Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Voor een inleiding, nadere toelichting en een inhoudsopgave zie het ► Dossier Jan en Hubert van Eyck.
Een Belgische reactie op Jan en Hubert van Eyck geboren in Bergeijk
door Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Een Belgische reactie op Jan en Hubert van Eyck geboren in Bergeijk’ (www.broerendebruijn.nl/EyckDumolyn.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).

Het is opmerkelijk te noemen dat de enige reacties die er tot nu toe op de publicatie van dr. Lucas van Dijck zijn verschenen afkomstig zijn uit België. Zij zijn, voor zover mij bekend, zonder uitzondering negatief. De auteurs wijzen de conclusie af dat de gebroeders geboren zijn in het Nederlandse Bergeijk en niet in het Belgische Maaseik.
 
Het meest negatief was, eveneens voor zover mij bekend, de Van Eyck-deskundige prof. dr. Jan Dumolyn uit Gent op Facebook. Afgezien van een aantal suggestieve, op de persoon gerichte diskwalificaties wierp hij – zijn reactie blijkt inmiddels overigens van het platform verdwenen te zijn – een aantal bezwaren op die van kentheoretische aard zijn. Op deze laatste wil ik mij hier concentreren. Inhoudelijke feitelijke bedenkingen wil ik terloops mee behandelen. De diskwalificaties en opmerkingen ad hominem laat ik voor wat ze zijn.
 
Om de verdenking te vermijden dat ik zelf selectief, tendentieus en/of suggestief ben, geef ik de als gezegd inmiddels van Facebook verwijderde tekst van prof. Dumolyn hier volledig weer, zodat de lezer er zelf over kan oordelen:
 
Aflevering zoveel uit het feuilleton: waar kwamen de gebroeders Van Eyck vandaan.
De pers was mij al aan het solliciteren om hierop te reageren, een nieuwe 'theorie' over hun afkomst.
Het boekje van Lucas Van Dijck, 'Jan en Hubert van Eyck geboren in Bergeijck' is echter van geen enkele historische waarde. Het is een soort samenzweringstheorie met als doel te bewijzen wat Van Dijck vooraf al had besloten. De auteur was op zoek naar een familie in Bergeijk die dan de familie van Eyck moest zijn. Zelf is hij iets verderop geboren, in Eindhoven, dus we kunnen lokaal chauvinisme als motief voor zijn demarche vermoeden. Hij vindt dan een zekere familie Bac, waar een Jan en Hubert als broers in voorkomen. Maar ze zouden dan natuurlijk later hun naam hebben veranderd... Van hun zuster Margareta van Eyck die ook kunstenares was, gekend uit andere bronnen, is echter in die familie geen sprake, maar die wordt dan weggeredeneerd, want ze zou niet bestaan hebben. De andere door archiefbronnen gekende broer Lambert van Eyck zou dan een bastaard zijn geweest. Of Margareta zou dan misschien toch bestaan hebben en ook een buitenechtelijke dochter zijn geweest… Of men heeft zich in een bron verschreven en Van Dijck weet hoe het er eigenlijk had moeten staan. Dat soort kunstgrepen en cirkelredeneringen past de auteur voortdurend toe, en dan nog op een zeer arrogante en zelfvoldane manier. Op geen enkele manier wordt om het even wat bewezen. Het zijn allemaal vage aannames en speculatieve redeneringen, elke ernstige historicus onwaardig. Tegen alle bronnen en logica in wordt Hubert ook plots jonger dan Jan! De verregaande hypotheses die Van Dijck formuleert, compleet niet door de bronnen ondersteund, worden een paar bladzijden later al vaste waarheden, waarop dan nieuwe hypothesen worden gebouwd. Bizarre theorieën van anderen zoals van de Antwerpse pater Schiltz die een fictieve tekst op een werk van Jan van Eyck zag, en die al lang als totale onzin weerlegd zijn, worden eveneens overgenomen. Ook op het gebied van kennis van middeleeuwse talen en de interpretatie van archiefbronnen schiet de auteur een aantal keren zwaar tekort. In dit opstel wordt dus volstrekt niets ‘aangetoond’ en de piste Bergeijk als geboorteplaats voor de grote schilder blijft nog even ongefundeerd en onwaarschijnlijk als vroeger. Voor Maaseik als geboorteplaats van de gebroeders Van Eyck bestaan daarentegen verschillende zeer goede argumenten. Deze worden echter gewoon genegeerd. Conclusie: dit werkstuk zou het best naar de prullenmand worden verwezen.”
 
