Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Is meten altijd weten?
Over de beperkingen van driedimensionale reconstructies van verdwenen historische bebouwing
door Martin de Bruijn


Inleiding

De digitalisering heeft grote mogelijkheden geopend om structuren driedimensionaal te visualiseren. Dergelijke 3D-reconstructies werden aanvankelijk vooral toegepast door ontwerpers van producten, architecten en stedebouwkundigen, maar het lag voor de hand dat ook de historische wetenschappen er toenemend gebruik van zouden gaan maken. De ontwikkeling van digitale ‘historische’ 3D-modellen heeft inmiddels dan ook een grote vlucht genomen, met name in de archeologie, de architectuurgeschiedenis en de bouwhistorie.

Dergelijke reconstructies bieden tal van voordelen. Nog los van de sensatie het idee te hebben tussen of in gebouwen en structuren uit het verleden rond te lopen, kan hierbij bijvoorbeeld ook gedacht worden aan de mogelijkheid om onjuistheden en manipulaties in afbeeldingen of andere bronnen aan te tonen en om meer inzicht in de constructie van bouwwerken en structuren te verkrijgen.

Zonder ook maar iets af te willen doen aan de mogelijkheden die deze driedimensionale reconstructies bieden, wil ik hier echter toch ook een kritisch geluid laten horen. Het betreft de zekerheid die deze reconstructies lijken te bieden. Die zekerheid is er namelijk niet en die zekerheid wordt nog minder naarmate de bronnen geringer in aantal en beperkter van inhoud en waarde zijn.


Het meeste kans van slagen bieden de reconstructies die gemaakt zijn aan de hand van bouwtekeningen en foto’s, hoewel iedere fotograaf kan vertellen hoe er al sinds het ontstaan van de fotografie met foto’s gemanipuleerd kan worden en ook daadwerkelijk gemanipuleerd is. En tijdens het bouwen kan afgeweken zijn van de oorspronkelijke bouwtekeningen zonder dat daarvan een aanpassing op papier is gemaakt. Dit alles geldt in nog sterkere mate voor getekende of geschilderde afbeeldingen en van plattegronden, ook wanneer deze laatste gebaseerd zijn op de resultaten van archeologisch onderzoek. Het gaat hierbij immers steeds om interpretaties. Dergelijke beperkingen gaan al helemaal op voor situaties waarvoor bronnen van deze aard ontbreken en we het moeten doen met al dan niet accurate beschrijvingen.

Voor wetenschappelijk verantwoorde reconstructies is het daarom van het grootste belang dat alle relevante gegeven niet alleen worden geraadpleegd en geanalyseerd, maar ook dat ze, zoals iedere historicus behoort te doen, ter verifiëring met de daarop gebaseerde argumentatie als bronnen worden bekendgemaakt.

Omdat driedimensionale reconstructies een grote mate van zekerheid suggereren terwijl ze in werkelijkheid vaak zeer speculatief zijn, bestaat verder, afgezien van het verkeerde beeld dat ze geven, het gevaar dat hiervan bij ‘restauraties’ van gebouwen gebruik wordt gemaakt en zelfs dat op basis van dergelijke 3D-reconstructies inmiddels niet meer bestaande gebouwen en structuren worden ‘herbouwd’. Kortom naast de mogelijkheden moeten ook de beperkingen in het oog te worden gehouden en dient, net als bij ander historisch onderzoek, steeds weer kritische toetsing mogelijk te zijn en ook daadwerkelijk plaats te hebben.

Een voorbeeld

Ter toelichting van een en ander hier een Utrechts voorbeeld, ontleend aan een artikel van H. Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld. De kerken van bisschop Bernold’, in: H. van Engen en K. van Vliet red., De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht (Hilversum 2012) 37-68:
Plattegrond van de tussen 1017 en 1023 gebouwde domkerk van bisschop Adelbold met aan de oostzijde een uitbreiding uit de twaalfde eeuw. Hundertmark, a.w. 5.

































