Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Voor een inleiding, nadere toelichting en een inhoudsopgave zie het ► Dossier Jan en Hubert van Eyck.
Kanttekeningen bij het voormalige graf en epitaaf van Jan van Eyck in de Sint-Donaaskerk in Brugge
door Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘Kanttekeningen bij het voormalige graf en epitaaf van Jan van Eyck’ (www.broerendebruijn.nl/EyckEpitaaf.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).
[1] E. (Elisabeth) Dhanens, ‘De kwartierstaat en het graf van Jan Eyck’, Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Schone Kunsten, jrg. XXXIX (1977) nr. 4, 50 blz.


[2] Ald. 21-26.


Grafsteen
Tekening uit het eind van de achttiende eeuw van de later verdwenen grafzerk van Jan van Eyck in de Sint-Donaaskerk in Brugge. Kennelijk waren daarop ook het wapenschild met de drie schildjes aangebracht (Dhanens, a.w., 48). Overigens waren schilden met drie schildjes in gebruik bij de schildersgilden, die doorgaans waren gewijd aan Sint-Lucas (zie de aanvulling van 26 mei 2023 hieronder).


[3] Dhanens, ‘De kwartierstaat’, 8-12 en 17-20.


[4] Voor de heraldische kleuren zie Dhanens, ‘De kwartierstaat’, 22.


[5] M.J. (Marten Jan) Bok en W.A. van Wijburg, ‘De nakomelingen van de Utrechtse kunstschilder Jan van Scorel’, in: Utrechtse parentelen vóór 1650, dl. 3 (2012) 10-242, ald. 20, afb. 9.


[6] Ald. 237, nt. 28: Centraal Bureau voor Genealogie, verzameling genealogische handschriften GHS 50 A 08, ‘Collection de 2266 armoiries … de familles nobles et patriciennes des Pays-Bas’ (ca. 1825) 202.

Wat zeggen de wapens op het epitaaf over de ouders en de geboorteplaats van de schilderbroers?

In 1977 publiceerde wijlen E. (Elisabeth) Dhanens een voorbeeldig gedetailleerd en met bronnen gestaafd artikel over het vroegere graf en epitaaf van de vijftiende-eeuwse schilder Jan van Eyck in de Sint-Donaaskerk in Brugge.
[1] Het epitaaf is in de zestiende eeuw beschreven in een aantekenboekje door een anonymus, die ook de bijbehorende wapenschilden afbeeldde.[2] Dhanens spreekt hierbij van een kwartierstaat, dus van de voorouders van de schilder gedurende meerdere generaties. Maar hiervan is geen sprake. De afbeeldingen bevatten slechts drie wapens, die op een merkwaardige wijze gerangschikt zijn (zie de afbeelding en de Aanvulling hieronder). Het eerste wapen bevat een zogeheten tweekoppig slangenkruis, het tweede drie zogeheten molenijzers en het derde drie schildjes.

Tekst en wapenschilden
De wapens op het verdwenen epitaaf van Jan van Eyck bij zijn graf in de kerk van Sint-Donaas in Brugge volgens een zestiende-eeuws aantekeningenboekje (Dhanens, ‘De kwartierstaat en het graf van Jan van Eyck’, 49). Het schild rechtsonder met de drie daarin opgenomen schildjes heeft zich ook op de grafzerk bevonden (zie de afbeelding hiernaast). Van een kwartierstaat is geen sprake, hooguit van de familiewapens van de vader en moeder van de schilder.

Dhanens onderzocht de betekenis van beide eerstgenoemde wapens en kwam mijns inziens terecht tot de conclusie dat het slangenkruis wees naar Sittard en omgeving, en naar Sittardse families, het wapenschild met de drie molenijzers echter naar de Meierij van ’s-Hertogenbosch en enkele Brabantse families. Voor wat de herkomst van de gebroeders Van Eyck betreft dus niet eenduidig maar juist tweeduidig, al had Sittard ook niets te maken met Maaseik, de veronderstelde geboorteplaats van Jan van Eyck. Noch het Nederlandse noch het Belgische Limburg bestond in die tijd. Hoewel Sittard deel heeft uitgemaakt van het hertogdom Limburg, behoorde het vanaf 1400 tot het hertogdom Gulik. Maaseik lag in het graafschap Loon, dat sinds 1370 verbonden was met het wereldlijk vorstendom Luik. Het ging dus om verschillende gewesten, maar juist niet om het toenmalige hertogdom Limburg.

