Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994) 407-422.

Voor de Engelse samenvatting van deze dissertatie en een overzichtsplattegrond van de verschillende jurisdicties zie ► Summary.


Omslag Husinghe ende hofstede
Algemene samenvatting en  slotbeschouwing van
Husinghe ende hofstede

door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding


Terwijl de bevrijding van de grond van grondheerlijke lasten een wezenlijk element vormde in het wor­dingsproces van de middeleeuwse stad, is aan dit essentiële facet van de stedelijke ontwikkeling in Nederland nauwelijks diepgaande aandacht besteed. In deze publikatie zijn enkele aspecten van deze vrijmaking aan een onder­zoek onder­worpen. Hoofddoelstelling was daarbij het verkrijgen van inzicht in de ontwik­keling van de rechtspraak over onroerend goed binnen het grond­gebied van de stad Utrecht, zowel in geografisch als in institutioneel op­zicht. Gebleken is dat deze ontwik­keling zeer complex was. Door het pio­nierskarakter dat deze studie heeft, moest met name voor de oudste periode nog veel hypothe­tisch blijven.
            De ontwikkeling in Utrecht werd gekenmerkt door twee scherp van elkaar te onderscheiden sferen: het grondgebied waar recht werd gesproken naar kerkelijk recht: de lokale immuniteiten van de kerkelijke instellingen; en het eigenlijke stadsgebied, waar het wereldlijk recht gold.
            In een inleidend hoofdstuk werd de oudste ontwikke­ling in beide gebieden in hun onderlinge samenhang behan­deld. Vervolgens is in deel I het grond­gebied van het kerkelijk recht vanaf omstreeks 1050 aan de orde gesteld; daarna in deel II het grondgebied van het wereldlijk recht, waarbij de verlening van het stadsrecht in of kort vóór 1122 het uitgangspunt vormde.

Eerste ontwikkeling

Utrecht heeft een bescheiden begin gehad. In een door de Romeinen gesticht en in de derde eeuw verlaten grensfort in de buurt van de splitsing van de rivieren Rijn en Vecht bouwde de Frankische koning Dagobert in het tweede kwart van de zevende eeuw een kerk, die aan Sint-Thomas gewijd werd. Zij werd echter door de nog heidense Friezen verwoest. De Angelsaksische missionaris Willi­brord, die in 690 met een aantal metgezellen in Utrecht aankwam, bouwde een kerk binnen de restanten van de burcht, welke kerk hij aan Sint-Salva­tor wijdde. Vanaf omstreeks 720 zal hij de Sint-Thomaskerk herbouwd en aan Sint-Maarten, de patroon van de Frankische koningen, gewijd hebben. Waarschijnlijk kort tevoren had hij immuniteit verworven voor de Utrechtse kerk, dit wil zeggen dat de tot deze kerk behorende personen en goederen onttrokken waren aan het gezag van de koninklijke graven. Dit privilege gold zowel voor de bestaande als de toekomsti­ge bezittingen. In de tweede helft van de achtste eeuw werd Utrecht een suffra­gaan­bisdom van Keulen en werd de Sint-Maartenskerk de kathedraal of domkerk.
            In 723 is de burcht en het omliggende gebied door hof­meier Karel Martel aan de Utrechtse kerk geschon­ken. Mogelijk zijn daar later nog enkele schenkingen aan toegevoegd van goederen die binnen het stadsgebied van Utrecht zijn komen te liggen. Hierdoor zal dit hele territoir met de daar wonende bevol­king onder de rechtsmacht van de Utrechtse kerk zijn geko­men.
            Utrecht zal naast de geestelijkheid binnen de burcht in deze periode een bescheiden lekenbevolking in het omliggende gebied hebben gehad. In de oorkonden uit deze tijd is sprake van vrijen en onvrijen van de Utrechtse kerk. Wellicht hebben sommigen nog allodiaal bezit gehad, maar de meesten zullen grond van de kerk hebben gehouden, hetzij in een vrije tijnsverhou­ding, hetzij onvrij op domaniale grondslag. Over de personen en goederen van de Utrechtse kerk zal de jurisdictie namens de bisschop zijn uitgeoefend door een voogd, terwijl de niet tot die kerk behorende personen ressorteer­den onder het gezag van een rijksgraaf, welke functies wellicht toen al gecombineerd waren.

Ontwikkeling in de tiende en elfde eeuw

In de tweede helft van de negende eeuw namen de bisschop en de geestelijk­heid de wijk voor de Noormannen. Omstreeks 925 keerde bisschop Balderik met zijn geestelijken terug naar Utrecht en herstelde de burcht en de kerken. Het gebied langs de Noordzeekust was inmiddels definitief tot het Duitse Rijk gaan behoren. Sinds de bisschoppen in de elfde eeuw door de koningen en keizers werden ingescha­keld in het rijks­bestuur kregen zij naast omvangrijke goede­ren­complexen ook overheids­rechten toebedeeld.

Het ongedeelde vermogen van de Utrechtse kerk, het bisdomsgoed, dat in oorsprong door de bisschop werd beheerd en waartoe sinds 723 geheel of gedeeltelijk ook het latere stadsgebied van Utrecht behoorde, is in de loop van de eeuwen verdeeld. Bij de vorming van de mensa fratrum in de tiende eeuw zal een deel ervan in handen van de beide oudste gemeenschap­pen van geestelijken, dom en Oudmunster, zijn gekomen. Vervolgens zullen deze colleges ieder een eigen vermo­gen hebben gekregen, waarbij mogelijk ook al een eerste territo­riale ver­deling binnen het gebied van de burcht heeft plaats­gevonden.
             Omstreeks het midden van de elfde eeuw zijn twee nieuwe kapittels gesticht - Sint-Pieter en Sint-Jan - en werd de abdij van de Hohorst bij Amersfoort naar Utrecht verplaatst en onder meer aan Sint-Paulus gewijd. Later in de elfde eeuw werd nog het kapittel van Sint-Marie gesticht. Waarschijnlijk werden zij gedoteerd uit het bisdomsgoed en zullen zij aldus van meet af aan over een door henzelf beheerd vermogen hebben beschikt, bestaande uit een terrein waarop de kerk, de gemeenschappelijke gebouwen en de huizen van de geestelijken konden worden gebouwd en daarnaast nog uit een goederen­complex elders, ten dele ook in het stadsgebied.

Over de topografie van het latere stadsgebied in deze periode bestaat nogal wat verwar­ring, met name over de vraag hoe de rivieren er hebben gelopen. Mijn hypothese is dat in de tiende en elfde eeuw de Rijn vanaf het zuidelijk punt van de stad met een grote boog ten oosten en noorden van de burcht stroomde en vervolgens west­waarts. De Vecht, die zich bij dat zuidelijk punt of ietwat verder stroom­opwaarts van de Rijn afsplitste, stroomde van oost naar west langs de noordzijde van het latere stadsgebied en boog daarna af in noorde­lijke richting. In de tiende eeuw zal er een verbinding tot stand gebracht zijn tussen de Rijn en de Vecht, het noordelijk deel van de huidige Oude­gracht. De kerngebieden van de omstreeks 1050 gestichte kapittels van Sint-Pieter en Sint-Jan werden respectievelijk ten oosten en ten noorden van de burcht gesitueerd, de Sint-Paulusabdij aan de zuidkant ervan. Een dertig­tal jaar later werd het kapittel van Sint-Marie wat verder weg ten westen van de burcht gevestigd, waarschijnlijk omdat ten westen daarvan al een wereldlijke nederzetting aanwezig was. Binnen alle kerkelijke gebieden gold het kerkelijk recht.
            De zojuist genoemde wereldlijke nederzetting, de kooplie­denwijk Stathe, onmiddellijk ten westen van de burcht gelegen, was de belangrijkste binnen het latere stadsgebied. Hiernaast waren er ook nog enkele andere. Over de voorwaarden waarop de grond hier door de Utrechtse kerk en haar instellin­gen aan leken in handen is gegeven, is niets bekend. Aannemelijk is dat dit althans ten dele op domaniale grondslag gebeurd is. Hiernaast zijn waar­schijnlijk door de bis­schop aan vrijen en vrijgewijden percelen uitgegeven tegen een jaarlijkse tijns. Ook de domaniale verplichtin­gen zullen bij de ontbinding daarvan omgezet zijn in een dergelij­ke tijns. Denkbaar is dat al vóór de verlening van het stadsrecht stukken grond van alle grondheerlijke lasten, waaronder de huiserventijns, bevrijd zijn. Mogelijk is dit het eerste gebeurd met het ouderve, de grond waarop het melioraat zijn huizen had.

