Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Deze webpagina is gebaseerd op een artikel dat al in 1998 geschreven is, maar niet gepubliceerd. Het is aan de huidige stand van het onderzoek aangepast. Behalve naar de in de noten hieronder vermelde literatuur verwijs ik naar de pagina’s op deze internetpresentatie  die genoemd worden op de webpagina ► Op en rond het Domplein.
Verschillende ervan bevatten aanvullende informatie.

















[1] Literatuur van de laatste vijftig jaar: E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst II: de provincie Utrecht, 1ste stuk: de gemeente Utrecht II (’s-Gravenhage 1965) 159-160; Th. Haakma Wagenaar, Memorandum domtoren (z.pl. [Utrecht] 1975); J.E.A.L. Struick, ‘De ruimtelijke voorbereiding op de bouw van de gothische domtoren te Utrecht’, Maandblad Oud-Utrecht 55 (1982) 130-133; P.M.M. Pijnenburg, ‘Een Karolingische kathedraal te Utrecht’, Bulletin KNOB 81 (1982), 119-129;  T.J. Hoekstra, ‘De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht (1010-1026)’, in: Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Utrecht 1988) 95-108; A.J.J. Mekking, ‘Pro turri Trajectensi’, in:  Annus quadriga mundi. Opstellen over middeleeuwse kunst aangeboden aan prof. dr. Anna C. Esmeijer (Zutphen 1989) 129-151; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten (Utrecht 1995) 22-25; dez., ‘Van tempeltje tot kathedraal. Romeinse en vroegmiddeleeuwse bebouwing onder het verdwenen schip van de Utrechtse Domkerk’, Westerheem. Tijdschrift voor de Nederlandse archeologie 46 (1997) 1-10, ald. 4-6;  A.J.J. Mekking, De Dom van bisschop Adalbold II te Utrecht (Utrecht 1997); M.W.J. de Bruijn,
Tussen beeld en werkelijkheid’ (recensie van bovenstaande publicatie van Mekking), Signum. Tijdschrift van de Contactgroep voor sociaal-economische en institutioneel-juridische geschiedenis van geestelijke en kerkelijke instellingen in de Nederlanden in de Middeleeuwen 10 (1998) 42-51; A. de Groot, ‘Een droom van een Dom. De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht. Kanttekeningen bij een reconstructie’, Jaarboek Oud-Utrecht 1998, 5-44; C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005); H. Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld’, in H. van Engen en K. van Vliet red., De nalatenschap van de Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2012) 37-68.

[2] Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 160-167; T.J. Hoekstra, ‘De dom van Adelbold II’ in: Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Utrecht 1988) 95-108; Broer en De Bruijn, ‘Van tempeltje tot kathedraal’, 5-6.

[3] Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 160-161; J.M.A. van Cauteren, ‘De liturgische koordispositie van de Romaanse Dom te Utrecht’ in: Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk, 64; Hoekstra, ‘De dom van Adelbold’, 105.

[4] Zie de bouwberichten in Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 171-173.

[5] M.W.J. de Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem’, Maandblad Oud-Utrecht 64 (1991) 45-46, als reactie op Mekking, ‘Pro turri Trajectensi’, 138-140; vervolgens dez., ‘Super loco turris nove (...)’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 10; en De Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem II’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 54-55.

[6] Het is samengesteld in overleg met de architectuurhistoricus Arie de Groot, toen deze een recen­sieartikel voorbereidde over Mekking, De Dom van bisschop Adalbold. Tege­lijkertijd werkte ik aan een recensie van deze publicatie voor het tijdschrift Signum. Beide zijn inmiddels gepubliceerd (De Bruijn,
‘Tussen beeld en werkelijkheid’ en De Groot, ‘Een droom van een dom’). Onze opvattingen bleken slechts in een enkel detail van elkaar te verschillen.
De domtoren in Utrecht,
oud en nieuw
door Martin de Bruijn


Er zijn de afgelopen jaren verschillende driedimensionale reconstructies verschenen van verdwenen bebouwing op en rond het Domplein in Utrecht. Deze reconstructies kennen een grote mate van onzekerheid en zelfs aantoonbaar foutieve voorstellingen, omdat de bronnen te beperkt zijn en bovendien slechts voor een deel worden benut. Op deze pagina wordt geprobeerd aan de hand van het volledige beschikbare bronnenmateriaal een hypothetische reconstructie te geven van de voorganger van de huidige domtoren en zijn directe omgeving in het eerste kwart van de veertiende eeuw. Het zal de lezer duidelijk worden dat op basis hiervan geen betrouwbare 3D-reconstructie mogelijk is en eigenlijk zelfs geen 2D-reconstructie of plattegrond voor de tijd rond 1300 valt samen te stellen.

Inleiding

De belangrijkste kerk van de Noordelijke Nederlanden was de Utrecht­se dom. Hij was gewijd aan Sint-Maarten en fungeerde sinds het midden van de achtste eeuw als kathedraal, de kerk waar de bisschop zijn zetel had. Geen wonder dat er door de eeuwen heen veel geld en zorg aan deze hoofdkerk van het bisdom Utrecht besteed is. Waar­schijnlijk was het al in de tijd van Karel de Grote, de Karolingi­sche bloeitijd rond het jaar 800, een omvang­rijk gebou
w.
[1]

Daarna zal de Utrechtse dom nog verschillende keren verbouwd en vergroot zijn. Tussen 1017 en 1023 werd de kathedraal zodanig uitge­breid dat er gesproken kon worden van een nieuwe kerk. In de litera­tuur wordt zij ‘de dom van Adel­bold’ genoemd, naar de bisschop die haar heeft laten bouwen.[2]

Bisschop Adelbolds dom is in 1131 door brand beschadigd; een jaar later al vond de herwijding plaats. In 1148 werd de kerk opnieuw door brand getroffen. Hierna werd zij pas in 1173 opnieuw ingewijd. Dit kan erop duiden dat de schade aanzienlijk geweest is, maar waarschijnlijk is het gebouw in de tussenliggende tijd ook vergroot.[3]

In 1253 brak er in Utrecht een grote stadsbrand uit, die ook de kathe­draal heeft getroffen. Zij werd hersteld, maar er werd tevens besloten tot de bouw van een geheel nieuwe domkerk in Gotische stijl. In 1254 legde bis­schop Hendrik van Vianden daarvoor de eerste steen. Maar pas eind jaren tachtig van de dertiende eeuw kwam ‘het nieuwe werk’ goed op gang. Begonnen werd met de bouw van een nieuw oostkoor, dat pas in de loop van de veertiende eeuw werd voltooid.[4]

Het had voor de hand gelegen wanneer men de nieuwbouw verder stap voor stap van oost naar west had uitgevoerd. Maar dat gebeurde merkwaar­diger­wijs niet. Misschien was het nieuwe Gotische oostkoor net klaar toen men in het jaar 1320 voorbereidingen ging treffen voor de bouw van een nieuwe toren aan de westkant van de kerk. Niet de bisschop deed dit, maar het domkapittel, het college van kanunniken dat verbon­den was aan de kathedraal en dat de kerk in zijn beheer had.[5] Pas in het laatste kwart van de vijftiende eeuw is men begonnen met de vervanging van het Romaanse schip (zie afb. 1).

Romaans schip van de dom Afb. 1. De Utrechtse dom op een schilderij van omstreeks 1460. Tussen het Gotische koor en de Gotische domtoren bevond zich toen nog steeds het schip van de Romaanse kerk. Amsterdam, Rijksmuseum.

Wat was de reden waarom men in 1320 ineens aan de andere kant van de kerk ging bouwen? En wat had dat voor gevolgen voor de bebouwing aldaar? Om op die vragen een antwoord te geven worden in dit artikel de archeolo­gi­sche en histori­sche gegevens nog eens op een rij gezet en geanalyseerd. Het gaat hierbij om een gecompliceerde materie; de bronnen zijn betrekkelijk schaars en voor een deel lastig te duiden. Dit artikel draagt dan ook in onderdelen een hypothe­tisch karakter.[6] Voor een beter begrip van de topografische situatie kort vóór de bouw van de nieuwe toren verwijs ik de lezer naar afb. 2 hieronder.

