Afbeelding Utrecht Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

De eerste Utrechtse bisschoppen
door Martin de Bruijn









[1] Zie zijn brief aan de paus uit 752/53 (Rau, R. (uitg.), Briefe des Bonifatius. Willibald Leben des Bonifatius, nebst einige zeitgenössischen Dokumenten. Ausgewählte Quellen zur deutschen Geschichte des Mittelalters. Freiherr vom Steim-Gedächtnisausgabe IVb (Darmstadt 1968) nr. 109), afgedrukt op de webpagina
Bonifatius als bouwer van de Utrechtse  Sint-Salvatorkerk.
Ik gebruik bij voorkeur de benaming ‘choorbisschop’ in plaats van koorbisschop, omdat het eerste deel van het woord niet verwijst naar het koor van een kerk, maar naar het Griekse chora, dat platteland betekent. Verder keur ik het af om, zoals in het Utrechtse vaak gebeurt, in gemoderniseerde bisschopsnamen de k te vervangen door een c; dus geen Alberic maar Alberik, geen Ricfried maar Rikfried, geen Frederic maar Frederik.


[2] Rau, Briefe des Bonifatius, nr. 58.


[3] (Hilversum 1999) ald. 70-72. Deze webpagina is tevens een reactie op het eerste deel van het slechts op de literatuur gebaseerde overzichtsboek van T. Jonker-Klijn en R. Roks, De bisschoppen van Utrecht van 690 tot 1581 (Utrecht 2008) 1-32.


[4] Rau, Briefe des Bonifatius, 378-379: Bonifatium archiepiscopum et Burghardum et Regenfridum et Wintanum et Willibaldum et Dadanum et Eddanum cum presbiteris eorum.


[5] Wera et Burghart et Werberht et Abel et Wilbald et Hwita et Leofwine coepiscopi. Burchard was bisschop van Würzburg, Abel had aartsbisschop van Reims moeten worden, Willibald van Eichstätt, Hwita van Büraburg (zie Rau, Briefe des Bonifatius, 212-213).


[6] Gijsseling, M. en A.C.F. Koch, (uitg.), Diplomata Belgica I (Brussel 1950) nr. 186 (2 januari 858). Voor een overzicht van de gang van zaken rond Sint-Odiliënberg zie K. van Vliet, In kringen van kanunniken, 97-100.


[7] in de levensbeschrijving van Bonifatius door Willibald als volgt: Et multa iam milia hominum virorum ac mulierum sed et parvulorum cum commilitone suo chorepiscopo Eoban baptizavit, quem ad subveniendum suae senilis aetatis debilitate Fresonis, iniuncto sibi episcopio in urbe qui vocatur Trecht subrogavit (‘en hij heeft al vele duizenden mensen – mannen vrouwen en kinderen – gedoopt, ondersteund door zijn gezellen, de choorbisschop Eoba, die hij in de burcht die toen Trecht genoemd werd, het bisdom over de Friezen had overgedragen’) (Rau, Briefe des Bonifatius, 512-513). In een oorkonde uit juni 753 ondertekent Eoba met Signum Eoban episcopi (S. Muller Fz. en A.C. Bouman (uitg.),Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I (Utrecht 1920) nr. 4).


[8] In 735 vermeld als Eaba presbiter (Rau, Briefe des Bonifatius, 114-115, tussen 732 en 745 als presbiterum nomine Eobo (ald. 116-117), in 738 als Eoban (120-121).


[9] Zie nt. 7.


[10]  Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 4.


[11] Diplomata Belgica I, nr. 177: uenerabilis uir Gregorius episcopus.


[12] O. Holder-Egger (uitg.), Liudgeri vita Gregorii abbatis Traiectensis, Monumenta Germaniae Historica. Scriptores XV-1 (Hannover 1887), 75: populum illum irradiavit simul cum chorepiscopo et adiutore suo Aluberhto, qui de Britania et gente Anglorum veniebat. Mogelijk is hij dezelfde die later bisschop van Selsey in het zuiden van Engeland werd.


[13] Rau, Briefe des Bonifatius, nr. 50. Zie ald. 144-145, nt. 6.


 [14] Al in een brief die gedateerd wordt tussen 747 en 752 feliciteert de priester Lul (Lullus), die in 752 door Bonifatius tot choorbisschop van Mainz werd benoemd, Gregrorius met zijn abtsbenoeming (Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 39: devotissimo adiutori Gregorio, duplici presbiteratus abbatisque honore cum precedente propriorum meritorum suffragio decorato).

