Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Deze pagina is een bewerking van ons artikel  ‘De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in Utrecht en haar relatie met Willibrord’, verschenen in het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 107 (2008) 81-89.
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in Utrecht en haar relatie met Willibrord
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

In september 1992 kwam de Utrechtse stadsarcheoloog Huib (H.L.) de Groot met de opzienbarende mededeling dat de Heilig-Kruiskapel die vroeger op het Domplein stond en die altijd voor tiende-eeuws was gehouden wel eens ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ zou kunnen zijn geweest. Recent onderzoek heeft echter nagenoeg onomstotelijk uitgewezen dat de kapel niet dateert uit de tijd van Willibrord – het eind van de zevende of het begin van de achtste eeuw –, maar uit de tiende eeuw, zoals al door de opgraver van de kapel, de archeoloog Albert Egges van Giffen, was aangenomen. Toch werd de kapel al aan het begin van de twaalfde eeuw beschouwd als een stichting van Willibrord. Hoe kan dit worden verklaard?
[1] De resultaten van de opgravingen zijn slechts ten dele en zeer verspreid gepubliceerd. Enkele ervan zijn opnieuw uitgegeven in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 (Utrecht z.j. [1994]). Voor overzichten van de resultaten zie E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht (’s-Gravenhage 1965) 145-167. Zie voorts de literatuurlijsten in L.R.P. Ozinga e.a. red., Het Romeinse castellum te Utrecht (Utrecht 1989) en C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten (Utrecht 1995).

[2] Haslinghuis en Peeters, De dom, 156.

[3] Zie de dagbladpers in september 1992 en H.L. de Groot, Traces at Traiectum. An archaeological survey (z.pl. z.j. [Utrecht 1992]).

[4] Hieraan hebben naast H.L. de Groot ook R. Rijntjes, R.J. Stöver en E. van Welie, promovendi van de architectuurhistoricus A.A.J. Mekking, en wijzelf als historici een bijdrage geleverd. (Bulletin KNOB 93 (1994) 133-196: H.L. de Groot, ‘De Heilige Kruiskapel te Utrecht. Die Tatsachen bleiben, die Interpretation schwänkt’, 135-149; R. Rijntjes, ‘De ecclesiola in het Utrechtse castellum. Bouwhistorische interpretatie van de resten van de Heilig-Kruiskapel’, 150-161; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘De Heilig-Kruiskapel in Utrecht: Sint-Maarten of Sint-Salvator?’, 162-168; R.J. Stöver, ‘De afmetingen van de Salvator- of Oudmunsterkerk in de afbeeldingen in de Monumenta van Van Buchel en in de Collectie Booth: toetsing en interpretatie aan de hand van de opgravingsresultaten’, 169-185; E. van Welie, ‘Omnes canonici. Een verkenning van de Utrechtse stadsliturgie’, 186-192.)

[5] Het gaat bij deze middeleeuwse geschiedschrijving weliswaar voor een deel om bronnen die niet ouder zijn dan de dertiende en veertiende eeuw, maar bij toetsing aan alle overige gegevens – zowel de oudere schriftelijke als de archeologische, maar bijvoorbeeld ook de liturgische uit later tijd alsook de middeleeuwse kerkelijk-institutionele ontwikkeling in Utrecht – bleek deze historiografie in grote lijnen een consistent beeld van de vroege kerkenbouw te geven. Wij menen dat deze oudste geschiedschrijving – die gebaseerd is op oudere en voor een deel niet meer voorhanden primaire bronnen – serieus genomen moet worden, dit wil zeggen getoetst aan de overige bronnen, en niet zonder argumentatie als onbetrouwbaar afgedaan. Onderzoekers die het geheel of gedeeltelijk niet met deze historiografie eens zijn, dienen op zijn minst eerst in detail de onbetrouwbaarheid ervan aan te tonen. Geschiedbeoefening moet immers steeds gebaseerd zijn op de beschikbare historische bronnen en op die bronnen gebaseerde argumenten. Zie voor de door ons gehanteerde historische methode uitvoeriger Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 10-11, en laatstelijk C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland, Utrecht 2005, ISBN 90-805772-3-5, 17-18.

[6] Jan Beke, Chronographia, H. Bruch uitg. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, grote serie 180 (’s-Gravenhage 1973) 15: Igitur electus Dei sacerdos magnam congregacionem presbiterorum eligens ad castrum Traiectense venit, quod in potestate Francorum Orientalium eo tempore fuit, ubi prope ruinam primordialis ecclesie sancti Thome superedificavit in honore sancte crucis oratorium. in quo renativi fontis primo consecravit baptisterium. In de Middelnederlandse vertaling van de kroniek (Jan Beke, Croniken, H. Bruch uitg. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, grote serie 143 (’s-Gravenhage 1982) 12, luidt dit: Ende vergaderde vele papen die hi vercoos, ende quam daermede totten casteel van Utrecht, dat in dien tiden was in der Oostfrancken machte, daer hi vaste bi sunte Thomas kerke, die destrueert ende vervallen lach, makede een bedehuus in die ere des heilichs cruces in den jaer ons Heren vic xcv, daer hi in sette ende wyede die ierste vonte.

[7] Beke, Chronographia, 25: Hic ergo presul egregius divini nominis obsequium ampliare volens, condidit infra civitatem Traiectensem cenobitalium canonicorum ecclesiam, oratorio primordiali sancti Salvatoris vicinam et contiguam. Hec quidem ecclesia diversis tytulis privilegiata legitur, que vulgariter Antiquum Monasterium pro tanto forte dicitur ‑ ‑ ‑. In de Middelnederlandse vertaling (Beke, Croniken, 19): Dese edel bisscop woude vermeren den dienst ons Heren ende stichte binnen der stat van Utrecht ene canonike cloosterkerke al vaste bi den iersten bedehuse des heilighen Verlossers. Dese kerke heeft veel namen also men leest, mer ghemeenlike is si ghehieten Oudemunster - - -. Voor een uitvoerige beargumentatie van de juistheid van dit bericht en een weerlegging van de ingebrachte bezwaren zie Broer en Bruijn, De eerste kerken, 49-54. In deze publicatie vindt men onze meest recente volledig uitgewerkte visie op de problematiek van Utrechts eerste kerken. In grote lijnen was deze visie overigens al neergelegd in ons artikel in genoemd themanummer van het KNOB-bulletin 93 (1994) 162-168: ‘De Heilig-Kruiskapel in Utrecht: Sint-Maarten of Sint-Salvator?’

[8] C.A.M. van Rooijen, ‘De datering van de Heilig-Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 99 (2000) 62-67.

[9] Rijntjes, ‘De ecclesiola’.

[10] Al in een vroeg stadium hebben wij in onze publicaties een groot aantal vragen gesteld bij dateringen, toeschrijvingen en standpunten van andere onderzoekers (zie Broer en De Bruijn, De eerste kerken, m.n. 22-26 en 55-57). Deze vragen werden echter door sommigen geïnterpreteerd als retorische vragen. We willen hierbij nog eens nadrukkelijk stellen dat het bij alle vragen om reële, te beantwoorden vragen gaat.

Inleiding

Al tachtig jaar lang is er wetenschappelijke strijd gaande rond de vroegste kerkelijke bebouwing in de stad Utrecht, de kern van het gelijknamige bisdom, dat in de Middeleeuwen het grootste gedeelte van Nederland bestreek. Letterlijk en figuurlijk het middelpunt van deze problematiek is de Heilig-Kruiskapel. Letterlijk omdat dit kruisvormige gebouw in vroeger eeuwen ingeklemd stond tussen de opvolgers van de twee oudste kerkstichtingen in Utrecht: de aan Sint-Maarten gewijde domkerk en de kerk van Sint-Salvator of Oudmunster (afb. 1), figuurlijk omdat de kapel sinds de eerste opgraving in 1929 telkens weer als uitgangspunt genomen wordt bij de vraag waar de eerste Utrechtse kerken hebben gestaan.