Vogelvluchtafbeelding van de driedimensionale reconstructie op basis van bovenstaande plattegrond. Hundertmark, a.w. 60. Het 3D-model is vervaardigd door Daan Claessen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht.

Plattegrond dom van Adelbold 12de eeuw
De plattegrond in grijs (elfde eeuw) en lichtblauw (twaalfde eeuw) is hoofdzakelijk gereconstrueerd op basis van de resultaten van opgravingen die op enkele plekken hebben plaatsgehad. Deze vondsten zijn weergegeven in de zwarte en donkerblauw  gekleurde vlekken. Het gaat hierbij dus slechts om een zeer gering deel van het terrein. Toch is op deze geringe bouwresten een compleet kerkgebouw geprojecteerd. De bronnen en argumenten waarop de reconstructie is gebaseerd  zijn slechts zeer ten dele gegeven.
Dom van Adelbold 12de eeuw in 3D
De reconstructie is behalve op bovenstaande plattegrond vooral gebaseerd op de hypothese dat de Sint-Maartenskerk in Emmerik en de Utrechtse Sint-Pieterskerk, Sint-Janskerk en Sint-Pauluskerk alle uit de eerste helft van de elfde eeuwdeze domkerk van bisschop Adelbold als voorbeeld hebben gehad, en verder dat laatstgenoemde kerk op haar beurt gebouwd was naar het voorbeeld van de tweede abdijkerk van de Franse benedictijnenabdij van Cluny. Er wordt een zekerheid gesuggereerd die er gezien dit alles in werkelijkheid niet is. Daarvoor is het aantal gegevens te klein en het aantal onbekende elementen veel te groot. Een dergelijke reconstructie kan daarom slechts een idee geven, meer niet.

In maart 2014 verscheen De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad, van de hand van de coördinator publieksbereik van de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht René de Kam, oud-stadsbouwhistoricus Frans Kipp en computerspecialist en 3D-illustrator Daan Claessen, eveneens verbonden aan de Afdeling Erfgoed. Ondanks de inmiddels van diverse zijden geuite bedenkingen bevat ook deze uitgave weer een groot aantal onjuiste of op zijn minst onaannemelijke voorstellingen. In de komende tijd zal hieraan op onze webpagina’s gedetailleerd nadere aandacht worden besteed. Eerste reacties zijn te vinden op de webpagina’s
De nieuwe uitgave De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad
De domtoren als ‘statement’


Waar dergelijke speculatieve reconstructies toe kunnen leiden, blijkt bijvoorbeeld ook uit het begin 2013 verschenen proefschrift van de Zutphense archeoloog Michiel Groothedde, Een vorstelijke palts te Zutphen? Macht en prestige rond het plein 's-Gravenhof van de Karolingische tijd tot aan de stadsrechtverlening (Zutphen 2013). Groothedde neemt in zijn dissertatie onder meer de ideeën van Hundertmark en Claessen kritiekloos over. Mede omdat hij dezelfde methode hanteert, wordt ook aan een deel van zijn eigen bevindingen zowel in archeologische als in historische kring ernstig getwijfeld.

Op een tentoonstelling in Leiden en in een ter gelegenheid daarvan uitgegeven boekje (Bij nader inzien. Nieuw onderzoek naar oude opgravingen (Leiden 2014) is te lezen (ald. 26):
‘In de 11e eeuw liet bisschop Bernolf van Utrecht hier een groot tufstenen paleis bouwen met een monumentale entree en een kleurrijk beschilderde zaal. Deze ‘palts’ was bedoeld als tijdelijk onderkomen van de Duitse koning als hij op weg was naar Utrecht.’
Deze stellige uitspraken zijn niet alleen speculatief, het is ook nog speculatie met een hoog onwaarschijnlijkheidsgehalte. Het zou overigens te ver voeren daar op deze plaats nader op in te gaan.





























































[1] CD-Dom. Domplein in Utrecht van 250 tot heden (Utrecht 1998). Aldus ook nog de  CD-rom en DVD 750 jaar gotische dom in Utrecht (Utrecht 2004). Deze opvatting wordt – of werd – aangehangen door de meeste Utrechtse onderzoekers, onder wie de voormalig stadsarcheologen Tarq Hoekstra en Huib de Groot, de architectuurhistorici Raphaël Rijntjes, Jos Stöver en Eelco van Welie, en de mediëvisten Bram van den Hoven van Genderen en Marietje (Johanna Maria) van Winter. Zie hierover onze nieuwe uitgave De eerste kerken op het Utrechtse Domplein.