Verschillende benamingen in het stadsgebied herinneren in later tijd nog aan agrarisch grondgebruik. Het gaat daarbij om begrippen als eng, brink, kamp en veld. De meest voorkomende aanduiding voor grondstukken is echter vanaf de dertiende eeuw area of hofstede, te vertalen met 'huiserf'. Huizen worden in het algemeen domus, in het Middelnederlandse husinghe of huus genoemd. Een vaste aanduiding voor huis en erf was domus et area of husinghe ende hofstede. Bij de 'claustrale' huizen, de huizen van de prelaten en kanunniken binnen de kapittelimmuniteiten, werd daaraan het adjectief claustralis of claustrael aan toegevoegd.

Op verschillende plaatsen in het grondgebied van het wereldlijk recht werden nog in de veertiende eeuw tijnzen aangetroffen, bestaande uit één of enkele penningen, die op of rond Sint-Maarten in de winter (11 november) door de bezitters van huiserven betaald werden. Ze werden geheven door de bisschop binnen het rechtsgebied van de bisschoppe­lijke burggraaf, door de kapittels met uitzondering van het domkapittel en door de Sint-Paulusabdij in of althans bij de gebieden waar deze toen de lage jurisdictie, het dagelijks gerecht, uitoefenden. Hiernaast werd aan de domproost jaarlijks door de schepenen van de stad een bedrag van 4 pond 'tijnspenningen' betaald. Waarschijnlijk gaat het bij deze tijnzen en tijnspenningen om restanten van de oude huis­erventijns van vóór de stadsrechtverlening, welke tijns oor­spronkelijk geheven zal zijn door de bisschop, maar die bij de splitsing van het kerkelijk vermogen ook in handen van de kapittels en de abdij zal zijn gekomen.
            Deze betrekkelijk lage tijns zal mede een publiekrechtelijk karakter hebben gehad, dit wil zeggen dat hij tevens diende ter erkenning van het overheidsgezag van de heffer. In de meeste gevallen zal de tijnsheffende instelling tevens de rechtspraak hebben uitgeoefend over de percelen waaruit de tijns geheven werd. Door de verspreide ligging van de percelen zal dit geleid hebben tot een grote territoriale versnippering van de rechtsmacht. Wellicht is het ongemak hiervan de reden geweest dat deze vorm van rechts­macht als het ware is herverkaveld in territoriaal samenhangende rechts­gebieden waar deze oude rechten niet meer voorop stonden, maar waar recht gesproken werd op basis van een algemene bevoegdheid, zoals later het geval was met het schepengerecht en de dagelijkse gerechten.

Over de jurisdictie binnen het grondgebied van het wereldlijk recht geduren­de de periode voorafgaande aan de verlening van het stads­recht is weinig bekend. In de elfde eeuw blijkt de voogdij over de personen en goederen van de Utrechtse kerk in Utrecht en omgeving - een gebied dat waarschijnlijk samenviel met het latere dekenaat Civitas - nog te zijn uitgeoe­fend door de daar functionerende graaf. Door de combinatie van dit (stads)graaf­schap en de voogdij zal de graaf-voogd jurisdic­tie hebben gehad over het hele wereld­lijke grond­gebied en alle daar wonende wereldlijke personen, hetgeen blijk geeft van een toegeno­men territoria­lisering van de rechtspraak. Onder justitia dient men overigens in deze periode de gehele overheidstaak - regel­geving, bestuur en recht­spraak - te zien, die in zijn alge­meenheid werd uitgeoefend in de vorm van een rechts­zitting, het 'ding'. Hierbij werd onder­scheid gemaakt tussen de regelmatig terug­kerende dingen, 'echte' of 'onge­boden' dingen genaamd, en de 'geboden' dingen. In de rechterlijke organisatie van na de stadsrechtverlening vinden we waarschijnlijk nog de tijdstippen terug, waarop het echte ding werd gehouden: Dertiendag (6 januari) Beloken Pasen (de zondag na Pasen) en Sint-Lambert (17 september). Deze data werden gehanteerd voor de termijnen, waarbinnen de overdracht van onroe­rend goed moest worden afgekondigd.
            De hoge jurisdictie zal geleid zijn door de graaf-voogd zelf. Bij de lage, waarvan de jurisdictie over onroerend goed deel uitmaakte, zal hij zich hebben laten vertegenwoordigen door één of meer schouten. Waarschijnlijk was er in 1081 al een Utrechtse schout. Schepenen worden pas in 1122 vermeld, maar bestonden mogelijk al eerder en zullen ook rechtspraak over onroerend goed hebben uitgeoefend.
             Hiernaast zullen binnen het latere stadsgebied ook enkele andere gerech­ten dergelijke jurisdictie hebben uitgeoefend: een burggrafelijk gerecht binnen het burchtgebied en mogelijk ook een of meer hofgerechten, waarvan overigens geen sporen teruggevonden zijn. Wellicht dateert het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders nog van vóór de stadsrechtverlening.
            Het is de vraag of de levering en bezwaring van onroerend goed, die later deel uitmaakte van de vrijwillige rechtspraak, in deze periode al in gerechtelijke vorm plaatsvond. Als dit al het geval is geweest, dan waar­schijnlijk alleen bij de tijns- en hofgerechten, waar de 'investituur', de inbezitstelling, moest plaatsvinden door de hand van de heer. Voor allodiaal goed zal de buitengerechtelijke levering nog lang gebruikelijk zijn gebleven.
Jurisdicties Utrecht
Jurisdicties: ₒ ₒ ₒ ₒ ₒ ₒ grenzen van de lokale immuniteiten (kerkelijk recht); ₒ   ₒ   ₒ   ₒ  grenzen van de andere jurisdicties (wereldlijk recht). Lokale immuniteiten:  A. Kathedraal kapittel (Dom);  B. Oudmunster (Sint-Salvator);  C. Sint-Pieter;  D. Sint-Jan;  E. Sint-Marie;  F. Sint-Paulus.
Lage gerechten:  a.
Dom;  b. Oudmunster;  c. Sint-Pieter;  d. Sint-Jan;  e. Sint-Marie;  f. Sint-Paulus.
Tijnsgerechten: I. bisschoppelijk gerecht;  II. burggrafelijk gerecht;  III. gerecht
Onder de Lakensnijders;  IV. tijnsgerecht de Omloop van Sint-Marie; V. begijnhof.

I. Het grondgebied van het kerkelijk recht

Lokale immuniteit


Van de hiervóór behandelde immuniteit van de Utrechtse kerk in algemene zin moet de lokale immuniteit scherp onderscheiden worden. Deze laatste komt voort uit de speciale bescherming die de aan God gewijde plaatsen genieten. Deze immuniteit had betrekking op kerkgebouwen en het op enige wijze afgesloten gebied eromheen. Binnen dit gebied werden regelgeving, bestuur en rechtspraak uitgeoefend volgens het kerkelijk recht.
            In het kader van de rechtspraak over onroerend goed zijn met name de kapittelimmuniteiten van belang. Kort vóór het midden van de elfde eeuw in Utrecht twee nieuwe kapittels zijn gesticht, zal een deel van de geestelijk­heid, die tot dan toe een kloosterlijk leven had geleid, ervoor gekozen hebben om als seculier kanunnik volgens de Akense regel te gaan leven. Deze regel stond het bezit van een eigen vermogen en met name van eigen woonhuizen binnen de eigen immuniteit toe. Deze huizen dienden echter binnen het door muren en sloten afgesloten gebied - het claustrum ‑ van de kapittels te staan. Zij werden daarom claustrale huizen genoemd. Binnen dit afgesloten gebied genoten de kapittels kerkelijke immuniteit, dat wil zeggen dat daar het kerkelijk recht gold en dat men er onttrokken was aan het gezag van derden.

