Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina's
Domplein revisited
PR1 en PR2 revisited
Vroegmiddeleeuwse munten revisited





















[1] Zie de webpagina
Van tempeltje tot kathedraal
Utrechts eerste kerk revisited
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn
 

De Utrechtse archeologen hebben nagenoeg zeker de eerste kerk in Utrecht teruggevonden, maar ze hebben er zelf nog geen idee van. We hebben deze spectaculaire vondst uiteraard bekendgemaakt aan de regionale pers, maar de belangstelling bleek miniem. Noch RTVUtrecht noch DUIC (De Utrechtse Internet Courant) had er belangstelling voor. Het enige lokale medium dat er aandacht aan besteedde was DeStadUtrecht.nl.

Al bij de eerste opgravingen op het Domplein in de jaren twintig van de vorige eeuw werd naast de vraag inzake de Romeinse oorsprong van de stad Utrecht ook de vraag gesteld naar de situering van de eerste kerken aldaar. Volgens de schriftelijke overlevering was de allereerste kerk gesticht door de Frankische koning Dagobert, die regeerde van 623 tot zijn dood in 639, en gewijd geweest aan de apostel Thomas. Een tekstbord van rond 1300, dat aan een pijler van het schip van de Romaanse domkerk hing, vermeldde dat die eerste kerk gebouwd was
in illo presenti fundo, op deze plek hier.[1] Dat Romaanse schip bevond zich onder het verdwenen schip van de latere Gotische dom. Het Gotische schip is in 1674 bij een hevige tornado ingestort. Na het opruimen van het puin resteert nog een winderig plein tussen de toren en het restant van de kerk, het dwarsschip en het koor. Op de plek van het verdwenen schip, tussen de straat en het oorlogsmonument, werden in 1949 opgravingen verricht door de befaamde archeoloog A.E. (Albert Egges) van Giffen in een tweetal werkputten, die door hem XIX en XX werden genummerd. De laatste lag westelijk van de eerste.



[2] Nieuw Utrechts Dagblad van 11 maart, 6 mei en 23 mei 1949.

[3] In 1950 verscheen nog een beknopte samenvatting in een jaarverslag: A.E. van Giffen, Inheemse en Romeinse terpen. Opgravingen in de dorpswierde te Ezinge en de Romeinse terpen van Utrecht, Valkenburg Z.H. en Vechten. Jaarverslag van de Vereeniging voor Terpenonderzoek 29-32 (1944-1948) 1-66.

















































































[4] L.R.P. Ozinga e.a., Het Romeinse castellum (Utrecht 1989).


















[5] Ald. 55-56.


[6] Nieuw Utrechts Dagblad van 11 maart 1949.

[7] T.J. Hoekstra, ‘De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht (1010-1026)’, in: A.C. Esmeijer e.a. (red.), Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Zutphen 1988) 95-108.

[8] Zie bv. H.L. de Groot, Traces at Traiectum. An archaeological survey (Utrecht z.j. [1992]) 17-20.

[9] Nog in 1992: C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Welke kerk van Willibrord: Sint-Maarten of Sint-Salvator?’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 142-146.

[10] (Utrecht 1995).








[11] T.J. Hoekstra, ‘Enkele kanttekeningen bij De eerste kerken in Utrecht', Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 10 (1996) 36-43.









[12] Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie 46 (augustus 1997) 1-10.