 
[15] Liudgeri vita Gregorii, par.10 (p. 75): et successit pius heres (beatus Gregorius, praeceptor meus).
 

[16] Volgens de veertiende-eeuwse kroniekschrijver Jan Beke in Sint-Salvator in Utrecht (H. Bruch (uitg.), Chronographia Johannis de Beke (s-Gravenhage 1973) 35). Het was overigens in de Middeleeuwen niet ongebruikelijk dat delen van het lichaam op verschillende plaatsen werden begraven.
Inleiding

Bij de dood van Willibrord, aartsbisschop van de Friezen, in 739, was Utrecht nog een missiebisdom. Het had geen vast omschreven grenzen en was niet onder een aartsbisdom gebracht. Willibrord zal in de laatste jaren van zijn lange leven niet in Utrecht hebben geresideerd, maar in het door hem gestichte klooster Echternach in het tegenwoordige Luxemburg. Om de bisschoppelijke taken te vervullen, had hij volgens zijn leerling en collega Bonifatius in Utrecht een
corepiscopus aangesteld.[1]

Volgens dezelfde brief stelde Bonifatius, aartsbisschop en pauselijk legaat van Germanië, op verzoek van de Frankische hofmeier Karloman, enkele jaren na de dood van Willibrord in Utrecht eveneens een dergelijke bisschop aan. Weer enkele jaren daarna, omstreeks 745, probeerde Bonifatius, die op 5 november 744 legaat van de hele ‘Frankische’ kerk was geworden,[2] te komen tot de stichting van een regulier aartsbisdom met zogeheten suffragane bisdommen, die rechtstreeks onder het gezag van de paus in Rome zouden komen te staan. Met Bonifatius zelf als aartsbisschop, gevestigd in Keulen, was Utrecht voorbestemd zo’n suffragaanbisdom te worden. De pogingen strandden echter op de weerstand van de Frankische adel, waarvan leden in het bezit waren van de gevestigde bisschopszetels, en Utrecht zou nog meer dan een halve eeuw een missiebisdom blijven.

In zijn boekje 754. Bonifatius bij Dokkum vermoord schrijft de mediëvist Marco Mostert:

‘Toen het lichaam van Bonifatius Utrecht in 754 verliet, werd het ‘bisdom’ Utrecht, zo lijkt het, min of meer opgeheven. Bonifatius’ opvolger als leider van de missie­post was namelijk geen bisschop, maar abt Gregorius. [...] Het Utrechtse klooster was ongetwijfeld onder het gezag van Keulen gesteld, inclusief de school waar de nieuwe generaties missionarissen werden gevormd. Later, onder de Karolin­gers, ontstonden tradities over de stichting van het Utrechtse bisdom. Toen werd de missiepost gezien in het licht van de latere ontwikkelingen. Men probeerde de gaten in de bisschopslijst op te vullen, en maakte van Willibrords metgezellen priesters en bisschoppen. De Utrechtse hagiografen construeerden een ‘genea­logie’ die begon met Willibrord, en via Bonifatius en Gregorius overging op Liud­ger. In werkelijkheid leidde het bisdom Utrecht op zijn best een schemerbestaan. In 777 werd bisschop Albericus te Keulen gewijd; vanaf 794-795, toen Karel de Grote bisschop Hildebald van Keulen à titre personnel tot aartsbisschop had ge­maakt, vielen Luik, Utrecht en de nieuwe missiebisdommen zoals Münster en Osnabrück onder de Keulse metropoliet. Het bisdom Utrecht betekende pas iets in de negende eeuw, toen met bisschop Frederik (omstreeks 820-835) een seri­euze Karolingische geleerde werd aangesteld.’[3]

Terecht zet Mostert het woord bisdom tussen aanhalingstekens. Want Utrecht bezat toen weliswaar een bisschops­zetel, maar een bisdom in territoriale zin was het nog niet. Maar iets wat er nog niet is, kan ook niet worden opgeheven, zelfs niet min of meer. En ook op de rest van Mosterts betoog valt heel wat af te dingen. Op deze webpagina wil ik de ‘bisschoppen’ in Utrecht eens aan een nader onderzoek onderwerpen. Het is niet de bedoeling hier volledige levensbeschrijvingen te geven; het gaat vooral om de historiciteit van de personen.

Dada of Wera?

