Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De herdgang de Rijt in Tilburg
en de daar gelegen hoeve Ter Rijt
van de familie Bac

door Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘De herdgang de Rijt in Tilburg en de daar gelegen hoeve Ter Rijt’ (www.broerendebruijn.nl/GoedterRijt.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).
[1] Naast de medewerkers van het Regionaal Archief Tilburg [RAT] dank ik G.C.M. van Dijck, W. de Bakker en H. Vogels voor de door hen verstrekte informatie en medewerking.

[2] M.W.J. de Bruijn, ‘Twee hoeven Ter Ryt. Een bijdrage tot de nederzettingsgeschiedenis van Tilburg’, Actum Tilliburgis. Driemaandelijks tijdschrift van de Heemkundekring “Tilborch” 12 (1981) 18-28 (volledig raadpleegbaar op Academia.edu).

[3] F. Smulders, ‘Tilburg rond 1450 VII. De Hoeven, de Schijf en de Rijt’, Actum Tilliburgis 5 (1974) 107-112.





















































[4] (Tilburg 1994) passim, maar m.n. 73-75 en 394-399.

[5] Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312  [ONB], dl. I, De Meierij van ’s-Hertogenbosch, uitg. H.P.H. Camps (’s-Gravenhage 1979).

[6] Abdijarchief Tongerlo [AAT] 116, ‘Schepenbrieven m.b.t. diverse bezittingen’, 14de-15de eeuw: Copiȩ diversarum litterarum scabinalibus de bonis monasterii Tongerloensis in Tilborch, Udenhout, Haren, Gestele, Goerle.

[7] AAT, Charter 327b.

[8] ONB, nr. 823.

[9] supra terciam partem bonorum Van der Riet, secundum quod fuerant domine Cristine dicte Kariis et sui fratris presbiteri, tamquam supra allodium.

[10] Ald. 26-27.

[11] Gemeentearchief ’s-Hertogenbosch [GAHt], Schepenprotocol R. [R.] 1183, f. 332v. In de oorkonde staat dat Hendrik het goed van zijn broer had verkregen. Dit zal een vergissing zijn. Van Hendrik is geen broer Hubrecht bekend; bovendien wordt in de akte geen voornoemde (predictum) broer Hubrecht vermeld, wél vader Hubrecht.

[12] GAHt, R. 1198, f. 72v. en R. 1210, f. 346. Zie ook De Bruijn, ‘Twee hoeven Ter Ryt’, 26.

[13] AAT 116, f. 100-102.

[14] Zie Trommelen en Trommelen, Toponiemen, a.w. 446 (nr. 652) en 475-476 (nr.713).
Door de toenemende digitalisering komen steeds meer archivalische bronnen onder direct handbereik.[1] Dit brengt mij ertoe een aanvulling te geven op een artikel dat ik in 1981 heb geschreven over twee hoeven in Tilburg die beide werden aangeduid als Ter Ryt of Ter Rijt.[2] De ene hoeve was gelegen hoofdzakelijk ten zuiden van de parochiekerk ter plaatse van de huidige Heikese kerk en was half leenroerig aan de voormalige heerlijkheid Gageldonk en half aan de heerlijkheid Boxtel. Hiermee liet zij zich identificeren als een hoeve behorend tot het domein van de heren van Tilburg uit de twaalfde en dertiende eeuw. De andere hoeve had ik toen nog niet kunnen traceren, al wees een aantal bronnen erop dat zij gelegen was in de in het westen van Tilburg gelegen herdgang de Rijt, in latere spelling de Reit genoemd. Dit is ongeveer twee kilometer ten westen van het leengoed bij de kerk.

Al in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd door de archiefvorser F. (Ferdinand) Smulders vastgesteld dat de herdgang de Rijt, een van de wijken waarin Tilburg vanouds verdeeld was, relatief klein was.[3] Hij grensde in het noorden aan de herdgang (Reitse) Hoeven, in het oosten aan de herdgang de Veldhoven, in het zuidwesten aan de herdgang Korvel, in het zuiden aan de herdgang de Berkdijk en in het westen aan de gemeenschappelijke gronden, de gemeint. Een deel van de Rijt lag in de Schijf, een groot schijfvormig oud akkergebied, dat zich ook over delen van de andere hierboven genoemde herdgangen uitstrekte. Met name dit feit maakt precieze situering lastig.