Reconstructie van de bebouwing rond de oude domtoren
Afb. 2. Reconstructie van de bebouwing rond de oude dom- of Sint-Maar­tenstoren omstreeks 1300 (gestippeld de nieuwe domtoren). De getekende lijnen zijn voor een deel hypothetisch; de letters en cijfers geven om en nabij de ligging van de structuren en hun bebouwing aan.
A     bisschopshof;
A1   zaal van de bisschop (in 1297 gesitueerd
an sunte Michiels capelle);
A2   ‘huis’ van de bisschop, waar zich in de onderverdieping de wijnkelder (
bottelrye) en de voorraadkamer (spiinde) bevonden (in 1320 aangeduid als domum episcopalem que dicitur spinde). Vanaf dat jaar was hier het consistorie, het bisschop­pelijk gerechtsgebouw, gevestigd. De bisschop had van­hieruit een toegang tot de Sint-Michielskapel in zowel de oude als de nieuwe toren. Tussen het ‘huis’ en de nieuwe toren verkreeg de bisschop een overdekte doorgang om van de zaal en de overige bebouwing naar de domkerk te kunnen gaan;
A3   poort van het bisschopshof onder de bisschoppelijke zaal;
A4    kraamsteden en erven onder een gewelf aan beide zijden van de poort van het bisschopshof;
A5    gruithuis;
B1   westwerk en schip van de Romaanse domkerk;
B2   mogelijke voorhof (
atrium) tussen de Romaanse domkerk en de domtoren;
B3   dom- of Sint-Maartenstoren met op de verdieping de Sint-Michielskapel;
B4   huis van de dom onder de Sint-Michielskapel (in 1241 aangeduid als
area sub capella sancti Michaelis versus septentrionem);
B5   plaats van het consistorie van de domproost en kerker van dom en Oudmunster;
C1   Heilig-Kruiskapel, behorend tot het kapittel van Oudmunster;
C2   Oudmunsterkerk;
C3   claustraal huis van Oudmunster ten noorden van de domtoren en de Sint-Michiels­kapel. Vanaf het toilet (
camera privata) op de zuidwesthoek van dit huis werd in 1320 een lijn getrok­ken naar ‘het bisschopshuis dat spinde werd genoemd’ (A2).











[7] E.J. Haslinghuis, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, dl. II: de provincie Utrecht, 1ste stuk: de gemeente Utrecht I (’s-Gravenhage 1956) 86; Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 32, afb. 9.

[8]   G.C. Labouchere, ‘Het huis ten zuiden van de domtoren in de middeleeuwen’, Jaarboekje van Oud-Utrecht” 1928, 26-36; Haslinghuis, De Nederlandse monumenten, 86; Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 167.

[9]     Labouchere ‘Het huis ten zuiden van de domtoren’; Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 167.




Grondslagen van de trap tussen het bisschopshuis en de domtoren
Afb. 4. Opgravingsfoto van het onderste deel van de zuidelijke traptoren van de oude Sint-Maartensto­ren, in gerestaureerde vorm nog steeds zicht­baar naast de huidige Gotische toren. (Has­linghuis, De Nederlandse monumenten, 86, afb. 5).


[10] Zie Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 191-192, fig. 24. In Hoekstra, ‘De dom van Adelbold’, p. 97, afb. 2; en Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 4, afb. 1, is de schaal onjuist aangegeven.

[11] Dit belangwekkend artikel ontbreekt in de door het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum in Utrecht uitgegeven Archeologische en Bouw­histori­sche kroniek van de gemeente Utrecht 1926-1972 (Utrecht z.j.). Slechts summiere gege­vens over de opgraving zijn te vinden in een daarin wél opgenomen artikel dat toege­schreven wordt aan G.A. Evers (ald., 55-58), maar dat waar­schijnlijk eveneens van Labouchere is (zie G.C. Labouchere, ‘De opgravingen op het Domplein te Utrecht’, Nieuwe Rotterdamsche Courant van 27 november 1929); en verder in Hasling­huis en Peeters, De dom van Utrecht, 167 en 191-192, fig. 24. Navraag bij het Archeolo­gisch en Bouwhis­torisch Centrum leerde dat er daar verder niets over bekend was (vriendelijke mededeling van C.A.M. van Rooijen). In het Utrechts gemeente­archief bevindt zich een door W. Stooker vervaar­digde ‘Opmeting van fundee­ringen gevonden bij ver­schil­lende ontgravingen in den omtrek van de Domtoren in de jaren 1922-1930’, waarvan G.Th. D(ela­marre) in december 1959 een foto voor de Rijksdienst voor Monu­menten­zorg gemaakt heeft (nr. 56961) (zie afb. 3). In latere publicaties is door weglating van de details het beeld nog vager dan op bovenstaande platte­gronden (zie bv. Hoekstra, ‘De dom van Adelbold’, p. 97, afb. 2; en Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 4, afb. 1). Dit alles geeft weer eens aan hoe belang­rijk het is dat de resulta­ten van archeo­lo­gisch onderzoek zo snel mogelijk na de opgraving gedetail­leerd worden uitge­werkt en gepubli­ceerd. Gezien de hoeveelheid verslagen die dat zou opleveren, kunnen publicatielijsten vervolgens behulpzaam zijn bij het traceren van de archeologische gegevens. Maar dan dient bij dergelijke lijsten wel naar volledigheid of op zijn minst representativiteit te worden gestreefd en dat is helaas niet altijd het geval. Zo is de door T.J. Hoekstra samen­gestelde biblio­grafie over archeo­logie en bouwhisto­rie van de stad Utrecht over de jaren 1972-1996 (G. Bakker en T.J. Hoekstra red., Het stenen geheugen. 25 jaar archeologie en bouwhistorie in Utrecht (Utrecht 1997) 170-175, erg lacuneus. Terwijl van enkele auteurs klaarblijkelijk ieder gedrukt kattebelletje is opgeno­men, ontbreken vele soms omvangrijke publicaties van andere onderzoekers.

[12] Zie Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, p. 158; Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 43-45; en De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 30-31.

[13] Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 161. Zie ook hierna.

[14] Ald. 171.

[15] Zie M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994) 73-74 en 227-245. Over deze huizen: 158-163.

[16]  Zie voor deze kerk Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 145-153; Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 43-47; Broer en De Bruijn, ‘Bonifatius en de Utrechtse kerk’, 48-53; R.J. Stöver, De Salvator- of Oudmunsterkerk te Utrecht. Stichtingsmonument van het bisdom Utrecht (Utrecht 1997); B (= A.J.) van den Hoven van Genderen, De heren van de kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late Middeleeuwen (Zutphen 1997) 501-530.

[17] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 165-168.

[18] Het andere bevond zich aan de noordkant van het huidige Domplein. Zie ald. 162-163.

[19] Zie voor deze situeringen, de vindplaatsen van de bronnen en citaten uit deze bronnen ald. 158-159.

[20] F. Ketner uitg., Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301 V, nr. 2849 (26 oktober 1297). De bisschop oorkondde dat Gerlach en zijn vrouw Lize en Arnoud Millinc en zijn vrouw Heile aan Gerard Vrenken hebben gegeven den erftins ende die brieve ende al dat recht dat sy hadden an der hofsteden ende an den craemsteden die gheleg­hen siin an des bisscops huus in der borch, van sunte Michiels capelle totter graft. Verder oorkondde hij dat Gheraerd Vrencke recht hadde aen der steden daer die bottel­rye ende die spiinde op staen van onsen sael an sunte Michiels capelle. Voort, aldus de bisschop, so hebben wij Gheraerd Vrencken ghegeven den colegaert die gheheten is Boots camp ente orbaer die daerof coemt, voor die orbaer die hi hebben mocht van der stede daer die bottelry ende spiinde op staen. De bisschop beloofde Gerard te helpen tegen het domka­pittel, dat hem die rechten betwistte.

[21]  Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 113-115; verder De Bruijn 1998, 45-49, als reactie op Mek­king, De Dom van bisschop Adalbold, 31-38.

[22] Mekking neemt een dergelijk poortgebouw aan naast een toren: ‘Pro turri Trajectensi, 141-143; Mekking ‘Super loco turris nove’, 10; en opnieuw Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 31-42. Zie echter De Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem II’, 54; en De Bruijn, ‘Tussen beeld en werkelijkheid’, 44-49.

[23] Zij sluiten tevens uit dat op de plaats van het rechthoekige fundament ooit een aparte toren als klokken­toren is gebouwd, die vereenzelvigd kan worden met de maior turris uit 1253 (aldus Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 42). In dat geval zou immers het huis van de dom niet onder de Sint-Michielskapel kunnen zijn gesitueerd. Zie De Bruijn, ‘Tussen beeld en werkelijkheid, 44-49, en De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 28.

[24] Afgebeeld bij P.W.A. Immink en A.J. Maris uitg., Registrum Guidonis. Het zogenaamde register van Guy van Avesnes, vorst-bisschop van Utrecht (1301-1317) (Utrecht 1969), naast 8.

[25] Afgedrukt bij Mekking, ‘Pro turri Trajectensi, 134.


Zegel van bisschop Guy van Avesnes van 1305
Afb. 6. Zegel van bisschop Guy van Henegouwen of van Avesnes (1301-1317) aan een oorkon­de uit 1305. Aan de bovenzijde bevindt zich een dwars­travee met verhoogde middentoren, die mogelijk gebaseerd zijn op het bouwlichaam van de oude dom- of Sint-Maartenstoren.