De bisschoppelijke burcht


We hebben gezien dat de oudste kerken - dom en Oudmunster - met de bijbehorende bebouwing van de geestelijkheid in oorsprong binnen de resten van het Romeinse castellum hebben gestaan, de dom of Sint-Maarten in het noordelijk deel en de kerk van Sint-Salvator of Oud­mun­ster ten zuidwesten daarvan. Daartussen in stond de Heilig-Kruiskapel, waar­schijnlijk de door Willibrord gebouwde eerste Sint-Salvatorkerk. De omtrek­ken van het Romein­se fort, dat ook in de vroege middeleeuwen nog werd gebruikt, zijn uit opgravingen op en in de omgeving van het Domplein bekend.
             Aanvankelijk was de ruimte daarbinnen groot genoeg voor de beide kerken en de gebouwen voor de geestelijkheid, maar op den duur werd zij te krap. Met name het zelfstandig gaan wonen van de kanunniken in claustrale huizen, dat waarschijnlijk aanving in het midden van de elfde eeuw, leidde ertoe dat het burchtgebied werd uitgelegd. Daartoe werd wellicht een gracht gegraven ongeveer evenwijdig aan de oude, maar 25 à 50 meter daarbuiten, mogelijk kon echter gebruik worden gemaakt van een al bestaande gracht of sloot. Het is de vraag of deze nieuwe gracht nog wel een defensieve functie heeft gehad. De aanleg van de stadswal in het eerste kwart van de twaalfde eeuw ten slotte heeft op den duur geleid tot de volledige ontmante­ling van de burcht.
            De toegang tot de middeleeuwse versterking werd gevormd door de Borchbrug, het noordelijk deel van de tegenwoordige Sint-Maartensbrug. Zij lag over de westelijke burchtgracht. Tussen de westelijke muur van de versterking en de gracht bevond zich wereldlijke bebouwing in de vorm van kleine huiserven, waarover de jurisdictie was opgedragen aan de burggraaf. Aan de straat waarlangs men de burcht binnenging, de Borchstraat (Servet­straat) en het vervolg daarvan naar het noorden toe, de Bis­schopsweg, stond eveneens enige bebouwing die geen kerkelijke immuniteit genoot.
            Links daarvan bevond zich, waarschijnlijk tot in de twaalfde eeuw, de keizerpalts. Aan de rechterzijde lag het huis van de bisschop. Bij de liqui­datie van de palts, die in de twaalfde eeuw zal hebben plaatsgehad, is het grondgebied ervan waarschijnlijk verdeeld tussen de kapittels van de dom en Oudmunster. De dom zal daarbij het hoofd­gebouw van deze palts hebben verworven, waarvan het vier claustrale huizen maakte, terwijl Oud­mun­ster de be­schikking zal hebben gekregen over een strook daarachter gelegen grond ten noorden van de domtoren, waarop het twee van dergelijke huizen heeft gesticht. In 1179 werd daar voor het eerst een perceel van Oudmunster vermeld.
            Bij de dom lagen de claustrale erven, in de veertiende eeuw ongeveer vijftien in getal, verder in een boog rondom de kapittelkerk, vanaf het noordwes­ten naar het zuidoosten toe. Een waarschijnlijk jongere uitbreiding van de domimmuniteit bevond zich tussen de Korte Jansstraat en de latere Keistraat.
            Bij Oudmunster lagen de acht à negen claustrale erven, afgezien van de twee ten noorden van de domtoren en na 1399 een nieuw perceel aan de Pausdam, eveneens in een boog rond de kerk vanaf het zuidwesten naar het oosten toe.
             Ondanks enkele kleine inbreuken werd de bisschoppelijke burcht van Utrecht aldus gekenmerkt door een zeer regelmatige indeling, met keizerpalts en bisschopshof aan beide zijden van de toegangsweg en met een diagonale verdeling van de immuniteiten van de twee oudste binnen het burchtgebied gevestigde kapittels van dom en Oudmunster, waarbij de dom overigens verreweg de meeste ruimte in beslag nam.

De jongere lokale immuniteiten


Voor de drie jongere Utrechtse kapittels - Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Marie - waren ruime terreinen beschikbaar, die bij de omwalling van de stad in 1122 alle binnen het stadsgebied zijn komen te liggen. Bij deze kapittels werden de claustrale huizen gebouwd rondom de kerk en de kapittelgebou­wen. De aantallen bedroegen in de veertiende eeuw bij Sint-Pieter en Sint-Jan circa dertien, bij Sint-Marie zeventien.
            Het immuniteits­gebied van Sint-Pieter werd gesitueerd direct ten oosten van de burcht. De huizen stonden hier in een vrij regelmatige halve cirkel aan de noord-, oost‑ en zuidzijde van de kerk. Aan de noord- en oostzijde werd de immuniteit omsloten door het restant van de Rijnarm die door de stad stroomde, aan de zuidzijde zal bij de stichting van het kapittel een sloot gegraven zijn. Aan de west­kant werd de grens gevormd door de oostelijke gracht van de uitgelegde burcht.
            Bij Sint-Jan, als enige Utrechtse immuniteit ten noorden van de Rijn gelegen, stonden de huizen in het algemeen op brede en diepe perce­len aan de zuid-, de noord- en de oostzijde van de kerk. In 1247 stond het kapittel aan de zuidzijde het perceel van de proost af ten behoeve van de bouw van het minderbroeders­klooster.
            Bij Sint-Marie waren aan de noord- en de zuidzijde elk vijf huizen gegroepeerd, enkele percelen lagen ten westen van de kerk en aan de oostzijde lijkt vóór 1300 een uitbreiding van vier kleine percelen buiten het oorspronkelijke immuniteitsge­bied te hebben plaats­gevonden.
            Voegen we aan deze immuniteitsgebieden de kloosterimmuniteiten toe, waar eveneens het kerkelijk recht gold, maar waar geen woonhuizen stonden en die daarom in dit boek verder buiten beschouwing zijn gelaten, dan kan gezegd worden dat in Utrecht een zeer aanzienlijk territoir als kerkelijke enclave binnen het stadsgebied onttrokken was aan het wereld­lijk gezag.