[13] (Utrecht 2015). Geantedateerd op juni, maar eerst verschenen in november 2015.
Van Giffen bracht in het voorjaar van 1949 enkele verslagen uit van de opgravingen in werkput XIX. Hij deed dit in kranteartikelen in het Nieuw Utrechts Dagblad.[2] Tot verslagen van de opgravingen in werkput XX, gedaan in het najaar van 1949, kwam het vooralsnog niet.[3]

Domplein overzicht bebouwing
Overzicht van bestaande en verdwenen bebouwing op en rond het Domplein naar de inzichten van ruim een halve eeuw geleden. In dit kader van belang: 1. Romeins hoofdgebouw; 2. Heilig-Kruiskapel; 3. Oudmunsterkerk; 4. Aan de dom van bisschop Balderik toegeschreven fundamenten; waarschijnlijk het westwerk van de Romaanse dom. Daar bevonden zich de werkputten XIX en XX van Van Giffen. Uit E.J. Haslinghuis, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst II, de provincie Utrecht, 1ste stuk, de gemeente Utrecht, afl. 1 ('s-Gravenhage 1956) 12, fig. 1.

Opgravingen Van Giffen
Plattegrond en ideaalprofiel van de opgravingen van Van Giffen uit 1949 (werkputten XIX en XX) tussen het oorlogsmonument en de straat. K = Karolingisch; PR1 en PR2 = Pre-Rromaans 1 en Pre-Romaans 2;  R = Romaans; G = Gotisch. Uit E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht ('s-Gravenhage 1965) 163, fig. 20.

Vele jaren later, in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, kreeg de archeoloog L.R.P. (Bert) Ozinga van de gemeente Utrecht opdracht om de Romeinse gegevens van de opgravingen op en rond het Domplein opnieuw te analyseren. In 1989 verscheen van hem het met een aantal anderen, onder wie de archeoloog M.D. (Maarten) de Weerd, uitgegeven boek Het Romeinse castellum te Utrecht.[4] Het castellum bleek vijf fasen (genummerd I tot en met V) te hebben gekend, waarvan de laatste, uit het begin van de derde eeuw, groter was dan de eerste vier, en anders dan deze niet uit hout maar uit steen opgebouwd.

Ozinga en De Weerd kwamen in hun publicatie tot de conclusie dat een bodemlaag, aangetroffen in werkput XIX, die door Van Giffen fase zes (VI) was genoemd, niet Romeins was maar vroegmiddeleeuws. In een artikel in het Utrechts Nieuwsblad van 1 december 1989 zei Ozinga daarover:

‘Ik denk aan een gebouw uit de Karolingische tijd (700 tot 1000), mogelijk een kerkje. Op grond van de plek, tussen de toren en de Domkerk, mag je veronderstellen dat het een voorloper van de huidige Maartensdom zou kunnen zijn’.

In de publicatie Het Romeinse castellum te Utrecht was een en ander gedetailleerder weergegeven. Hierin stond dat Van Giffen een drietal fasen binnen periode VI had onderscheiden, die hij had aangeduid als respectievelijk VIa, VIb en VIc.[5]Hierboven bevonden zich zware funderingen die Van Giffen aanduidde als Pre-Romaans 1 (PR1) en Pre-Romaans 2 (PR2), nog van vóór het begin van de elfde eeuw, toen bisschop Adelbold een nieuwe, Romaanse domkerk bouwde.[6] De Utrechtse stadsarcheoloog T.J. (Tarq) Hoekstra schreef in een artikel uit 1989 echter dat PR1 en PR 2 niet Pre-Romaans waren, maar de funderingen vormden van die Romaanse kerk.[7]

In 1992 kwam Hoekstra’s collega als stadsarcheoloog, H.L. (Huib) de Groot, met de verrassende mededeling dat de Heilig-Kruiskapel, die vroeger op het Domplein ten zuiden van de domkerk stond, wel eens ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ zou kunnen zijn geweest.[8] Wij hebben dat van meet af aan bestreden en in enkele artikelen en een boek gesteld dat, wanneer die kapel uit de tijd van Willibrord dateerde, het niet om de Sint-Maartenskerk ging, maar om een kerk die Willibrord als eerste na zijn komst in Utrecht gebouwd had, de Sint-Salvator.[9]

Ter ondersteuning van De Groots opvatting dat de Heilig-Kruiskapel de Sint-Maartenskerk van Willibrord was, zei zijn collega Hoekstra, in een recensie van ons boek De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten, verschenen in 1995,[10] onder meer:

