgedragen.
 
Op dezelfde datum gaf het kapittel van Oudmunster het goed, nu omschreven als
hofstede ende huysinge mit alle hoeren toebehoeren als die gelegen is bynnen Utrecht inder Oudellen opten houck van Gaesbeecks steghe, als die here Claes Lambertss., welneer canonick tsente Peters tUtrecht, laest gebruyckt heft, daer boven ter muren wert heere Braem van Lewenberch, canonick tsente Mertijns, ende beneden westwert Gaesbeeck stege voergenoemt naest gelegen sijn
voor 12 groten stadsgeld per jaar in erfelijke pacht aan Christiaan.[20] Onder de voorwaarden vinden we ook de dubbele boete binnen een maand vermeld en het zogeheten voorkooprecht.
 
In de rekening van 1498/99 vinden we hem terug als bezitter van de twee erven van Lubbrecht Splinter. Voor het kapittel was kennelijk niet van belang om welke van de oorspronkelijke erven het ging, maar dat jaarlijks het verschuldigde bedrag, 16+20=36 schellingen stadsgeld, betaald werd.
 
Waar we noch uit de rekeningen noch uit de oorkonden zicht op krijgen is hoe het oorspronkelijke perceel II in 1393/94 en perceel III in 1396/97 in het bezit is gekomen van Jacob Passert, en wat vervolgens zijn relatie was tot de domvicaris Peter Passert en de andere hierboven genoemde gerechtigden. De achternaam doet wel een dergelijke betrekking vermoeden.

Jeruzalemstraat route Zenden
De route die Christiaan van Zenden liep van en naar de Oudmunsterkerk, waaraan hij als kanunnik verbonden was. Daarom beschouwde hij zijn nieuwe huis thans Jeruzalemstraat 8-10 ook als zijn voorste huis. Tek. M.W.J. de Bruijn in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1988, p. 42.

[21] S. Muller Fz., Middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht, dl. I (’s-Gravenhage 1883) 25.

[22] Vgl. het Franse avantgarde.

[23] HUA, Oudm. 184-2 (akte van 1388.05.14).

[24] HUA, Dom 1121-118 (akte van 1792.12.10).

[25] Ald. 41-42.

[26] In mijn genoemd artikel ging ik er (ald. 42) van uit dat het huis of de kamer van de dienstmeid er in 1498 al stond op basis van de zinsnede die huysinge ende hofstede gelegen opten hoeck van ende inde Gaesbeecxstege bynnen Utrecht. Nu meen ik echter dat het bij die ligging gaat om het huiserf en niet de bebouwing. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat er toen geen bebouwing op de zuidhoek stond.


Jeruzalemstraat 8-10 voorzijde
De voorzijde van Jeruzalemstraat 8-10. Foto M.W.J. de Bruijn 2021.

Jeruzalemstraat 8-10 achterzijde
Laat-zestiende-eeuwse achteraanbouw en traptoren. Foto M.W.J. de Bruijn 2021.

Dagelix ende malix voirwaerde houden
 
Exercities als de bovengenoemde leveren ook nogal eens een interessante, al dan niet rechtshistorische bijvangst op. In dit geval is dit in de eerste plaats de oorkonde van 24 februari 1428, waarin Gerit Knoop ‘geëigend’ werd aan het goed vanwege de belofte van Voorn van Tienhoven om dagelix ende malix voirwairde te houden tot Goderts huus van Rijn, op viertyendenhalven gulden die hij Gerijt voirscreven geloift hadde voir Wenemair Jans Costers soon.
 
De uitdrukking dagelix ende malix komt in een ander verband al voor in het oudste rechtsboek van de stad Utrecht, het Liber albus, en wel in een in 1342 vastgestelde bepaling:
Ten sel en gheen man meer knapen cleden dan hi daghelix ende malix in sinen cost heeft binnen Utrecht, ende waert dat de raed kende dat hi knapen clede buten sinen cost, de verboerde vijf pont van elken knaep dien hi clede buten sinen huyes, ende daer en mach hi gheen onscout voor doen.[21]
 
Het is mij niet duidelijk of deze bepaling gericht was tegen het overdreven vertoon van luxe of om geüniformeerde bendevorming tegen te gaan (denk hierbij aan equivalenten van sommige tegenwoordige motorclubs). Mogelijk gaat het om beide. Het schijnt me toe dat de uitdrukking staat voor min of meer permanent.
 