De institutionele ontwikkeling van de kapittelimmuniteiten


Zoals gezegd, gold binnen de lokale immuniteiten het kerkelijk recht. De Akense regel, waarnaar de kapittelgeestelijkheid sinds de elfde eeuw leefde, bevatte slechts een enkele bepaling over de woonhuizen van de prelaten en kanunniken. In Utrecht stelde een synodaal statuut uit 1209 vast dat zij in claustrale huizen dienden te wonen. Aanvankelijk zal echter nog een aan­zien­lijk deel van de geestelijken een gemeenschappelijk leven hebben geleid.
            De kapittels hebben eigen statuten opgesteld voor het beheer van de claustrale huizen en de grond waarop ze gestaan hebben. Hoofd­regel daarin was dat de huizen bestemd waren voor prelaten en kanunniken van het kapittel. Het stond de bezitters van claustrale huizen vrij die te vervreemden of te laten vererven, maar in beginsel moest ieder huis opnieuw in het bezit van een medekanun­nik komen. De kapittels weken echter vaak van die regel af, zodat al in vroeg de veertiende eeuw huizen bewoond werden door anderen, zowel geestelijken als leken.
            Het lijkt erop dat aanvankelijk, net als in het wereldlijk rechtsgebied, grond en opstal los van elkaar werden beschouwd. Het kapittel verleende daarbij aan de bezitter van het huis om niet de grond waarop het gebouwd was of gebouwd kon worden. Op den duur - en dat zal te maken hebben gehad met de 'verstening' van de huizen - ziet men in de bronnen grond en opstal in één adem genoemd worden. Daarbij stelden zowel de kapittels als de huizenbezitters zich op het standpunt dat het om 'hun' huis en erf ging. De in de oorkonden gebruikte terminologie is zeer onvast, waarbij aan het kerkelijke en daarmee ook het Romeinse recht ontleende noties met inheems­rechtelijke begrippen vermengd werden. Men doet er daarom goed aan de rechten op de de claustrale huizen niet in modern­rechtelijk terminologie te vatten en evenmin te proberen aansluiting te zoeken bij andere middel­eeuwse rechtsfiguren zoals de ewelike erfpacht. Het beste lijkt het in de 'claustraliteit' een afzonderlijke rechtsfiguur te zien, die overigens in details verschillend werd ingevuld. Door de verregaande autonomie die de kapittels genoten, zijn binnen elke immuni­teit verschillen in het beheer van de claus­trale huizen ontstaan.

De regelgeving, het bestuur en de rechtspraak inzake het grondgebied en de afzonderlijke claustrale huizen en erven berustte, nadat de proost in de dertiende eeuw buiten het kapittel was komen te staan, bij deken en kapit­tel, te weten de stemgerechtigde kanunniken in de kapittelvergaderingen.
            De kapittels hechtten veel waarde aan de handhaving van de immuniteit ook in territoriaal opzicht. Conflicten, zowel onderling als met de stad of met particulieren, werden in het algemeen door middel van arbitrage opge­lost. Soms speelde de bisschop hierbij een rol. Men liet het doorgaans niet aankomen op een confrontatie tussen het kerkelijk en wereldlijk recht. Ondanks de gerezen geschillen hebben de kapittels de eeuwen door de integriteit van hun grondgebied weten te handhaven en in enkele gevallen zelfs hun territoir kunnen uitbreiden. Uiteindelijk wist pas keizer Karel V na de overdracht in 1529 door de bisschop van het wereldlijk gezag van het Sticht Utrecht de lokale immuni­teit binnen de stad Utrecht gedeel­telijk te doorbre­ken. Sinds 1618 vielen de claustrale huizen en erven formeel geheel onder de jurisdictie van het stedelijk schepengerecht.

II. Het grondgebied van het wereldlijk recht

De rechten op onroerend goed na de verlening van het stadsrecht


De verlening van het stadsrecht in of kort vóór 1122, waardoor het stedelijk territoir en zijn bewoners steeds meer werden losgemaakt uit het algemeen geldende wereldlijk recht, zal ook tot een nieuw statuut hebben geleid voor de rechten op en de rechtspraak over onroerend goed. De wereldlijke ingeze­te­nen zullen daarbij de vrije beschik­kingsmacht hebben gekregen over de grond. Voor een deel van de huiserven, te weten die van het melioraat, waarop later de 'steen­huizen' verrezen zijn, is dit al mogelijk eerder het geval geweest in de vorm van het ouderve. Voor deze goederen gold het vorder­lijk erf­recht, waarbij het goed vererfde op de oudste erfgenaam, en zij 'hielden zijde', dit wil zeggen dat zij niet in de zijlinie konden vererven, maar teruggingen naar waar vandaan zij geko­men waren. Het ouderve is overigens in de loop van de mid­deleeuwen ver­dwe­nen, maar door goederen fideïcommissair te verbinden, dit wil zeggen de erfopvolging vast te stellen, kon men een resultaat bereiken dat enigszins met het ouderve overeenkwam.
            De verlening van het stadsrecht betekende waarschijnlijk het verlaten van een vorm van grond­beheer waarbij de uitgevers van de grond nog daadwer­ke­lijke beschik­kingsmacht over die grond hebben uitgeoefend en waarbij de houders onder­worpen waren aan hun rechtsmacht. De rechtspraak zal zijn geterritorialiseerd, dit wil zeggen dat de bezitters van onroerend goed, op enkele hierna te noemen uitzonderingen na, niet meer onderworpen waren aan de rechtspraak van degenen van wie zij hielden, maar van degenen die de rechtsmacht bezaten over het gebied waar hun goed gelegen was.
             Waarschijnlijk werd bij de verlening van het stadsrecht de door de bisschop geheven huiserventijns afgeschaft en ontstond aldus stedelijk allodium. Het domkapittel zal de door zijn proost geheven tijns hebben omgezet in een jaarlijks door de schepenen van de stad te betalen bedrag, waardoor even­eens allodium zal zijn ontstaan.
            De kapittels van Oudmun­ster, Sint-Pieter, Sint-Jan en Sint-Marie en de Sint-Paulusabdij zijn op enkele plaatsen de oude tijns blijven heffen. Deze tijns bracht voor de heffer geen verdere rechten en voor de tijnsplichtige geen verdere plichten meer met zich mee en is vergelijkbaar met een grond­rente.
            In de twaalfde eeuw is een rechtsfiguur voor de uitgifte van onroerend goed ontstaan die sinds de veertiende eeuw in Utrecht wordt aangeduid als ewelike erfpacht. Deze rechtsfiguur, die door mij, ter onderscheiding van de moderne erfpacht, erfelijke pacht wordt genoemd en die vooral veel voor­kwam bij de kerkelijke instellingen maar al in de dertiende eeuw ook door leken werd toege­past, hield in dat een persoon of instelling voor eeuwig een onroerend goed uitgaf. De verkrijger verwierf daarover de volledi­ge beschik­kingsmacht en mocht het, net als de bezitter van allodiaal goed, zonder tussen­komst van de erfelijk verpachter vervreem­den of bezwa­ren of laten overgaan op zijn erfgenamen. Hij verkreeg daarmee een recht dat in veel opzichten lijkt op dat van de tegenwoordige eigenaar, meer dan het recht van degenen die het goed hadden uitgegeven. Deze laatsten behielden niet veel meer dan het recht op tijdige betaling van de lasten die uit het uitge­geven goed gingen. In het algemeen hebben de gebruikers zich op den duur ontwikkeld tot modernrechtelijke eigenaren. Omdat het begrip eigendom voor de middeleeuwse rechts­verhoudingen onbruikbaar is, kan men beter andere termen gebruiken. De uit­gevers van onroerend goed en in het algemeen ook diegenen die lasten uit onroerend goed ontvin­gen zouden kunnen worden aangeduid als grondlast­gerech­tig­den, de ver­krijgers, die de vrije beschik­kings­macht over het goed hadden, als grond­gerech­tigden.
            Op enkele plaatsen bestond na de verlening van het stadsrecht binnen het stadsgebied nog een vorm van grondbeheer waarbij de grondgerechtigden onderwor­pen waren aan de jurisdictie van de grondlastgerechtigden. Het betrof hier de tijnsheerlijkheden de Omloop van Sint-Marie en het gerecht Onder de Lakensnijders, waar de uitgifte van het goed in tijns met zich meebracht dat de ontvanger daarmee onderworpen was aan de jurisdictie van het daar functionerende tijnsgerecht, dit wil zeggen dat de overdracht en bezwaring van onroerend goed voor dit gerecht diende plaats te vinden.
            Een aparte positie namen ook de leengoederen in. Een aantal goederen in de stad was namelijk door ver­schillende personen - de bisschop, de graaf van Holland, de proost van Oudmunster en de abt van Sint-Paulus - in leen uitgegeven. Ze waren onderwor­pen aan het leengerecht van de leenheer van wie ze gehouden werden. In enkele gevallen waren deze leengoederen echter met de rechtspraak uitgegeven en vormden aldus een afzonderlijke jurisdictie. Dit was het geval met het gerecht van de burggraaf en het gerecht Onder de Lakensnij­ders. Wanneer aan deze lenen geen jurisdictie verbonden was, viel het daarin gelegen onroerend goed onder het daar competente gerecht met een territoriaal bepaalde bevoegdheid, te weten het schepengerecht, het gerecht van de burggraaf of een van de dagelijkse gerechten. De meeste van de lenen zijn overigens in de loop van de dertien­de eeuw geallo­dialiseerd.
            De rechtspraak over onroerend goed in het wereldlijk rechtsgebied, zowel contentieuze, dit wil zeggen de rechtspraak bij geschillen, als de voluntaire of vrijwillige, waartoe de overdracht en bezwaring van onroerend goed gerekend werd, werd in de late middeleeuwen uitgeoefend door het stedelijk schepengerecht, de dagelijkse gerechten van de kapittels en de Sint-Paulus­abdij, het gerecht van de burggraaf en de tijnsgerechten Onder de Laken­snijders en de Omloop van Sint-Marie. Ook kerkelijke rechters speelden hierin een zekere rol.