[2] C.A.M. van Rooijen, ‘De datering van de Heilig-Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 99 (2000) 62-67; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in Utrecht en haar relatie met Willibrord, Bulletin KNOB 107 (2008) 81-89. Zie ook de webpagina
► 
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.





[3] R.J. Stöver, De Salvator- of Oudmunsterkerk te Utrecht (Utrecht 1997) 194; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 52-53. Zie ook de webpagina
► 
Bonifatius als bouwer.






[4] Al uitvoerig beargumenteerd in C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator-Sint-Maarten (Utrecht 1995) 28-33.

Nog een voorbeeld: je weet niet wat je ziet!

Waar het gebruik van 3D-reconstructies toe kan leiden, bleek me in maart 2013 na aanschaf van de Chronologie van de Nederlandse Geschiedenis (Rijswijk 2006). In dit lijvig boek met een uitklapplaat, een leporello, van bijna vier meter zijn teksten met afbeeldingen opgenomen over vijfentwintig beslissende episoden uit de Nederlandse geschiedenis.

Een van die episoden, de kerstening, wordt behandeld door de gemeentelijke ‘coördinator publieksbereik Erfgoed’ van Utrecht, René de Kam. Over de eerste Utrechtse kerken binnen de Utrechtse burcht, het voormalige Romeinse castellum, zegt hij:

‘Willibrord trof daar waarschijnlijk een ruïneus kerkje aan, dat enkele decennia eerder gebouwd was door de Frankische koning Dagobert I (623-639), maar door de Friezen aan puin was geslagen. Zou er nog veel gestaan hebben van het castellum? Als het fort inderdaad na het vertrek van de Romeinen verlaten was, dan kon er ruim 400 jaar later toch niet veel meer over zijn dan een immense ruïne? Of was het fort toch bewoond geweest en stonden de muren nog overeind? Hoe het ook zij, Willibrord herstelde Dagoberts kerkje en bouwde er nog een tweede kerk en een monasterium naast. Als eerbetoon aan de Franken wijdde hij het herstelde kerkje aan Sint-Maarten, een heilige uit het Frankische Tours die door de Franken zeer werd vereerd. Deze Sint-Maartenskerk zou uitgroeien tot de huidige Domkerk. Het andere kerkje wijdde hij aan Sint-Salvator, ofwel aan Christus zelf. En daarmee was zijn zetel als aartsbisschop van de Friezen gereed. De kerstening kon beginnen.’

Behalve een afbeelding van Willibrord is hierbij onderstaande reconstructie opgenomen. Deze is gemaakt door het Utrechtse ontwerpbureau van Jan de Rode, DeroDe3D en komt ook voor op een webpagina van Entoen.nu.
Heilig-Kruiskapel en Sint-Salvator
Het bijschrift van deze afbeelding in de Chronologie luidt: ‘Reconstructie van de Sint-Maartenskerk, met op de achtergrond de Heilige-Kruiskapel’.

Wie de CD-Roms raadpleegt waar deze reconstructie op is gebaseerd, leert dat daar de Heilig-Kruiskapel beschouwd wordt als de eerste Sint-Maartenskerk en de andere kerk als de door Willibrord gebouwde Sint-Salvatorkerk.[1] Volgens deze visie zou dus de rechts afgebeelde kerk niet de Sint-Maartenskerk zijn, zoals het bijschrift aangeeft, maar de Sint-Salvator. Dat deze 3D-reconstructie de situatie rond de komst van Willibrord aangeeft, zou kunnen worden afgeleid uit de puinhopen tussen de beide kerkgebouwen. De Kam maakt daar in zijn tekst ook melding van.