Zoals we al gezien hebben, had Willibrord op het laatst van zijn leven al een choorbisschop in Utrecht aangesteld en had Bonifatius dit enkele jaren na diens dood, op verzoek van de Frankische hofmeier Karloman, opnieuw gedaan. Terwijl de naam van de onder Willibrord benoemde bisschop niet bekend is, zijn er wel suggesties voor de door Bonifatius benoemde. Wellicht ging het hierbij om Dada, die in 742 of 743 met Bonifatius aanwezig was op een kerkvergadering, het Concilium Germanicum.[4]

Een andere, overtuigender kandidaat lijkt mij de in een brief van Bonifatius uit 746/47 vermelde Wera. Hij zou identiek kunnen zijn met Wiro, de stichter van het Sint-Pietersklooster in Odiliënberg.[5] Dit klooster – waarschijnlijk gesticht onder Pippijn III toen deze nog hofmeier was (747-751) – werd later het eerste toevluchtsoord van de Utrechtse geestelijken, nadat zij in 857 op de vlucht waren geslagen voor de Noormannen. Het was toen koningsgoed en werd in 858 door koning Lotharius II aan de Utrechtse kerk geschonken.[6]

Eoba(n)

Ook de opvolger van Dada of Wera, de in de vita van Bonifatius door Willibald als chorepiscopus aangeduide Eoba(n), zal een dergelijke hulpbisschop zijn geweest. Hij stierf met Bonifatius in 754 de marteldood.[7] Over hem is meer bekend. Vanaf de jaren dertig van de achtste eeuw werd hij eerst enkele malen vermeld als priester.[8] In de levensbeschrijving van Bonifatius door Willibald wordt gezegd dat deze vanwege diens ouderdom aan hem het bisdom over de Friezen had overgedragen. Eoban en zijn gezellen zouden vele duizenden mensen gedoopt hebben.[9] In een oorkonde uit juni 753 ondertekende Eoba met Signum Eoban episcopi.[10]

Gregorius

De vermelding van deze choor- of hulpbisschoppen biedt verder ook een verklaring voor het feit dat de abt van het Utrechtse klooster Gregorius in een oorkonde van koning Karel (de Grote) van 1 maart 769 episcopus wordt genoemd.[11] Het hoeft geen vergissing te zijn geweest, maar kan eenvoudigweg duiden op zijn status als choorbisschop. Nog een choorbisschop stond hem overigens bij, de Angelsaks Alubert.[12]

Het is denkbaar dat Bonifatius zelfs Gregorius tot zijn opvolger heeft willen maken. In een brief aan de paus uit 742 zegt hij namelijk dat deze hem bevolen had een niet met name genoemde priester als zodanig aan te wijzen. Nu had een broer van deze priester echter een oom van de Frankische hofmeier vermoord en Bonifatius wist niet hoe de daaruit ontstane vete zou worden opgelost.[13]

Al vóór de martelaarsdood van Bonifatius en onder anderen choorbisschop Eoba in 754 in of in de omgeving van Dokkum was Gregorius tot abt van het Utrechtse Sint-Salvatorklooster aangesteld[14] en na diens dood werd hij tevens hoofd van de Utrechtse kerk. Volgens zijn levensbeschrijver Liudger was Bonifatius dat in de tijd vóór zijn marteldood geweest.[15] Die levensbeschrijving betreft namelijk wel de later heilig verklaarde abt Gregorius, maar geeft ook veel bijzonderheden over zijn leermeester Bonifatius, over de Utrechtse kerk en de missionering. Ik vermeld dit hier pro memorie en laat het verder buiten beschouwing. Wel is het van belang te vermelden dat koning Karel (de Grote) in de zojuist genoemde oorkonde van 1 maart 769 op verzoek van Gregorius de Utrechtse kerk bevestigde in het bezit van haar recht op het tiende deel van de koninklijke inkomsten, waarschijnlijk uit een omvangrijk gebied dat minstens een deel van het latere territoriale bisdom omvatte.

Abt Gregorius stierf op 25 augustus 774 en werd in het klooster Susteren begraven.[16] Dit convent was gesticht door hofmeier Pippijn de Middelste en zijn vrouw Gertrudis. In 714 werd het aan Willibrord geschonken, die het mogelijk als pleisterplaats gebruikt heeft voor zijn tochten van Utrecht naar Echternach.