[26] Daarnaast is in de Latijnse bronnen de benaming cymiterium gebruikelijk. Zie Struick, ‘De ruimtelijke voorbereiding’, 132, die al ernstige twijfels had over het bestaan van een atrium als voorhof.
De oude dom- of Sint-Maartenstoren

Wat weten we archeologisch gezien van de oude dom- of Sint-Maartenstoren? Niet veel, en dat is niet verwonderlijk. Voor zover ze er nog liggen, gaat het grootste deel van de fundamenten van de oude toren schuil onder die van de nieuwe. Maar ten zuiden van de toren is bij archeologisch onderzoek het fundament van een onregelmatig achthoekige traptoren aangetroffen en aan de noordkant funderingsresten met een min of meer rechthoekige platte­grond (zie afb. 3 en 4). Het funda­ment van de traptoren wordt toege­schreven aan de dom die bis­schop Adel­bold tussen 1017 en 1023 heeft gebouwd.[7] Het valt echter niet uit te sluiten dat het geheel of ten dele om oudere bebou­wing gaat. De datering van veldkeien en tufsteen, waaruit de teruggevonden resten bestaan, is lastig wanneer de context uit andere gegevens niet duidelijk is. Andere bebouwingsresten die ten oosten hiervan werden aange­troffen hebben zoals we zullen zien deel uitgemaakt van het Bisschopshof.[8] Ook deze bestonden uit keien en tuf.[9]

Opmetingen van de opgravingen rond de domtoren
Afb. 3. De Gotische domtoren met de funderingsresten die ten noorden en ten zuiden ervan zijn teruggevonden. Aan de noordkant onder meer het recht­hoekig funda­ment waarop de noordelijke traptoren van de oude toren zal hebben gestaan en funderingsresten van het claustraal huis van Oudmunster; in de nieuwe Gotische toren de trap naar de Sint-Michielskapel. Aan de zuidkant de traptoren van de oude toren en het fundament van het ‘huis’ van de bisschop waar na 1320 zijn consis­torie werd gevestigd met in de nieuwe toren de ‘bisschopstrap’. Onderdeel tekening W. Stooker, 1930 of later. Foto Rijksdienst Monumentenzorg, nr. 56961.

Over de fundamenten aan de noordkant, die opgegraven werden in 1929, weten we dat die min of meer rechthoekig, van oost naar west ruim 9 meter breed en vanaf de toren naar het noorden ongeveer 7 meter breed waren.[10] In een krantenartikel in de Nieuwe Rotterdam­sche Courant van 27 november 1929 schreef de architectuurhistoricus G.C. Labouchere hierover (met correc­tie van enkele kennelijke zetfouten):

‘Ten eerste is er opgegraven aan den Noord-Westkant van den Domtoren. Hier heeft men getracht beves­tiging te verkrijgen van het vermoeden, dat de toren, evenals zijn voorgan­gers, gebouwd is geworden op den oorspronke­lijk open voorhof der oude Domkerk. Bij de opgraving kwam inderdaad weer over een aanzienlijke lengte aan de Noordzijde van den toren de fundeering te voorschijn van een muur, die de Noordelijke afsluiting van dat voorhof of atrium gevormd kan hebben. Bij den Noordwestelijken hoek van den Domtoren trof men de nu nog maar ten deele blootgelegde rechthoe­kige fundeering van een bouwwerk, dat men zich blijkens het materiaal (tufsteen, veldkeien, basaltlava en trachiet) en de zeer zware constructie, zal moeten voorstellen als een toren van zeker niet jongeren datum dan de twaalfde eeuw. Dit bouwwerk heeft niet in het verlengde van den Noorder-zijbeuk van de kerk gestaan; indien het dus een klok­kentoren is geweest, dan is de plaatsing ervan ten opzichte van het kerkgebouw een unicum. Wellicht valt er nog eenig licht op de beteekenis van dit raadselachtige bouwwerk, wanneer men die fundeering ook op andere plaatsen blootgelegd zal hebben; thans ziet men alleen de Westelij­ke helft. Tevens zal men na verwijdering van latere aanbouwen van baksteen wellicht kunnen vaststellen of er zich onder die aanbouwen nog een aanzet bevindt van muurwerk uit den tijd, vóór dat de Domtoren en zijn voorgangers ter plaatse gesticht zijn. Aan de Westzijde van deze fundeering ziet men een baksteenen beerput, behoord hebbend tot een privaat, dat men in een oorkonde van 1320 vermeld vindt; toentertijd werd deze plaats ingenomen door een aan het kapittel van Oudmunster behoorend huis, dat in 1399 weggebroken is.’[11]

In het hierna volgende zal uitvoerig op dit citaat worden ingegaan. Eerst nog iets over de andere gegevens die ter beschikking staan. Een figuratieve bron vormt het kerkgebouw dat is afgebeeld op het zegel van de provisoren van de dom uit de tweede helft van de dertiende eeuw (afb. 5). Daarop staat een kerkgebouw met twee dwarsschepen en op enige afstand van elkaar twee even hoge torens. Met dergelijke zegels is echter grote voorzichtigheid geboden; ze hoeven geen waarheidsge­trouwe afbeelding te zijn van het gebouw waarop ze betrekking hebben.[12]

Afb. 5. Zegel van de provisoren van de dom uit 1292. Er staat een kerk op met twee dwarsbeuken en twee ongeveer even hoge torens. Dergelijke zegels hoeven geen waarheidsgetrouwe afbeelding te zijn van het gebouw waarop ze betrekking hebben. (Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 158, afb. 117). Zegel van de provisoren van de dom uit 1292

Uit de geschreven bronnen weten we ook niet veel over de voorganger of voorgangers van de tegenwoordige domtoren. Volgens een laatmiddeleeuwse kroniek zou in 1208 de oude Sint-Maartenstoren zijn ingestort, maar het is de vraag of dit jaartal correct is.[13]

In ieder geval is bij de stadsbrand van 1253 de ‘grootste toren bij Sint-Maarten’ (maior turris apud sanctum Martinum) bijna ge­heel? ver­brand (fere combusta).[14] Het zal deze gehavende toren zijn geweest die als de Sint-Maartenstoren wordt vermeld in bronnen vanaf de twaalfde eeuw (zie afb. 2, B3).

Die bronnen hebben om te beginnen betrek­king op belendin­gen van een huis dat ten noorden ervan stond. Daar bevon­den zich noord-zuid van elkaar, met de zogeheten Bis­schopsweg ertussenin  twee zogeheten claustrale huizen van het kapittel van Sint-Salvator of Oudmun­ster, die bestemd waren voor kanun­niken van dit kapittel (C3 en C4). Zij behoorden tot het claustrum of immuniteitsgebied, het kerngebied van het kapittel, waar eigen kerkelijk recht gold.[15] De kerk en de rest van de ‘immu­niteit’ van Oudmunster bevond zich evenwel ten zuiden van de domkerk en -toren (C2).[16] De bewoners van de twee claustrale huizen van Oudmun­ster ten noor­den van de domtoren hadden vanouds het recht van vrije doorgang over het immuniteitsgebied van de dom naar hun eigen kapittel­kerk. Deze doorgang bevond zich ten oosten van de dom­toren.[17]

Het zuidelijkste van de twee genoemde huizen stond hoogstwaarschijnlijk vrijwel tegen de toren aan (C3).[18] In 1179, 1240 en 1243 werd het gesitueerd ‘bij de Sint-Maartenstoren’ (iuxta turrim sancti Martini). In 1241 en 1303 werd als belending echter een kapel van Sint-Michiel opgege­ven (prope capellam sancti Michaelis). Deze kapel van de bisschop, waarover ik nog nader kom te spreken, bevond zich op een verdie­ping in de toren. Dit valt af te leiden uit de vermelding van een huiserf van de dom. Dit perceel werd in 1241 gesitu­eerd ‘onder de Sint-Mi­chielskapel naar het noorden toe’ (sub capella sancti Michaelis versus septentrionem). Het zal ten westen van het huis van Oud­munster hebben gestaan, gezien de formulering waarschijn­lijk eveneens tegen of nagenoeg tegen de toren aan (B4).[19]

Aan de andere kant, onmiddellijk ten zuiden van de toren, bevond zich bebouwing van het bisschopshof. In 1297 bleek een zaal van de bisschop (A1) an sunte Michiels capelle te liggen[20] en in 1320 sprak de bisschop onder meer over de toegang die hij vanuit zijn huis had gehad ‘naar de kapel of het altaar van de oude toren’. Ook in de nieuw te bouwen toren zou hij weer een dergelijke toegang krijgen.[21] Deze bebou­wing ten zuiden van de toren komt hierna nog uitvoerig aan de orde.

Uit combinatie van de archeologische en schriftelijke gegevens valt af te leiden dat er op de plaats van de tegenwoordige toren een voorganger heeft gestaan die aan de zuidzijde een veelhoekige traptoren heeft gehad (afb. 3 en 4). Gezien de symmetrie die de kerkenbouw van de Vroege en de Volle Middeleeuwen kenmerkte, is het niet ondenkbaar dat ook aan de noord­kant een dergelijke traptoren heeft gestaan (afb. 2). De daar gevon­den recht­hoekige funderingen, waarover hierboven is gesproken, vormen daarvan wel geen bewijs, maar zij sluiten het toch ook niet uit. Dat er een afzonderlijke (klokken)toren gestaan zou hebben, is niet erg aannemelijk, zoals ook Labouchere in het hiervóór gegeven citaat al vast­stelde. Wellicht kan een nieuwe opgraving daarover nog eens meer aan het licht brengen.