In werkelijkheid is de Heilig-Kruiskapel, waarvan in enkele fasen het volledige fundament is opgegraven, pas gebouwd in de tiende eeuw. Deze kapel werd opgetrokken van het afbraakmateriaal van het vroegere Romeinse hoofdgebouw. In de Romeinse principia waren door Willibrord de eerste Sint-Salvatorkerk en de aan deze kerk verbonden kloostergemeenschap gehuisvest. De opstand van de kapel kennen we slechts in sterk gemutileerde vorm uit afbeeldingen die niet verder teruggaan dan de achttiende eeuw.[2] Het is dus eigenlijk ondoenlijk om op basis hiervan een betrouwbare reconstructie te maken.

Rechts op de afbeelding zien we niet de Sint-Maartenskerk, maar de door Bonifatius omstreeks 745 gebouwde nieuwe Sint-Salvatorkerk, echter niet in haar oorspronkelijke gedaante, maar met een latere uitbreiding aan het koor. Er is dus ook in dit opzicht sprake van een anachronistische voorstelling. Even tussen haakjes: zou er in de tijd van die uitbreiding nog puin gelegen hebben?

Van de oorspronkelijke, achtste-eeuwse kerk is slechts een zeer gering deel opgegraven en zijn alleen twee parallel oost-west lopende funderingen teruggevonden, met een tussenafstand van ongeveer acht meter, die hoogstwaarschijnlijk tot het koor hebben behoord.[3] Zo mogelijk is de betrouwbaarheid van de 3D-reconstructie hier nog problematischer dan bij de Heilig-Kruiskapel.

Op de afbeelding komt de Sint-Maartenskerk van Willibrord, gebouwd op de fundamenten van de door koning Dagobert omstreeks 630 gestichte Sint-Thomaskerk, niet voor; het is overigens ook onbekend hoe ze eruit heeft gezien. Waarschijnlijk ging het om een zaalkerk met een smaller oostkoor. Ook het door René de Kam genoemde monasterium of klooster vinden we er niet op terug.

Ofschoon deze notitie niet gemaakt is om commentaar te geven op de hele tekst van De Kam – hoewel daar ook verder heel wat over te zeggen valt –, hier toch nog een enkele kanttekening. Zoals zo vaak wordt ook hier weer de Sint-Salvator beschouwd als een tweede kerk. De Sint-Salvator was echter de eerste kerk die Willibrord in Utrecht bouwde. Hij vestigde die met het eraan verbonden klooster in het voormalig Romeins hoofdgebouw. Pas later, waarschijnlijk eerst rond 720, herbouwde hij de door koning Dagobert gestichte en later verwoeste Sint-Thomaskerk. Deze laatste kerk stond hoogstwaarschijnlijk ter plaatse van het verdwenen schip van de domkerk.[4] Deze gang van zaken heeft de kerkelijk-institutionele ontwikkeling in Utrecht door de eeuwen heen bepaald en ervoor gezorgd dat de aan Sint-Maarten gewijde dom en het daaraan verbonden kapittel niet het alleenrecht over het bestuur van het bisdom en de bisschopskeuze heeft verworven.
Het Domplein in de tijd van Willibrord Aan de hand van dit eenvoudig voorbeeld ziet men weer hoe problematisch driedimensionale reconstructies van vroegmiddeleeuwse situaties zijn. Ze scheppen in het algemeen veel meer verwarring dan verduidelijking. Zelfs 2D-reconstructies – plattegronden – zijn voor deze periode voor de situatie in Utrecht slechts zeer beperkt en met terughoudende bescheidenheid toepasbaar.