Vogelvluchttekening van het Domplein
Afb. 1. Vogelvluchttekening van de domkerk voor het instorten van het schip in 1674. In doorgetrokken lijnen met arcering de huidige rooilijnen, in gebroken lijnen de omtrekken van de Romeinse burcht, de Heilig-Kruiskapel en de oostpartij van de kerk van Oudmunster (Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 172).

Al spoedig na het eerste archeologisch onderzoek, uitgevoerd door de archeoloog A.E. van Giffen, werd nagegaan of de Heilig-Kruiskapel een door de grondlegger van het bisdom Utrecht, de Angelsaksische missionaris Willibrord, gebouwde kerk was.[1] Zoals bekend had deze van de Frankische hofmeier Pippijn rond het jaar 695 de burcht Traiectum of Trecht als centrum voor zijn missiewerk onder de Friezen toegewezen gekregen. Willibrord stichtte hier twee kerken, waarvan hij er een wijdde aan Christus Verlosser (Sint-Salvator) en de andere aan Sint-Maarten, de latere patroonheilige van de bisschop en het bisdom Utrecht. De Sint-Maartenskerk bouwde hij op de fundamenten van een kerk die eerder rond 630 gesticht was door de Frankische koning Dagobert, maar die wat later in de zevende eeuw, waarschijnlijk omstreeks 650, door de nog heidense Friezen was verwoest. Op grond van de opgravingsresultaten kwam Van Giffen tot de conclusie dat de Heilig-Kruiskapel niet gebouwd kon zijn door Willibrord, omdat zij uit de tiende of elfde eeuw dateerde.[2]

In 1992 kwam de Utrechtse archeoloog H.L. de Groot met de opzienbarende mededeling dat de kapel toch wel eens uit de tijd van Willibrord zou kunnen dateren. Hij verbond er tevens de conclusie aan dat het om de door Willibrord herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde kerk zou gaan.[3] Naar aanleiding van zijn suggestie vond er in de zomer van 1993 een heropgraving plaats van het oostelijk deel van de kapel, het koor en de noordzijde van de beide dwarsarmen. De resultaten van dit onderzoek werden in uitgewerkte vorm gepubliceerd in artikelen in het Bulletin KNOB van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. Dit gebeurde in een speciaal themanummer, verschenen in 1994, geheel gewijd aan de eerste kerken van Utrecht.[4]

Uit de bijdragen bleek dat er een meningsverschil bestond over de vraag of het bij de kapel, als die uit de tijd van Willibrord zou dateren, om de Sint-Maartenskerk dan wel de kerk van Sint-Salvator ging. Op grond van de bestudering van al het toen beschikbare bronnenmateriaal waren wij, anders dan de overige onderzoekers, tot de conclusie gekomen dat – weer vooropgesteld dat de Heilig-Kruiskapel uit de zevende eeuw zou dateren – het hier om Willibrords Sint-Salvator ging. Volgens de middeleeuwse geschiedschrijving hebben alle Sint-Maartenskerken namelijk altijd op dezelfde plek gestaan, te weten die van de tegenwoordige domkerk.[5]

Verder heeft volgens deze historiografie Willibrord eerst een bedehuis gebouwd gewijd aan het Heilig Kruis, en wel naast wat genoemd wordt de verwoeste Sint-Thomaskerk van koning Dagobert.[6] Willibrords leerling en in zekere zin opvolger Bonifatius heeft vervolgens omstreeks 745 naast deze eerste kerk – die in de geschiedschrijving nadrukkelijk wordt aangeduid den iersten bedehuse des heilighen Verlossers – een nieuwe Sint-Salvatorkerk gebouwd, de latere Oudmunsterkerk. In deze met de middeleeuwse historiografie overeenstemmende visie is dus niet de Sint-Maartenskerk van plaats veranderd, zoals andere onderzoekers tegen deze gegevens in aannemen, maar hebben er twee opeenvolgende kerken van Sint-Salvator in de Utrechtse burcht naast elkaar gestaan.[7]

Wél gingen alle auteurs van de artikelen in het genoemde themanummer ervan uit, zij het sommigen met een slag om de arm, dat de Heilig-Kruiskapel uit de tijd van Willibrord dateerde. Door de grote publiciteit die er van archeologische zijde aan de ‘vondst’ uit 1992 en de daarop gevolgde heropgraving gegeven was, wordt de kapel inmiddels vrij algemeen gepresenteerd als ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’. Begin 2008 werd er zelfs, ter opening van het Jaar van het Religieus Erfgoed, een kopie van de kapel in ijs op het Domplein gebouwd en voorgesteld als een door Willibrord gebouwde kerk.

Intussen was echter niet alleen de identificatie van de Heilig-Kruiskapel met de Sint-Maartenskerk bestreden, maar werd in 2000 in dit tijdschrift door archeoloog C.A.M. van Rooijen ook de datering van de kapel ter discussie gesteld.[8] Net als destijds Van Giffen kwam hij op grond van een analyse van de opgravingsresultaten tot de conclusie dat de kapel níet uit de tijd van Willibrord dateerde maar uit de tiende eeuw. Het belangrijkste argument voor Van Rooijen waren de met behulp van de 14C-bepalingen gedateerde houtskoolmonsters die bij de heropgraving in de metselspecie van de kapel waren teruggevonden en die wezen op een datering in de tiende eeuw. Verder was ook de stratigrafie – in dit geval de hoogte van de fundering, de kapelvloer en het maaiveld rond de kapel – een belangrijk element voor een late datering en tot slot bleek de metselspecie van de kapel op een bepaalde plaats over de bovenrand van een eronder gelegen sarcofaag te zijn heengevloeid die qua type op zijn vroegst uit de tiende eeuw kan dateren.

Van Rooijen maakte bij zijn bevindingen een voorbehoud ten aanzien van de mogelijke ouderdom van de zuidelijke arm van de kapel. In dit bouwdeel werd namelijk een daaruit afkomstig houtkoolmonster gedateerd tussen 655 en 686. In dat verband is interessant dat architectuurhistoricus R. Rijntjes bij de opgraving tussen deze zuidarm en de rest van de kapel een bouwnaad had geconstateerd. In zijn artikel in dit tijdschrift uit 1994 uitte hij daarop de veronderstelling dat de zuidelijke zijarm een zogeheten cella uit de zevende eeuw was waaraan later de kapel zou zijn vastgebouwd. Dit laatste diende dan gezien te worden als de herbouw door Willibrord van de door de Friezen verwoeste kerk uit de tijd van koning Dagobert, waarmee dan de gelijkstelling van de Heilig-Kruiskapel met de Sint-Maartenskerk aangenomen werd.[9]

Hoewel de door C.A.M. van Rooijen bevestigde datering van A.E. van Giffen de eerder gepresenteerde opvattingen omverwerpt, is er voor zover bekend alleen door ons in geschrifte op zijn artikel gereageerd. In deze bijdrage willen we dit nogmaals doen en een aantal vragen opwerpen – en proberen te beantwoorden – die de dateringen en toeschrijvingen van zowel Van Giffen en Van Rooijen als Rijntjes met zich meebrengen, wanneer die in het kader worden geplaatst van alle beschikbare relevante bronnen betreffende de vroege kerkenbouw in Utrecht.[10] Voor de beargumentering van de door ons getrokken en hier vermelde conclusies verwijzen we in de voetnoten vooral naar onze eerder over de vroege Utrechtse kerkenbouw verschenen publicaties, omdat opname van die argumenten met alle bewijsplaatsen in dit artikel onevenredig veel plaats zou innemen.
[11] De volledige tekst van de brief is, met vertaling, afgedrukt bij Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 73-74: - - - fundamenta cuiusdam destructae a paganis ecclesiolae, quam Wilbrordus derutam usque ad solum in castello Traiecto repperit et eam proprio labore a fundamento construxit et in honore sancti Martini consecravit.