In 1994 publiceerden vader en zoon J.R.O. Trommelen en M.P.E. Trommelen Tilburgse toponiemen. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring.[4] In deze publicatie behandelden zij, voornamelijk op basis van de zestiende-eeuwse toponymische bronnen, ook de Tilburgse herdgangen. Dat zij er niet helemaal in geslaagd zijn de Rijt exact te situeren, blijkt uit het feit dat zij de gegevens over de twee hierboven genoemde hoeve Ter Rijt splitsten in een verhandeling over een ‘Goet ter Riet’ (nr. 216) en een Hoeve ter Rijt (nr. 343), maar in deze lemma’s de bronnen over de beide goederen door elkaar haalden en vermengden. Ik ga de misverstanden niet specificeren, maar zal hieronder aantonen dat het door hen vermelde Goed ter Riet de hoeve in de herdgang de Rijt was. Deze hoeve was geen leengoed, zoals dit met de hoeve hoofdzakelijk ten zuiden van de kerk wél het geval was.

Plattegrond Verhees 1790
Het zuidwestelijk middendeel van Tilburg op de plattegrond van Hendrik Verhees van 1790. Het noorden ligt rechts. Midden boven bevindt zich de herdgang De Reit, waar de hoeve Ter Rijt lag; rechtsonder de Heuvel en Enthoven. Het leengoed Ter Rijt, gehouden van Boxtel en Gageldonk, lag ten zuiden van de kerk.

De bronnen waarover we beschikken, bestaan voor het grootste deel uit oorkonden, akten om tot bewijs van een recht te dienen. De teksten van de oudste zijn afgedrukt het Oorkondenboek Noord-Brabant tot 1312.[5] In een oorkondenboek worden de oorkonden doorgaans chronologisch afgedrukt en dat is ook hier het geval. Er bestaan echter van sommige oorkonden ook registers met afschriften, zogeheten cartularia, waarin de akten in samenhang van de rechten zijn opgenomen. Dit laatste is bijvoorbeeld min of meer ook het geval met een cartularium van de abdij Tongerlo in de Belgische Kempen. Deze abdij bezat veel rechten in Tilburg en omgeving. Het betreffende cartularium is in het archief genummerd 116 en bevat teksten van oorkonden die betrekking hebben op de dorpen Tilburg, Udenhout, Haaren, Moergestel en Goirle.[6] Het oudste gegeven betreffende het hier behandelde Goed ter Riet, van 27 juli 1310, is daar afgeschreven op folio 102v. en 103r. De tekst van deze oorkonde, die ook in origineel bewaard is gebleven,[7] is afgedrukt in het Oorkondenboek Noord-Brabant.[8] In deze oorkonde verkopen de gebroeders Gijsbrecht, Wouter en Hendrik Bac een jaarlijkse uitkering van elk 3 mud rogge aan de abdij. Eerstgenoemde deed dit uit of ‘op’ (supra) – dit wil zeggen met als onderpand – het derde deel van goederen Van der Riet, zoals zij waren van vrouwe Christien geheten Kariis en haar priester-broer, als op een vrijeigen goed (allodium).[9] Dit laatste had vader en zoon Trommelen te denken moeten geven, omdat het hier dus niet om leengoed gaat. De suggestie dat het in de oorkonde uit 1310 de allodiale hoeve Ter Rijt betreft die in de latere bronnen voorkomt, heb ik al gedaan in mijn genoemd artikel,[10] welk artikel overigens door de beide auteurs Trommelen in hun publicatie onvermeld is gebleven.

