Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Bronnen
Voor de hier gebruikte afkortingen zie ook de webpagina Stamreeks Van Heyst-De Bruijn.
Gemeenteachief 's-Hertogenbosch, Rechterlijk archief  [R.] 's-Hertogenbosch 1221, f. 155 (20.2.1451); 1226, f. 207 (16.10.1455), f. 108v. (20.5.1456), f. 163v. (16.9.1456); 1240, f. 360v. (26.4.1471); 1241, f. 185v. (9.1.1472); 1245, f. 207 (1.2.1476); 1251, f. 558 (8.2.1482), f. 591 (4.5.1482); 1260, f. 106v. (17.7.1491); 1265, f. 130v. (28.1.1496).
 Regionaal Archief Tilburg, R. Tilburg 254, blz. 14 (25.1.1501), blz. 6 (10.5.1501), blz. 38 (14.6.1501), blz. 46 (16.10.1501), blz. 47 (15.11.1501); 255, blz. 23 (21.3.1502), blz. 24 (20?.3.1502), blz. 39 (3.5.1503); 257, f. 7, 8 en 14 (1505).
Koninklijke Bibliotheek Brussel, Handschrift II 2802 (Liber anniversariorum van Tilburg; op 20.8), afgedrukt door P.C. Boeren, 'Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg', Bossche Bijdragen 22 (1953-1955) 116-144, ald. 135.

Literatuur
Een overzicht over Tilburg van het midden van de vijftiende tot het eind van de achttiende eeuw met literatuuropgave biedt M.W.J. de Bruijn (red.), ‘Groeien tegen de verdrukking in 1450-1780’, in: C. Gorisse (hoofdred.), Tilburg stad met een levend verleden (Tilburg 2001) 95-187.
Herman Daneels van Heyst

Minder dan bij zijn vader Daneel van Heyst heb ik de indruk een vrij volledig overzicht van het reilen en zeilen van zijn zoon Herman te hebben gekregen. De oudste Tilburgse schepenakten zijn niet bewaard gebleven en ik heb de wel bewaarde protocollen niet helemaal doorgenomen. Wat ik wel heb doorgeploegd deed ik in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen ik nog niet genoeg kennis bezat om dat met enige autoriteit te kunnen doen. Daarom doe ik een beroep op de lezers van deze webpagina’s om dit werk alsnog te doen en mij van de resultaten ervan in kennis te stellen. Maar eerlijk gezegd vraag ik mij af wie dat nog zou kunnen en willen. Op het internet wordt doorgaans alleen kritiekloos nageschreven wat anderen al hebben onderzocht.

De eerste keer dat we Herman handelend zien optreden was op 20 februari 1451. Hij transporteerde toen samen met Peter Aart Stelart en Pauwels Willem Danelsz. als man van Margriet dochter van Aart Stelart een aantal grondstukken in Tilburg aan Hendrik Petersz. Polslouwer (R. 's-Hertogenbosch 1221, f. 155). De achtergrond van dit gezamenlijk bezit heb ik niet kunnen achterhalen. Wanneer Hermans vrouw Liesbet een dochter was geweest van Aart Stelart, zou dit wel in de akte vermeld zijn. Waarschijnlijk was hij in 1451 nog niet getrouwd.


In 1453 kreeg de heerlijkheid Tilburg en Goirle een eigen schepenbank en secretaris. Behalve in 's-Hertogenbosch werden de Tilburgse en Goirlese akten verleden voor schepenen van Oisterwijk. Omstreeks 1460 houden de schepenakten betreffende Tilburg en Goirle in het Oisterwijks schepenprotocol nagenoeg op. Er zal dus in Tilburg een eigen protocol zijn aangelegd. Helaas zijn er van vóór 1500 maar enkele fragmenten van bewaard gebleven, zodat er sprake is van een tamelijk ernstige lacune in het bronnenmateriaal.