Het is mogelijk dat de oude toren net als de nieuwe een of meer onder­doorgangen heeft gehad; zeker is dit echter niet. Wat ertegen pleit is de zojuist al genoemde Bisschopsweg, die met een grote omweg – om zowel de toren als het huis van de dom en het claustraal huis van Oudmun­ster heenvan het bisschopshof langs de Borchstraat (de smallere voorganger van de huidige Servetstraat) naar de noordzijde van de domkerk liep. Verder is de oude toren nooit een poort­gebouw genoemd;[22] er is altijd sprake van ofwel de Sint-Maartenstoren of de Sint-Michielskapel. Deze benamingen komen van de twaalfde tot de veertien­de eeuw zowel voor als belending van het claus­traal huis van Oud­munster aan de noordkant als van de bebouwing van het bis­schopshof aan de zuid­kant.[23]

Wanneer we voor dit westelijk front van de kerk uitgaan van een symme­trisch geheel, met traptorens aan beide zijden, dan zal dat gebouw in totaal ongeveer 35 meter breed zijn geweest, zonder de traptorens 27 meter. Dit was waarschijnlijk tevens de breedte van het schip van de Romaanse domkerk (B1).

Hoe moeten we ons een dergelijk bouwlichaam voorstellen? Mijn voorzich­tige veronderstelling is dat het een dwarstra­vee betrof met een hogere middentoren. Een dergelijk bouw­lichaam is afgebeeld aan de boven­zijde van het zegel van bisschop Guy van Henegouwen of van Avesnes, die bisschop was van 1301 tot 1317 (zie afb. 6). Het hangt aan een oorkonde van 21 november 1305[24] en dateert dus van vóór een eventuele instorting van de toren in 1308. Een element van de huidige domtoren, de achthoekige gele­ding, komen we ook op een bisschopszegel tegen, name­lijk dat van bisschop Frederik van Blanken­heim (1393-1423) (afb. 7).[25] Het ontbreekt dus niet aan een parallel. Maar de vraag blijft hoe betrouwbaar de afbeelding op het zegel van bis­schop Guy is en zelfs of het wel om de oude Sint-Maarten­storen gaat.

Afb. 7. Zegel van bisschop Frederik van Blankenheim (1393-1434) uit 1421 met de achthoekige geleding van de huidige Gotische domtoren. Zegel van bisschop Frederik van Blankenheim uit 1421

Tussen dit westfront en de kerk zelf wordt, zoals ook Labouchere al aan­gaf, in de literatuur uitgegaan van een atrium of voorhof (B2). Daarbij moeten we ons echter realiseren dat in de bronnen de aanduiding atrium alleen gebruikt wordt voor het domkerkhof, dat zich ten noorden en ten oosten van de domkerk bevond (thans het noordelijk deel van de Domplein en aan de oostkant Achter de Dom).[26] Voor het al of niet aanwezig zijn van een voorhof zie de webpagina Is meten altijd weten?
[27] Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 114-115; en De Bruijn, ‘Tussen beeld en werkelijkheid’, 48-49.

[28] De Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem’, 45-46.

[29] Een overzicht van de bouwberichten in Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 413.
De nieuwe toren

Om een nieuwe toren te kunnen realiseren op de plaats van de oude knoopte het domkapittel eerst onderhandelingen aan met de collega-kanunniken van het kapittel van Oudmunster. Het zuidelijkste van de twee genoemde claus­trale huizen van dit kapittel stond zo dicht bij de toren dat een deel ervan moest worden afgebroken voor het leggen van het fundament. Op 9 mei 1320 machtigden de beide kapittels hun dekens en een kanunnik van elk van de beide colleges om een bindende regeling te treffen. De tekst van deze overeenkomst, die korte tijd later tot stand gekomen zal zijn, is eveneens bewaard gebleven. Er wordt nauwkeurig in aangegeven waar de grenzen van beider terreinen zich bevonden en welke rechten de beide kapittels bezaten (voor de tekst en vertaling daarvan zie bijlage I).

Enkele maanden nadat overeenstemming was bereikt met Oudmunster, op 26 juli 1320, kreeg het domkapittel een toezeg­ging van de bisschop. Zoals gezegd bevond zijn hof zich aan de zuidkant van de toren. Hij stond welwil­lend toe om voor de bouw van de toren zijn consistorie – het ge­rechtsge­bouw van de bisschop – af te breken en het terrein tot aan de oostelijke muur van de bisschoppelijke zaal vrij te zullen laten, zoals de situatie was vóór de tijd van bisschop Guy, dus vóór 1301. Daarna zou hij dit consis­to­rie op zijn eigen grond en niet op die van het domkapit­tel vestigen. In ruil voor deze toe­stemming kreeg hij het afbraakmateriaal van de bebouwing ter plaatse en een overdekte weg van 8 voet – ruim 2 meter – breed langs de toren naar de kerk. Verder behield hij de toegang tot en het gebruik van de in de toren te bouwen kapel, zoals hij recht had gehad op de kapel in de oude toren (zie bijlage II). Wie de domtoren ooit bezocht heeft weet dat de entree nog steeds voor een deel aanwezig is in de steile ‘bis­schops­trap’ naar de tegenwoordige Micha­ëlskapel.

Twee dagen nadat de bisschop zijn toezegging had gedaan, op 28 juli 1320, beloofde het domka­pittel hem de schade te vergoeden die door de torenbouw aan het bis­schopshof zou worden toege­bracht.[27]

Bijna een jaar later, op 26 juni 1321, werd de eerste steen van de nieuwe toren gelegd door Jacob van Ouds­hoorn en Gijsbert van Everdingen, respec­tievelijk de domde­ken en de oudste kanunnik van het kapittel. Bisschop Frederik van Sierck (1317-1322), de opvolger van Guy van Avesnes, had er geen aandeel in; hij verbleef op dat moment in Zeeland.[28] De bouw werd voort­varend aangevat. Zeven jaar later kon de kerkvorst een nieuwe, nog altijd aanwezige Sint-Mi­chielskapel op de eerste verdieping van de toren, in gebruik nemen. De toren zelf vond zijn voltooi­ing in 1382 en vormt met zijn lengte van 112,5 meter nog steeds – maar hoelang nog? – zowel letter­lijk als figuur­lijk het architec­tonisch hoogte­punt van Utrecht.[29]
[30]  De Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem, 46-47. Dit is bestreden door Mekking, ‘Super loco turris nove’, 10; en laatste­lijk nog Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 33-34. Zijn interpretatie van de bronnen is echter op verschillende punten aantoonbaar onjuist. Zo verwart hij het bisschop­pelijk consistorie van vóór 1320 met het consis­torie van de domproost, dat omstreeks 1480 naast de Heilig-Kruiska­pel stond, aan de andere kant van de doorgang voor de kanunniken van Oudmun­ster langs de toren. Zie De Bruijn, ‘Tussen beeld en werkelijkheid, 48-49, nt. 11, en De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 22-23. Ook Mekkings identifica­tie van het gebouw ten zuiden van de toren met de bisschoppelijke zaal is verkeerd. Deze zaal stond ten zuidwesten van de toren, waar zij grensde an sunte Michiels capelle. Zie De Bruijn, ‘Tussen beeld en werkelijkheid’, 45-48, De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 22, en het vervolg van dit artikel.

[31] Over dit bisschopshof uitvoerig: De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 111-120.

[32] Zie hiervóór, nt. 19.

[33] Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 161. In een andere oorkonde, daterend van 27 juli 1336, wordt gesproken van de via nominata plathea Episcopi, ac se extendente ab anteriori parte de atrio dicte maioris ecclesie - - - usque ad platheam seu viam communem nominatam Borchstraet (‘de straat geheten Bisschopsstraat, en zich uitstrekkend vanaf het voorste deel van het kerkhof van de genoemde domkerk - - - tot aan de openbare straat of weg geheten Borchstraat’) (Het Utrechts Archief, Archief van het domka­pit­tel, nr. 558).

[34] De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 20-29; men zie met name afb. 10 op p. 24.

[35] Ald. 25.

[36] Ald. 28-29.

[37] Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 161.

[38] Zie eveneens hiervóór, nt. 19.

[39] Deze suggestie is gedaan door G.C. Labouchere. Zie Haakma Wagenaar, Memorandum domtoren, 93-94.

[40] Afgedrukt in Immink en Maris, Registrum Guidonis, 262-263.

[41] Het zogeheten Registrum Guidonis, uitgegeven door Immink en Maris 1969. Het betreft vooral arbitraire uitspraken van de bisschop.

[42] Zie bv. H.P.H. Jansen en L. Milis, ‘De middeleeuwen’, in: R.C. van Caenegem en H.P.H. Jansen red., De Lage Landen van Prehistorie tot 1500 (Amsterdam-Brussel 1978) 227.

[43] Zie hierover M. de Bruijn en C. Broer, Volc te voet. Gevolgen van de Guldensporenslag voor de opkomst van de burgerij in de Noordelijke Nederlanden (Utrecht 2002) m.n. 36-50.

[44] Aldus bv. Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 33, en De Groot, ‘Een droom van een Dom’, p. 25.





Ingang van het consistorie van de bisschop
Afb. 8. De laatmidddeleeuwse ingang van het bisschoppelijk consistorie naast de domtoren, zoals die in de eerste helft van de negentiende eeuw nog aanwezig was. Litho van J. van Liefland uit 1857, naar G. Craeyvanger circa 1830. Het Utrechts Archief, TA Ma. 3.3.
Waar stond het bisschoppelijk consistorie?