Helaas duurt het hierna lange tijd voor we weer over nieuwe gegevens beschikken. Het eerstvolgende gegeven dat ik heb kunnen traceren en dat al opgenomen is in mijn genoemd artikel, is een Bossche schepenakte van 6 juni 1404, waarin Hendrik Bac, zoon van wijlen Hubrecht Bac en van Margriet dochter van Jan Bie van Goirle, de goederen – beter gezegd: een goed – van wijlen Hubrecht uitgeeft in erfelijke pacht. Dat goed wordt omschreven als die hoeve ter Rijt. Hendrik Daneels had dit goed bewerkt (tamquam colonus). Hendrik Bac had het verkregen van zijn vader Hubrecht; niet van een broer Hubrecht, zoals in de akte staat.[11] De verkrijgers in pacht waren Aalwin natuurlijke zoon van Aalwin Sculenborch en Daneel zoon van wijlen Hendrik Daneelsz. De jaarlijkse pachtsom bedroeg 6 mud rogge aan de abdij Tongerlo en 4½ mud rogge aan Hendrik Bac, waarmee de identificatie met het in de oorkonde uit 1310 genoemde goed voor de hand ligt. Hierbij moet worden aangenomen dat de 3 mud rogge die Gijsbrecht in 1310 verkocht had uit het derde deel van Ter Rijt is aangevuld met nog 3 mud, waarschijnlijk uit een van de andere derde delen die hebben toebehoord aan Gijsbrechts broers Wouter en Hendrik. Twee Bossche schepenakten, een van 21 mei 1428 en een van 17 juli 1440, hebben voorts betrekking op overdracht van de rechten van de erfgenamen van Hendrik Daneelsz. Het goed werd hierin telkens omschreven als die ho(e)ve ter Rijt.[12]

De inkomsten van de abdij Tongerlo uit dit goed lijken in de loop van de veertiende eeuw in het ongerede te zijn geraakt. Dit blijkt uit enkele oorkonden in het genoemde cartularium die vóór de oorkonde uit 1310 zijn afgedrukt.[13] Met name een oorkonde van 13 januari 1488 is interessant. Voor de Tilburgse schepenen verklaarde een vijftal Tilburgers onder ede ten behoeve van de abdij dat de abdij meer dan dertig à veertig jaar in het bezit was geweest van een erfelijke pacht van 3 mud rogge per jaar uit een aantal onderpanden geleghen in der prochien van Tilborch ter steden geheyten die Rijt, te beginnen uit een huis en hof met toebehoren en verder uit een aantal grondstukken. Waarschijnlijk gaat het hierbij om de hoeve Ter Rijt, maar dat wordt niet met zoveel woorden gezegd. De landerijen hebben in het afschrift van de oorkonde namen als Sueproye, Suepsele en den Weist. Ik denk dat het hier om twee akkers genaamd de Suepsoye en de Werft is gegaan, genoemd naar twee waterlopen in de Schijf in de herdgang de Rijt.[14]
[15] AAT, Charter 916. In de afschriften van 116, f. 38-39.

[16] H. Vogels heeft in Terug naar de Bac-ermat nuttige pogingen gedaan om de verschillende takken van het geslacht Bac te determineren (zie ook noot 30).

[17] Erens, Oorkonden Tongerlo III, nr. 815.

[18] Algemeen Rijksarchief [ARA] Brussel, Rekenkamers 45038.

[19] Erens, Oorkonden Tongerlo III, nr. 873 (23 december 1342): Hubertus dictus Bac, frater carnalis domini Walteri Bac, abbatis monasterii antedicti.

[20] AAT 116, f. 114

[21] AAT, Charter 854.

[22] ARA Brussel, Rekenkamers 45072, blz. 85.

[23] AAT, Charter 326; 116, f. 88v.; ONB I, nr. 820.

[24] AAT 116, f. 102v.-103; druk: ONB I, nr. 823.

[25] Erens, Oorkonden Tongerlo, nr. 741: Henrico dicto Back de Westilborch.

[26] Ald. nr. 586.

[27] ONB I, 2, nr. 615: Hermanni de Rijt et Arnoldi Bac fratrum.

[28] Trommelen en Trommelen, Toponiemen, 210-211 (nr. 178. Eijndthoven).

[29] L. Galesloot uitg., Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant (Brussel 1865) 3 (f. 1): Arnoldus Berthout Bac apud Inthout ultra Venne in Westilborch XV libras annuatim. Iohannes filius suus tenet.

[30] Voor de mogelijke connectie zie Vogels, Terug naar de Bac-ermat, dl. I (2014, met aanvulling van 2022).