Zo mogelijk nog speculatiever maar vooral ook onaannemelijker is trouwens het beeld dat de architectuurhistorici Jos Stöver en Raphaël Rijntjes voorspiegelen in een door Jan de Rode vervaardigde driedimensionale reconstructie van het Domplein in de tijd van Willibrord. Daar wordt overigens gesproken van het Karolingische Domplein, dit wil zeggen van de periode na 750.

Deze reconstructie figureert in ‘populaire’ publicaties en in een zogeheten app. Blijkens persberichten hoef je er niet voor naar het bezoekerscentrum DOMunder te gaan, maar kun je haar – in een wat gewijzigde versie – ook vanuit je luie stoel bekijken.

Het ziet er allemaal best aardig uit en getuigt van een rijke fantasie. Met de historische werkelijkheid heeft het echter nauwelijks iets van doen, zoals aan de hand van de bronnen gemakkelijk valt aan te tonen. Van enigerlei wetenschappelijke verantwoording is vanzelfsprekend geen sprake. Ook in de toekomst kan hiervan geen sprake zijn, omdat dan moet worden toegegeven dat het voor een groot deel speculatie is. En dan hebben we het nog niet over de aantoonbaar onjuiste voorstellingen.

Het onwetende publiek vindt deze breed uitgemeten fantasieën overigens prachtig. De 'beleefbaarheidconcepten' hebben in 2015 zelfs enkele internationale prijzen gekregen. Zoals in onze oppervlakkige en vluchtige samenleving steeds meer het geval is, wordt de vorm belangrijker gevonden dan de inhoud.


Romaans schip

Ondertekening volgens Haakma Wagenaar

Detail ondertekening middenpaneel drieluik

Infraroodreflectogrammontage van een detail van het middenpaneel van Anoniem Noord-Nederlands, Drieluik met de kruisiging, ca. 1460. Paneel, 85,5 x 56 cm (middenpaneel). Rijksmuseum, Amsterdam (© IRR opname en montage RKD, Den Haag).

Opgraving Van Giffen

Hoe verkeerde voorstellingen kunnen ontstaan

Ter nadere detaillering van mijn bezwaren is het de moeite waard eens een onderdeel van de Utrechtse 3D-reconstructies nader te belichten. Ik heb gekozen voor het hierboven in het eerste voorbeeld weergegeven westwerk van de Romaanse dom van Adelbold. Dit westwerk wijkt sterk af van een afbeelding op een geschilderd drieluik van omstreeks 1460, dat tussen het nieuwe Gotische koor en de nieuwe domtoren een langgerekt Romaans schip met een lagere zijbeuk weergeeft (zie de afbeelding hiernaast).

Op de 3D-reconstructie is hieraan echter aan de westkant – dus naar de toren toe – een dwarsschip toegevoegd met een hoektoren, verder een grote open ruimte, een atrium, die op het schilderij eveneens afwezig is.

Hein Hundertmark verwijst hiervoor in zijn genoemd artikel onder andere naar een tekening van de restauratiearchitect Theunes Haakma Wagenaar uit zijn Cursus kennisoverdracht - Dom (z.pl. [Utrecht] 1978-1980) (zie de afbeelding hiernaast). Volgens Hundertmark gaat het hierbij om de ondertekening van het schilderij (ald. 51, afb. 4b). Mogelijk heeft hij dit laatste ontleend aan een artikel van Arie de Groot, ‘Een droom van een Dom’, Jaarboek Oud-Utrecht 1998, die op blz. 32 bij deze afbeelding schrijft:

‘Werkelijke toestand volgens Th. Haakma Wagenaar, reconstructietekening op basis van het drieluik van ca. 1460 en de daarop aangetroffen ondertekening.’