[12] Et refert quod ab antiquo rege Francorum Dagobercto castellum Traiectum cum destructa aecclesia ad Colonensem parrochiam donatum in ea conditione fuisset ut episcopus Coloniensis gentem Fresorum ad fidem Christi converteret et eorum predicator esset. Quod ipse non fecit.

[13] Zie over deze tekstborden A. de Groot en K. van Vliet, ‘De Domtafelen. Nieuw licht op “overoude tafelen” uit de Utrechtse Dom’, Jaarboek Oud-Utrecht 2004, 5-39, en – gedeeltelijk in reactie hierop – C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Van tempeltje tot kathedraal. De voorgeschiedenis van de Domkerk,’ Domkerk. Bericht van de Stichting Vrienden van de Domkerk 18 (2006) 25-27.


[14] A.E. van Giffen, ‘Inheemse en Romeinse terpen’, Jaarverslag van de Vereeniging voor terpenonderzoek 29-32 (1944-1948) 16-17: Ligt het Domplein thans circa 5.60 + N.A.P., en zijn de hoogten van de begane grond, of van de vloeren der overeenkomstige domkerken in de Gothische achtereenvolgens Romaanse tijd, thans ongeveer 5.00 (de gevonden kerkvloeren: 5.00 en 4.95), resp. 4.80 (de twee kerkvloeren 4.80 en 4.75) + N.A.P., de niveaus ten tijde van de beide Praeromaanse gebouwen vonden wij in 1949 tussen 4.55 en 3.80 (de drie of vier vloeren op 4.55, 4.35 en 3.85 tot of èn 3.80), resp. tussen 3.80 en 3.60 + N.A.P. Opmerkelijk was verder dat ter plekke in de Romeinse tijd een rechthoekig gebouwtje bleek te hebben gestaan, waarin de archeologen een tempeltje vermoeden. Zoals bekend werden missiekerken vaak gebouwd op de resten van voormalige “heidense” heiligdommen. Zie hierover C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Van tempeltje tot kathedraal. Romeinse en vroeg-middeleeuwse bebouwing onder het verdwenen schip van de Utrechtse domkerk’, Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie 46 (1997) nr. 4, 1-10; en Broer en De Bruijn, ‘Van tempeltje tot kathedraal’ (2006) 25-31.

[15] De Groot, De Heilige Kruiskapel’, 140.

[16] Van Rooijen, De datering, 65.
De vermeende cella

De door R. Rijntjes veronderstelde cella roept om te beginnen de vraag op wat de functie van een dergelijk gebouw van ongeveer vijf bij vijf meter in het vierkant in het Utrecht van de zevende eeuw kan zijn geweest. Als functies die dergelijke cellae elders hadden noemt Rijntjes de aanwezigheid van heiligengraven en de bewaarplaats van relieken. Maar wanneer een van beide in de Utrechtse situatie het geval zou zijn geweest, blijft de vraag waarom zo’n toch niet onbelangrijke sacrale plek in later tijd geen sporen heeft nagelaten. De geschiedschrijving over het zevende-eeuwse Utrecht rept slechts van een (missie)kerk die door de Frankische koning Dagobert (623-639) binnen de burcht Trecht gebouwd is en die met die burcht aan de bisschop van Keulen is geschonken.

Deze kennis lijkt weliswaar niet in bronnen te zijn overgeleverd die ouder zijn dan de dertiende of veertiende eeuw, maar we beschikken daarnaast ook over een brief van de missionaris Bonifatius, die als beginnend geloofsprediker in de jaren 719-721 met Willibrord heeft samengewerkt en later, na diens overlijden in 739, de zorg voor de Utrechtse kerk op zich heeft genomen. Bonifatius spreekt in die brief, daterend van 752 of 753, over een ecclesiola, een kerkje dat Willibrord met de grond gelijk gemaakt had aangetroffen binnen de burcht Trecht en dat hij eigenhandig vanaf het fundament weer had opgebouwd en aan Sint-Maarten gewijd.[11] Bonifatius schrijft verder dat volgens de bisschop van Keulen de burcht met deze verwoeste kerk – bedoeld is natuurlijk de kerk die later verwoest was – ooit door koning Dagobert aan Keulen was geschonken met de opdracht om het Friese volk te bekeren. ‘Wat hij niet gedaan heeft,’ voegt Bonifatius er nadrukkelijk aan toe.[12]

Volgens Bonifatius was er dus sprake van een tot op de bodem verwoest kerkje dat later door Willibrord weer vanaf het fundament is opgebouwd. Er is dus in de bronnen geen sprake van een cella en evenmin van het tegen die cella aanbouwen van een kerk, zoals Rijntjes zich dat voorstelt. Trouwens, het mag hoogst onwaarschijnlijk worden genoemd dat een dergelijk belangrijk sacraal gebouw gereduceerd tot zijarm of annex aan een kerk wordt vastgebouwd. En ten slotte – maar misschien had dit als eerste argument moeten worden genoemd – kan men hier nog aan toevoegen dat een heiligdom als een cella op een plaats waar nog begonnen moet worden met de kerstening bepaald niet voor de hand ligt. Cellae treft men vooral aan op plaatsen waar al in de Romeinse tijd het christendom verspreid was. Voor onze streken lag inderdaad een missiekerk als uitgangspunt voor de kerstening meer voor de hand. En dat is wat de voorhanden zijnde bronnen ook aangeven.

Een ander probleem rond de vereenzelviging van de Heilig-Kruiskapel met een oorspronkelijke cella vormt de plaats van die eerste door Dagobert gebouwde en later weer vanaf het fundament opgebouwde Utrechtse kerk. De genoemde historiografie wijst namelijk, zoals al is opgemerkt, niet de Heilig-Kruiskapel of de plaats van deze kapel als zodanig aan, maar die van de (huidige) domkerk. Dit kan uit zowel archeologische als schriftelijke bronnen worden afgeleid. Om met de laatste te beginnen: op een tekstbord, een ‘overoude tafel’, die vroeger in het schip van de kerk hing en mogelijk nog uit de dertiende eeuw dateert, wordt namelijk met zoveel woorden gezegd dat die eerste kerk, die gewijd was aan de apostel Thomas, gebouwd was in illo presenti fundo – te vertalen met ‘op deze grond hier’ of zelfs ‘precies op deze plek’ (afb. 2).[13] Deze schriftelijke vermelding vormt een positieve aanwijzing dat de eerste kerk van Dagobert eenvoudigweg op de plek van de latere domkerken stond. In negatieve zin kan hier aan worden toegevoegd dat het domkapittel er nooit aanspraak op heeft gemaakt dat de Heilig-Kruiskapel de eerste Sint-Maartenskerk is geweest. We komen hier nog op terug.
De tekst van een domtafel Afb. 2. De tekst van een ‘overoude tafel’ die handelt over de geschiedenis van de domkerk in een vijftiende-eeuws afschrift. Het eerste deel luidt: Tempore Francorum Dagoberti regis in illo presenti fundo conditur ecce decens primitus ecclesia sancti Thome prope castrum Traiectum, quam gens Frisica fregit atrox. Sed prior antistes dominus Clemens ob honorem sancti Martini post renovavit eam presidis Hildrici sub tempore regis. In vertaling: Zie, ten tijde van de koning der Franken Dagobert werd op deze grond hier bij de burcht Traiectum voor de eerste keer een welgevormde kerk gebouwd, gewijd aan de heilige Thomas, welke kerk het woeste Friese volk heeft verwoest. Maar de eerste bisschop, heer Clemens (Willibrord), heeft haar ter ere van Sint-Maarten vernieuwd ten tijde van de nietsdoende koning Hilderik.
Stadtbibliothek Trier, hs. 1288/79, 4o, f. 88v.