[31] Putten uit het Bossche verleden. Vriendenbundel voor Hans Janssen ter gelegenheid van zijn afscheid als stadsarcheoloog van ’s-Hertogenbosch, red. R. van Genabeek e.a. (’s-Hertogenbosch 2012) 87-97.
Rest de vraag wie de bezitters van dit goed of deze hoeve Ter Rijt zijn geweest vóór een Hendrik Hubrechtsz. Bac het in 1404 in erfelijke pacht gaf aan Aalwin Aalwinsz. Sculenborchs. Zoals hierboven is vermeld wordt in deze oorkonde Hendrik een zoon genoemd van wijlen Hubrecht Bac en Margriet dochter van Jan de Bie van Goirle.

Een Oisterwijkse schepenakte van 19 juni 1385, opgenomen in het cartularium maar waarvan ook het origineel bewaard is gebleven, verschaft uitvoerige informatie over de gezinssamenstelling van Hubrecht.[15] Hieruit blijkt dat hij een zoon Hendrik en een dochter Heilwig had uit zijn eerste huwelijk. Uit zijn tweede huwelijk met Margriet Jansdr. de Bie had hij vier zonen, genaamd Jan de Bie, Hendrik Bac, Wouter Bac, Willem Bac, en twee dochters, Jut en Liesbet.

Enigszins opmerkelijk is dat de oudste zoon uit het tweede huwelijk niet Jan Bac, maar Jan de Bie werd genoemd. We hebben gezien dat de tweede echtgenote van Hubrecht een Margriet dochter van Jan de Bie was. Het was in die tijd niet ongebruikelijk om kinderen de achternaam van hun moeder, of althans van haar ouders, te geven, met name wanneer het om personen van aanzien ging. Dit is ook hier het geval. Het behoeft geen betoog dat dit het genealogisch onderzoek voor deze periode buitengewoon lastig maakt. Zonder samenhangende nadere informatie is het in veel gevallen ondoenlijk om betrouwbare stamreeksen samen te stellen.[16]

De vader van het gezin, Hubrecht Bac, aan wie blijkens de akte uit 1404 de hoeve ter Rijt had toebehoord, laat zich met een tamelijk grote mate van zekerheid identificeren. Dat is met name te danken aan het feit dat de voornaam Hubrecht (Hubertus) in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, waartoe Tilburg behoorde, betrekkelijk weinig voorkwam. Zijn eerste vermelding lijkt mij te dateren van 14 december 1336, toen hij in een belending van een weiland in Tilburg aangeduid werd als – met behoud van de genitief in de oorkonde – Huberti filii Henrici dicti Bac.[17] Hij komt ook voor in de cijnsregisters – registers van de grondbelasting – van de hertog van Brabant van 1340 in relatie tot goederen in Tilburg, Enschot en Heukelom. Ook hier wordt hij een zoon van een Hendrik Bac genoemd.[18] Verder is bekend dat hij een broer was van abt Wouter van Tongerlo, die dit ambt heeft bekleed van 1334 tot 1366.[19] In 1378 heet hij Hubrecht geheyten Bac van Westilborch (= Tilburg). Op 28 oktober van dat jaar verkocht hij een pacht uit de helft van 5 bunder beemd in Tilburg.[20]

Op dezelfde datum treedt Hubrecht geheyten Bac, zoen Henric Bacs Hubrechts zoen op, om het recht te naasten waarvan zijn grootvader zojuist afstand had gedaan.[21] We treffen hier niet alleen drie generaties aan, maar ook drie nog levende generaties. Wanneer vader Hendrik of grootvader Hubrecht inmiddels overleden waren, was dit aangeduid met de aanduiding ‘wijlen’ (quondam) en dat is hier niet het geval. Ook lijkt grootvader Hubrecht nog voor te komen in het hertogelijk cijnsregister van 1380.[22] Maar gezien de leeftijd die hij toen al moet hebben gehad, zal hij niet lang daarna overleden zijn.