Noch het ene noch het andere wapenschild verwijst dus naar Maaseik. Wel naar Bergeijk, dat ook wel eens genoemd is als de geboorteplaats van de gebroeders Van Eyck, de vijftiende-eeuwse schilders? De archiefvorser Lucas van Dijck deed twee verrassende ontdekkingen.Ten eerste dat het wapen met de molenijzers werd gevoerd door een tak van de familie Bac, waartoe de schilders volgens de uitkomsten van zijn onderzoek behoord hadden, namelijk het Tilburgse Bac van Broekhoven, en ten tweede dat de Bergeijkse familie Bac nauw geparenteerd was aan… een familie Van Sittard (ook Sittart, Sittert, Zittart en Zittert).

Ook hier geldt weer: dit kan vrijwel zeker geen toeval zijn. Het voerde Van Dijck op basis van zijn zeer uitgebreide bronnenonderzoek tot de volgende conclusies: 1. de schilders kwamen in de mannelijke lijn voort uit de tak Bac van Broekhoven, en 2. hun moeder Katelijn was afkomstig uit Sittard of omgeving en droeg daarom de familienaam Van Sittard.

Het leek plausibel, maar naar mijn idee klopt het niet. Want nauwkeurig onderzoek van de hierboven genoemde bronnen leidde niet naar de familietak Bac van Broekhoven, maar naar de tak Bac van Westilburg (= Tilburg), en de naam Sittard naar een familie die afkomstig was uit... Zittert onder Oerle, grenzend aan Bergeijk. Die woonde toen al minstens twee generaties in Oerle.

Hoe is de maker van het epitaaf met de wapenschilden dan op het Brabantse wapen met de molenijzers en dat met het Sittardse slangenkruis uitgekomen? Ik denk dat hier sprake is geweest van een interpretatie achteraf. De samensteller had vernomen van een vader Bac en van een moeder Van Sittard en kwam uit op de hem bekende afgebeelde wapens. Hij had, om een bekend gezegde te gebruiken, de klok horen luiden, maar wist niet waar de klepel hing. Dat is niet onverklaarbaar. Zeker is dat de tekst van het epitaaf niet uit de vijftiende eeuw dateert, maar gezien de renaissancetekst uit de zestiende eeuw, dus van lang na het overlijden van Jan van Eyck in 1441.[3] In de zestiende eeuw zullen de werkelijke namen van de (voor)ouders en de daarbij behorende wapenschilden van de schilder al in in de vergetelheid zijn geraakt en heeft de samensteller van het epitaaf twee voor de hand liggende, maar wel verkeerde gekozen. Het feit dat er slechts twee wapenschilden zijn afgebeeld, terwijl er vaak acht of zestien kwartieren op een grafzerk staan, geeft in dit opzicht ook te denken (zie ook hierna de Aanvulling).

Het blazoen van de Sint-Lucasgilden

Opmerkelijk op het epitaaf en het graf van Jan van Eyck is het blazoen dat in gebruik was bij de aan Sint-Lucas als patroonheilige gewijde schildersgilden, namelijk drie wapenschildjes in een schild. Als kleuren waren hier gebruikelijk zilveren schildjes op een veld van azuur (blauw). Dit was ook het geval op het epitaaf van Jan van Eyck, maar dan in het linkerschildje (heraldisch gezien het rechter) aangevuld met een gouden vrijkwartier. Waarschijnlijk verwijst dit laatste naar de gouden velden in alle andere schilden op het epitaaf.[4]

Ik heb pogingen gedaan te achterhalen of het bij de schildersgilden gebruikelijke blazoen al uit de Middeleeuwen stamt, maar het daar nog geen resultaat bij weten te boeken. De oudste vermeldingen die ik gevonden heb dateren pas uit de zestiende eeuw. Opmerkelijk hierbij is dat de veelzijdige renaissanceschilder Jan van Scorel (zie de webpagina Het huis van Jan van Scorel aan de Nieuwegracht in Utrecht) dit schild voerde als hartschild in zijn eigen wapen, een roos. Het komt al voor op het paneel van twaalf leden van de Utrechtse Jeruzalembroederschap uit 1525-1527 in het Centraal Museum.[5] Het blazoen van Jan van Scorel zonder het hartschild wordt heraldisch omschreven als: geschuind van rood en goud en over alles heen een zesbladige roos van het een in het ander.[6]
[7] Ik doe dit naar de uitgave door L. (Laurens) Kleine Deters, ‘Zeer constich ghedaen ende wel beziensweerdich’. The notes about art and artists in Marcus van Vaernewijck’s Den spieghel der Nederlandscher audtheyt (1568). Context, origins, and the reproduction of the tekst with added commentary (Utrecht 2018) 31-32.