Maar ook archeologisch zijn er verschillende aanwijzingen dat een eerste zevende-eeuwse kerk in Utrecht, de oorspronkelijke Sint-Thomaskerk, de op de fundamenten daarvan herbouwde Sint-Maartenskerk van Willibrord en nadien ook alle latere domkerken steeds op deze plaats gestaan hebben en niet, zoals onder meer Rijntjes veronderstelt, op de plek van de (latere) Heilig-Kruiskapel. Om te beginnen werden er op de plaats van het latere schip van de domkerk resten aangetroffen uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Zo werden op een niveau tussen 2,80 en 3,20 m +N.A.P. meter niet alleen vroegmiddeleeuwse funderingsresten aangetroffen (afb. 3), maar ook traceerde A.E. van Giffen er – naast zware fundamenten, die waarschijnlijk tot een Karolingisch bouwwerk behoorden, tussen circa 2,50 en 4,50 meter +N.A.P. – al vier of vijf vloeren en vloerniveaus onder de vloer van de Romaanse kerk, waarvan de oudste op ongeveer 3,60 à 3,85 meter (afb. 3).[14]

niveau +N.A.P.                  omschrijving                                                       periode

5,60 m                                huidig loopvlak                                                      (2008)

5,40 m

5,20 m

5,00 m  4,95 à 5,00 m      vloer(en) Gotische domkerk                      (circa 1475)

4,80 m  4,75 en 4,80 m    vloeren Romaanse domkerk                    (circa 1020)

4,60 m  4,55 m                   Pre-Romaanse vloer

4,40 m  4,35 m                   Pre-Romaanse vloer

4,20 m
                        (4,10-4,16 m  vloerni­veau Heilig-Kruiskapel)
4,00 m

3,80 m   3,60 à 3,85 m       Pre-Romaanse vloer(en)            (Merovingische en
                                               en vloerniveaus                 Karolingische periode?)
3,60 m

3,40 m

3,20 m

3,00 m    2,80 à 3,20 m       funderingsresten                           (zevende eeuw?)

2,80 m

2,60 m
              2,50 à 2,60 m         loopvlak Romeins castellum               (derde eeuw)
2,40 m    2,45 m                  resten Romeins tempeltje

 Afb. 3. Grondniveaus, vloeren en vloerniveaus ter plaatse van het verdwenen schip van de domkerk tussen het tegenwoordige loopvlak op 5,60 m +N.A.P. en de Romeinse periode. Niet aangegeven zijn de zware funderingen uit de Karolingische tijd tussen 2,50 en 4,50 m. Cursief het vloerniveau van de Heilig-Kruiskapel.
Naar A.E. van Giffen (zie nt.) en wat de Heilig-Kruiskapel betreft Van Rooijen,
‘De datering van de Heilig-Kruiskapel’, 65.

Een archeologisch argument dat ook tegen de veronderstelde cella aan de zuidkant van de Heilig-Kruiskapel pleit ten slotte is al door C. van Rooijen in zijn genoemd artikel aangehaald: de datering van de kapel in de tiende of elfde eeuw – de gedateerde houtskoolmonsters wijzen op de tiende – maakt het bestaan van een dergelijk heiligdom wel heel erg onwaarschijnlijk. Dat een houtskoolmonster in de zuidelijke arm van de kapel in de zevende eeuw gedateerd werd, hoeft in dit opzicht niet alles te zeggen. Er zijn namelijk ook enkele monsters uit de Romeinse tijd teruggevonden,[15] wat op een plaats waar al sinds die tijd gebouwd, gebroken en herbouwd is niet hoeft te verbazen. Hier komt nog bij dat enkele andere in de zuidarm van de kapel aangetroffen monsters nog op datering wachten.[16] Voor de ouderdom van een gebouw zijn vanzelfsprekend niet de oudste maar de jongste in het metselwerk aangetroffen houtskoolresten van belang. Ook al achten wij het zeer onaannemelijk dat de zuidelijke annex van de Heilig-Kruiskapel uit de zevende eeuw dateert, lijkt het ons gezien de problematiek van belang om de betreffende monsters alsnog met de 14C-methode te laten dateren.
[17] Thiofried van Echternach, ‘Vita s. Willibrordi’, in: Acta sanctorum. Novembris III (Brussel 1910) 465: Non procul a ripa Rehni fluminis ędificavit et dedicavit oratorium in honorem crucis salutiferę  et theoticos Marię  virginis perpetuę.

[18] Zie nt. 5. Wij hebben overigens alle relevante teksten bij Beke over de vroege kerkelijke bebouwing in Utrecht afgedrukt in Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 75-76.

[19] Annalen van Egmond, M. Gumbert-Hepp en J.P. Gumbert uitg. en vert. (Hilversum 2007) 200: Est autem capella contigua templo eidem in honore sanctę  crucis consecrata, quam incendium cum omnibus quę  intus continebantur consumpsit, excepta ymagine Salvatoris in qua hoc miraculi contigit quod patibulum combustum est et clavi, sed ymago tota sine lesione permansit. Quam clerici cum populo magna suscipientes devotionis reverentia ad templum de capella transtulerunt et ex hoc in summa veneratione habuerunt.

[20] Beke, Croniken, 77.





















Overzicht eerste kerken
Afb. 4. De situering van de kerken op het Utrechtse Domplein.
1. de via principalis; b. de via praetoria;
a. de tegenwoordige domtoren; b. de domkerk; c. de pandhof;
A. het Romeinse hoofdgebouw waarin zich waarschijnlijk de Sint-Salvator van Willibrord bevond. In de tiende eeuw werd daar de Heilig-Kruiskapel, die vanouds behoorde tot het kapittel van Sint-Salvator of Oudmunster, half overeen gebouwd;
B. de plaats van de door koning Dagobert (623-639) gebouwde Sint-Thomaskerk. Na verwoesting door de Friezen werd zij – waarschijnlijk omstreeks het jaar 720 – door Willibrord vanaf het fundament herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd. De omtrekken van deze kerk zijn niet bekend, maar ter plaatse zijn vroegmiddeleeuwse fundamentresten gevonden waarvan de jongste fase (periode VIc) op de (post-)Karolingische tijd is gedateerd;
C. De vermoedelijke omtrekken van de omstreeks 745 door Bonifatius naast ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’ gebouwde nieuwe Sint-Salvator- of Oudmunsterkerk. In later eeuwen is zij aanmerkelijk vergroot.