Diens vader heette dus ook Hendrik. We zien hem in het begin van de veertiende eeuw regelmatig als rentmeester optreden voor de abdij. Het gaat dan steeds om goederen in de omgeving van Tilburg en inkomsten daaruit. Het vroegst bekende gegeven dateert van 27 juli 1310, toen de oude tiend van Tilburg aan de abdij werd overgedragen.[23] Kort daarop, op 27 juli 1310, toen zijn broer Gijsbrecht 3 mud rogge verkocht op het derde deel van de goederen Ter Riet, verkocht Hendrik 3 mud op het grote huis (mansio) waarin hij woonde en op een braakliggend stuk land (braka). Zijn andere broer Wouter verkocht 3 mud rogge op zijn hoeve (mansus) zoals zij van Dirk Bliec was, gelegen tegenover zijn deur.[24] De laatste vermelding van Hendrik dateert van 17 juli 1331, toen goederen in Udenhout werden overgedragen aan Hendrik Bac van Tilburg ten behoeve van de abdij.[25] Ook op 30 mei 1320 was hij als zodanig aangeduid: Henrijc Bach van Westilborch.[26]

Ik ben er niet achtergekomen wie de vader van Hendrik Bac van Tilburg was. Mogelijk was dit Herman van der Rijt, vermeld op 20 mei 1301. Hij was een broer van een Arnoud of Aart Bac.[27] Mogelijk was deze laatste op zijn beurt de vader van Aart geheten Bertout Bac van Tilburg, voor het eerst vermeld in een leenregister van de hertog van Brabant van 1312. Deze hield toen het goed Inthout (= Enthoven)[28] in Tilburg van de hertog in leen.[29] Zo zou Hendrik Bac dan een neef van abt Hubrecht van Tongerlo en van onder meer Aart Bertout Bac van Tilburg kunnen zijn geweest.[30] De voornaam Hubrecht komen we overigens niet in de oudere gegevens over de familie Bac tegen. Het is in Brabant een vrij uitzonderlijke naam.

Dit alles levert voor de veertiende eeuw de volgende reeks bezitters van de allodiale hoeve Ter Rijt op:
1. (met een vraagteken) Herman van der Rijt, vermeld op 20 mei 1301 met broer Aart Bac, mogelijk, maar niet zeker, identiek met Aart Bertout Bac;
2. Hermans zoon (?) Hendrik Bac van Tilburg (deze had twee – waarschijnlijk oudere – broers: Gijsbrecht en Wouter); laatste vermelding van Hendrik 17 juli 1331;
3. Hendriks zoon Hubrecht Bac van Tilburg (was een broer van abt Wouter Bac); eerste vermelding 14 december 1336, laatste van in leven zijn 28 oktober 1378;
4. Hendrik Bac (zoon van Hubrecht uit diens tweede huwelijk met Margriet dochter van Jan de Bie); gaf op 6 juni 1404 de hoeve Ter Rijt uit in erfelijke pacht.

Dat we na de laatstgenoemde Hendrik geen latere leden van de familie Bac meer terugvinden als gerechtigden in de hoeve Ter Rijt, heeft te maken met het feit dat de Middeleeuwen een ander begrip van eigendom hadden dan het moderne recht. Nadat een goed erfelijk was uitgegeven, zoals in 1404 gebeurde, behielden de uitgever en zijn rechtsopvolgers niet de zogeheten blote eigendom, maar slechts een recht op de cijns of pacht, die zij op hun beurt ook weer zelf konden vervreemden of aan hun erfgenamen nalaten. Ik heb deze omstandigheid voor Noord-Brabant enigszins uitgewerkt in mijn artikel uit 2012 ‘Hereditario iure – in enen erfrecht. Kanttekeningen bij de interpretatie van de rechten op onroerend goed in ’s-Hertogenbosch vóór 1811’.[31]
[32] GAHt, R. 1177, f. 307. Op 22 maart 1403 droeg Korstien weduwe van Jan Coninc het vruchtgebruik over aan hun beider kinderen Korstiaan, priester, Gevard, Rutger, Liesbet en Korstien, die de pacht een dag later overdroegen aan Bruisten van Andel (GAHt, R. 1183, f. 113). Omdat de tekst gedeeltelijk overgenomen werd uit de akte van 1386, werd Hendrik zoon van wijlen Hubrecht Bac nog als levend voorgesteld, terwijl hij al vóór 6 april 1389 overleden was.