[8] Bedoeld is waarschijnlijk ‘gekuist’, dus schoongemaakt.


[9] Met de vertaling bewerkt naar Dhanens, ‘De kwartierstaat’, 8-9, en, uitvoerig geannoteerd, L. Kleine Deters, ‘Zeer constich ghedaen’, 35-36.


[10] Dit woordje ontbreekt in de drukken van Van Vaernewijck, maar is wel opgenomen in het Schilderboeck van Van Mander.
Was de renaissanceschilder Jan van Scorel betrokken bij de vervaardiging van het epitaaf van Jan van Eyck?

Het schild van Jan van Scorel met het hartschild van een Sint-Lucasgilde en dit laatste schild op zowel de grafzerk als het epitaaf van Jan van Eyck brengt mij op een stoutmoedige vraag, namelijk of dit epitaaf niet vervaardigd is door of in opdracht van Jan van Scorel samen met de humanist en rederijker Marcus van Vaernewijck

Op 15 september 1550 was Jan van Scorel in Gent, waar hij met Lancelot Blondeel het altaarstuk heeft gerestaureerd. De heren van Sint-Baafs schonken aan Jan een zilveren beker. Marcus van Vaernewijck, die hierover in zijn Spieghel der Nederlandscher audtheyt uit 1568 getuigd heeft, voegt eraan toe dat hij daar op bezoek in Utrecht uit gedronken heeft.

Ik geef hier de betreffende tekst van Van Vaernewijck weer:[7]
 
Item meester Jan van Mabeuse, meester Hughe ende veel meer andere hebben elck bysonder eenen grooten lof daer af ghegheven, oock meester Lancelot van Brugghe ende meester Jan Schoore, canonic van Utrecht, oock trefflicke schilders, sijn te Ghendt ghecommen ende begon dees tafel te wasschen anno XV hondert vijftich den vijfthiensten septembris met sulcker liefden dat zy dat constich werck in veel plaetsen ghecust[8] hebben, waerome hem lieden die herren van Sint Baefs voor een gratuiteyt elck een ghescinck ghedaen hebben, als meester Jan Schoore eenen zilveren cop, daer ic te Utrecht tsynen huyse uut ghedroncken hebbe.

Verderop vermeldt hij de tekst van het epitaaf in de Sint-Donaaskerk in Brugge en daarna als herkomst van de gebroeders dat ruyde Kempen lant van een verworpen stedekin gheleghen by der riviere van den Mase. Ook het Vlaamse grafschrift van Hubert op zijn grafsteen in de Sint-Baafskerk in in Gent met zijn sterfdatum 18 september 1426 wordt door hem weergegeven.

Van Vaernewijck vermeldt in 1568 niet wie het grafschrift van Jan van Eyck vervaardigd heeft. Maar het zal gezien de inhoud betrekkelijk kort tevoren tot stand gekomen zijn, zoals hierboven al is uiteengezet. Het luidt:[9]
 
Hic iacet eximia clarus virtute Ioannes,
In quo picturae gratia mira fuit.
Spirantes formas et humum florentibus herbis
Pinxit et ad vivum quodlibet egit opus.
Quippe illi Phidias et caedere debet Apelles.
Arte illi inferior ac Policretus erat.
Crudeles igitur, crudeles dicite Parcas
Quae talem nobis eripuere virum,
Actum sit lachrimis incommutabile fatum.
Vivat [ut][10] in coelis iam deprecare Deum.
 
In vertaling:

Hier ligt de door zijn uitzonderlijk talent beroemde Jan
in wie de schilderkunst van een wonderbaarlijke schoonheid was.
De levende vormen en de op de grond bloeiende planten
schilderde hij en levend scheen zijn werk.
Want Phidias en Apelles moesten voor hem wijken.
In de kunst was ook Polycletus zijn mindere.
Wreedaardig daarom, ja noem de Schikgodinnen wreedaardig
die ons zo’n man hebben ontnomen.
Voltrokken is in tranen het onverbiddelijk lot.
Bid God om hem in de hemel te laten leven.

