Afbeelding Utrecht Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Andere rechtshistorische bijdragen op deze internetpresentatie:
Het gebruik van anachronistische 
    begrippen in de
    geschiedschrijving    
► Over het zeventuig
De middeleeuwen kenden geen
    eigendom

De dertiende penning
Rolverwisseling,
    eigendomsverschuiving,
    rolverschuiving?

Grondrente, een negentiende-  
    eeuws begrip

Stedelijke erfpacht historisch bezien

Literatuur

Spierings, M., Het schepenprotocol van ’s-Hertogenbosch 1367-1400 (Tilburg 1984)
Synghel, G. Van, Het Bosch’ protocol

(’s-Hertogenbosch 1993)

–  Actum in camera scriptorum oppidi de Buscoducis. De stedelijke secretarie van ’s-Hertogenbosch tot ca. 1450 (Hilversum 2007)
Grondboekhouding
door Martin de Bruijn


Een deugdelijke grondboekhouding is een van de belangrijkse pijlers van de rechtszekerheid. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de registratie van de rechten op onroerende goederen al oud is. In de Nederlanden is een dergelijke boekhouding in de twaalfde eeuw aarzelend op gang gekomen. In de tweede helft van de dertiende eeuw ontwikkelden met name steden een eigen systeem. Dit bestond in eerste instantie uit het opmaken van documenten waarin de rechtshandelingen werden beoorkond. De verkrijgers van rechten op onroerend goed kregen een dergelijke op perkament geschreven en bezegelde oorkonde uitgereikt. Oudere oorkonden werden vervolgens doorgaans mee overgedragen. Sluitend was dit systeeem intussen niet. Vererving vond in het algemeen plaats zonder dat er oorkonden van werden opgemaakt. En een kadaster zoals wij dat kennen, was in de Middeleeuwen onbekend.


Ook in de Zuid-Nederlandse stad ’s-Hertogenbosch heeft zich in de dertiende eeuw een dergelijk systeem van grondboekhouding ontwikkeld. De rechtshandelingen vonden er plaats ten overstaan van de schepenen van de stad. In het algemeen hechtten twee schepenen – die als testes (getuigen) werden omschreven – hun zegels aan de oorkonden. Vanaf 1350 werden deze schepenakten ook ingeschreven in een register. Dit register beslaat honderden delen, waarvan de oudste nog uit de veertiende eeuw dateren. Ze worden doorgaans ‘het Bosch’ schepenprotocol’ of ‘de Bossche schepenprotocollen’ genoemd. Het systeem heeft stand gehouden tot 1 maart 1811, toen in Nederland de Franse wetgeving werd ingevoerd. Terwijl van de uitgegeven oorkonden – ‘grossen’ genaamd, omdat alles er voluit in  beschreven werd – de meeste verloren zijn gegaan, zijn de verkorte inschrijvingen in de registers – de ‘minuten’ – goed bewaard gebleven. Er konden in ’s-Hertogenbosch niet alleen akten worden opgemaakt voor rechten op onroerend goed in de stad zelf, maar ook in de gelijknamige Meierij en zelfs in enkele gebieden daarbuiten. Dit heeft geleid tot een zeer uitgebreide rechtspraktijk.

Omdat plattegronden zoals in het kadaster ontbraken, was de omschrijving van de goederen waar de rechten op rustten van groot belang. Daarom wordt vrijwel altijd de ligging ervan gespecificeerd. Hiernaast was het van belang te weten van wie de gerechtigde zijn of haar rechten verkregen had. Doorgaans wordt slechts één voorganger vermeld. Maar een enkele keer vond de secretaris die de schepenakte opstelde het van belang om meer voorgangers te vermelden. Hiervan vormt onderstaande van 18 november 1450 (Gemeentearchief ’s-Hertogenbosch, Rechterlijk archief nr. 1221, folio 229) een treffend voorbeeld. Hierin worden verschillende opeenvolgende gerechtigden in een erf, die daaruit een jaarlijkse last, een ‘cijns’, moesten betalen, opgesomd.
Schepenakte
Transcriptie

Willelmus Dicbier, filius Iohannis, tamquam magister et rector mense sancti Spiritus in Buscoducis, cum expressis consensu et voluntate provisorum eiusdem mense, hereditarium censum vigintiquinque solidorum et quinque denariorum communis pagamenti, quem censum Ghiselbertus Roesmont hereditarie solvere tenetur dicte mense ex hereditate cum suis edificiis, sita in Buscoducis ad locum dictum Zijl, que hereditas olim ad Goeswinum Herinc, postea ad Goeswinum Aelbrechs soen carnificem, de post ad Iohannem Osman, deinde ad Arnoldum Dicbier, postmodum ad Iohannem Bathen spectare consueverat et nunc ad dictum Ghiselbertum pertinere dinoscitur, ut dicebat, hereditarie supportavit Ghiselberto Roesmont predicto, promittens sub obligatione omnium bonorum dicte mense ratum servare et obligationem et impetitionem ex parte dicte mense deponere[a].Testes, datum supra (= Bathen soen et Goevy. Datum xviii novembris).

[a]  In het handschrift staat abusievelijk tweemaal deponere.
De vertaling hiervan luidt:
‘Willem Dicbier, zoon van Jan, als meester en bestuurder van de Tafel van de Heilige Geest in ’s-Hertogenbosch, heeft met uitdrukkelijke instemming en wil van de provisoren van dezelfde tafel een erfelijke cijns van 15 schellingen en 5 penningen openbaar geld, welke cijns Gijsbrecht Roesmont erfelijk moet betalen aan de genoemde Tafel uit een erf met zijn bebouwing, gelegen in ’s-Hertogenbosch ter plaatse geheten Zijl, welk erf eertijds aan Gosen Herinc, later aan Gosen Albrechtsz. vleeshouwer, daarna aan Jan Osman, vervolgens aan Aart Dicbier, later aan Jan Baten toebehoorde en nu aan Gijsbrecht toebehoort, zoals hij zei, erfelijk opgedragen aan Gijsbrecht Roesmont, belovend om deze opdracht onder verband van alle goederen van de genoemde Tafel van waarde te houden en de verplichtingen van de genoemde Tafel af te doen. Getuigen, datum als boven (= Batenz. en Govy. Gegeven 18 november).’

De Tafel van de Heilige Geest was de belangrijkste instelling voor armenzorg in de stad. Een cijns was een geldelijke verplichting die uit een onroerend goed betaald moest worden (vaak aan een kerkelijke of liefdadige instelling, maar ook wel aan particulieren). Het erf betrof het latere Achter het Wild Varken 11, waar zich nu het Stadskantoor van ’s-Hertogenbosch bevindt (de Zijl omvatte de tegenwoordige Snellestraat, Achter het Verguld Harnas, Achter het Wild Varken en de Wolvenhoek). Opvallend is dat de ligging van het erf hier juist niet nader omschreven is en verder dat de secretaris voor de aanduiding ‘later’ steeds andere woorden heeft gebruikt (in de vertaling is dat ook geprobeerd maar niet helemaal geslaagd). Waarom er in deze akte zo veel opeenvolgende gerechtigden worden vermeld is niet duidelijk.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2010-2012. - Gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 18 september 2012.