Op 16 oktober 1455 gaf Daneel van Heyst een huis met toebehoren in erfelijke pacht aan zijn zoon Herman (R. 1226, f. 207). De omschrijving luidde: huis, erf, tuin en daaraan liggende erven, samen ongeveer twee mudzaad groot, gelegen in Tilburg ter plaatse geheten Ter Lijnden. Als belendingen werden opgegeven erf van Willem van Oisterwijk en Meus zoon van wijlen Hendrik van Broekhoven aan de ene zijde en erf van Willem van Oisterwijk, Gerit Krillart en Daneel aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat tot erf van genoemde Willem, Andries zoon van wijlen Jan van Beurden en Jan Mutsaers. Willem van Oisterwijk had het recht van weg over dit goed. Naast de grondcijns moest Herman een jaarlijkse pacht van 3 mud rogge Tilburgse maat betalen op Maria Lichtmis. Waarschijnlijk is met de belender Meus zoon van wijlen Hendrik van Broekhoven Meus zoon van wijlen Hendrik van Wickenvoirt bedoeld. Zie hiervoor de andere gegevens over Meus van Wickenvoirt op deze webpagina.

Op 20 mei 1456 verkocht Daneel de helft van de genoemde pacht aan Andries zoon van Jan van Beurden (R. 1226, f. 108v.) en op 16 september van hetzelfde jaar de andere helft aan zijn zoon Pauwels, broer van Herman dus (R. 1226, f. 163v.). Ook in deze akten, waarvan de gegevens waarschijnlijk overgenomen zij uit die van 16 oktober 1455, staat Meus van Broekhoven als belender.

Het huis met toebehoorten zelf transporteerde Herman op 9 januari 1472 aan Andries zoon van wijlen Jan van Beurden voor de ene helft en aan diens dochters Jutte en Marie, verkregen bij zijn vrouw Liesbet, voor de andere helft. Opmerkelijk is dat de secretaris de akte begon met de belendingen van 1455. Deze akte werd echter niet afgemaakt. In de nieuwe akte worden als belendingen opgegeven: de erfgenamen van Willem van Oisterwijk, Herman zelf en sommige anderen aan de ene zijde en erf van Jan Wickenvoirt en erf van Peter zoon van Reinier van Broekhoven en sommige anderen aan de andere zijde, strekkend van een erf van Andries zoon van wijlen Jan van Beurden en Denis zoon van Andries Salen tot aan de gemeint aldaar. De grondcijns bedroeg 23 penningen. Verder moest er een pacht van 3 mud rogge uit betaald worden aan genoemde Andries en zijn dochters (R. 1241, f. 185v.). Vervolgens beloofden zij een pacht van 4½ mud rogge Tilburgse maat aan Herman.

Er is op dezelfde datum ook nog begonnen aan een akte waarin Herman afstand deed van een stuk zaailand van een half mudzaad, gelegen in die Stockhasseltschestraet. Deze grond strekte zich uit van het zojuist genoende huis met toebehoren tot aan de genoemde straat. In de kantlijn van de concept-akte stond aangetekend dat partijnen het hierover niet eens konden worden (R. 1241, f. 185v.). De transactie ging dus niet door.

Op 8 februari 1482 droegen Andries Jansz. van Beurden en Reinier zoon van Jan Reiniers van Broekhoven als man van Jutte dochter van Andries het complex over aan Jan zoon van wijlen Meus Wickenvoirt (R. 1251, f. 558). Hiermee was het weer in handen van nakomelingen van de familie Van Heyst gekomen. Jans grootvader Hendrik Meusz. van Wickenvoirt was gehuwd geweest met Mechteld dochter van Jan Pauwelsz. van Heyst, overgrootvader van Herman van Heyst. Uit het goed gingen 4½ mud rogge, die Andries, Jutte en haar zuster Marie aan Herman plachten te betalen en de helft van een pacht van 3 mud rogge die Andries en Reinier aan Herman moesten betalen.

Maar het wordt nog curieuzer: op 17 juli 1491 droeg Jan Meusz. van Wickenvoirt het goed weer over aan Herman (R. 1260, f. 106v.). Herman zou alle al dan niet achterstallige pachten en cijnzen uit het complex betalen, waarvoor hij Jan verder schadeloos zou houden. Als belendingen werden toen genoemd: erf van wijlen Willem van Oisterwijk, Herman van Heyst en sommige anderen aldaar aan de ene zijde en erf van Jan van Wickenvoirt en van de erfgenamen van Peter Reiniersz. van Broekhoven en sommige anderen aan de andere zijden.