Haakma Wagenaar spreekt zelf op de afbeelding van een ‘doortrek’, dit wil zeggen het overtrekken van een afbeelding zoals dat in het voordigitale tijdperk vaak gebeurde, bijvoorbeeld op doorzichtig papier. Maar in zijn hierboven genoemde cursus kennisoverdracht beriep hij zich wel degelijk op de ondertekening:

‘Daarbij kwam de veronderstelde topgevel van het door mij gereconstrueerde westelijke dwarsschip, zoals dat geschetst is in fig. 42a. in de ondertekening tevoorschijn. [...] Belangrijk is dat het bestaan van een westelijk dwarsschip in de romaanse Dom er opnieuw mee wordt bevestigd.’ (Cursus kennisoverdracht, 50)

Bij navraag bleek echter dat niemand ooit de betreffende foto, een zogeheten infraroodflectogrammontage, hierop had nagezien. Dankzij Liesbeth Helmus van het Centraal Museum kon ik de foto van de ondertekening zelf bekijken en kopiëren. Het resultaat was verrassend: zij wijkt nauwelijks af van de werkelijke afbeelding (zie hiernaast). Dus geen transept met traptoren en geen open ruimte tussen het Romaanse schip en de domtoren, maar een Romaans schip dat vanaf het nieuwe Gotische koor geheel of nagenoeg geheel doorloopt tot aan de nieuwe domtoren.

De suggestieve ‘3D-reconstructie’ – om het woord bedrog niet te gebruiken – van Th. Haakma Wagenaar vindt dus geen steun op het drieluik, noch op de werkelijke afbeelding noch op de ondertekening. Ook het atrium, dat door veel onderzoekers wordt verondersteld, vindt er letterlijk geen ruimte.

Nu zou men kunnen zeggen dat de schilder van het drieluik de afbeelding van het Romaanse schip vereenvoudigd heeft. Maar waarom zou hij dat alleen bij dit schip hebben gedaan, terwijl het nieuwe Gotische koor en de nieuwe domtoren toch tamelijk gedetailleerd en waarheidsgetrouw zijn weergegeven (zij het overigens duidelijk met verkort perspectief)?

Waarschijnlijk zijn het veronderstelde westtransept en atrium slechts gebaseerd op een interpretatie van de opgravingen die ter plaatse zijn gedaan, met name die van Van Giffen uit 1949. Maar deze opgravingen betroffen slechts een beperkt deel van het Romaanse schip (zie de afbeelding hiernaast, groter afgebeeld op de webpagina Van tempeltje tot kathedraal).

Aangenomen mag worden dat de opgravingsgegevens opnieuw zullen worden geanalyseerd in het verslag van de heropgravingen die in 2011 en 2013 plaatshadden en zullen hebben. Om meer duidelijkheid te verkrijgen over de lengte van dit schip zou echter ook de ruimte tussen de opgravingen en de domtoren – waar zich nu de straat bevindt – nog moeten worden onderzocht. Maar de kans dat dit op korte termijn zal gebeuren is erg klein.

Kortom, de hierboven weergegeven, vanwege de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht vervaardigde driedimensionale reconstructie is op dit onderdeel buitengewoon speculatief. En dat geldt voor vele andere onderdelen van de reconstructie ook.



Aanvullingen:
Meer kritische kanttekeningen bij 3D-reconstructies


Op 16 november 2012 nam Ad van Drunen afscheid afscheid als bouwhistoricus van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Ter gelegenheid hiervan werd een symposium georganiseerd met diverse bouwhistorische bijdragen. Zo hield Frans Kipp, voormalig bouwhistoricus van Utrecht en collega van Ad, een voordracht onder de titel Bouwhistorie in 3D, een uitwerkingsmodel. Het gaat hierbij om de driedimensionale reconstructies die hij samen met de computerdeskundige Daan Claessen voor de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht maakt.

Hierbij aansluitend sprak archeologe en historica Roos van Oosten aan de hand van enkele voorbeelden zeer toepasselijk over de Mogelijkheden en gevaren van reconstructies. Haar bedenkingen bleken nagenoeg overeen te komen met de mijne. Zij drong met name aan op verantwoording.

Frans Kipp erkende overigens in zijn bijdrage – mogelijk als reactie op mijn al eerder geuite bedenkingen (zie hierboven) – de noodzakelijkheid van onderbouwing van deze reconstructies. Hiertoe is gekozen voor koppelingen naar de website van het Utrechts Documentatiesysteem.