Eerst die ‘soort samenzweringstheorie’. Dumolyn maakt niet duidelijk van wie die afkomstig zou zijn en wie daarbij betrokken zouden zijn, laat staan om te bewijzen ‘wat Van Dijck vooraf al had besloten’. Laatstgenoemde auteur geeft duidelijk aan wat zijn uitgangspunt is: de analogie van wat er met de ook door hem bestudeerde schilder Jheronimus Bosch het geval is geweest, namelijk dat zijn familie eigenlijk Van Aken heette (p. 13). Dat is een hypothese die in wetenschappelijk historisch onderzoek volstrekt gebruikelijk en geaccepteerd is. Van Dijck trof een dergelijke situatie niet in de bronnen betreffende het Belgische Maaseik aan – evenmin als alle andere onderzoekers tot nu toe! –, maar wél in de andere plaats die in aanmerking kan komen als geboorteplaats van de schilders, namelijk Bergeijk in Noord-Brabant.
 
Lucas van Dijck zegt nergens dat de gebroeders ‘later hun naam hebben veranderd’, integendeel, hij stelt vast dat als schildersnaam ‘Jan van Eyck’ of Johannes de Eyck gebruikt is – net als de naam Bosch voor Jheronimus van Aken –, maar zelfs dat enkele van Jan van Eycks kinderen in Vlaanderen weer de naam Bac gebruikten (p. 47-52). Helaas bleken de ‘harde’ historische bronnen, zoals met name de door hem doorvorste schepenakten, cijns- en leenregisters, in België, anders dan in Noord-Brabant, nog niet of nauwelijks geïndiceerd of anderszins toegankelijk te zijn. Hier valt dus nog veel onderzoekswinst te behalen wanneer deze achterstand ingehaald is.
 
De ‘zuster Margareta’ van de gebroeders wordt niet ‘weggeredeneerd’, zoals Dumolyn zegt, integendeel. Lucas van Dijck vermeldt in het Nederlandse taalgebied in de dertiende eeuw maar liefst drie voorbeelden aan van vrouwen die Margareta met als alias Heilwig heetten, en wel in de vooraanstaande geslachten Altena, Vlotstale (Lichtenberg) en Culemborg (p. 59). Welnu, de naam Heilwig kwam wel degelijk voor in het Bergeijkse gezin van de gebroeders. Zij had een relatie met de kleinzoon van de Antwerpse kapitteldeken Arnoud Ayken van Goerle en was zeer gefortuneerd, mogelijk door haar activiteiten als schilderes en handelaar in schilderijen, zoals al uit de Belgische bronnen bekend was (p. 28-29). Hier is verder onderzoek zeer gewenst. Ook voor een broer Lambert, al dan niet onwettig, bestaan wel degelijk ook vanuit Bergeijk aanwijzingen (p. 58-59). Dat Hubert van Eyck ouder was dan zijn broer Jan wordt alleen vermeld in secundaire bronnen die dateren van meer dan een eeuw na hun overlijden (zie Kanttekeningen bij het graf en epitaaf van Jan van Eyck). De Bergeijkse bronnen duiden erop dat ofwel Jan ouder was dan Hubert dan wel dat zij een tweeling vormden.
 
Dumolyn zegt dat er voor Maaseik als geboorteplaats ‘zeer goede argumenten’ zijn, maar hij verzwijgt dat het tot nu toe alleen maar om aanwijzingen en voor wat de afkomst betreft in het geheel niet om primaire bronnen gaat. Zoals hierboven gezegd, laat ik al zijn diskwalificaties en andere aanvallen ad hominem maar voor wat ze zijn. Ze zeggen meer over de persoon van prof. dr. Jan Dumolyn dan over dr. Lucas van Dijck en zijn publicatie. Het wachten is op werkelijk serieuze, wetenschappelijk verantwoorde reacties op de publicatie Jan en Hubert van Eyck geboren in Bergeijk. Daarvoor zal het al bekende oude bronnenmateriaal getoetst dus geverifieerd en gefalsifieerd dienen te worden aan het nieuw ontdekte, zoals ik bijvoorbeeld gedaan heb in de zojuist genoemde Kanttekeningen bij het graf en epitaaf van Jan van Eyck. Ook nieuwe vondsten uit primaire bronnen, indien mogelijk ook uit de Belgische archieven, zijn hierbij vanzelfsprekend meer dan welkom.


© 2023-2024 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 10 mei 2023; laatst bewerkt 12 januari 2014.