‘Het enige muurwerk dat ouder lijkt dan de Dom van Adelbold is in het zuidertransept van de huidige Dom gevonden. Daar het nergens mee te verbinden valt, is er geen andere verklaring voor te geven dan: restje van een ouder bouwwerk. Gezien zijn hoge ligging en zijn opbouw uit veldkeien zal het zeker niet tot een Romeins gebouw behoord hebben.’[11]

Hiermee werden de bevindingen van zijn collega-archeoloog L.R.P. Ozinga, die Hoekstra als stadsarcheoloog van Utrecht bekend waren, impliciet ontkend.

In 1997 hebben wij daarop in het archeologisch tijdschrift Westerheem een artikel gepubliceerd onder de titel ‘Van tempeltje tot kathedraal. Romeinse en vroeg-middeleeuwse bebouwing onder het verdwenen schip van de Utrechtse Domkerk’.[12] Ook in latere publicaties zijn we hierop teruggekomen, met nadere gegevens en verdere onderbouwing van onze visie, maar de door ons aangevoerde bronnen en argumenten werden door de Utrechtse archeologen eenvoudigweg genegeerd en doodgezwegen.

Met het oog op de inrichting van de zogeheten Schatkamer II is in de zomer van 2011 opnieuw Van Giffens werkput onderzocht. Reikhalzend hebben we daarna uitgekeken naar het opgravingsverslag dat het onder meer mogelijk zou maken ook onze ideeën nader te toetsen aan het opnieuw beoordeelde archeologische materiaal en eventuele nieuwe bevindingen en ideeën hieromtrent. Toen er twee jaar na de heropgraving nog geen archeologisch onderzoeksverslag in zicht was, hebben wij in een overzichtspublicatie De eerste kerken op het Utrechtse Domplein (Utrecht 2013) onze samenhangende visie op de problematiek nog een keer gegeven.

Ruim vier jaar na de opgraving, in november 2015, is onder de titel Domplein revisited het opgravingsverslag verschenen van de hand van de opgraver uit 2011, R.D. (Robert) Hoegen, samen met zijn collega-archeoloog R.J.P. (René) Kloosterman, die als eerste rapporteur vermeld wordt.[13] We hebben het rapport bestudeerd en durven, hoewel de samenstellers zelf er geen uitspraak over kunnen of willen doen, nu de volgende conclusie te trekken: de eerste, omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert gestichte Sint-Thomaskerk is nagenoeg zeker getraceerd.
Tekening westprofiel 2011
Tekening van het westprofiel in 2011. Linksonder, donker gekleurd, de laag VIa, met nagenoeg zeker de resten van de eerste, omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert gestichte kerk in Utrecht. Daarboven, geel gekleurd, laag VIc, hoogstwaarschijnlijk de na 750 gebouwde Frankische domkerk. Laag VIb is hier niet getraceerd of afgebeeld. Uit Domplein revisited, 28, afb. 3.2.
























[14] Domplein revisited, 32.

[15] Inheemse en Romeinse terpen, 21: ‘De bouwvlakken van deze vermoedelijk Romeinse gebouwen liggen thans, voor zover tot nu toe kon worden nagegaan, nl. bij dat van de per slot zeer kwestieuze, eerste (Per. VIa) en van de goed herkenbare tweede of laatste bouwphase (Per. VIb) op ca 3.10, resp. 3.25 m + N.A.P.’ Hierna volgt als noot: ‘N.B. Ik kom hiermede tevens terug op mijn elders 24) (Utrechts Dagblad van 6 Mei 1949) stelliger uitgesproken voorlopige mening, dat het zonder meer om een Romeins drieperioden-gebouw zou gaan.’  In de noot in de noot 24) wordt dan vervolgens verwezen naar de kranteartikelen van 3 (moet zijn 1) februari, 11 maart, 6 en 23 mei 1949. Opgemerkt moet hierbij worden dat Van Giffen hier periode VIb heeft gemaakt van zijn oorspronkelijke periode VIc in de kranteartikelen en met de kwestieuze fase bedoelt hij waarschijnlijk niet VIa maar VIb. Nogal verwarrend allemaal!