Op 1 februari 1476 had Herman een beemdje van 2 lopenzaad in Caluwyel aan de Leij – in het zuidoosten van Tilburg – verkocht aan Klaas zoon van wijlen Jan van den Segher. Er ging een last uit van 1 oude groot en 1 penning aan de kerkfabriek van Oirschot (R. 1245, f. 207).

Op 26 april 1476 droeg Jan de Heerde, zoon van wijlen Jan de Heerde, een pacht van een half mud rogge aan Herman over. De pacht werd betaald uit goed in Tilburg bij die Lyndecker. Jan had die pacht verkregen van Hermans vader (R. 1240, f. 360v.).

Op 4 mei 1482 had Jan zoon van wijlen Jan Bertrams als man van Agnes dochter van wijlen Engbrecht zoon van wijlen Jan Borchmans een erfpacht van een half mud rogge Tilburgse maat uit een akker in Tilburg in de Schijf aan Herman overgedragen (R. 1251, f. 591).

Je zou hieruit kunnen opmaken dat Herman sinds die tijd meer van zijn vermogen dan van zijn werk leefde, maar op 28 januari 1496 kocht hij nog een stukje land die Lijndries geheten en gelegen aen die Lijnde van Jan Reiniersz. van Broekhoven (R. 1265, f. 130v.). Maar een dries – een stukje weiland –  werd vaak gebruikt om er paarden op te weiden. Dus dat zegt niet alles.

Ongeveer vanaf deze tijd zijn de minuten van de Tilburgse schepenakten beter bewaard gebleven. Ik heb er nog enkele aangetroffen waaruit blijkt dat Herman niet onbemiddeld was.

Op 25 januari 1501 bekende Thomas Jansz. aan Herman jaarlijks een half mud rogge schuldig te zijn uit goederen in Goirle (RAT, R. 254, f. 7v., blz. 14). De pacht mocht gelost worden met 16 petersgulden.

Op 10 mei 1501 droeg Herman twee grondstukken over aan zijn zoon Simon (R. 254, f. 3v., blz. 6). Het ging hierbij om een stuk erf van twee mudzaad aan de Horenvoort en een stuk erf van ongeveer vier lopenzaad, waarschijnlijk ook aldaar, grenzend onder meer aan erf van Hermans zoon Gerit en de openbare straat. Er ging een jaarlijkse pacht uit van anderhalf mud rogge aan Gosen van den Broek, in ’s-Hertogenbosch te leveren, en één stuiver erfcijns aan de grondheer, waarschijnlijk de hertog. Simon beloofde hierop een jaarlijkse pacht van zes lopen rogge, die hij af mocht lossen met twaalf peters.

Op dezelfde datum droeg Herman een stuk erf van 29 lopenzaad over aan zijn zoon Gerit. Ook dit stuk erf lag aan de Horenvoort. Er ging een pacht uit van anderhalf en een half (?) mud rogge aan Willem Huiben in Riel, in ’s-Hertogenbosch te leveren, verder een half mud rogge aan Jan Geritsz. van Gorp en II blancken ende I negenmencken, de grondcijns, aan de grondheer. Gerit mocht de pacht binnen zes jaar aflossen met één loop rogge, de loop gerekend voor twee peters. Verder beloofde Gerit aan Peter om sint Jansmis naastkomende (24 juni) aan de kinderen van Hessel Zegers 24 peters te betalen.