Op het eerste gezicht lijken al deze gegevens aardig in elkaar te passen, maar toch doen zich verschillende problemen voor, waarvan ik er hier enkele wil behandelen. Om te beginnen: waar stond vóór 1320 het consisto­rie, het gerechtsgebouw, van de bis­schop? Door combinatie van alle relevante bronnen heb ik het in een eerdere publicatie geïdentificeerd met een gebouw ter plaatse van het tegenwoordige ‘ont­vangstgebouw’ van de domto­ren (A2). Zeker is dat daar na het genoemde jaar het consistorie gevestigd is geweest. Ik ben ervan uitgegaan dat het gebouw dat er stond voor de bouw van de domtoren werd afgebro­ken, maar dat het na het leggen van het fundament opnieuw is opgetrokken.[30] Dat kan worden afgeleid uit de oorkon­de van 26 juli 1320. Daarin staat namelijk dat deken en kapittel van de dom op hun kosten zouden herstellen wat er van het huis van de bisschop voor de bouw van de toren moest worden afgebroken (zie bijlage II).

Inmiddels denk ik dat de situatie toch anders was. In de betref­fende oorkonde stond immers uitdrukkelijk dat het consistorie op de plaats stond waar de domtoren zou verrijzen. Bovendien bevond het zich op grond van het dom­kapittel, en dat was bij het bisschopshof zeker niet het geval.[31] Daar komt nog bij dat het document vermeldt dat de bebouwing zou worden afgebro­ken tot aan de muur omtrent het oosteinde van de bisschoppe­lijke zaal, zoals de situatie was vóór de tijd van bisschop Guy.

Dat was de zaal an sunte Michiels capelle (A1), die genoemd werd in de reeds vermelde oorkonde uit 1297.[32] Zij komt ook voor in een oorkonde uit 1333, waarin de al genoemde Bisschopsweg wordt vermeld. Deze liep volgens dit document ‘van het kerk­hof van onze Utrechtse (dom)kerk naar onze bisschoppelijke zaal’ (de atrio ecclesie nostre Traiecten­sis ad aulam nostram episcopalem).[33] Tijdens het episcopaat van bis­schop Guy van Avesnes, dat zoals gezegd duurde van 1301 tot 1317, zal er dus ten oosten van deze zaal op het terrein van het domkapit­tel uitbreiding hebben plaats­gevonden.

Maar op die plek bevond zich toch de oude domtoren met de Sint-Mi­chielskapel, waaraan de bisschoppelijke zaal in 1297 grensde! Was dat echter wel zo? In zijn recensieartikel van A.J.J. Mekkings publica­tie De Dom van bisschop Adalbold II lost de architectuurhistoricus Arie de Groot het probleem van de situering van het consistorie op door uit te gaan van een inmiddels gebouwde kleinere, in ieder geval smallere toren.[34] Deze zou volgens hem gebouwd kunnen zijn in de tweede helft van de twaalfde eeuw.[35] Vast staat in ieder geval, zoals hiervóór al is vermeld, dat de kerk in 1148 door brand is ver­woest en pas in 1173 opnieuw is ingewijd. Dat er pas in 1179 sprake is van een turris sancti Martini kan moeilijk als een argument voor een nieuwe toren worden beschouwd, want men mag op grond van de teruggevonden fundamenten toch wel aannemen dat er al veel eerder een forse toren gestaan heeft die ook Sint-Maartenstoren zal hebben gehe­ten.

Van meer belang voor De Groots hypothese is zijn vaststelling dat er omstreeks 1200 nog sprake is van een Sint-Michielsaltaar in de domkerk, terwijl er in 1238 voor het eerst gesproken wordt van een Sint-Michielska­pel in de toren. Van een altaar in de kerk is daarna geen sprake meer ge­weest.[36] Een ander gegeven dat zijn hypothese ondersteunt, is de vermelding in een laatmiddeleeuwse kroniek dat op 5 december 1208 de Utrechtse domtoren is ingestort:

In den jair MCC ende VIII op S. Nyclaes avont doe viel die oude toern S. Meerten tUtrecht.[37]

Wanneer dit gegeven correct is, sluit het overigens de bouw van een nieuwe toren nog in de twaalfde eeuw uit. Tot slot zouden de transacties van de bisschop tussen 1240 en 1243 met betrekking tot ruimte ten noorden van de toren, waarop de hiervóór genoem­de oorkonden uit die periode betrekking hebben, een aanwijzing kunnen vormen dat er toen of kort tevoren bouwactiviteit heeft plaatsgevon­den.

Hier staat echter tegenover dat er geen enkele bron is die van de bouw van een nieuwe, kleinere toren melding maakt. Aan de noordkant van de toren werd nog in 1303 de Sint-Mi­chielskapel als belending van het claustrale huis van Oudmunster (C3) genoemd.[38] Een eventuele kleinere toren zou daar niet meer direct aan gegrensd hebben. Na 1303 treffen we echter geen ver­meldin­gen van de toren of de kapel meer aan.
 
Over het bericht met betrekking tot het instorten van de oude toren heeft Labouchere al de sugges­tie gedaan dat MCC ende VII – dus 1208 – in werke­lijkheid 1308 zou moeten zijn. Er zou dus in de tekst een C wegge­vallen zijn. Dit is geen ongebruikelijke fout. Het jaar 1308 past inderdaad beter bij de nieuw­bouw van de toren in 1320.[39]

Ik meen dat ik met het bovenstaande over een extra aanwijzing beschik dat 1308 het juiste jaartal is. De toren zal niet alleen op sinterklaasavond – dus 5 december – 1308 zijn ingestort, het is aannemelijk dat het puin tenminste voor een deel is opgeruimd en dat de bisschop met toestem­ming van het domkapittel zijn bebouwing naar het noorden toe heeft kunnen uitbreiden (ter plaatse van de oude toren). Waarschijnlijk ging het daarbij om provisori­sche bebouwing. Om te beginnen wordt er, afgezien van de dakbedek­king, geen stenen materiaal genoemd bij het gedetailleerd opgesomde sloopafval dat de bisschop krachtens de overeen­komst met het domka­pittel van 26 juli 1320 (zie bijlage II) na de afbraak zou krijgen. Het is dus niet onmogelijk dat het om een houten gebouw ging, al is ook denkbaar dat voor de bouw stenen gebruikt zijn van de ingestorte toren. Opmerke­lijk is verder dat een oorkon­de van 11 mei 1316 door de officiaal – een rechterlijke functionaris – van de bisschop werd uitgevaar­digd ‘in het gerechtshof van de heer bisschop van Utrecht voor­noemd vóór zijn paleis’ (in curia domini episcopi Traiectensis predicti ante eius pala­tium).[40] Uit deze formulering kan men opmaken dat dit gerechtshof toen geen geïnte­greerd deel uitmaakte van dat paleis. Even opmerke­lijk is het feit dat juist uit deze tijd een groot aantal rechter­lijke uitspra­ken van de bisschop bewaard is geble­ven.[41] Dat kan toeval zijn, maar het is toch niet uit te sluiten dat het nieuwe consistorie­gebouw met een uitbreiding van de bis­schoppelijke rechts­praktijk in deze tijd te maken heeft gehad. De Van Henegouwens, waartoe bisschop Guy en de Hollandse graaf behoorden, waren kosmopoli­tisch ingesteld en administratief zeer onderlegd.[42] Hoe de bisschop toestemming van de heren van de dom heeft kunnen krijgen om op de plaats van de oude domtoren en dus op grond van het kapittel – kennelijk opnieuw – zijn consistorie te vestigen, is niet duidelijk. Mogelijk ging het om eerder officieel verkregen rechten.

Blijft verder de vraag waarom het tot 1321 geduurd heeft vóór men met de nieuwbouw is begonnen. Uit de kennelijke toestemming van het domkapit­tel aan de bisschop om ten noordoosten van zijn zaal zijn consistorie te vestigen, kan worden afgeleid dat toen al te voorzien was dat die nieuwbouw niet op korte termijn zou plaats­vinden. Als enige redenen daarvoor kan ik bedenken dat er op dat moment niet voldoende financiële middelen beschikbaar waren om de oude toren te herstellen of met een nieuwe te beginnen, of dat men eerst het koor van de kerk wilde afbouwen, waaraan men op dat moment nog bezig was. Zeker is verder dat de eerste decennia van de veertiende eeuw zowel politiek als economisch grote problemen hebben gekend.[43]

Een tegenwerping die men tot slot tegen deze hypothese zou kunnen maken, is dat de plaats van het consistorie al vóór bisschop Guy, dus voor 1301, leeg was.[44] Dat zou kunnen worden afgeleid uit de belofte van bisschop Frederik in 1320 dat hij de plaats van het consistorie zou afstaan totum vacuum et liberum ad usus iam dicte ecclesie nostre usque ad murum aule nostre circa finem orientalem, sicut extitit ante tempora venerabilis patris domini Guydonis, ‘volkomen leeg en vrij ten behoeve van onze reeds genoemde kerk tot aan de muur van onze zaal omtrent de oostkant, zoals het was vóór de tijd van de eerwaarde vader heer Gwijde’. Maar de aandui­ding sicut extitit, ‘zoals het was’, slaat naar mijn overtuiging eerder op de oostmuur van de zaal dan op de leegte van de plek.