[21] In zijn hiervóór genoemde brief aan de paus uit 752/53 zegt Bonifatius met zoveel woorden dat Willibrord in de Sint-Salvatorkerk zijn bisschopszetel geplaatst had (sedem episcopalem et aecclesiam in honore sancti Salvatoris constituens in loco et castello quod dicitur Traiectum). Dat Willibrord eerst de Sint-Salvatorkerk bouwde en pas later de verwoeste Sint-Thomaskerk herbouwde en aan Sint-Maarten wijdde, is ook volledig in overeenstemming met de middeleeuwse historiografie en de latere kerkelijk-institutionele ontwikkeling in Utrecht, waarbij de positie van Sint-Salvator als moederkerk van de door Willibrord gegrondveste kerk van Utrecht naast de domkerk als kathedrale kerk steeds zeer belangrijk is gebleven. Voor een uitvoerige nadere beargumentering voor met name ook de periodisering zie vooral Broer en De Bruijn 1995 en 2005. Voor de kerkelijk-institutionele ontwikkeling in Utrecht zie C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) ISBN 90-805772-1-9.

[22] Zie bv. Rijntjes, ‘De ecclesiola’, 151.







[23] Liudger, ‘Vita Gregorii abbatis Traiectensis’, O. Holder-Egger uitg., in: Monumenta Germaniae Historica. Scriptores XV-1 (Hannover 1887) 63-79, ald. 79: iussit se ante oratorium sancti Salvatoris a discipulis portari et ostium aperiri. Ibidem oratione facta et communione sacri corporis et sanguinis Domini suscepta, aspiciens ad altare, mente caelestibus intentus, migravit ad Dominum.

[24] Altfried, Vita sancti Liudgeri, W. Diekamp uitg., Die Vitae sancti Liudgeri. Die Geschichtsquellen des Bisthums Münster 4 (Munster 1881) 21: in solario ecclesiae sancti Salvatoris, quam sanctus Willibrordus construxerat, membra quieti dare solebat.














[25] Opmerkelijk is dat ook de Utrechtse archeoloog H.L. de Groot ervan uitgaat dat Willibrord voor zijn eerste kerk gebruik maakte van het Romeinse hoofdgebouw (De Groot, Traces, 20). Voor hem was dat echter een Sint-Maartenskerk. De Groot ging niet in op de vraag hoe in deze visie de vermelding van Bonifatius geduid moet worden dat de Sint-Maartenskerk door Willibrord op de fundamenten van een ouder kerkje weer was opgebouwd. De Heilig-Kruiskapel was immers niet op de fundamenten van het hoofdgebouw opgetrokken, maar stond er half overheen. Dit situeringsprobleem geldt vanzelfsprekend niet voor de eerste Sint-Salvatorkerk, waar de tweede, de latere Oudmunsterkerk, naastgebouwd werd.

[26] Liudger, ‘Vita Gregorii’, 67.












[27] Zie M.J.G.Th. Montforts, Romeins Utrecht. Historische Reeks Utrecht 20 (Utrecht 1995) 27.




[28] Ozinga, Het Romeinse castellum, 61; Broer en De Bruijn, ‘Van tempeltje tot kathedraal'’ (1997) 7-8.
























[29] Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 49-51.









[30] Ald. 51-52.



[31] Ald. 53.
Terug naar de Heilig-Kruiskapel

Een probleem dat door Van Rooijen niet behandeld werd, is de vraag hoe we een uiteindelijk pas tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in de context van de (overige) kerkelijke bebouwing in Utrecht moeten plaatsen, zowel in ruimtelijke als in chronologische en in functionele zin. Hieraan kan men de vraag koppelen hoe het kon gebeuren dat diezelfde kapel toch al in de middeleeuwen werd beschouwd als een door Willibrord gebouwde kerk.

Om met die laatste vraag te beginnen, dit idee bestond waarschijnlijk al in het begin van de twaalfde eeuw. Toen schreef de toenmalige abt van Echternach, Thiofried, een levensbeschrijving van de heilige Willibrord, waarin hij vermeldde dat deze niet ver van de oever van de Rijn een bedehuis bouwde, dat hij wijdde ‘aan het heilbrengend kruis en aan de moeder Gods, de eeuwige maagd Maria’.[17]

Zoals we hiervóór al vermeld hebben vinden we het idee dat Willibrord een kerk bouwde ter ere van het Heilig Kruis voorts ook in de middeleeuwse geschiedschrijving, om te beginnen bij de belangrijkste middeleeuwse geschiedschrijver van het sticht Utrecht, Jan Beke. In zijn Chronographia, daterend van omstreeks 1340, vermeldt hij dat Willibrord bij de verwoeste Sint-Thomaskerk een bedehuis stichtte ter ere van het Heilig Kruis en dat hij daarin de eerste doopvont wijdde.[18] Men merke hierbij op dat Beke duidelijk zegt dat Willibrord zijn kerk bouwde bij en niet op de verwoeste kerk, met andere woorden: dat het bedehuis gewijd aan het Heilig Kruis, de kapel, niet vereenzelvigd mag worden met de Sint-Thomaskerk en de op de fundamenten daarvan herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde kerk!

Een oudere vermelding van de Heilig-Kruiskapel bieden de Annalen van Egmond. In deze twaalfde-eeuwse bron wordt melding gemaakt van een brand in 1148, waarbij de Sint-Salvatorkerk gespaard bleef. ‘Er is echter naast deze kerk een kapel, gewijd ter ere van het Heilig Kruis, die de brand met alles wat erin was verteerde, behalve het beeld van de Verlosser, en daaraan geschiedde het volgende wonder: het kruis is verbrand, en de spijkers, maar het beeld zelf bleef geheel ongeschonden. En de geestelijken samen met de bevolking namen het op met grote eerbied en devotie en droegen het van de kapel naar de kerk, en vanaf dit moment hebben zij het altijd in de hoogste ere gehouden.’[19] Ook Beke heeft dit verhaal. In de Middelnederlandse versie luidt het met enkele veelzeggende aanvullingen:

Die ierste capelle die vaste bi sunte Salvatoors kerke staet ende bi Clemens tiden die Willibrordus hiet ghesticht wart in die ere des heilighen cruces, die verbernde mede ende al dat daer in was, sonder sunte Salvatoors beelde, dat bleef onverbrand, nochtan dattet cruce daert an ghenaghelt was altemale verbrande ende die naghele mede. Dat beelde wart bruyn in dien brande, waerom dat ment noch hiet dat brune cruus. Doe quamen die clesie mitten ghemenen luden ende namen dat heilighe beelde mit groter devoteliker eren ende droeghent weerdelike, al singende ynnen ende psalmen, in sunte Salvatoors kerke, daert noch staet.[20]

Kortom, waarschijnlijk al in het begin van de twaalfde eeuw werd de Heilig-Kruiskapel beschouwd als een door Willibrord gebouwde kerk, en wel een andere kerk dan de verwoeste, herbouwde en vervolgens aan Sint-Maarten gewijde Sint-Thomaskerk.

Wat nu moeten we hiermee aan wanneer de kapel inderdaad pas uit de tiende of elfde eeuw dateert, zoals destijds al door A.E. van Giffen en recentelijk weer C.A.M. van Rooijen op naar het ons voorkomt redelijke gronden en in elk geval beargumenteerd is gesteld? Om hiervoor een verklaring te vinden, moeten we teruggaan naar de tijd dat Willibrord de Utrechtse burcht, het Romeinse castellum, als missiecentrum in gebruik nam, het eind van de zevende eeuw. Het is aannemelijk dat de structuur van dit castellum nog min of meer overeenkwam met de situatie toen de Romeinen het in de vierde eeuw definitief verlieten: van de westelijke naar de oostelijke poort liep de via principalis. Haaks daarop liep ongeveer in het midden van de noordelijke poort naar het zuiden toe de via praetoria, die uitkwam op de ingang van het hoofdgebouw binnen het legerkamp, de principia, die gelegen was ten zuiden van de via principalis. De resten van de omstreeks 630 gebouwde en circa 650 door de Friezen verwoeste Sint-Thomaskerk zullen zich bevonden hebben ten noorden van laatstgenoemde weg en ten westen van de via praetoria (zie afb. 4).