Ik vind dit om verschillende redenen onvoldoende. Om te beginnen bevat het documentatiesysteem, hoe waardevol op zich ook, in de verste verte geen volledig overzicht van de primaire en secundaire bronnen, en verder is een slechts verwijzende noot in dit opzicht nietszeggend.

Wanneer er sprake is van wetenschappelijke pretentie, zoals bij het genoemde artikel van Hein Hundertmark, dan dienen niet alleen de bronnen te worden vermeld, maar ook volledige onderbouwing plaats te hebben. Zo nodig moet tevens nieuw of aanvullend onderzoek plaatshebben. Alleen dan kan 3D-reconstructie letterlijk en figuurlijk de toets van de wetenschappelijke kritiek doorstaan.

Het hoeft overigens geen betoog dat een dergelijke reconstructie alleen mogelijk is wanneer voldoende bronnen voorhanden zijn, en dit is voor middeleeuwse situaties zelden het geval. Zelfs wetenschappelijk te verantwoorden 2D-reconstructies (plattegronden dus) zijn in veel gevallen niet of nauwelijks mogelijk. Zie hiervoor bijvoorbeeld de webpagina's De domtoren in Utrecht, oud en nieuw en Het bisschopshof in Utrecht. Kortom, ik acht voor de Middeleeuwen de beperkingen van 3D-reconstructies – om het woord gevaren niet te gebruiken – groter dan de mogelijkheden.

Dat ook elders bedenkingen bestaan tegen driedimensionale reconstructies van middeleeuwse situaties, maar dat er heel wat verantwoordelijker mee omgegaan wordt dan in Utrecht, bleek mij overigens bij een bezoek aan het Stadtmuseum van Düsseldorf, waar enkele malen op de beperkingen werd gewezen, zoals bijvoorbeeld:
Geben Modelle Antworten?
en
Was erzählen uns Modelle?

In de catalogus van de grote Karel de Grotetentoonstelling in Aken in 2014 (Karl der Grosse. Orte der Macht. Katalog (Dresden 2014) 189) worden zowel de mogelijkheden als de beperkingen van 3D-reconstructies vermeld. In een tekst van Sebastian Ristow en Zsolt Vasáros valt onder meer te lezen:

'CAD-basierte Rekonstruktionen sind in der archäologischen Vermittlungsarbeit in den letzten Jahren weit verbreitet. Dabei versteht es sich von selbst, dass jede Rekonstruktion nur ein Versuch ist, der Flächennutzung und Raumdimensionierung leichter verdeutlichen soll. Die Kritik an rekonstruierten Architekturbestandteilen, die nicht durch Befunde der Archäologie oder Bauforschung abgesichert, aber für die Gesamterscheinung notwendig sind, kann also zurückhaltend bleiben. Rekonstruktionen sollten auch kein Instrument sein, Forschungsmeinungen im Bereich hypothetischer Befunde zu befördern.'

maar ook:

'Setzt man sich dem Zwang aus, Bauten über den Befunden räumlich zu rekonstruieren, müssen alle Fundament- und Mauerreste einer Phase auch sinnvoll visualisiert werden.
Aus dem Ansatz, die Rekonstruktionen auf die überlieferten Befunde aufzusetzen und realistische Architektur zu erzeugen, folgt die notwendige Zusammenarbeit zwischen Archäologen, Bauforschern und Architekten.'

Het ware te wensen dat ook de Utrechtse bouwers van al dan niet digitale modellen naast een nauwkeurige opgave van de gebruikte bronnen steeds op de beperkingen zouden wijzen en zich verder in ieder geval ook gedetailleerd zouden verantwoorden. Maar vooralsnog ziet het daar niet naar uit, integendeel het lijkt erop dat de fantasieën over het Romeinse en middeleeuwse verleden hier steeds omvangrijker worden...


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012-2015. - Gepubliceerd juni 2012; laatst bewerkt 16 juli 2015.