Conclusie
 
Uit de bronnen blijkt dat Marcus van Vaernewijck en Jan van Scorel elkaar hebben gekend en zelfs met elkaar bevriend zijn geweest. Het blazoen van de Sint-Lucasgilden kwam niet alleen voor op het epitaaf en de grafzerk van Jan van Eyck, maar ook in het persoonlijke wapen van Jan van Scorel. In aanmerking nemende dat de renaissancetekst van het epitaaf van lang na de dood van Jan van Eyck dateert, acht ik het niet onaannemelijk dat Van Scorel, die in 1550 het Lam Gods heeft gerestaureerd, en mogelijk ook Van Vaernewijck betrokken zijn geweest bij de vervaardiging van het epitaaf van Jan van Eyck.
[11] De Maaseiker Consensus. Wat u altijd wilde weten over van Eyck, red. J. (José) Raets en W. (Wim) Corstjens, uitgegeven door de redactie van het tijdschrift De Maaseikenaar (Maaseik 2022). Hierin met name B. (Bert) Mersch, ‘Maaseik als geboorteplaats van de gebroeders van Eyck’, ald. 21-40.


Zogenaamde kwartierstaat
De ‘kwartierstaat’ van Jan van Eyck, getekend door René Vroomen, zoals afgebeeld bij het artikel van historicus en archivaris Bert Mersch in De Maaseiker Consensus, p. 28.



Zegel van Jan van Eyck
Het zegel van Jan Bac van Eyck aan een oorkonde van 3 januari 1427. Het Bac-zegel had in het schildhoofd een gaande leeuw (Archief abdij Postel, Oorkonden Casteren).


Aanvulling

In de publicatie De Maaseiker Consensus. Wat u altijd wilde weten over van Eyck (z.pl. z.j. [Maaseik 2022]),[11] ald. 31, ‘Maaseik als geboorteplaats van de gebroeders van Eyck’, zegt de stadsarchivaris van Maaseik, Bert Mersch, dat het wapen van de stad Sittard en enkele daar in de omgeving gevestigde families in oorsprong geen slangenkruis was, zoals het kruis op het epitaaf van Jan van Eyck, maar een zogeheten krulkruis, dus zonder de slangekoppen. Voor hem is dat een argument dat het wapen op het epitaaf niet naar een familie Van Sittard verwijst. Voor mij vormt dat echter juist een extra aanwijzing dat men pas ver na de dood van Jan van Eyck naar een wapen gezocht heeft dat aan de naam ‘Van Sittard’ (eigenlijk Zittert onder Oerle bij Bergeijk) beantwoordde en daarvoor uitkwam bij een slangenkopkruis in de veronderstelling dat dit het Sittardse dubbelkopkruis was.

Intussen houdt Mersch ook vast aan het idee dat het bij de wapens om kwartieren gaat. Tot welke exercitie dit leidt blijkt uit een in de publicatie afgebeelde tekening van René Vroomen op blz. 28, waarin het voorgesteld wordt dat Jan van Eyck zelf het bekende Sint-Lucasgildeschild voerde, zijn vader het schild met de molenijzers en zijn moeder dat met het slangenkopkruis. Gaan we uit van de gebruikelijke volgorde in een kwartierstaat dan wordt voor de grootouders van links naar rechts voor de grootvader van vaderskant het molenijzerschild gebruikt, voor de grootmoeder van vaderskant het slangenkruis met een vrijkwartier met de molenijzers, voor de grootvader van moederskant het slangenkruis en voor de grootmoeder van moederskant… het Sint-Lucasgildeschild. Absurd! Er is alle reden om aan te nemen dat de samensteller(s) van het epitaaf gezocht hebben naar acceptabele wapens voor de vader en de moeder en daarbij om begrijpelijke reden uit zijn gekomen bij een Meierijs wapen met drie molenijzers en een ‘Sittards’ wapen met een slangenkopkruis, zoals al in het begin van dit verhaal aannemelijk is gemaakt.

Volgens de algemeen gebruikelijke regels van de genealogie zou Jan van Eyck in deze voorstelling het bij de Sint-Lucasgilden gebruikelijke schilderswapen met de drie schildjes hebben gevoerd en dat ontleend hebben aan het schild van… zijn grootmoeder van moederszijde, terwijl zijn vader het schild met de molenijzers zou hebben gevoerd en zijn moeder het slangenkopkruis. De absurditeit van een en ander behoeft geen betoog. In werkelijkheid voerde Jan van Eyck het Bac-wapen met een gaande leeuw in het schildhoofd. De wapens met de molenijzers en het slangenkopkruis voor respectievelijk zijn vader en moeder berusten naar alle waarschijnlijkheid op een verkeerde interpretatie achteraf, waarschijnlijk pas van het midden van de zestiende eeuw, dus meer dan een eeuw na de dood van de schilder.