Voirwaerde houden, wat in zijn algemeenheid het nakomen van een overeenkomst betekent, duidt hier waarschijnlijk op het lopen van wacht, zo komen we althans de uitdrukking tegen in het Middelnederlandsch Woordenboek. Het zou hierbij kunnen gaan om de waerde of wacht in de avond en de voornacht, vandaar voirwaerde,[22] maar ook het houden van de wacht vóór de stadsmuren. Ik ben geneigd om aan de laatste betekenis te denken. In de jaren twintig van de vijftiende eeuw was ook de stad gewikkeld in de oorlog om de macht in het graafschap Holland, in dit geval tussen Jacoba en Jan van Beieren. Deze strijd deel uitmaakte van de Hoekse en Kabeljauwse twisten waarin de stad Utrecht doorgaans Hoeks was. De zogeheten ‘zoen van Delft’ maakte op 3 juli 1428 voorlopig een eind aan de tweedracht ende geschille - - - die opgestaen ende gerezen zyn, ende langhen tydt geduirt hebben tusschen ons hertoge - - - ende ons hertoginnen. Met de hertog was Jacoba’s tegenstrever Filips van Bourgondië bedoeld.
 
Ik ga er aldus van uit dat Voorn van Tienhoven aan Gerit Knoop 13½ gulden beloofd had voor het houden van de wacht op het huis van Godert van Rijn en dat hij die belofte niet was nagekomen, waarna het goed van Voorn in de Herenstraat in Utrecht gerechtelijk aan Gerit was toegewezen. Maar zoals altijd geef ik mijn mening graag voor een betere.
 
Voorkooprecht
 
Veel kerkelijke instellingen in Utrecht gaven huizen en erven erfelijk uit op onder meer de voorwaarde van voorkoop of naasting. In de akten wordt dit bijvoorbeeld als volgt uitgedrukt:
Voirt siint voirwairden, wairt sake dat Steven voirscreven, siin erfname of nacomelinge dair dese voirscreven hofstede mitter husinge ende tymmeringhe die dair nu op staen of hier namaels op getymmert mogen werden alinge of een deel of renten dair uut vercopen wouden, dair sellen zij ons den voircoip of bieden ende geven voir alsulck gelt als hij inder wairheit ende sonder enigerhande archeit bedinget wair.[23]
 
Het lijkt een eenvoudig te vervullen voorwaarde, met name wanneer de uitgever van zijn recht afzag, maar de rechtspraktijk leert anders. Wanneer het kapittel er geen gebruik van maakte, moest dit in een akte worden vastgelegd, die vervolgens door een gemachtigde overgelegd werd bij het gerecht waar de overdracht van het goed plaatshad. Dat kon in Utrecht vóór omstreeks 1400 zowel bij het betreffende dagelijks gerecht, in dit geval van Oudmunster, gebeuren dan wel bij het stedelijk schepengerecht. Het laatste was hier het geval. Voor de aardigheid geef ik de betreffende oorkonde, van 15 april 1450, volledig weer:
Wij deken ende capittel der kercken van Oudemunster tUtrecht doen cond allen luden dat wij machtich gemaict hebben ende maken machtich mit desen onsen brieve heren Hubert de Wael, onsen mede canonick, van onser wegen ende in onsen name quijt te schelden op desen tijt ende over te geven den schout ende schepenen tUtrecht tot behoef meester Peter Hasaerts, ewige vicarius inden doem tUtrecht, den voircoop vander husinge ende hofstede die gelegen is inder nyewer stegen diemen gaet uuter Oudellen ter stat mueren wairt, dair oistwairts Johan weduwe vander Meer ende westwairt die nyewe steghe voirscreven naist gelegen siin, in alre manieren als joncfrou Engel Voern van Tyenhovens weduwe die van ons in enen erfpacht gehadt heeft, behoudeliken ons voirtaen ons voircoops ende alle ons rechts, sonder arghelist.
Oirconden deser machten so hebben wij ons capittels segele aen desen brief doen hangen.
Gegeven int jair ons Heren dusent vierhondert ende vijftich, opten vijftienden dach in aprille.
 
Uit de akte blijkt dat de kwijtschelding alleen voor dit éne geval verleend werd. In de overdrachtsakte van het goed van 30 april werd vervolgens de bepaling opgenomen:
Ende doe wij desen voirscreven brief ghesien ende wel verstaen hadden, aldair so schout heer Hubert de Wale voirscreven quijt mit sijns gecorens voichts hant, dair hij mit rechte ende oirdele aen quam, van wegen des dekens ende capittels voirgescreven so hi gemachticht was ende voirscreven is, tot behoef meester Peter Hasaerts voirgenoemdt, den voorcoop op desen tijt vander husinghe ende hofstede voirghescreven, behoudeliken den deken ende capittell voirgescreven voirt aen hoirs voircoops ende alle rechts aender husinge ende hofstede voirscreven.
 