[45]   Zie De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 20, tegenover Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 32-33, die hierin de zaal van het winterhuis van de bisschop ziet.

[46]  M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de singels, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst II: de provincie Utrecht, 1ste stuk: de gemeente Utrecht IIIA (’s-Gravenhage 1989) 429; De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 148-151.

[47] Zie ook De Groot, ‘Een droom van een Dom’, 23-24.

[48] Zie nt. 19.

[49] F. Ketner uitg., Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301 V (’s-Gravenhage 1959) nr. 1903.

[50] Labouchere, ‘Het huis ten zuiden van den Domtoren, 33-34. Ten onrechte identificeerde deze de in 1297 vermel­de sael an sunte Michiels capelle met dit gebouw. Mekking, De Dom van bisschop Adalbold, 31-34, gaat daar ook van uit. Zie echter behalve deze pagina destijds ook al De Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem’, 46-47; ‘Circa turrim Traiectensem II, 54-55; ‘Tussen beeld en werkelijkheid’, 44-49.

[51] Zie nt. 19.

[l52] Volgens J.J. de Geer van Oudegein, Het oude Trecht als oorsprong der stad Utrecht (Utrecht 1875) 112, nt. 2, zou ook in 1300 en 1315 sprake zijn geweest van een domus episcopalis que dicitur spinde. Ik heb deze vermeldingen echter niet kunnen traceren.

[53] Haslinghuis, De Nederlandse monumenten, 86 en 87, afb. 53. Ook Labouchere, ‘De opgravingen op het Domplein’, ging daarvan uit. Zie het hierboven weergegeven citaat.

[54] De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 113-114 en 160.

[55] Zie hiervóór, blz. 23.

[56] N.B. Tenhaeff uitg., Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den dom te Utrecht II, 1ste stuk. Rijks Geschiedkundige Publicatiën 88 (’s-Gravenhage 1946) 85.

[57] Ald., p. 368.

[58]  Of het in de literatuur, waarschijnlijk als gevolg van Labouchere, ‘De opgravingen op het Domplein’, als spinde aangeduide huis ten zuidwesten van de domtoren die functie werkelijk heeft gehad, kan hier in het midden gelaten worden. Het is in ieder geval onwaarschijnlijk dat dit het geval was kort vóór de bouw van de nieuwe toren, toen zich daar de bisschop­pelijke zaal bevond, die een heel ander bouwvolume zal hebben gehad.

[59] De ruimte tussen de toren en het huis van Oudmunster bedroeg 12 voet – dit wil zeggen ruim 3 meter , zoals bleek toen het betreffende huis in 1399 werd afgebroken ter vergroting van het Domplein (Het Utrecht Archief, Archief van Oudmunster, nr. 448 (5 en 16 augustus 1399); en Het Utrechts Archief, Stadsarchief I, nr. 312 (eveneens 5 en 16 augustus 1399)). Het domkapittel noemde hem op 5 augustus 1399 onse wech die om onsen toern gaet (zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 161-162). De breedte van 12 voet komt ongeveer overeen met de ruimte tussen de toren en teruggevonden oost-west liggende funderingsresten die tot het claustraal huis van Oudmunster zullen hebben behoord (zie afb. 2 en 3).

[60] Het Utrechts Archief, Oudmunster 445-2 en 935-1, fol. 2.

[61] Hiermee komen we ongetwijfeld verder dan met de aan een serieuze bron­nenanalyse voorbijgaande ‘creatieve verbeelding’, die sommige onder­zoekers zichzelf toeschrijven. Zie bv. Mekking in zijn reactie op De Groot, ‘Een droom van een Dom’, ald., 32-35, en de bekende CD-Dom en de cd 750 jaar Gotische Dom, die van veel voormalige bebouwing op het Utrechtse Domplein een hoogst specula­tief en in een aantal gevallen zelfs aantoonbaar onjuist beeld geven. Er wordt inmiddels van gemeentewege gewerkt aan een nieuwe 3D-reconstructie.










3D-reconstructie van de dom van Adelbold
Afb. 9. Driedimensionale reconstructie van de dom van Adelbold met de oude dom- of Sint-Maartenstoren. De zaal van de bisschop langs de Borchstraat ontbreekt. Omdat het aantal onbekende elementen zeer groot is, kunnen dergelijke reconstructies slechts een indruk geven van de werkelijke situatie. Zie ook de webpagina over
de beperkingen van 3D-constructies. Uit Hundertmark, ‘Naar Adelbolds voorbeeld’,  60.
Het ‘huis’ van de bisschop

Hiervóór is al terloops vermeld dat in het gebouw onmiddellijk ten zuiden van de domtoren (A2) in of na 1320 het bisschoppelijk consistorie werd gevestigd. Maar op welke manier werd deze bebouwing vóór die tijd ge­bruikt? Uit het in 1927 uitgevoer­de archeologisch onder­zoek is gebleken dat het gebouw oorspronke­lijk een be­scheiden onderver­dieping heeft gehad met daarboven een meer representatie­ve ruimte. Die onderverdieping werd door de Labou­chere in 1928 omschreven als ‘bergplaats’, eigenlijk een bovengrondse kelder.[45] In Utrecht zijn verschillende van deze ‘bovenhal­huizen’ uit de twaalfde en dertiende eeuw bekend, waaronder het nog gedeeltelijk bestaan­de, uit het begin van de dertiende eeuw daterende pand Wed 5-7 van het kapittel van Oudmunster.[46]

Arie de Groot maakte mij erop attent dat het gebouw ten zuiden van de domtoren (A2) in de oorkonde van 26 juli 1320 ter onderschei­ding van de zaal (A1) steevast het ‘huis’ (domus) van de bisschop werd genoemd.[47] Aanvan­ke­lijk was ik geneigd om dit te be­schouwen als een te algeme­ne benaming om er bijzondere consequenties aan te verbinden. Zo noemt de oorkonde van 1297 ook de bebouwing langs de Borchstraat of Servetstraat, waar zich de bis­schoppelijke zaal bevond, des bisscops huus in der borch.[48]

Maar ik ben van mening veran­derd. We komen de aanduiding domus name­lijk ook al eerder tegen voor bebouwing die ten zuiden van de toren stond. In 1276 gaf de elect – de gekozen maar nog niet gewijde bisschop – Jan van Nassau aan de apotheker Anselm en aan zijn vrouw en erfgena­men ‘de kelder bij de Heilig-Kruiskapel onder ons huis’ (cellarium situm iuxta capellam sancte Crucis sub domo nostra) in gebruik.[49] Deze kapel (C1) stond schuin tegen­over de bebouwing in kwestie. Labou­chere situeerde daarom de genoem­de kelder, naar mijn over­tuiging terecht, al op de plek van het latere ont­vangstge­bouw.[50]

Waar bevond zich de spinde?

Wat nu naar mijn nieuw verworven inzicht ook met het genoemde gebouw in verband kan worden gebracht zijn de steden daer die bottelrye ende die spiinde – de wijnkelder en de voor­raadkamer – op staen van onsen sael an sunte Mi­chiels capelle, die in de al meermalen genoemde oor­konde uit 1297 genoemd worden. Blijkens dat stuk had de Utrechtse burger Gerard Vrenken rechten op die vertrekken gehad, maar had hij ze verruild voor een cole­gaert, een moestuin dus.[51]

In de overeenkomst tussen de dom en Oud­munster van kort na 9 mei 1320 over het claustraal huis van Oudmunster ten noorden van de toren wordt de spinde eveneens genoemd. Er was blijkens dat contract een lijn getrokken vanaf de camera privata, het toilet, van het huis zuidwaarts naar ‘het bisschoppelijk huis dat spinde wordt genoemd’ (versus domum episcopalem que dicitur spinde) (zie bijlage I).[52] Nu wijst de litera­tuur voor die spinde een nog bestaand gebouw ten zuidwes­ten van de huidige domtoren aan.[53] Ook Labouchere doet dit in zijn boven aangehaald citaat. Vooral op grond hiervan heb ik die lijn eerder gesitu­eerd ten westen van de domto­ren.[54]

Maar inmiddels ben ik tot de overtuiging gekomen dat dit niet juist kan zijn. Om te beginnen strekte het perceel van het claus­traal huis van Oudmunster ten noorden van (de voorhof van) de dom zich niet ver genoeg naar het westen uit om vandaar­uit een lijn ten westen van de toren te kunnen trekken. Westelijk van het claus­traal huis van Oudmun­ster zal immers nog het genoemde huis van de dom (B4) ‘onder de Sint-Michiels­kapel’ hebben gestaan.[55] De teruggevonden beerput zal onder of bij dit laatste huis hebben gelegen en niet onder dat van Oudmun­ster. We beschikken daarvoor zelfs over concrete aanwijzingen. De rekenin­gen van de dom maken namelijk regelmatig melding van een privaat bij de Sint-Maartenstoren. Zo ontving Jacob Willemsz. in 1401/02 twee nieuwe gulden om de cleyn an den toern te reinigen.[56] In 1462/63 kostte het 18 gulden en 27 wit om die stille besyden den toern schoen te laten maken.[57] Een latri­ne van Oudmunster zou het domkapittel beslist niet voor zijn rekening genomen hebben wanneer daar niet heel goede redenen voor waren.