Het stedelijk schepengerecht


Het belangrijkste lichaam op het gebied van de rechtspraak over onroerend goed binnen het Utrechts stadsgebied was het stedelijk schepengerecht. De stedelijke schepenen zetelden aanvan­kelijk ten westen van de Buurkerk en vanaf 1344 aan de Plaats, het zuidelijk deel van de tegen­woor­dige Stadhuis­brug. Het gerecht was samengesteld uit een schout en maximaal twaalf schepenen. De schout, die waarschijnlijk vanaf het laatste kwart van de elfde eeuw in de bronnen voor­komt, gold als vertegenwoordiger van de stadsheer, de bisschop, maar werd al in de veertiende eeuw als een stedelijk orgaan beschouwd. Sinds de dertiende eeuw moest hij Utrechts burger zijn. De schepenen, die in 1122 voor het eerst voorkomen, waren de vertegenwoor­digers van de rechts­gemeente, al werden ze aanvankelijk door de bisschop voor het leven of althans tot hun afzetting benoemd. Sinds 1305 werden ze echter verkozen door de stedelijke raad, telkens voor één jaar, waarna ze één jaar lang niet benoemd konden worden. In dat jaar fungeerden ze als oude schepenen die samen met de nieuwe schepenen een college vormden, 'schepenen oud en nieuw', dat uitspraken deed in belangrijke zaken. De schepenen moesten deel uitmaken van het Utrechtse melioraat, de meest vooraanstaande burgers.
            De competentie ratione loci van het stedelijk schepengerecht omvatte het stadsgebied binnen de grachten, zoals dat in 1122 tot stand was gekomen. Erbuiten vielen de immuniteitsgebieden, waar het kerkelijk recht gold, en verder voor wat betreft de rechtspraak in eerste aanleg aanvankelijk ook de jurisdicties waar andere rechtbanken de rechtspraak uitoefenden: dagelijkse gerechten en tijnsgerech­ten. Wèl functio­neerden de stedelijke schepenen al vroeg als beroepscol­lege voor die gerechten. Ratione personae vielen op het gebied van de recht­spraak over onroe­rend goed ook geestelijken, edelen en welgeboren dienstlieden al in de dertiende eeuw onder de jurisdictie van het stedelijk schepengerecht; ratione materiae bezaten de schepenen de volledige recht­spraak over onroerend-goedzaken, maar greep de raad van de stad in, wanneer hij dat nodig vond.
            Al lijkt gerechtelijke overdracht in Utrecht pas in de veertiende eeuw verplicht te zijn geworden, de verplichte afkondiging van overdrachten lijkt veel ouder. De termijnen waarbinnen dit diende te gebeuren, werden gemar­keerd door drie data: Dertiendag, Beloken Pasen en Sint-Lambert. Deze dagen verwijzen waarschijnlijk nog naar de drie echte dingen uit de Frankische tijd. Een andere reminiscen­tie aan de vroeg­ste periode is het uitspreken van de vredeban, die nog een enkele keer, in 1230, vermeld is.
            Beter dan uit de normatieve bronnen is de procedure die in Utrecht door de stedelijke schepenen werd gevolgd te kennen uit de oorkonden. Twee dertiende-eeuwse oorkonden geven daarin al enig inzicht. Daaruit blijkt dat de schout optrad als rechtsvorderaar, die door middel van vragen aan een van de schepenen een oordeel vroeg, welk oordeel daarna door hen werd bijgevallen. Uit de oorkonden blijkt dat ook de vrijwillige recht­spraak, waaronder de overdracht en bezwaring van onroerend goed gerekend moet worden, in deze vorm plaatsvond.
            Wat de contentieuze rechtspraak over onroerend goed betreft, is de evictie- of uitwinningsprocedure het best gedocumen­teerd. Bij deze procedure  werd het goed in beslag genomen en vervolgens aan de schuldeiser toegewe­zen, 'geëigend', om daarop de achterstallige betaling van lasten en de daaruit voortgevloeide kosten te verhalen. In de veertiende eeuw trad in de stad nog in enkele gelimiteerde gevallen het zeventuig op om rechten op onroerend goed, waaronder bijvoorbeeld rooilijnen en per­ceelsgrenzen, vast te stellen; na die eeuw treft men het niet meer aan. Het woestingsrecht, het recht om het huis van een doodslager af te breken, is al in 1249 afgeschaft.
            De vrijwillige rechtspraak is het best bekend uit het grote aantal oorkon­den dat vanaf de dertiende eeuw bewaard is gebleven. Zoals gezegd, werden de overdrachten op drie vaste data afgekondigd. Hiervan werd minstens sinds de tweede helft van de veertiende eeuw register gehouden. In Utrecht gold een vrijwarings­termijn van een jaar en een dag, in de praktijk waarschijnlijk van een jaar en zes weken. Het betrof hier de tijd waarbinnen de vervreem­der verkrijger diende te vrijwaren voor aanspraken van derden op het goed. Het bestaan van naastingsrecht, het recht om als familielid of buur een goed voor de verkoopprijs aan een derde over te nemen, kon niet worden aange­toond. Wèl werd soms in erfelijke-pachtoorkonden werd soms het recht van vóór- of nakoop onder vastgestelde voorwaarden bedongen. Mogelijk duidt een oorkonde uit 1165 op het bestaan van de noodzaak van het verlenen van toestem­ming van familieleden aan een vervreemding. In later tijd treft men dit verschijnsel niet meer aan.
            Bij de oorkonden betreffende rechtshandelingen inzake onroerend goed kwamen twee typen voor: de stadsoorkonde en de schepenoorkonde. Terwijl de eerste bezegeld werd met het stadsgrootzegel, werden aan de tweede de zegels van de schout en minstens vier schepenen gehangen. Er is een zeker patroon in het gebruik aan te wijzen: uitgiften in erfelijke pacht werden bezegeld met het stadsgrootzegel; oorkonden van gerechtelijke toewijzing, 'eigening', met de zegels van de schout en afzonderlijke schepenen. Vanaf het eind van de veertiende eeuw werd het stadszegel steeds vaker gebruikt. Afgezien van het register van afkondigingen werden de oorkonden van de overdrachten en bezwaringen van onroerend goed in Utrecht niet geprotocol­leerd. Dit laatste werd pas in 1552 door Karel V voorgeschreven.
            In de loop van de veertiende eeuw heeft zich aldus bij het stedelijk schepengerecht een uniform systeem voor de grondboekhouding ontwikkeld. Gerechtelijke overdracht en bezwaring lijken toen verplicht te zijn geworden; van protocollatie was nog geen sprake. Het ontstaan van een sluitende grondboekhouding werd belemmerd door het voorkomen in het stadsgebied van andere jurisdicties waar zowel vrijwillige als contentieuze rechtspraak over onroerend goed werd uitgeoe­fend.