Anders dan veelal – uitdrukkelijk echter in strijd met de middeleeuwse bronnen – wordt verondersteld, begon Willibrord na zijn vestiging in Utrecht niet met de herbouw van de verwoeste kerk, maar bouwde hij eerst een eigen geheel nieuwe kerk, die hij wijdde aan Sint-Salvator, Christus Verlosser, en waarin hij de doopvont plaatste. Dit patrocinium van Sint-Salvator ontleende Willibrord hoogstwaarschijnlijk aan dat van de hoofdkerk van Rome maar ook van de kathedraal van het Engelse aartsbisdom Canterbury.[21] Zoals hiervóór al werd vermeld, moet deze eerste Sint-Salvatorkerk hebben gestaan naast de later door Bonifatius gebouwde Sint-Salvator of Oudmunster. Dat nu kan eigenlijk alleen maar ter plaatse van het Romeinse hoofdgebouw en later de Heilig-Kruiskapel zijn geweest. Er dan, zoals de middeleeuwse historiografie aangeeft, van uitgaande dat de Heilig-Kruiskapel door Willibrord gebouwd zou zijn, moet worden aangenomen dat dit hoofdgebouw tevoren gesloopt is. Bij de opgravingen is ook gebleken dat de Heilig-Kruiskapel zelfs gebouwd is van het materiaal van de voormalige principia.[22]

De kapel is overigens niet op of geheel binnen het grondplan van dit vroegere hoofdgebouw opgetrokken, maar er ongeveer half overeen. Het schip van de kapel en het westelijke deel van de beide zijarmen vielen erbuiten, het oostelijke deel en het koor kwamen erbinnen te liggen. Maar wanneer de kapel, zoals A.E. van Giffen en recentelijk weer C.A.M. van Rooijen met kracht van argumenten hebben betoogd, pas uit de tiende of elfde eeuw dateert, kan ook dit hoofdgebouw toen pas gesloopt zijn.

Hoe moeten we dit alles in relatie tot de middeleeuwse geschreven bronnen duiden? Welnu, wanneer we ervan uitgaan dat de eerste, door Willibrord gebouwde Sint-Salvatorkerk bestaan heeft uit dit Romeinse hoofdgebouw of althans een deel ervan, vallen een heleboel puzzelstukjes op hun plaats. En dat Willibrord in dit vroegere hoofdgebouw niet alleen zijn Sint-Salvatorkerk maar ook zijn klooster heeft ondergebracht, is allerminst speculatief. We beschikken hiervoor namelijk feitelijk over aanwijzingen uit nagenoeg contemporaine bronnen. Zo is er allereerst de vermelding van de uit het bij Utrecht gelegen Zuilen afkomstige missionaris Liudger, dat zijn vroegere leermeester, abt Gregorius, op zijn sterfbed in 775 door zijn leerlingen met bed en al vóór het oratorium sancti Salvatoris had laten brengen, waarvan hij de deur liet openen. Na te hebben gebeden en de communie te hebben ontvangen stierf hij met zicht op het altaar.[23] Anders dan ecclesia, kerk, is oratorium – wat letterlijk ‘bedehuis’ betekent –  een neutrale benaming die ook op een kapel kan worden toegepast. Voor de nieuwe, omstreeks 745 gebouwde Sint-Salvator van Bonifatius zou Gregorius’ leerling en levensbeschrijver Liudger toch wel de aanduiding ecclesia hebben gebruikt.

Daarnaast is er de levensbeschrijving van Liudger zelf, geschreven door zijn neef Altfried. Deze vermeldt daarin onder meer dat wanneer Liudger, inmiddels elders als missionaris werkzaam, in Utrecht logeerde, hij dan sliep ‘op de zolder van de Sint-Salvatorkerk die de heilige Willibrord gebouwd had’.[24] Opmerkelijk is om te beginnen de aanduiding ‘die de heilige Willibrord gebouwd had’. Deze aanduiding zou volstrekt overbodig geweest zijn wanneer er in Utrecht maar één Sint-Salvatorkerk geweest was. In het licht echter van de vaststelling dat Bonifatius in omstreeks 745 een nieuwe Sint-Salvatorkerk naast de oude had gebouwd, is ze volkomen begrijpelijk en zinvol. Nog interessanter in de context van dit artikel is die slaapplaats op de zolder van een kerk. Bij een vrijstaand gebouw is dit zonder meer geen voor de hand liggende plek om de nacht door te brengen. Maar wanneer men zich zowel kerk als klooster in één gebouw voorstelt, te weten het vroegere Romeinse hoofdgebouw, wordt het wel begrijpelijk. Dan kon waarschijnlijk van binnenuit de zolder van de kerk bereikt worden, terwijl de stervende Gregorius niet buitenom naar de deur van het bedehuis hoefde te worden gebracht.

Deze vroege, nagenoeg contemporaine gegevens zijn voor ons een belangrijke reden om aan te nemen dat Willibrord voor zijn eerste Sint-Salvator en het daaraan verbonden klooster de voormalige principia gebruikt heeft.[25] Dat dit zeker geen ongebruikelijke gang van zaken was, blijkt wel uit het feit dat men ook elders kerken en kloosters aantreft, die in vroegere Romeinse gebouwen gevestigd waren. Een aansprekend voorbeeld hiervan is het vrouwenklooster te Pfalzel bij Trier, waar Gregorius’ grootmoeder Adela abdis was (afb. 5).[26]

Tot klooster verbouwd paleis Afb. 5. Het tot klooster verbouwde Romeinse paleis te Pfalzel bij Trier. De kerk bevindt zich in de zuidoosthoek van het complex (1) (G. Binding en M. Untermann, Kleine Kunstgeschichte der mittelalterlichen Ordensbaukunst in Deutschland, Darmstadt 20013, p. 27).

Hier kan nog het volgende aan worden toegevoegd. In een Romeinse principia bevond zich in het algemeen een vaandelheiligdom,[27] terwijl als gezegd eerste christelijke kerken vaak gebouwd werden op vroegere heidense cultusplaatsen. Waarschijnlijk was dit in Utrecht al met de eerste aan Sint-Thomas gewijde kerk het geval geweest. Ter plaatse, onder het verdwenen schip van de domkerk, waar volgens de ‘overoude tafel’ de eerste Utrechtse missiekerk van Dagobert werd gebouwd, zijn immers de resten van een Romeins gebouwtje aangetroffen dat vermoedelijk een tempeltje was (afb. 6).[28] Echter ook Willibrord zou dan bij zijn vestiging in Utrecht zijn eerste Sint-Salvatorkerk als eigen nieuwe missiekerk kunnen hebben gebouwd op een oude heidense cultusplaats. Dit lijkt ons in een nog vrijwel geheel te kerstenen gebied waarschijnlijker dan de door R. Rijntjes veronderstelde cella boven een niet nader te bepalen of later vermeld heiligengraf of een bewaarplaats van verder onbekende relieken.

Het Romeinse castellum Afb. 6. Het derde-eeuwse Romeinse castellum met het hoofdgebouw en ten noorden daarvan het rechthoekige gebouwtje dat vermoedelijk een tempeltje was. Montforts, Romeins Utrecht, p. 26.