Bovendien behelst het document van kort na 9 mei 1320 een overeenkomst over de begrenzingen tussen de gebieden van dom en Oudmunster. Maar ten westen van de toren had Oudmunster geen rechten; daar liep, zoals we gezien hebben, een als Bisschopsweg aangeduide weg van de bisschop en stond nog het huis van de dom ‘onder de toren naar het noorden toe’. Van een regeling van de grenzen tussen dom en Oudmun­ster kon daar geen sprake zijn. Maar het belang­rijkste argument dat de lijn elders getrokken is vind ik nu in het feit dat het ‘huis’ van de bisschop, dat geïdenti­ficeerd kan worden met de bebouwing ten zuiden van de domtoren, in 1320 de spinde werd genoemd.[58] De spinde zal daarom niet gelegen hebben waar zij door­gaans in de litera­tuur gesitu­eerd wordt, namelijk ten zuidwesten van de toren, maar ten zuiden daarvan, op de plaats van het tegenwoordige ontvangstgebouw. Waarschijnlijk bevond zij zich dan in de onderverdieping of (gedeeltelijk bovengrondse) kelder. Zuidwestelijk van de domtoren bevond zich immers de bis­schoppelijke zaal.

Het meest aannemelijk acht ik het dat de lijn getrokken is vanaf het claustraal huis van Oudmunster oostelijk langs de nieuwe toren naar het zuiden toe, en dat de betreffende ruimte ten westen van zowel het huis als de lijn gelegen was tussen dit huis aan de oostkant en het huis van de dom aan de west­kant. Via deze noord-zuid lopende doorgang en een stukje van de oost-west lopende doorgang tussen de toren en het huis van Oudmunster kon de toegang tot de inwendige trap in de nieuwe toren bereikt worden.[59] Mogelijk was in de oude toren de kapel bereikbaar via een noordelijke traptoren. Maar ook in de nieuwe toren werd aan deze zijde een – nog steeds aanwe­zige  – ingang geplaatst. Ook werd op deze wijze de doorgang vastgelegd tussen de immuniteit van Oudmunster in het zuiden en de percelen van hun claustrale huizen ten noorden van (de voorhof van) de domkerk.

Problematisch blijft de vermelding in de laatste zin van de overeenkomst dat de bezitter van het huis van Oudmunster ‘geen enkel recht zal hebben om naar buiten en naar binnen te gaan’. In de voorgaande zin werd immers nog gezegd dat hij wel een toegang had. Mogelijk is er bedoeld: ‘geen enkel recht dan het recht om naar buiten en naar binnen te gaan’ (nullum ius quam (of: nisi) ius - - - exeundi sive intran­di). Maar quam of nisi staat noch in het origineel noch in een bewaard af­schrift.[60] Ook aan deze oplossing, die mij het meest plausibel lijkt, blijven dus problemen kleven en ik geef mijn mening, net als alle overige meningen, dan ook graag voor een of meer betere.

Conclusies

Al deze gegevens en de daarop gebaseerde argumenten overziende, kom ik voorals­nog tot de volgende conclusies. De oude dom- of Sint-Maartens­toren (B3) stond op de plaats van het westelijk deel van de tegenwoor­dige Gotische toren. Hij was echter aanmerke­lijk breder en werd geflankeerd door in ieder geval een trap­toren aan de zuidzijde. Deze Sint-Maartenstoren, die minstens uit de tijd van bisschop Adelbold dateerde, werd enkele keren door brand getroffen. In 1308 zal hij definitief zijn ingestort.

De bisschop mocht toen met toestemming van het domkapittel tijdelijk en provisorisch de bebou­wing van zijn bisschopshof op de plaats van de toren naar het noorden – vanuit de bisschopszaal gezien naar het oosten – toe uitbreiden. In deze bebouwing (A3) bracht hij zijn consistorie, het bisschop­pelijk gerechtsgebouw, onder. Uit het feit dat hij dit deed, kan men afleiden dat het op dat moment niet mogelijk was de oude toren geheel te herstellen of met de bouw van een nieuwe te beginnen.

De nieuwe Gotische toren, die vanaf 1321 werd opgetrokken en in 1382 voltooid werd, was oost-west gezien aanmer­kelijk smaller dan de oude. Dit zal verband hebben gehouden met de bebouwing die zich zowel aan de noordkant als aan de zuidkant bevond. Aan de noordkant lag sedert lang het perceel van een claustraal huis van het kapittel van Oudmunster (C3) en ten westen daarvan stond een huis van de dom (B4). Kort na 9 mei 1320 werden de grenzen tussen het betref­fende perceel en het territoir van het domkapittel vastgesteld. Er bleef een ruimte tussen dit huis en de toren over als toegang voor de heren van de dom tot de Sint-Michielska­pel en ten behoeve van de bewoner van het claustrale huis. Verder werd de gang van de immuniteit van Oudmunster naar de huizen van dit kapittel ten noorden van de domkerk tussen de toren en de (eventuele) voorhof van de domkerk vastgelegd.

Enkele maanden later, op 26 juli 1320, gaf de bisschop toestemming om zijn consistorie (A3), tenminste voor een deel staande op grond van het domka­pittel, af te breken. Hij vestigde het op zijn eigen terrein in bebou­wing die onmid­dellijk ten zuiden van de toren stond, op de plaats van het tegen­woordige ont­vangstge­bouw (A2). Deze bebouwing wordt in de oudere bronnen het ‘huis’ van de bisschop genoemd. Het ging hierbij om een zoge­naamd boven­halhuis met een kelder­achtige bovengrondse bergplaats. Deze laatste is in de dertiende eeuw in gebruik gegeven geweest aan leken, maar werd op zijn laatst vanaf 1297 door de bisschop zelf gebruikt als wijnkel­der (bottelrye) en voor­raadkamer (spinde). Tussen dit gebouw en de toren behield de bisschop na 1320 een overdekte doorgang vanuit zijn zaal ten zuiden van de Borch­straat en zijn overige bebou­wing naar de domkerk. Deze doorgang is, zij het niet meer overdekt, nog steeds aanwezig. Daar bevindt zich ook het funda­ment van de zuidelijke traptoren van de oude domtoren. In de toren zelf treffen we nog steeds een deel van de ‘bisschops­trap’ aan vanuit het bis­schoppelijk ‘huis’ naar de nieuwe Sint-Michiels­kapel, die in 1328 in gebruik kon worden genomen.

Ofschoon de gegevens over de voorgangers van de huidige domtoren beperkt zijn, blijkt het door combinatie van al die gegevens toch wel mogelijk om tot een min of meer plausibel beeld van de situering van een deel van de vroegere bebouwing te komen. Door voortgezet bronnenonderzoek, waarbij mogelijk ook nog nieuwe gege­vens aan het licht zullen komen, zal dat beeld nog wel wat nauwkeu­riger kunnen wor­den, maar echt bevredigend zal het nooit zijn. Daarvoor zijn de bronnen te lacuneus. Naar het woord van de grote histori­cus Leopold Ranke blijft het de taak van iedere historische onderzoe­ker om zo zorgvuldig mogelijk te reconstrueren wie es eigentlich gewesen is, niet als illusie dat dit mogelijk is maar als ernstig streven. Dat vraagt in de eerste plaats een zorg­vuldige analyse van alle relevante bronnen en voorts bescheidenheid over het te bereiken resultaat.[61]

Bijlage I

Overeenkomst op perkament (Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmun­ster, nr. 445-2), daterend van na 9 mei 1320, over de grens tussen het terrein van de dom en Oudmunster ten noorden van de nieuw te bouwen domtoren.

Cum questio orta sit inter decanos et capitula maioris et sancti Salvatoris ecclesiarum Traiectensium super limitatione utriusque emunitatis inter turrim sancti Martini et domum quam dominus Iohannes de Zande inhabitat, que claustralis est ecclesie sancti Salvatoris, concordatum est per tales in hunc modum:
primo prout corda tracta est lineariter a muro ecclesie maioris usque ad murum camere private domus predicte, quicquid remanserit spatii inter ipsam cordam et aream predictam imperpetuum ad dictam domum remanebit,
hoc adiecto quod, si contingat poni fundamentum ultra cordam versus domum antedictam, quod licitum est eis pro edificatione turris predicte, per hoc tamen nichil plus iuris dicta maior ecclesia optinebit infra cordam predictam et nullum stillicidium similiter ultra cordam optinebit.
Et quicquid de edifi­cio dicte domus contingat demoliri propter edificatio­nem dicte turris, tam in muris quam in aliis, hoc capitulum maioris ecclesie suis sumptibus et expensis reparabit.
Et si contingat propter edificationem predic­te turris quatuor gradus ascensus ipsius domus in principio edificationis artari ad latitudinem dimidii lateris in edificando dictam turrim versus gradus predictos, ascensus graduum predic­torum ita amplus et latus sicut nunc est debet reparari.
Quicquid autem spatii ultra cordam versus partem meridionalem remanserit, hoc cedit ecclesie maiori.
Item a muro private camere domus predicte linea­riter ad partem meridiona­lem versus domum episcopalem que dicitur spinde a latere orientali spatium remanens extra cordam et domum sepedictam versus partem occiden­talem, quod quondam fuit via eundi ad capellam sancti Michaelis, remanebit sine edificio imperpetuum, ita quod possessor dicte domus aditum habebit ex domo sua pro honesta et necessaria utilitate dicte domus.
Et predictum spatium cum porta, si fieri placuerit, capitulo maiori pro itinere ad turrim remanebit, ita quod possessor antedicte domus nullum ius habebit exeundi sive intrandi.