[16] Aan de vrijwilliger bij het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum van de gemeente Utrecht A.G. (Gert) Rauws komt de verdienste toe dat hij op basis van de opgravingsgegevens uit de werkputten XIX en XX de haaks op elkaar staande koppelfunderingen van een gebouw van ongeveer 15 meter breed heeft gereconstrueerd. Deze gegevens zijn weergegeven door de aan dezelfde afdeling van de gemeente Utrecht verbonden bouwhistoricus H.Hundertmark in zijn artikel ‘Naar Adelbolds voorbeeld. De kerken van bisschop Bernold’, in: H. van Engen en K. van Vliet (red.), De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht (Hilversum 2012) 37-68, ald. 44 en 53, afb. 6, en 54, afb. 7.

[17] De profielen van de oostelijke en de westelijke putwand zijn hierop overigens verkeerd aangeduid: ‘O.’ moet zijn west en ‘W.’ moet zijn oost. In hun verslag spreken Kloosterman en Hoegen over één uitbraakspoor in werkput XIX (ald. 14), maar het zijn er in werkelijkheid twee, met een tussenafstand van circa 7 m binnenwerks.


Domplein plattegronden gebouwen
Reconstructie van de opeenvolgende bebouwing ter plaatse van het verdwenen schip van de domkerk.
Paars: Romeins tempeltje.
Oranje: resten van de noord- en zuidmuur van de door koning Dagobert omstreeks 630 gestichte Sint-Thomaskerk (VIa).
Rood: resten van de Karolingische kerk van na 750 (VIc).
Grijs en zwart: resten van de Romaanse kerk van 1017-1023.
Gestippeld: omtrekken en pijlers van de Gotische kerk (vanaf 1485).
Het kruisje X geeft de plaats aan waar het tekstbord zal hebben gehangen dat de eerste kerk situeerde
in illo presenti fundo, 'op deze plek hier'.


































Soest Alt-Sankt-Thomas
Alt-Sankt-Thomä in de Duitse stad Soest.
De oudste, zwart afgebeelde kerk is waarschijnlijk, net als de eerste Utrechtse kerk, gebouwd door de Frankische koning Dagobert. Het is een zaalkerk met een ingesnoerd koor. Ook de Utrechtse Sint-Thomaskerk kan zo'n plattegrond hebben gehad. Uit W. Hansmann,
Kunsthistorischer Wanderführer. Westfalen (Stuttgart-Zürich 1966) 222.


[18] Zie bv. B. Päffgen en S. Ristow, ‘Christentum, Kirchenbau und Sakralkunst im östlichen Frankenreich (Austrasien)’, in: Die Franken – Wegbereiter Europas (Mannheim 1996) I, 407-415, ald. 410-414.

[19] Zie bv. E. Ewig, ‘Die Rheinlande in fränkischer Zeit’, in: F. Petri en G. Droege (red.), Rheinische Geschichte I (Düsseldorf 1980).


Periode VI
Profiel en vlak met een greppel met zwarte vulling (periode VIa). Daarboven, met brokjes steen, periode VIb, afgedekt door een ingraving met lichtere vulling (periode VIc). Uit Ozinga, Het Romeinse castellum, 55, afb. 25.


[20] GrN-11342. H.L. de Groot en T.J. Hoekstra, ‘Oudkerkhof’, in Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1982 (= Maandblad Oud-Utrecht 56 (1983)) 27-147, ald. 31.

[21] Zowel Ozinga (Het Romeinse castellum, 55, afb. 25) als Kloosterman en Hoegen spreken van ‘een laag’ (Domplein revisited, 32).
Utrechts eerste kerk nagenoeg zeker getraceerd!