De dagelijkse gerechten


De vijf kapittels en de Sint-Paulusabdij hebben in aanzienlijke delen van het stads­gebied van Utrecht de lage rechtspraak, het dagelijks gerecht, uitgeoe­fend. Daarin was de jurisdictie over onroerend goed begrepen. Overzien we de ligging van deze gerechten, dan valt in de eerste plaats op dat ze op dat van Sint-Marie na allemaal gelegen waren in het oostelijk stadsgebied. Die van Sint-Jan, Sint-Pieter en Oudmunster grensden aan elkaar en besloe­gen, van noord naar zuid, een groot deel van het gebied ten oosten van de in de jaren 1390 tot 1393 aangelegde 'nieuwe' gracht (het tracé van Plompe­toren­gracht, Drift, Kromme Nieuwe­gracht en Nieuwegracht).
            Van het goederencomplex met de bijbehorende rechtsmacht van Oudmun­ster viel aannemelijk te maken dat het zich oorspronkelijk ook buiten de stadsgracht uitstrekte en dat het derhalve dateerde van vóór het graven van die gracht omstreeks 1122. Het is waar­schijnlijk dat dit ook bij Sint-Jan het geval is geweest. Het dagelijks gerecht van Oudmunster omvatte het gebied ten oosten van de Nieuwegracht vanaf het vijfde perceel van de Pausdam tot aan het huidige Nieuwegracht 70. Een binnensteedse deel van het hierachter gelegen gebied, de Boeltjeskamp, werd pas tussen 1367 en 1373 verka­veld.
            Het gerecht van de Sint-Paulusabdij bevond zich tussen de Nieuwegracht en de Lange Nieuwstraat, ten zuiden van het abdijterrein. Waarschijnlijk omvatte het aanvankelijk percelen aan de zuidkant van de Hamburgerstraat en aan de Nieuwegracht, later ook daarvan afgesplitste erven in de Lange Nieuw­straat. Waarschijnlijk liep het door tot midden in het woonblok tussen Groenestraat en ABC-straat.
            Het dagelijks gerecht van de dom omvatte in oorsprong waarschijnlijk slechts één perceel, waarop zich nog tot ver in de veertiende eeuw een boomgaard bevond. Dit perceel omvatte de nummers Nieuwegracht 72-88.
Over de lengte van dit perceel werd de Keukenstraat aangelegd en werden aan beide zijden van deze straat kleine kavels 'uitgeslagen'.
            Wellicht heeft het domkapittel door middel van zijn proost tevoren elders jurisdictie uitgeoefend over een gebied waar het ook tijns hief. Het betreft hier de genoemde gecollectiviseerde tijns, die door de schepenen van de stad aan de domproost werd betaald. Bij de collectivisatie zal ook aan de jurisdic­tie van de domproost een eind gekomen kan zijn.
            Het dagelijks gerecht van Sint-Marie lag tussen de bisschoppelijke burcht en de immuniteit van het kapittel in en grensde aan de noordzijde aan de koopliedennederzetting Stathe. Het omvatte het gebied tussen de Mariastraat, de Steenweg, het Buurkerkhof en de Zadelstraat.
            Bij de dom, Oudmunster, Sint-Pieter en Sint-Marie waren in de veertien­de eeuw de kapittels de gerechtsheren; bij Sint-Jan was dat de kapittelproost en bij de Sint-Paulusabdij de abt. Van Oudmunster en Sint-Pieter staat vast dat de rechtsmacht eerst in handen is geweest van de proosten, die haar echter in de dertiende eeuw aan het kapittel hebben overgedragen.
            De gerechtsheren benoemden een schout die als hun vertegenwoordiger bij de rechtspraak optrad, maar vaak was ook de kameraar - de kanunnik die belast was met het financiële beheer van het kapittel - bij de rechtspraak aanwezig.
            De schouten behoorden niet tot het vaste dienstpersoneel, van de kapit­tels en de abdij en vervulden doorgaans hun functie voor langere tijd. Zij werden door de gerechtsheren beëdigd, maar konden tegelijk schout zijn van meer dan één gerecht.
             Degenen die in de dagelijkse gerechten de vonnissen wezen, werden aangeduid met de namen tijnsgenoten, buren, buurraden en schepenen. Vaak werd de benaming 'tijnsgenoten en buurlieden' in combinatie gebruikt. Bij de tijnsgenoten zal het gegaan zijn om degenen die onroerend goed van het kapittel en de abdij hielden; bij buren meer in het algemeen degenen die binnen het gerecht woonden en door het bezit van rechten op onroerend goed tot de recht­spraak bevoegd waren. De buurraden die vanaf 1389 bij Oudmunster optraden, zijn gekozen vertegen­woordigers uit de buren geweest, ter vervanging van de rechtspraak van alle opgekomen buren. Rechtspraak met een beperkt aantal vaste vonniswijzers in plaats van een wisselend aantal buren en tijnsgenoten zal al vroeg zijn ingevoerd bij het kapittel van Sint-Marie, waar vanaf het begin van de veertiende eeuw schepenen, dit wil zeggen beëdigde vonniswijzers, in functie waren.
            Als voorzitter traden bij de rechtspraak in beginsel de schouten namens de gerechts­heer en de vonniswijzers op. Optreden van de gerechtsheren zelf kwam nauwelijks voor, wèl waren regelmatig de kameraars van de kapittels als vertegenwoordigers van die gerechtsheren aanwe­zig. In een aantal geval­len werden de rechtshandelingen 'aangebracht' bij de gerechtsheer, bijvoor­beeld de proost van Sint-Jan, en vervolgens door hem beoorkond.
            De rechtspraak vond plaats in 't gherechte, waarschijnlijk op vaste plaatsen. Alleen van Oudmunster is de plek overgeleverd waar de rechts­zittingen werden gehouden: ter plaatse van het tegenwoordige Nieuwe­gracht 22.
            Het aantal getraceerde oorkonden is per gerecht heel verschillend. Allemaal betreffen ze rechtshandelingen met betrek­king tot onroerend goed. De periode waarover ze bewaard gebleven zijn, varieert per gerecht. De oudste dateren uit het laatste kwart van de dertiende eeuw, de laatste van het begin van de vijftiende eeuw. De rechtsregels die bij de dagelijkse gerechten werden gehanteerd, zullen dezelfde zijn geweest als die bij het stedelijk schepengerecht.
            Al vroeg in de veertiende eeuw deed de stad pogingen om de rechtspraak van de dagelijkse gerechten in te dammen. Rond het midden van die eeuw zal de jurisdictie van het schepengerecht volledig concurrerend zijn geworden met die van de dagelijkse gerechten. In 1414 beklaagde de bisschop zich erover dat de stad het functioneren van de dagelijkse gerechten langdurig verhinderd had. Tot wederoprichting is het daarna niet meer gekomen. Wèl konden de schouten van de kapittels en de Sint-Paulusabdij binnen de voormalige jurisdictie blijven panden, dit wil zeggen beslag leggen op onroe­rend goed. Dit zal de reden zijn geweest waarom nog eeuwenlang in de oorkonden vermeld werd dat een onroerend goed binnen een bepaald gerecht gelegen was.