Op den duur zal het oude Romeinse hoofdgebouw als kerk en klooster niet alleen te klein geworden zijn om de Utrechtse geestelijkheid te huisvesten en door de bouw van een nieuwe Sint-Salvatorkerk zijn functie als missiekerk, doopkerk en bisschopszetel hebben verloren, maar uiteindelijk in de tiende eeuw ook een sta-in-de-weg zijn geweest voor de uitbreiding van aan de zuidwestkant de Oudmunsterkerk en aan de noordkant de Sint-Maartensdom. Daarom zal men het gebouw hebben afgebroken maar uit eerbied voor het feit dat het hier de eerste Sint-Salvatorkerk en -klooster van Willibrord betrof van het sloopmateriaal de Heilig-Kruiskapel hebben gebouwd. Deze veronderstelling wint aan kracht door de al vermelde omstandigheid dat de kapel, hoewel niet precies op de plaats van de principia is gebouwd maar er half overeen, later geacht werd zelf die eerste Sint-Salvatorkerk van Willibrord te zijn geweest.

De ‘herbouwde’ en met de eerste Sint-Salvator van Willibrord vereenzelvigde Heilig-Kruiskapel is steeds blijven toebehoren aan het kapittel van Oudmunster en is, zoals we elders hebben uiteengezet, de hele middeleeuwen door bij de kanunniken van dit kapittel in hoge ere gebleven. Bij processies werd de kapel aangedaan en er werden regelmatig diensten in gehouden.[29] De heren van de dom daarentegen hadden weinig op met de Heilig-Kruiskapel. Noch in hun geschiedschrijving noch in hun liturgie kwam de kapel voor; zij verwees immers niet naar hun kerkpatroon Sint-Maarten maar naar hun ‘concurrent’ en moederkerk Sint-Salvator. Voor het domkapittel, dat zichzelf ten onrechte als de moederkerk van het bisdom beschouwde, was de kapel ook nog een sta-in-de-weg voor de uitbreiding van de domkerk in de breedte. Toen in het laatste kwart van de vijftiende eeuw het Gotische schip van de dom werd gebouwd, stelden de heren van de dom aan hun collega’s van Oudmunster voor de Heilig-Kruiskapel maar af te breken en elders weer op te bouwen. En nadat Oudmunster dit ongetwijfeld verontwaardigd van de hand gewezen had, schroomden de domkanunniken niet om op hun eigen terrein tegen de kapelmuur – die de grens vormde tussen de territoria van dom en Oudmunster – een loods te bouwen en tegen die muur kalk te laten bereiden om aldus het eerbiedwaardige gebouw alsnog te ruïneren. In het begin van de zestiende eeuw leidde dit zelfs tot een proces tussen de beide kapittels.[30]

Uiteindelijk zijn de heren van de dom niet in hun boze opzet geslaagd: de Heilig-Kruiskapel heeft tot in de negentiende eeuw haar bestaan weten te rekken. Na de afbraak van de Oudmunsterkerk in 1587 ging men haar ten onrechte vereenzelvigen met de door koning Dagobert gebouwde Sint-Thomaskerk, iets wat merkwaardigerwijs tot in de huidige tijd door sommigen wordt volgehouden. In 1826 is zij uiteindelijk afgebroken. De Oudmunsterkerk, waartoe zij behoorde, had dit lot als gezegd al veel eerder moeten ondergaan.[31]
De Heilig-Kruiskapel naar De Beijer
 Afb. 7. De sterk verbouwde Heilig-Kruiskapel op een afbeelding van Jan de Beijer uit 1744. Nadat de kerk van Oudmunster aan het eind van de zestiende eeuw was afgebroken ging men – anders dan in de middeleeuwse geschiedschrijving – de kapel ten onrechte vereenzelvigen met de door koning Dagobert gebouwde Sint-Thomaskerk uit de zevende eeuw (Koninklijk Huisarchief, P.S. A/T 178 en 44).
Conclusie

Op grond van het gehele beschikbare middeleeuwse bronnenmateriaal is onze conclusie dat toen Willibrord het Utrechtse castellum als uitgangspunt voor zijn missie in deze streken in gebruik nam, hij er eerst een Sint-Salvatorkerk bouwde, en wel binnen het Romeinse hoofdgebouw, de principia, ten zuiden van de via principalis. In dit gebouw werden ook zijn in een kloostergemeenschap samenlevende geestelijken gehuisvest. Later, waarschijnlijk omstreeks 720, herbouwde Willibrord de circa 630 door de Frankische koning Dagobert gebouwde en omstreeks 650 door de Friezen verwoeste Sint-Thomaskerk aan de noordzijde van de via principalis en wijdde deze toen aan Sint-Maarten. Omstreeks 745 bouwde voorts Bonifatius een nieuwe Sint-Salvator zuidwestelijk naast het Romeinse hoofdgebouw met hierin de eerste Sint-Salvator en het klooster. In de tiende eeuw moest dit laatste complex wijken voor uitbreiding van een of beide andere kerken van Sint-Salvator/Oudmunster en Sint-Maarten/dom. Van het afbraakmateriaal van de Romeinse principia werd tussen deze beide kerken in – nog half over de fundamenten van het vroegere hoofdgebouw heen – echter een kapel gebouwd die gewijd werd aan het Heilig Kruis. Deze Heilig-Kruiskapel werd daarop later, in ieder geval al sinds het begin van de twaalfde eeuw, als Willibrords eerste kerk beschouwd, en wel als zijn eerste Sint-Salvatorkerk. Na de afbraak van de Oudmunsterkerk in de late zestiende eeuw werd zij ten onrechte vereenzelvigd met de door koning Dagobert in de zevende eeuw gebouwde Sint-Thomaskerk en later ook nog met de op de fundamenten daarvan door Willibrord gebouwde Sint-Maartenskerk. Dit misverstand duurt bij sommigen nog tot op de dag van vandaag voort.


Summary

For centuries the Chapel of the Holy-Cross (Heilig-Kruiskapel) stood between St Martin’s cathedral church (domkerk or Sint-Maartenskerk) and St Saviour or Oldminster church (Sint-Salvatorkerk or Oudmunsterkerk) in Utrecht. In medieval historiography this cruciform little building was regarded as a church founded by the Anglo-Saxon missionary Willibrord at the end of the eight century and devoted to the Holy Cross. According to the oldest historiography this church was situated next to St Martin’s church that Willibrord had built on the foundations of an older church. After excavations since 1929 archaeologist A.E. van Giffen concluded that the Chapel of the Holy Cross did not date from Willibrord’s time but from the tenth or eleventh century.

However, in 1992 the Utrecht archaelogist H.L. de Groot put forward the remarkable idea that the chapel did date from Willibrord’s time after all and that it had to be a St Martin’s church built by this missionary. In 1993 a renewed excavation of the chapel took place. Charcoal samples found in the masonry were dated by the 14C-dating method. The results pointed at a dating in the tenth or eleventh century, as suggested by Van Giffen. In 2000 this was further worked out in this periodical on archaeologist C.A.M. van Rooijen.

However, the question remained why in the Middle Ages – already from the early twelfth century onward at least –  the chapel was regarded as having been founded by Willibrord in the eight century. This problem can be solved by assuming that the first St Saviour’s church of Willibrord – to be equated with the Holy Cross and not with St Martin – consisted of (a part of) the former Roman main building, the principia. The clergy living in a monastic community was also housed in this building. Indications for this are two nearly contemporary biographies of saints from the eight century. One vita describes how the dying abbot Gregorius had himself taken in front of the church door, where he died shortly afterwards, and the other mentions that when he stayed in Utrecht the missionary Liudger often slept ‘on the attic of the church of St Saviour that Willibrord had built’.