Hierboven hebben we al gesignaleerd dat een tekstbord in het schip van de Romaanse domkerk aangaf dat die eerste Utrechtse kerk in illo presenti fundo, op deze plek hier, had gestaan. Nu geven ook de archeologische, nu opnieuw bestudeerde gegevens uit Van Giffens werkput XIX verschillende aanwijzingen voor die aanwezigheid aldaar.

Het gaat om de sporen van de funderingsresten die door Van Giffen werden aangeduid als periode VIa. Deze sporen zijn opnieuw aangetroffen in het westelijk profiel van de werkput. Anders dan Ozinga in 1989 houden Kloosterman en Hoegen in hun verslag nog de mogelijkheid open dat de bouwresten laatromeins zijn, al vinden zij het merkwaardig ‘dat er geen andere tot deze fase horende gebouwen binnen het castellum zijn aangetroffen’. Hier willen wij nog aan toevoegen: wat hadden de Romeinen er in hun nadagen voor belang bij de indeling van hun fort nog te wijzigen en, zoals we zullen zien, hierbij zelfs de via praetoria te blokkeren? En van mogelijke inheemse bewoners viel dit al helemaal niet te verwachten. Kloosterman en Hoegen merken verder op:

‘Blijkens de vondst in 2011 van een tremissis, geslagen tussen 650 en 700, zijn de funderingen op zijn vroegst uitgebroken in de late zevende of vroege achtste eeuw.’[14]

Maar dat zegt natuurlijk niets over de bouwtijd van Van Giffens fase VIa.


Net zoals Van Giffen en Ozinga weten de samenstellers van het rapport eigenlijk nauwelijks iets te melden over periode VIb. Van Giffen, die eerst sprak van een ‘drieperioden-gebouw’en zelfs een ‘drieperioden-complex, kwam hierop later terug.[15] Deze laatste term suggereert overigens dat het om één complex is gegaan, maar de vondsten tonen aan dat in ieder geval VIc een later gebouw van een andere gedaante en een veel grotere omvang is.[16] Dat is duidelijk te zien op de vlak- en profieltekeningen die Van Giffen in zijn artikel van 11 maart heeft afgedrukt en waarop Kloosterman en Hoegen de perioden VIa en VIc hebben ingekleurd (zie de afbeelding hieronder).[17] We houden het erop dat VIc de Karolingische domkerk was, die na 750 werd gebouwd (zie de webpagina over de Karolingische dom).

Domplein Van Giffen 11 maart 1949
Afbeelding bij het artikel van A.E. van Giffen in het Nieuw Utrechts Dagblad van 11 maart 1949. Oranje ingekleurd de vroegmiddeleeuwse periode VIa en rood fase VIc. Van Giffen noemde deze bouwresten nog Romeins. 'O. putwand' moet zijn 'westelijke putwand' en 'W. putwand'  'oostelijke putwand'. Overgenomen uit Domplein revisited, 34, afb. 3.10.

Domplein overzicht XIX en XX
Plattegrond van de opgravingsputten XIX (rechts) en XX (links). De koppelfunderingen VIc, die waarschijnlijk hebben toebehoord uit de Karolingische domkerk, zijn roodgekleurd, rose die van de periode VIa. Grijs en groen de koppelfunderingen PR1 en PR2 (Pre-Romaans 1 en 2). De parallelle zuidelijke fundering van periode VIa ontbreekt op deze afbeelding. Uit Kloosterman en Hoegen, Domplein revisited, 33, afb. 3.9.

Het is eigenlijk verbazingwekkend dat Van Giffen deze bebouwing tot één periode wist terug te brengen. Vanzelfsprekend had hij VIc moeten aanduiden als periode VII, maar waarschijnlijk paste dat niet in zijn ideeën over de ontwikkeling van het Romeinse castellum. Dit alles maakt de interpretatie er niet gemakkelijker op.