Het is allemaal buitengewoon omslachtig, maar toch bevatten veel uitgifteoorkonden van kerkelijke instellingen in Utrecht een dergelijke voorkoopclausule. Ik kwam het recht bij het domkapittel nog in 1792 tegen.[24]
 
De oudste bebouwing
 
Tot slot nog iets over de oudste bebouwing op het perceel Herenstraat 42-44. Hierover is al het een en ander verteld in mijn artikel ‘De hardheid van steen, hout en papier’ in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1988.[25] Op basis van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek kon worden vastgesteld dat de oudste bebouwing niet op de hoek van de Herenstraat stond, maar waarschijnlijk ter plaatse van Jeruzalemstraat 16, dus tussen de bebouwing aan de Herenstraat en het nieuwe huis van Christiaan van Zenden in.[26] Deze kanunnik noemde zijn nieuwe huis zijn ‘voorste huis’, omdat hij uitging van de ligging ten opzichte van de kapittelkerk van Oudmunster, waar hij als kanunnik aan verbonden was. Van bebouwing aan de Herenstraat zelf is met zekerheid voor het eerst pas sprake in het zijn testament uit 1528, maar dat zegt natuurlijk niet alles.
 
Globaal overzicht van de bezitsgeschiedenis (met inbegrip van percelen IV en volgende aan de westzijde van de Jeruzalemstraat) aan de hand van de rekeningen van Oudmunster
 
Perceel I (waarschijnlijk ongeveer Herenstraat 48):
1342/43 Jan Koec (Coke, Coec of Koec) (18 schellingen)
1348       Willem Koec (18 schellingen)
1350/51 dezelfde (18 schellingen)
1357/58 Jan van der Meer (waarschijnlijk 15 schellingen)
1370/71 Jan van der Meer (15 schellingen)
1379/80 dezelfde (15 schellingen
1390/91 Geertruid Wolfs (15 schellingen)
                Lubbert Splinter
1392/93 Geertruid Sluters (=Wolfs)
1393/94 Jan van der Meer
1400/01 Jan van der Meer (20 schellingen)
1405/06 dezelfde (20 schellingen, waarvoor 9 plakken)
1425/26 dezelfde
1432/33 dezelfde
1440/41 dezelfde
1447/48 Jan Moerke (20 schellingen)
1476/77 mr. Peter Hasert (20 schellingen)
 
Perceel II (waarschijnlijk ongeveer Herenstraat 46)
1342/43 Arnoud Groninc (18 schellingen)
1348      dezelfde (18 schellingen)
1350/51 Gijsbert uter Borch (12 schellingen)
1353/54 Splinter uter Borch (12 schellingen
1357/58 Jan van der Meer (waarschijnlijk 12 schellingen)
1370/71 Jan van der Meer (12 schellingen)
1379/80 dezelfde (12 schellingen)
1390/91 Geertruid Wolfs (12 schellingen)
                Lubbert Splinter
1392/93 Geertruid Sluters (=Wolfs?)
1393/94 Jacob Passert
1400/01 Jacob Passert (16 schellingen)
1405/06 dezelfde (16 schellingen, waarvoor 7 plakken)
1425/26 zijn erfgenamen (16 schellingen)
1432/33 zijn erfgenamen
1440/41 zijn erfgenamen
1447/48 Jan Moerke (16 schellingen)
1476/77 Peter Hasert (20 schellingen!)

Perceel III (Herenstraat 42-44):
1342/43 ontbreekt
1348      ontbreekt
1350/51 Hildegond Ouderidders (12 schellingen)
1353/54 Mechteld de weefster (12 schellingen)
1357/58 Reinier de wever en zijn vrouw Mechteld (12 schellingen)
1370/71 Gijsbrecht van Ruhorst (12 schellingen)
1379/80 dezelfde (12 schellingen)
1390/91 Steven Klaasz. van Rietveld (12 schellingen)
1395/96 Ava wed. Steven van Rietveld
1396/97 Jacob Passert (16 schellingen)
1400/01 dezelfde (16 schellingen)
1405/06 dezelfde (16 schellingen)
1425/26 zijn erfgenamen (16 schellingen)
1432/33 zijn erfgenamen
1440/41 zijn erfgenamen
1447/48 e.v. geen vermelding meer voor dit perceel (waarschijnlijk samengevoegd met de percelen I en II.
 
Percelen IV en volgende (Herenstraat -40)
1342/43 Wouter Honderdmark (vier erven; 3 pond)
1348      Floris van Engen (twee erven; 30 schellingen)
1350/51 Herman mesmaker (twee erven; 30 schellingen)
1355/56 Floris van Engen (twee erven; 30 schellingen)
1357/58 Jan Tol (twee erven; 30 schellingen
1370/71 Johan Ruysch (twee erven; 30 schellingen)
1379/80 dezelfde (vier erven; 3 pond)
1400/01 dezelfde (vier erven; 4 pond)
1405/06 Gerrit van den Rijn (twee erven; 2 pond)
1425/26 Geertruid, vrouw van Willem van Winsen (twee erven van Johan Ruysch; 2 pond)
1432/33 dezelfde
1440/41 dezelfde
1447/48 dezelfde
1449/50 dezelfde
1476/77 ??


© 2021 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 7 september 2021; laatst bewerkt 18 oktober 2021.