Gregorius en Aberik
Gregorius en Alberik als patroonheiligen van de abdij Susteren, die in 714 door hofmeier Pippijn de Middelste aan aartsbisschop Willibord werd geschonken. De beide heiligen zijn afgebeeld tussen abdis Imago van Loon, die bij haar intrede in 1174 het handschrift aan de abdij schonk. Evangelarium uit de elfde eeuw met latere toevoegingen. Susteren, Schatkamer van de Sint-Amelbergakerk.
[17] W. Diekamp (uitg.), Die vitae sancti Liudgeri (Münster 1881) 19: Sed et abbas Gregorius migravit ad Dominum, et suscepit curam pastoralem Albricus nepos eius.


[18] Chronographia, 35: Venerabilis pater Albricus de partibus Eboracensis dyocesis ex Anglia fuit oriundus. Mogelijk verwarde Beke Alberik met de vroegere choorbisschop Alubert (zie hierboven).


[19] Liudgeri vita Gregorii, 67-68: [Gregorius] venit ad aviam suam, id est matrem patris sui Albrici, supradictam abbatissam Deum timentem Addulam. Zij had er grote moeite mee dat haar kleinzoon de missionaris Bonifatius wilde volgen.

 
[20] Liudgeri vita Gregorii, 79: electi filii eius Albrici, in quo totius domus spes magna incubuit, qui tunc temporis in Italia erat regali servitio occupatus - - - optatus et electus filius eius Albricus.


[21] Altfried, Vita sancti Liudgeri, 21: Albricus autem cum in Colonia civitate gradum accepisset episcopalem, fecit et Liudgerum secum presbiterii percipere gradum et constituit eum doctorem aecclesiae in pago Ostrachae in loco, ubi sanctus Bonifacius est coronatus martirio.


[22] Diplomata Belgica I, nr. 178.


[23] Zie hierboven.


[24] J.Th.J. Jamar en C.A. van Kalveen, Lijst van de Utrechtse bisschoppen 695-1378 (Utrecht 2005) 54-57. Zie ook ald. 7: Thiaterdus episcopus.


[25] Altfried, Vita sancti Liudgeri, 10.


[26] Ald. 21: Divisitque idem Albricus annum in distributiones quatuor, ita ut in Traiecto monasterio prae ceteris praepositis ipse in tempore vernali in doctrinae studio et sanctae conversationis praeesset fratres menses tres, deinde post eum in aestate Adalger presbiter in vice sua menses tres, post hunc Liudgerus presbiter menses tres, deinde in hieme Thiadbraht presbiter menses tres.
Alberik

Gregorius werd in Utrecht als abt opgevolgd door Alberik. De schrijver van Gregorius’ vita, Liudger, noemt hem een neef-oomzegger van de abt.[17] Volgens de veertiende-eeuwse geschiedschrijver Jan Beke zou Alberik afkomstig zijn uit York in Engeland,[18] maar Alfrieds mededeling is geloofwaardiger, omdat ook de vader van Gregorius Alberik heette. De moeder van deze laatste, dus de grootmoeder van Gregorius, was Adela, abdis van het klooster Pfalzel bij Trier.[19]

Alberik zou al in 773/74 door Gregorius als zijn opvolger aangewezen zijn.[20] Hij was toen in rijksdienst en vertoefde met koning Karel in Italië. Gregorius zou voorspeld hebben dat hij zou terugkeren en dit zou ook drie of vier dagen vóór zijn dood op 10 juni 777 gebeurd zijn. Intussen zegt de aanwezigheid van een Utrechtse priester aan het hof van de koning wel iets over de betekenis die Karel de Grote aan het bisdom in wording Utrecht hechtte.

Hierna werd Alberik in Keulen tot bisschop gewijd. Mosterts zin ‘In 777 werd bisschop Albericus te Keulen gewijd’ in het bovenstaande citaat is hoogst ongelukkig geformuleerd. Ik neem aan dat hij hiermee bedoelde dat de priester Alberik zich in (of kort na) 777 in Keulen tot bisschop heeft laten wijden. Dit laatste wordt vermeld in de levensbeschrijving van Liudger, die later de eerste bisschop van Munster zou worden, door diens neef Altfried. Liudger zelf ontving bij die gelegenheid de priesterwijding.[21]

Deze wijdingen zijn wel gekoppeld aan de totstandkoming van een regulier bisdom Utrecht. Maar ook hieraan moet getwijfeld worden. De vermelding van de wijding van Alberik zegt hierover niets, integendeel, belangrijker wordt door Altfried gevonden dat Alberik de nieuwgewijde priester Liudger vervolgens tot prediker (doctor) benoemde in het Friese Oostergo, in de plaats waar Bonifatius de marteldood was gestorven. Het lijkt er dus op dat het bij deze gebeurtenissen in Keulen nog steeds om wijdingen op persoonlijke titel ging.