Bepalen we ons nu weer tot periode VIa, dan zien we als belangrijkste en diepst uitgebroken resten twee oost-west lopende sporen op een afstand van ongeveer 7 meter binnenwerks. Het zuidelijke spoor, dat buiten de werkput van 2011 viel, bevond zich op het noordelijk deel van de tamelijk brede via principalis. Dit was de hoofdweg die oost-west door het castellum  liep. De beide evenwijdige sporen doorsneden voorts de weg die haaks op de via principalis stond. Dit was de via praetoria, die vanaf de noordelijke poort noord-zuid midden door het castellum naar het Romeinse hoofdgebouw, de principia (Van Giffen noemt het praetorium), liep.

Wij wezen voor de situering van de eerste Utrechtse kerk hierboven al op het tekstbord in het schip van de Romaanse dom dat de plaats van de eerste Utrechtse kerk aanwees. Hier kunnen we nog aan toevoegen dat het om een prominente plek binnen het castellum ging: recht tegenover het hoofdgebouw.

Verder komt de opgegeven afstand tussen de beide muren – zeven meter binnenwerks – overeen met de schipbreedte van teruggevonden kleine kerken uit de Merovingische periode. We denken bijvoorbeeld aan de vroegmiddeleeuwse kerken van Nijvel[18] en verder vooral aan een kerk in het Duitse Soest (zie de afbeelding hiernaast), die eveneens gesticht zou zijn door koning Dagobert en net als in Utrecht gewijd was aan Sint-Thomas.[19]

Tot slot zouden vanuit een noordingang in de hier aangenomen kerk over de via praetoria de overledenen door de noordelijke poort van het castellum naar de begraafplaats kunnen zijn vervoerd. Dat is geen speculatie. Niet alleen zijn in veel oude kerken noordingangen aanwezig, maar bovendien is ten noorden van de burcht, onder het Oudkerkhof, dat zijn naam terecht draagt, in 1982 een skelet aangetroffen dat met de 14C-methode gedateerd is tussen 690 en 780.[20]

De bouwresten van wat Van Giffen periode VIb noemde, die ingegraven zijn in Va, zijn zoals gezegd gering in aantal. Ze bestonden uit een lichtere vulling dan VIa.[21] We achten het niet ondenkbaar dat we hier te doen hebben met resten van de herbouw van de kerk door Willibrord vanaf het fundament, die waarschijnlijk omstreeks 720 heeft plaatsgehad.

Domplein Van Giffen 6 mei
Profiel van de oostelijke putwand in het kranteartikel van 6 mei 1949. Periode VIb is een smalle laag boven VIa. Niet uitgesloten is dat het hierbij gaat om de herbouw van de Sint-Thomaskerk door Willibrord omstreeks 720. Uit Domplein revisited, 35, afb. 3.11.

We hebben moeten vaststellen dat de samenstellers van het rapport naast hun eigen bevindingen bij de opgraving van 2011 slechts heel weinig gegevens aandragen uit de door Van Giffen nagelaten documentatie. Zo zijn er maar weinig manuscripttekeningen en foto's weergegeven. Opmerkelijk is bijvoorbeeld het nagenoeg ontbreken van vlaktekeningen en foto's van de verschillende opgravingshoogten. De belangrijkste gegevens lijken vooral ontleend te zijn aan de gebruikte kranteartikelen in het Nieuw Utrechts Dagblad.

Maar op grond van de hierboven weergegeven, al dan niet secundaire bronnen en aanwijzingen kunnen we samenvattend vaststellen dat de teruggevonden periode VIa in opgravingsput XIX met een grote mate van zekerheid de omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert gestichte en aan de apostel Thomas gewijde eerste Utrechtse kerk betreft.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2015-2016. - Gepubliceerd 9 december 2015; laatst bewerkt 23 februari 2016.