Een Oisterwijkse schepenakte van 30 okober 1500 oorkondt dat heer Andries Ermbrechtsz., priester, twaalf lopen rogge per jaar uit een erfelijke pacht van tweeënhalf mud rogge met achterstallige betalingen heeft overgedragen aan Herman van Heyst van Westilborch (R. Oisterwijk 205, f. 1v-1; naar bewerking van Wim de Bakker). Wouter Huiben had laatstgenoemde pacht beloofd aan Peter Peyman uit een zesde deel van de hoeve geheten Hoirevoirt in Tilburg. Hierna beloofde Herman aan heer Andries op onderpand van al zijn goederen 24 peters op Lichtmis over een jaar – dus waaschijnlijk in 1502 – en nog twaalf lopen rogge jaarlijks te betalen op Maria Lichtmis (2 februari) over een jaar. Wanneer Herman de 24 peters op Sint-Jansmis (24 juni) zou betalen, zou hij vrij zijn van de betaling van de twaalf lopen rogge. Mogelijk heeft Herman deze pacht tegen betaling een zeker bedrag overgenomen van Andries Ermbrechtsz., omdat die voor Herman, wonende in Tilburg aan de Horenvoort, gemakkelijker te innen was.

Op 14 juni 1501 schold Jan Reiniersz. van Broekhoven aan Gijsbert Jansz. Vermee kwijt een half mud rogge erfpacht die Gijsbert eertijds in Tilburgse schepenakten beloofd had, namelijk aan de rector van het Sint-Jansaltaar in de kerk van Tilburg vier lopen en aan de gezellen in de kerk vier lopen. De pacht werd betaald uit het huis waar Jan in woonde (R. 254, f. 19, blz. 38). Jan beloofde hierna om voortaan jaarlijks zeven lopen roggen aan Herman van Heyst te betalen uit het huis aen die Stockhasselt waar Jan in woonde en nu Gijsbert.

Op 16 oktober 1501 deed Herman ten behoeve van zes van zijn kinderen afstand van zijn vruchtgebruik in vier lopen rogge erfelijke pacht uit een goed in Tilburg aen dat Hangende Rys en uit een stuk land aen die Dreybomen (R. 254, f. 23, blz. 46). Waarschijnlijk gaat het hierbij over goed aan de Heikant in Tilburg (vergelijk de oorkonde van 20 februari 1451). Aartke dochter van wijlen Hendrik van Doren en Mathijs Jan Oyenz. had deze pacht eertijds aan Herman beloofd. De kinderen droegen de vier lopen erfelijke pacht vervolgens over aan hun broer Peter.

Er werd in die tijd al een voorschot genomen op Hermans erfenis. Zijn schoonzoon Aart Goiarts, gehuwd met zijn dochter Marie, beloofde op 15 november 1501 om aan Jan die Smyt acht rijnsgulden uit zijn rechten op die erfenis te betalen op Maria Lichtmis (2 februari) na de dood van zijn schoonvader en verder jaarlijks vier lopen rogge vanaf Maria Lichtmis naastkomende, dus 2 februari 1502 (R. 254, f. 23v., blz. 47).

Waarschijnlijk op 20 maart 1502 transporteerde Simon van Heyst een stuk erf aan de Horenvoort, dat hij van zijn vader verkregen had, aan zijn broer Gerit (R. 255, f. 12v., blz. 24). Gerit beloofde Simon dat hij vier van de vijf lopen rogge die Simon aan zijn vader beloofd had te zullen betalen.

In 1503 was Herman nog in leven. In akten uit 1505 (RAT, R. Tilburg 257, f. 7, 8 en 14) wordt vermeld dat Herman overleden was: Gherit zoen wilner Herman Heysten.

In het tussen 1502 en 1509 aangelegde jaargetijdenboek van de parochie Tilburg (Koninklijke Bibliotheek Brussel, Hs. II 2802) staat onder 20 augustus:
Anniversarium Hermanni de Heyst et Elisabeth uxoris eius, et legavit domino investito pro anniversario decantando tria lopina siliginis hereditarie pactionis de et ex hereditatibus Cornelii filii eius, que tria lopina nunc solvit Cornelius Heysten aen die Heijdsijde.
Hij schonk dus drie lopen rogge aan de pastoor voor het zingen van zijn eigen jaargetijde en dat van zijn vrouw Liesbet, te betalen uit de goederen van zijn zoon Cornelis (zie generatie VI).Toen het boek in het begin van de zestiende eeuw werd aangelegd, woonde deze in de Heikant.

Terug naar de stamreeks

© 2015-2019 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 23 juli 2015; laatst bewerkt 1 juli 2019.