De wijding was echter gepaard gegaan met een belangrijke verbetering van de materiële positie van de Utrechtse kerk. Op 8 juni 777 had Karel de Grote aan de Utrechtse kerk, waar Alberik, ‘priester en gekozen bestuurder’, aan het hoofd stond, een aantal goederen geschonken, waaronder het domein Leusden en vier bossen aan beide zijden van de Eem, de Opkerk en verschillende rechten in Dorestad.[22] Het is dan ook zeer de vraag of er sprake is geweest van een onderschikking aan Keulen, zoals wel beweerd wordt. Kennelijk werd er ook door de koning gehecht aan een zelfstandig voortbestaan van het Utrechtse missiebisdom.

Theodard/Theutbert/Thiadbraht?

Alberik stierf omstreeks op 21 augustus 784 en werd net als zijn voorganger Gregorius begraven in Susteren.[23] Volgens de Utrechtse bisschopslijst werd Alberik opgevolgd door Theodardus. De oudst bewaarde lijst dateert van omstreeks 1340. In de oorspronkelijke hand staat alleen de naam Theotardus en Thiaterdus. Als opvolger van Alberik zou hij bisschop geweest zijn tussen 784 en omstreeks 790.[24] Een dergelijke vergissing in de tweede lettergreep is in de middeleeuwse historiografie allerminst ondenkbaar. Het zou hier om een verder onbekend persoon kunnen gaan, maar ik acht het aannemelijker dat hij vereenzelvigd mag worden met de priester Thiadbraht, die vermeld wordt in de levensbeschrijving van Liudger. Deze Thiadbraht, mogelijk verwant aan de Fries Wursing,[25] verzorgde rond 775 in het Utrechtse monasterium, nadat Liudger hem in de herfst was voorgegaan, in de winter gedurende drie maanden het onderwijs. In de lente werd dit gedaan door Alberik en in de zomer door Adalger.[26] Deze Tiadbracht zal verder de bezitter zijn geweest van een vroegmiddeleeuws handschrift, de zogeheten Liviuscodex, die volgens zijn eigen aantekening geweest zou zijn van Theutberti episcopi de Dorostat (zie de afbeelding). Over de vraag of Dorestad hier gelijk mag worden gesteld met Utrecht zie de webpagina Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen.

Liviuscodex
De laatste bladzijde van de zesde-eeuwse Liviuscodex met de aantekening Iste codex est Theutberti episcopi de Dorostat. Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, Cod. Vind. Lat. 15, f. 193v.
[27] Jamar en Van Kalveen, Catalogus episcoporum, 56 (Erwackrus gewijzigd in Erwackerdus.


[28] Weinfurter en Engels (uitg.), Series episcoporum V, I (Stuttgart 1982) 175.


[29] Jamar en Van Kalveen, a.w., 56-57; Weinfurter en Engels, Series episcoporum, 175.

[30] W. Heda, ‘Historia episcoporum Ultraiectensium’, in: A. Buchelius (uitg.), De episcopis Ultraiectinis (Utrecht 1643), ald. 46.

[31] H. Bruch (uitg.), Chronographia Johannis de Beke (’s-Gravenhage 1973) 39.


[32] Aldus Weinfurter en Engels, Series episcoporum, 175. Ik heb er geen enkele aanwijzing voor in de bronnen kunnen vinden.


[33] Diplomata Belgica I, nr. 179: necnon et in ripis Dorestado, ut nec bannum nec fredum aut coniectum quę ab ipsis giscot uocatur contigere aut exactare praesumeret.


[34] Beke, Chronographia, 41-47.