Het burggrafelijk gerecht


Een afzonderlijke gerecht vormde dat van de burggraaf, die uit hoofde van zijn ambtsleen, dat hij als dienstleen van de bisschop hield, rechtspraak uitoefende over wereldlijk onroerend goed binnen de Utrechtse burcht. Het ging hierbij om percelen aan de Vismarkt, de Lichte en Donkere Gaard en mogelijk ook in de Servetstraat. Deze jurisdictie werd echter door rechten van derden beperkt. Zo hoefden de rechten op percelen van Oudmunster aan de Donkere Gaard niet voor het burggrafelijk gerecht te worden overgedra­gen, maar gebeurde dit voor het stedelijk schepengerecht. Ook voor de overige percelen lijkt deze laatstgenoemde rechtbank minstens al in de veertiende eeuw concur­rerend gerecht te zijn geworden.
            Het is aannemelijk dat de burggraaf oorspronkelijk persoonlijk bij de recht­spraak betrokken is geweest, maar in later tijd liet hij zich vertegen­woordigen door zijn substituut of schout. Deze sprak recht met 'tijnsgenoten en buren'. Rechtshandelingen met betrekking tot onroerend goed die voor het burggrafelijk gerecht hadden plaatsgevonden, moesten worden 'aangebracht' bij het stedelijk schepengerecht en werden daar beoorkond.
            Naast deze jurisdictie heeft de burggraaf wellicht vanaf 1220 binnen het hele stadsgebied het ruimings­recht en de daaraan verwante rechten van lijntrek­king en erfscheiding uitgeoefend. Maar voor zover dat al het geval is geweest, lijkt ook hier het schepen­gerecht al spoedig concurrerend te zijn geworden en werd waarschijnlijk de uitoefening van lijntrekking en erfschei­ding ook zonder de aanwezig­heid van de burggraaf als rechtsgeldig be­schouwd.
            Aan de rechtspraak van de Utrechtse burggraaf zal met de confiscatie van de goederen en rechten van burggraaf Hendrik van Brederode vanwege zijn rol in de Opstand in 1568 een eind gekomen zijn.

De tijnsgerechten


Binnen het wereldlijk rechtsgebied van de stad Utrecht waren enkele tijns­gerech­ten gelegen in de oude kern van de stad, dicht bij de bisschoppelijke burcht. Het gerecht Onder de Lakensnijders van de vroegere stadsgraaf was tamelijk onbeteke­nend en omvatte slechts enkele percelen ten noordwesten van de vroegere bisschoppe­lijke burcht. Van meer belang was de Omloop van Sint-Marie, die grensde aan de westelijke burchtgracht en verder aan het gebied van het dagelijks gerecht van het gelijknamige kapittel.

De oorsprong van het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders was gelegen in goederen van de Utrechtse graaf-voogd, die ze op zijn beurt in leen had uitgege­ven. Na de opheffing van het stadsgraafschap in 1220 behield de vroegere stads­graaf, Albert van Cuijk, zijn lenen, waaronder deze goederen. In 1327 droeg Otto van Cuijk deze rechten over aan de Hollandse graaf. Sinds 1333 werden ze omschreven als de tijns en het gerecht Onder de Lakensnij­ders. Ach­terleen­mannen van dit complex waren Utrechtse burgers en edelen. Na de confisca­tie in 1568 van de goederen van Gerrit van Renesse, de toenmalige gerechts­heer, vanwege zijn rol in de Opstand, zijn tijns en gerecht tenietgegaan.
            Het gerecht was overigens zeer klein. Het omvatte slechts de huidige percelen Choorstraat 11-15 en het daar tegenover gelegen Choorstraat 14-20. Deze laatste percelen zullen dan nog ontstaan zijn als vóórerven en werven van de percelen Choorstraat 11-15, zoals uit de kelderplattegronden en de eigen­domssituatie in de zestiende eeuw valt af te lezen.
            De rechtspraak werd uitgeoefend door een schout als vertegenwoordiger van de tijnsheer met 'tijnsgenoten en buren'. Net als bij het burggrafe­lijk gerecht moesten zij de rechtshandelingen die ten overstaan van hen waren gepleegd 'aanbrengen' bij het stedelijk schepengerecht, waar ze beoorkond werden. Er zijn enkele gevallen bekend waarin tevoren beoorkonding had plaatsgevonden door de tijnsheer zelf. De betreffende oorkonde werd vervol­gens volledig opgenomen in de beoorkonding door het stedelijk schepen­gerecht.

Het tijnsgerecht de Omloop van Sint-Marie is ontstaan aan het eind van de twaalfde eeuw ten gevolge van een conflict tussen het kapittel van Sint-Marie en de stad. Geografisch omvatte deze jurisdictie waarschijnlijk een groot perceel dat zich uitstrekte vanaf de gracht tot aan de immuniteit van Sint-Marie. In later tijd blijkt dit gebied gelegen te zijn tussen de Zadel­straat en de Boterstraat. Het omvatte ook de percelen aan de Lijnmarkt 2-10.
            Alle grond in dit gebied, met uitzondering van de openbare ruimte van de Mariaplaats, was uitgegeven in erfelijke tijns. De tijnsbedragen waren veel hoger dan die van de oude tijnzen. Zij kwamen min of meer overeen met de erfelijke pachten die elders in de stad uit huiserven werden betaald. Voor het onroerend goed in deze jurisdictie gold het vorderlick erf­recht, dat in 1308 in een overeenkomst tussen de tijnsheren, het kapittel en de stad, werd vastge­legd.
            De overdrachten van onroerend goed binnen deze jurisdictie vonden plaats door de hand van de tijnsheren. Als zodanig traden de kameraars van Sint-Marie en van de stad op. Als vonniswijzers fungeerden de tijnsgenoten. Schouten kwamen bij de Omloop niet voor. Beroepsgerecht was minstens sinds de tweede helft van de veertiende eeuw het stedelijk sche­pengerecht.

Het is zeer wel denkbaar dat er zich meer van deze tijnsge­rechten in het stadsgebied hebben bevonden. Zeker wanneer ze van geringe omvang waren, zoals het gerecht Onder de Lakensnijders, kunnen ze in vergetelheid zijn geraakt doordat de gegevens erover verloren zijn gegaan.
             Kenmerkend voor de tijnsgerechten was dat in het rechtsgebied behalve de openbare ruimte alle grond in erfelijke tijns was uitgegeven. De tijnsbe­dragen waren er aanmerkelijk hoger dan die van de oude huiserventijns. Ze bedroegen, net als de erfelijke pachten, minimaal een aantal schellin­gen.
            Ten aanzien van de overdracht van onroerend goed bestond er verschil tussen het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders en dat van de Omloop. Terwijl bij de Lakensnijders het betreffende goed rechtstreeks aan de verkrijger werd overgedragen, gebeurde dit bij de Omloop door de hand van de tijnsheren. Bij de Lakensnijders werden verder de voor het gerecht gepleegde rechtshandelingen, net als bij het gerecht van de burggraaf het geval was, aangebracht en beoorkond door het stedelijk schepengerecht. Bij de Omloop van Sint-Marie was dit niet het geval; sinds de eerste helft van de zestiende eeuw zijn daar afzonderlijke overdrachtsregisters bewaard gebleven. Het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders is aan het eind van de zestiende eeuw verdwenen; dat van de Omloop is tot 1811 blijven bestaan.
            Mogelijk hebben deze verschillen te maken gehad met het feit dat de tijnsheerlijkheid Onder de Lakensnijders in handen was van een wereldlijk persoon, terwijl die van de Omloop althans voor de helft in kerkelijke handen was. Opmerkelijk zijn in dit opzicht de overeenkomsten tussen het gerecht van de Lakensnijders en het burggrafelijk gerecht. De Omloop van Sint-Marie daarentegen heeft een zeer bijzondere jurisdictie binnen het stadsgebied gevormd.