[33] R. GAHt, R. 1178, f. 97.
De hoeve van deze Bac-tak in Tilburg aan de Heuvel en het Goed Inthout (Enthoven)
 
Deze Bac-tak bezat nog een tweede hoeve, en wel aan de Heuvel, het latere centrum van Tilburg. Uit een oorkonde van 28 juni 1386 blijkt dat dit goed toen in het bezit was van Hendrik Bac, de zoon van wijlen Hubrecht Bac uit het eerste huwelijk met Goetsto. Ook wordt vermeld dat de hoeve afkomstig was van Hubrecht. Zij werd gesitueerd bij een erf van de abdij Tongerlo. Als toebehoren werden landen, beemden, heiden en weilanden genoemd. Op genoemde datum ‘verkocht’ Hendrik een erfelijke pacht van 4 mud rogge, Oisterwijkse maat, uit het goed aan Jan Coninc.[32]
 
Een kleine drie jaar later vernemen we meer over goederen aan de Heuvel in Tilburg die in het bezit waren geweest van Hendrik. Op 6 april 1389 verkochten drie zoons van de inmiddels overleden Hendrik Bac, te weten Hubrecht, Aart en Wouter, delen van het goed. Om te beginnen verkochten zij samen een kamp – dit wil zeggen een afgebakend stuk land – achter de Heuvel aan Reinke van Broekhoven, zoon van wijlen Gerit van Broekhoven. Hieruit moesten jaarlijks worden betaald 2/3 deel van een oude groot aan de hertog van Brabant en een erfelijke pacht van 44 lopen rogge aan de abdij Tongerlo. Verder verkochten de broers een beemd, waarvan de ligging niet wordt genoemd, maar eveneens grenzend aan grond van Tongerlo, aan Jan van Gierle, zoon van wijlen Hendrik van Gierle, en aan Jan van Aarle, zoon van wijlen Jan van Aarle. Hieruit moest een cijns aan Tongerlo worden betaald. Vervolgens verkochten zij een stuk land geheten die aude hofstat van 11 lopense, eveneens grenzend aan grond van Tongerlo en aan die gemeyn heerwech, aan Gerit van Broekhoven. Hieruit gingen het derde deel van een oude groot aan de hertog van Brabant en een erfelijke pacht van 4 lopen rogge aan Tongerlo. Gerit van Broekhoven beloofde 30 1/3 Hollandse gulden aan Hubert te betalen. Verder verkocht Gerit een erfelijke pacht van 1 mud rogge, Bossche maat, uit tGoet te Heskoke in Meerveldhoven aan Hubrecht Bac. Deze pacht was daaruit verkocht door Wouter zoon van wijlen Wouter van Oerle. De drie broers verkochten ten slotte nog 5 bunder land bij de Heuvel in Tilburg – dit wil zeggen meer dan 5 hectare, dus een groot stuk grond – aan Willem zoon van wijlen Jan Ommaet. Hieruit gingen 12 penningen cijns aan de hertog en een erfelijke pacht van 4 mud rogge, Oisterwijkse maat en in Oisterwijk te leveren – aan heer Willem Coster. Deze beloofde de drie broers hiervoor te vrijwaren.[33]
 
Ik heb niet kunnen achterhalen of er bij deze grond aan en in de omgeving van de Heuvel in Tilburg een connectie heeft bestaan met het hertogelijk leengoed Enthoven, dat niet ver ten oosten van genoemd plein lag. Zoals hierboven vermeld werd dit goed in 1312 in leen gehouden door Aart Bertout Bac van Tilburg, mogelijk een broer van Hubrecht abt van Tongerlo en een neef-oomzegger van de hierboven genoemde Herman van der Rijt, als mogelijk oudst bekende bezitter van de hoeve Ter Rijt en de hoeve aan de Heuvel.

Ten slotte ben ik, anders dan in mijn artikel 'Twee hoeven Ter Ryt' uit 1981, inmiddels wel de mening toegedaan dat het leengoed bij de kerk, half leenroerig aan Boxtel en half aan Gageldonk, in oorsprong wel degelijk de kern van het heerlijk domein Tilburg heeft gevormd.


© 2022 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 2 augustus 2022; laatst bewerkt 10 augustus 2022.