[35] Zie H.P. van Buijtenen, Langs de heiligenweg. Perspectief van enige vroeg-middeleeuwse verbindingen met Noord-Nederland (Amsterdam 1977) m.n. 51-57.
Hamakar

Na Theodard of Theutbert, die omstreeks 790 overleden zal zijn, trad een bisschop aan, van wie we alleen de naam kennen: Hamakar. En deze naam wordt ook nog op verschillende manieren gespeld: Erwackerdus, Erwackrus,[27] Hermocarus, Harmacarius, Harimacarius, Ewacharus, Ewachterus.[28] Volgens de bisschopslijst is hij gestorven op 27 of 28 augustus van een niet genoemd jaar en net als zijn voorgangers begraven in de Sint-Salvator.[29] In een veel latere, zestiende-eeuwse bron wordt van zijn opvolger gezegd dat deze in 806 in zijn eerste bisschopsjaar was en daarom wordt 806 als het sterfjaar van Hamakar aangehouden.[30]

De belangrijkste middeleeuwse geschiedschrijver van het Sticht, de veertiende-eeuwer Jan Beke, zegt zelf dat over hem niets anders bekend is dan dat hij bij zijn voorgangers begraven is, dus in de Sint-Salvator.[31]

Onder Hamakars episcopaat heeft in 794 of 795 de stichting plaatsgehad van een aartsbisdom Keulen met enkele suffragaanbisdommen. Karel de Grote maakte toen niet bisschop Hildebald tot aartsbisschop à titre personnel, maar stelde een bisdomsindeling in op basis van de Laat-Romeinse provincie-indeling de kerkprovincies Germania I en II. Tot Germania I kwamen Keulen als aartsbisdom en de bisdommen Luik en Utrecht te behoren. Hiertoe konden nog niet Munster en Osnabrück behoren, zoals Mostert in zijn hierboven aangehaald citaat beweert, want deze bisdommen werden pas later opgericht. Ook Bremen en Minden werden later bij hun oprichting onder het aartsbisdom Keulen gebracht. Hoewel we verder niets van hem weten, kan Hamakar beschouwd worden als de eerste bisschop van Utrecht en niet, zoals zijn voorgangers, bisschop in Utrecht.

Rikfried

Na het overlijden van Hamakar in of vóór 806 werd Rikfried bisschop van Utrecht. Mogelijk was deze van Friese herkomst.[32] Hij overleed op 5 oktober 820 en werd in Utrecht in de Sint-Salvator begraven. Onder zijn episcopaat bevestigde keizer Lodewijk de Vrome op 18 maart 815 het tiendrecht van de Utrechtse kerk en voegde er nog andere rechten aan toe, waaronder vrijstelling van de belasting giscot in Dorestad.[33]

Frederik

Rikfrieds opvolger was Frederik, over wie aanmerkelijk meer bekend is dan over zijn voorgangers. Hij zou uit het bisdom zelf afkomstig zijn, was door zijn moeder aan bisschop Rikfried opgedragen en door deze als zijn adoptiefzoon opgeleid en tot priester gewijd.[34] Frederik werd op 18 juli 838 in de crypte van de Sint-Salvatorkerk vermoord en later heilig verklaard. Die eer viel ook Odulf (Odulphus) te beurt, die tijdens zijn episcopaat priester in Utrecht was. Volgens een van diens, veel later ontstane levensbeschrijvingen zou Odulf gedurende tien jaar in de plaats van Frederik opgetreden zijn, omdat deze laatste gedurende die periode boete moest doen voor incest met zijn zuster.[35] Odulf, die ook heilig is verklaard en in Utrecht grote verering genoot, komt echter niet als bisschop in de Utrechtse bisschopslijst voor. Wanneer hij werkelijk bisschop van Utrecht was geweest, zou dit zonder twijfel wel in de Utrechtse bronnen vermeld zijn.

Conclusie

Hiermee wil ik het overzicht van de eerste Utrechtse bisschoppen besluiten. Alle genoemde personen die bisschop in Utrecht zijn geweest komen in betrouwbare bronnen van verschillende herkomst voor op één uitzondering, Hamakar, na en één niet geheel zekere identificatie, Theodard/Theutbert/Thiatbraht. De bewering van de mediëvist Marco Mostert dat men achteraf geprobeerd heeft de Utrechtse bisschopslijst ‘op te vullen’, dat men zelfs een ‘genealogie’ geconstrueerd heeft, kan dan ook toegevoegd worden aan de mythen die het ‘onderzoek’ naar de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Utrecht de afgelopen decennia heeft opgeleverd. De andere onjuistheden en ongelukkige formuleringen in zijn korte vertoog heb ik hierboven eveneens behandeld.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2016. - Gepubliceerd 12 juni 2016; laatst bewerkt 12 juni 2016.