Het begijnhof


Ook het begijnhof ten slotte vormde een afzonderlijk rechtsgebied in de stad Utrecht. De begijnen namen een tussenpositie in tussen geestelijken en leken. Zij moch­ten net als de kanunniken eigen huizen bezitten, die naar wereldlijk recht, maar volgens een afzonderlijk statuut werden beheerd. Het oudst bewaarde statuut uit 1284, waarin bepaald werd dat bij overlijden van een begijn zonder testament haar huis aan het hof verviel, werd in het begin van de vijftiende eeuw niet meer nageleefd. In die tijd en daarna kon een ieder rechten op dergelijke huizen en de erven waarop zij stonden hebben en erover beschikken, maar de regel was dat zij door ongehuwde vrouwen of weduwen bewoond werden die de regels van het hof naleefden.
            Het begijnhof is waarschijnlijk omstreeks het midden van de dertiende eeuw gesticht op grond die door het kapittel van Sint-Jan in erfelijke pacht was uitgegeven. Op deze grond was ook de kapel van het hof gebouwd. Resten van deze kapel zijn nog aanwezig in het pand Wijde Begijnestraat 112-114. Met uitzondering van de begren­zing aan de oostzijde bleken de omtrek­ken van het begijnhof nauwkeurig vast te stellen. Het hof werd aan de noordzij­de begrensd door een muur achter de stadswal en aan de zuidzijde door de Voorstraat. Ter plaatse van de Wijde Begijne­straat bevond zich daar op het oostelijk deel van de huidige straat een poort. In het westen stond een van noord naar zuid lopende muur nagenoeg in het verlengde van de westgrens van de immuniteit van Sint-Jan. In deze muur bevond zich tegen­over de Breedstraat een tweede poort. Aan de oostzijde zal een muur hebben gestaan op een niet nader meer te traceren grens tussen de Wijde Begijnen­straat en de Plompe­torengracht. De ligging van het begijnhof aan de rand van de stad was zeer gebruikelijk, evenals de ligging van de huizen daar rondom de kapel en een pleintje.
             Gegevens over contentieuze rechtspraak inzake onroerend goed op het hof zijn niet bewaard gebleven; wèl vanaf de vijftiende eeuw een aantal oorkon­den van rechts­handelingen, waaronder vermakingen en overdrachten, die ten over­staan van de meestersen van het hof hebben plaatsgevonden. In een enkele oorkonde traden ook de door de stad aange­stelde begijnmeesters naast de meestersen op. Sinds dezelfde eeuw vonden rechtshandelingen tevens plaats voor het stedelijk schepengerecht.

Kerkelijke rechters


Tot slot van deze caleidoscoop van jurisdicties met betrekking tot onroerend goed binnen het wereldlijk rechtsgebied van Utrecht kan gezegd worden dat hier de rechtspraak van kerkelijke rechters over onroerend goed tot de veertiende eeuw niet onaanzienlijk geweest is, maar dat zij in de loop van diezelfde eeuw nagenoeg geheel is overgegaan op die van het stedelijk schepengerecht. De rechtspraak, die betrekking had op zaken waarbij geeste­lijken, geestelijke instellingen of goederen in handen van kerkelijke instel­lingen betrokken waren, werd vooral uitgeoefend door de bisschoppelijke officiaal, in mindere mate door de officialen van de aartsdiakens, waarvan op zijn beurt die van de domproost, waaronder de stad ressorteerde, het belang­rijkst was. Ook werd soms rechtspraak over onroerend goed ad hoc uitgeoe­fend door gedele­geerde pauselijke rechters.

Besluit


De rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht is sterk bepaald door de schenking van goederen en immuniteitsrecht aan de Utrechtse kerk en de verdeling van dit complex in de elfde eeuw, waarbij de bisschop, de vijf kapittels en de Sint-Paulusabdij met eigen vermogens werden toegerust. Er ontstonden binnen het latere stadsgebied twee gescheiden rechtssferen: het grondgebied van het kerkelijk recht en dat van het wereldlijk recht. Binnen het territoir van het kerkelijk recht ontwikkelde zich in de kapittel­immuni­teiten de rechtsfiguur van de 'claustraliteit', het grondbeheer ten aanzien van de claustra­le huizen en erven, waarover de rechtspraak werd uitgeoefend door deken en kanunniken van elk der vijf kapit­tels. Eerst door de Hervor­ming is aan deze gescheiden ontwikke­ling een eind gekomen en kwam de jurisdictie onder de competentie van het stedelijk schepengerecht.
            Binnen het grondgebied van het wereldlijk recht werd bij de stadsrecht­verlening waarschijnlijk de rechtspraak over onroerend goed, die tot dan toe gebaseerd was geweest op het bezit van rechten op de grond, omgezet in territoriaal omschreven jurisdicties met een algemene be­voegdheid, die de lage rechtsmacht, het dagelijks gerecht, omvatte. Als recht­banken in eerste aanleg functioneerden aanvankelijk de dagelijkse gerechten van de kapittels en de Sint-Paulusabdij; in het de rest trad het stedelijk schepen­gerecht, dat over het hele stadsgebied de hoge rechtsmacht bezat, als zodanig op. Begin vijftiende eeuw hielden de dagelijkse gerechten door toedoen van het stads­bestuur op te bestaan en sindsdien bezat het schepengerecht de lage rechts­macht in het hele stadsgebied. Alleen oefenden enkele tijnsgerechten er nog rechtspraak uit over het binnen hun rechtsgebied gelegen onroerend goed. Aan de tijnsrechtspraak van de Omloop van Sint-Marie is pas in 1811 een eind gekomen.

In deze studie is nader het belang onderstreept van de geografi­sche compo­nent bij het rechtshistorisch onderzoek, in dit geval onderzoek naar de rechten op en de rechtspraak over onroerend goed binnen een stedelijk territoir. Om gegevens in de bronnen correct te inter­prete­ren, is het nood­zakelijk na te gaan hoe de rechtsver­houdingen lagen in het betreffende territoir waarin deze goederen gelegen waren, met name de jurisdictie waartoe ze behoorden. Om een juist inzicht in de rechten op de grond in de middeleeuwen te verkrijgen dienen hierbij publieke en private aspecten, die vaak niet in de terminologie maar wèl in de rechtspraktijk aanwezig waren, in hun samen­hang te worden belicht.
            Zo bleek binnen het Utrechts stadsgebied het onder­scheid tussen het grond­gebied van het wereldlijk en het kerkelijk recht van wezenlijk belang te zijn geweest. Opmerke­lijk was daarbij intussen wèl de vermen­ging van canoniek-, Romeins- en inheems­rechtelijke noties die men zowel in het wereldlijk als in het kerkelijk territoir terugvindt. Kerkelijke rechters deden uitspraken over in wereldlijk gebied gelegen onroerend goed. Een recht­streeks uit het Romeinse recht afkomstige rechts­figuur als de operis novi nuntiatio vond zowel in het kerkelijk als het wereldlijk rechtsgebied toepas­sing. Stedelijke verordeningen waren soms geldig binnen de kapittelimmuni­teiten. De terminologie van de oorkonden met betrekking tot de claustrale huizen bevatte tal van inheemsrechtelijke elementen.
            Als te verwachten was bij een oude stad, die een lange vóórstedelijke ontwikkeling heeft gekend, zijn de rechten op en de rechtspraak over onroerend goed er veelvormig geweest en was de ontwikkeling naar eenheid op dit terrein langdurig en moeizaam. Uiteindelijk heeft pas de invoering van de Franse wetgeving in 1811 deze eenheid voor het hele stads­gebied van Utrecht weten te bewerkstelli­gen. In dit boek is geprobeerd de grote lijnen van deze ontwikkeling aan te geven. Moge het een aanzet vormen voor nader onderzoek naar de details.
            Ook voor andere steden zal dergelijk onderzoek uitgevoerd dienen te worden vóór zinvolle vergelij­king met de situatie elders mogelijk is. Het is opmerkelijk hoe weinig er in dit opzicht nog maar is verricht. Wellicht heeft het arbeidsintensieve en gedetailleerde karakter van een dergelijke studie onderzoekers tot nu toe afgeschrikt. Indien echter, zoals in Utrecht, vol­doende bronnenmateriaal voorhanden is, kan een analyse van de rechten op en de rechtspraak over onroerend goed niet alleen in rechtshistorisch, maar ook in topografisch opzicht belangrijke resultaten opleveren. Bovendien biedt de samenstelling van een prekadastrale atlas, die aan een dergelijke analyse ten grondslag dient te liggen, uitgebreide mogelijkheden voor verdere, anders gerichte onder­zoe­kingen, bijvoorbeeld op economisch- en sociaalhisto­risch terrein.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 1994-2017. - Hier gepubliceerd 2 oktober 2017; laatst bewerkt 7 oktober 2017.