Hoezeer het epitaaf een zestiende-eeuws product is, dat gebaseerd is op onbetrouwbare bronnen, blijkt wanneer we de tekst relateren aan andere zestiende-eeuwse gegevens over de gebroeders Van Eyck.

Om te beginnen is er een tekst uit een gedicht van de Gentse rederijker en schilder Lucas de Heere (d’Heere), Den hof en boomgaerd der poësien (Gent 1565). De over deze kwestie relevante rijmelarij luidt:

Lof en prijs des wercs (dwelc S. Jans in de capelle es)
Van schilderien, ghemaect bij die M Jan hiet
van Maesheyc gheboren den vlaemschen Apelles
Neerstigh leest, verstaet ende op d’werck dan ziet.
Dese blomme zeer vrough van de werelt schiedt,
Die uut dat onnoosel Maesheyc is becleven,
Brugghe bewaert hem, daer hi sijn leven liet
Maer sijn name zal in der eeuwigheit leven.

De Gentenaar Marcus van Vaernewijck schrijft in zijn Den Spiegel der Nederlandscher oudtheyt uit 1568, dus van drie jaar later dan de tekst van zijn stadgenoot Lucas de Heere:

Maar hij was van nativiteyt uit dat ruyde Kempenland van een verworpen stedekin gheleghen bij de Rivier de Mase (welck stedekin ghewonnen wiert van Hertoghe Kaerle die voor Nancy bleef met XIII ander stedekins waeronder oock Ludic die frissche stadt ghetelt worde) dit stedekin is ghenoemd naer die Riviere Maseyck waernaer hij ende zijn broeder toeghenoemt waren van Eyck: want zijnen oudsten broeder was ghenoemt Hubertus van Eyck ende was oock een uitnemende constich Schilder die de tafele in St Janskercke eerst begonnen hadde.

Afgezien van de in dit verband irrelevante vermelding van Karel de Stoute, die leefde na de tijd van de schilders, zeggen beide auteurs dus dat de Van Eycks in Maaseik geboren zijn. Maar Maaseik ligt niet in Kempenland, zoals Van Vaernewijck beweert, maar in het tot het wereldlijk vorstendom Luik behorende graafschap Loon. Bergeijk, waar de schilders nagenoeg zeker vandaan komen, ligt echter wél in Kempenland, een van de kwartieren van de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Het aangrenzende Meierijse kwartier Peelland voerde wél het wapen met de drie molenijzers.

Kortom, net zoals de tekst en de wapens op het epitaaf, is hier bij De Heere en Van Vaernewijck sprake van het horen luiden van de klok zonder dat men wist waar de klepel hing.
Zegel Sint-Lucasgilde Utrecht 1448
Zegel van het Utrechtse Sint-Lucasgilde aan een oorkonde van 13 november 1448 (Het Utrechts Archief, Bij het stadsarchief bewaarde archieven I, nr. 352).

Aanvulling van 26 mei 2023

De Utrechtse historicus en specialist vroegmoderne kunst – als archiefvorser tevens ervaringsdeskundige op het gebied van genealogie en wapenkunde – dr. Marten Jan Bok was zo vriendelijk op basis van enkele gestelde vragen waardevolle aanvullende gegevens te verschaffen en mee te denken over de hier behandelde problematiek, met name ook over de kentheoretische aspecten daarvan. Daarover later meer.

In ieder geval verschafte hij aanmerkelijk meer duidelijkheid over het ‘schilderswapen’ zoals afgebeeld op de grafzerk van Jan van Eyck. Dat dit wapen met daarin drie schildjes al rond het midden van de vijftiende eeuw in de Nederlanden in gebruik was, blijkt uit een oorkonde van het Utrechtse Sint-Lucasgilde van 13 november 1448 (zie de afbeelding). Volgens Marten Jan Bok werd het wapen ook door individuele schilders gebruikt. Hiermee is aannemelijk dat het wapen op de grafzerk van Jan van Eyck, overleden in 1441, contemporain is, en dus niet later aangebracht, zoals zeker met het epitaaf het geval is. Nadere gegevens over het schilderswapen zijn te vinden in Meyers Grosses Konversations-Lexikon onder het lemma Künstlerwappen.



© 2023-2024 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 29 april 2023; laatst bewerkt 12 januari 2014.