These statements are more comprehensible when we assume that the church and monastery were in one and the same building, probably the principia dating back to Roman times. After this main building had been demolished  in the tenth century, the Chapel of the Holy Cross was built from the reclaimed materials, half on the top of the former main building. In later centuries people came to regard this chapel as a church built by Willibrord, initially as the first St Saviour’s church, and since the seventeenth century, completely erroneously, as the first St Martin’s church.

Aanvulling uit 2012:








Funderingen
Foto van de opgraving van 1936. Tussen de rechthoekige Romeinse basementen bevinden zich funderingen die uit de tijd van Willibrord kunnen dateren. Daarachter de fundamenten van het koor van de Heilig-Kruiskapel. Uit: De Groot, ‘De Heilige Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 93 (1994) 136, afb. 2.

Plattegrond detail
Detail van de plattegrond hiernaast met de funderingsresten tussen de Romeinse basementen. Van Giffen vermoedde overigens dat het ook bij de situering van deze basementen om hergebruik ging. Het is dus niet ondenkbaar, zelfs aannemelijk dat Willibrord een forse verbouwing uitgevoerd heeft om de ruimten geschikt te maken als kerk- en kloostergebouw.

Funderingsresten van het door Willibrord gestichte kerk- en kloostercomplex van Sint-Salvator in het vroegere Romeinse hoofdgebouw

Al in een ‘Voorloopig bericht over de opgraving op het Domplein te Utrecht in december van 1929’, in: Opgravingen op het Domplein te Utrecht. Wetenschappelijke verslagen (Haarlem 1934-1938) 1-34, ald. 10, maakte de opgravende archeoloog Albert Egges van Giffen ter plaatse van het Romeinse hoofdgebouw gewag van ‘eene secundaire constructie’, waarbij er aanleiding was ‘te denken of aan het oude fundament uit Willibrord’s tijd, waarvan in den gememoreerden brief van Bonifacius melding wordt gemaakt, of wel aan de door den eerstgenoemden evangelieprediker zelf gestichte kapel’.

Inmiddels is er reden te over om te veronderstellen dat het hierbij gaat om restanten van het aan Sint-Salvator gewijde kerk- en kloostercomplex van Willibrord. We zijn vooralsnog geneigd aan te nemen dat de kerk zich in het noordelijk deel, langs de via principalis, bevond en het klooster in het zuidelijk deel. Met name het koor van de Heilig-Kruiskapel is dan na de sloop van het complex over het westelijk deel van de eerste Sint-Salvatorkerk van Willibrord heengebouwd.

Plattegrond funderingen
Overzichtsplattegrond K, die het vlak op circa 2,60-2,80 meter +NAP weergeeft. Gestippeld de omtrekken van het Romeinse hoofdgebouw en linksboven weergegeven die van de Heilig-Kruiskapel. Middenonder is de plaats van het standbeeld van Jan van Nassau aangegeven en rechtsboven het zuidwestelijk restant van de domkerk. Zie voor een verdere toelichting de afbeelding en de detailplattegrond hiernaast. Uit: Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht, 84.

Aanvulling uit 2014:

Twaalf redenen waarom de Heilig-Kruiskapel niet ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ kan zijn geweest

1.    De zogeheten ‘overoude’ domtafelen, die vroeger in het schip van de dom hingen, zeiden dat de eerste en later door Willibrord herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde kerk in isto presenti fundo, dit wil dus zeggen de op de plek van de latere domkerken, was gesitueerd. Ter plaatse zijn onder het Romaanse niveau verschillende vroegmiddeleeuwse funderingsresten, vloeren en vloerniveaus teruggevonden.

2.    Op archeologische gronden moet de Heilig-Kruiskapel gedateerd worden in de tiende eeuw en niet in de tijd van Willibrord, en wel omdat:
    a.    scherven uit de voegen van het muurwerk wijzen op na circa 750;
    b.    in de metselspecie teruggevonden houtskoolmonsters, die met behulp van de C14-methode werden gedateerd, op een enkele uitzondering na een datering in de tiende eeuw opleverden;
    c.    metselspecie van de fundamenten is uitgevloeid over de rand van een rode zandstenen sarcofaag, die op zijn vroegst uit de tiende eeuw dateert;
    d.    zowel het vloerniveau van als de hoogte van het maaiveld rond de kapel – tussen circa 3,90 en 4,16 meter boven NAP – eveneens op een datering in de tiende eeuw wijzen.

3.    Er zijn geen archeologische aanwijzingen dat de Heilig-Kruiskapel op de fundamenten van een ouder kerkje opnieuw is opgebouwd, zoals Bonifatius in 752/53 in een brief aan de paus schreef over de door Willibrord herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde Sint-Thomaskerk. De kapel was namelijk half over de fundamenten van het voormalige Romeinse hoofdgebouw heengebouwd (zie afb. 4 hierboven).

4.    De kapel behoorde niet tot het Sint-Maartens- of domkapittel, maar tot het kapittel van Sint-Salvator of Oudmunster.

5.    De kapel speelde geen enkele rol in de liturgie van de domkerk, maar wel een zeer belangrijke in die van Sint-Salvator.

6.    Het Sint-Maartens- of domkapittel heeft er nooit aanspraak op gemaakt dat de Heilig-Kruiskapel tot de dom heeft behoord of een oudere Sint-Maartenskerk is geweest.

7.    De Heilig-Kruiskapel komt nergens in de middeleeuwse geschiedschrijving voor als een oudere Sint-Maartenskerk. Pas sinds de zeventiende eeuw werd zij, geheel ten onrechte, als Thomecapelle off kercxken in verband gebracht met de eerste, door de Frankische koning Dagobert omstreeks 630 gebouwde en aan Sint-Thomas gewijde kerk in Utrecht, de voorganger van de Dom.

8.    In de vijftiende eeuw wilde het domkapittel, tot grote verontwaardiging van de collega’s van Oudmunster, de kapel laten afbreken voor de verbreding van de domkerk. Het plan is uiteraard niet doorgegaan, omdat de dom niets over de kapel te zeggen had.

9.    De patrocinia Sint-Salvator en het Heilig Kruis verwijzen beide naar Christus als Verlosser van de mensheid (Salvator is Latijn voor Verlosser).

10.    De veertiende-eeuwse chroniqueur Jan Beke – de belangrijkste middeleeuwse geschiedschrijver voor Holland en Utrecht – vermeldt dat Willibrord in Utrecht eerst een kerk bouwde die hij wijdde aan het Heilig Kruis en waarin hij de eerste doopvont plaatste. Later in de Middeleeuwen blijkt de doopvont in de Sint-Salvator te staan en niet in de later door Willibrord op de fundamenten van de Sint-Thomaskerk gebouwde Sint-Maartenskerk. Dit is de hele Middeleeuwen door zo gebleven.

11.    Beke maakt melding van de bouw door Willibrords leerling en opvolger Bonifatius van een nieuwe Sint-Salvatorkerk naast de oude. Van een nieuwe Sint-Maartenskerk naast de oude is nergens in de bronnen sprake.

12.    De middeleeuwse geschiedschrijving ten slotte verwijst voor wat de Heilig-Kruiskapel betreft eenduidig naar de door Willibrord gebouwde eerste Sint-Salvatorkerk en niet naar de door hem herbouwde en aan Sint-Maarten gewijde kerk.

Gezien dit alles moet het uitgesloten worden geacht dat de Heilig-Kruiskapel ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord was’, wat echter door een aantal onderzoekers – tegen al deze gegevens en argumenten in – hardnekkig, maar zonder nadere argumentatie, volgehouden wordt.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2008-2014. - Hier gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 13 augustus 2014.