Vertaling:
‘Daar er een geschil gerezen is tussen de dekens en kapittels van de Utrechtse kerken van de dom en van Sint-Salvator (Oudmunster) over de begrenzing van beider immuniteitsgebied tussen de Sint-Maartenstoren en het huis dat heer Jan van de Zande bewoont, dat claustraal is van het kapittel van Sint-Salvator, is door hen overeenstemming bereikt op de volgende manier:
ten eerste, zoals de lijn getrokken is lijnrecht vanaf de muur van de dom­kerk tot aan de muur van het toilet van het voornoemde huis, al wat er aan ruimte blijft tussen die lijn en het voornoemde huis zal altijd aan het genoemde huis blijven, met deze toevoeging dat wanneer er een fundering wordt gelegd buiten de lijn naar het voornoemde huis toe, wat hun (dit wil zeggen: de dom) is toege­staan voor de bouw van de voornoemde toren, zal de genoemde domkerk echter daardoor niet méér recht binnen de voor­noemde lijn krijgen en eveneens geen enkele dakdrup buiten de lijn.
En al wat van de bebouwing van het genoemde huis moet worden afgebroken vanwege de bouw van genoemde toren, zowel wat muren als anderszins betreft, zal het kapittel van de domkerk op zijn kosten en uitgaven herstel­len.
En als vanwege de bouw van de voornoemde toren de vier treden van de opgang tot hetzelfde huis bij het begin van de bouw ingekort worden tot een breedte van een halve trede bij het bouwen van de genoemde toren naar de voornoemde treden toe, moet de opgang van de voornoemde treden zo breed en wijd hersteld worden als hij nu is.
Al wat er echter aan ruimte buiten de lijn naar het zuiden blijft, valt aan de domkerk toe.
Evenzeer vanaf het toilet van het voornoemde huis lijnrecht in zuidelijke richting naar het bis­schops­huis toe dat spinde wordt genoemd aan de oost­kant, zal de ruimte overblijvend buiten de lijn en het vaakgenoemde huis naar het westen toe, welke ruimte vroeger de toegang was tot de Sint-Michielskapel, altijd zonder bebouwing blijven, zodanig dat de bezitter van het genoemde huis toegang heeft uit (!) zijn huis voor het eerzame en nuttige gebruik van het genoemde huis.
En de voornoemde ruimte met de poort, als men er een wil maken, zal het domkapittel tot weg naar de toren blijven dienen, zodanig dat de bezit­ter van het voornoemde huis geen enkel recht zal hebben om naar binnen of naar buiten te gaan.’


Bijlage II

Oorkonde van 26 juli 1320 (Het Utrechts Archief, Archief van het domka­pittel, nr. 404), waarbij bisschop Frederik aan deken en kapittel van de dom toestemming geeft om zijn gerechtsgebouw af te breken in verband met de bouw van een nieuwe domtoren.

Nos Fredericus, Dei gratia episcopus Traiecten­sis, notum facimus universis quod pure propter Deum et ob reverentiam beati Mar­tini, patroni nostri, necnon ad supplicationem venerabilium virorum decani et capituli ecclesie nostre Traiectensis aliorumque fidelium nostrorum, super loco turris nove, construende ad fines eiusdem ecclesie nostre predicte, condescendimus in hunc modum:
quod amoto nostro consistorio dimittemus illum locum eiusdem consistorii inferius totum vacuum et liberum ad usus iam dicte ecclesie nostre usque ad murum aule nostre circa finem orientalem, sicut extitit ante tempo­ra venera­bilis patris domini Guydonis, immediati predecessoris nostri, olim episcopi Traiecten­sis.
Et idem consistorium nostrum non in loco dictorum decani et capituli, sed in aliquo locorum nostrorum ponemus seu poni facie­mus de cetero et teneri, superius vero depositis et amotis edificiis ad dicte turris longitu­dinem et mensuram, quorum ligna, trabes, tigna, tegule ac tecture, una cum hiis que in dicto nostro consistorio de lignis existunt, usui nostro cedent.
Viam et spatium octo pedum in latitudine usque ad tantum in longitudine quantum dicta turris se protendit a latere ad residua edificii nostri et ad dictam nostram ecclesiam de aula nostra procedendi, inter turrim predic­tam et murum domus nostre versus partem meridionalem existen­tem, nostris usibus reservamus.
Et quidquid ultra de domo nostra pro dicte turris erectione contigerit amoveri, illud dicti decanus et capitulum asseribus et tecturis competenti­bus et decentibus reparabunt sub suis sumptis et expensis, duratu­rum donec per elevationem ipsius turris reinte­grata fuerit dicta domus.
Viam autem predictam tenaculis propter hoc sub expensis fabrice ecclesie nostre predicte ipsi turri infigendis appodiare poterimus, sed eam cooperi­ri faciemus nostris sumptibus et expensis, dictique decanus et capitu­lum imme­diate dicte vie nostre susten­tamenta suis expensis suppo­nent, mansura donec dicta turris in tantum quod prefata appodiatio fieri possit fuerit elevata, sustentamentis huius­modi post elevationem et appodia­tionem predictas ipsis decano et capitulo remansuris,
preter quam quidem appodiatio­nem nullas nobis aut nostris successoribus ullo umquam tempore (bovenge­schreven: in dicta turri) vendicabimus servitu­tes, hoc dumtaxat excepto quod ingressus a domo nostra in capellam dicte turris construendam regressusque et usus capelle eiusdem ac omne ius quod prede­cessores nostri in capella seu altari antique turris retro hactenus habuerunt, remanebunt nobis et nostris successoribus semper salvi.
Et hec omnia et singula antedicta bona fide, fraudeque et dolo remotis, observare promittimus inconcusse.
Presentium nostrarum testimo­nio litterarum, quibus nostrum sigillum duximus apponendum, suprascrip­tionem “in dicta turri“ approbamus.
Datum anno Domini Mo CCCo vicesi­mo, in crastino beati Iacobi apostoli.

Vertaling:
‘Wij Frederik, bij de gratie Gods bisschop van Utrecht, maken aan iedereen bekend dat wij zuiver vanwege God en uit eerbied voor de gelukzalige Martinus, onze patroon, alsook op verzoek van de eerwaarde heren deken en kapittel van onze Utrechtse (dom)kerk en van onze andere gelovigen, aan­gaande de plaats van de nieuwe toren, te bouwen aan het eind van onze voornoemde kerk, welwillend toestemming geven op deze wijze:
dat nadat ons consistorie is verwijderd, wij daarna de plaats van dit consis­torie volkomen leeg en vrij ten behoeve van onze reeds genoemde kerk zullen afstaan tot aan de muur van onze zaal omtrent de oostkant, zoals het was vóór de tijd van de eerwaarde vader heer Gwijde, onze onmiddellijke voor­ganger, eertijds bisschop van Utrecht.
En ons consistorie zullen wij voortaan niet op een plek van de genoemde deken en kapittel maar op een plaats van onszelf neerzetten of laten neer­zet­ten en houden, nadat echter eerst de bebouwing afgebroken en verwijderd is ter lengte en breedte van de genoem­de toren, waarvan het houtwerk, de balken, planken, daktegels en dakbedek­king, samen met wat in ons genoemde consistorie aan houtwerk aanwezig is, aan ons ten gebruike toevallen.
Een doorgang en ruimte van acht voet breed en net zo lang als de zijde van de genoemde toren zich uitstrekt, tussen de voornoemde toren en de ten zuiden daarvan gelegen muur van ons huis, behouden wij voor ons eigen gebruik om van onze zaal te gaan naar het resterende deel van ons gebouw en naar onze kerk.
En al wat verder van ons huis voor de oprichting van genoemde toren moet worden verwijderd, dat zullen deken en kapittel met geschikte en gepaste balken en dakbedekking herstellen op hun kosten en uitgaven totdat door de oprichting van die toren het genoemde huis opnieuw zal zijn hersteld.
Voornoem­de weg zullen wij kunnen aanbouwen door hierom op kosten van de fabriek van onze voornoemde kerk ankers in die voornoemde toren te bevesti­gen, maar wij zullen haar op onze eigen kosten en uitgaven laten bedekken.
En genoemde deken en kapittel zullen onmiddellijk op hun kosten onze genoemde weg ondersteunen met pijlers totdat genoemde toren zover opge­trokken is dat voornoemde aanbouw zal kunnen geschie­den, waarbij deze pijlers na het voornoemde optrek­ken en aanbouwen aan deken en kapittel zullen blijven.
Behalve deze aanbouw zullen wij of onze opvolgers nooit (bovenge­schre­ven: in genoemde toren) enige dienstbaarheden eisen, uitgezon­derd echter dat de toegang vanaf ons huis naar de in de toren te bouwen kapel en de uitgang en het gebruik van die kapel en alle recht dat onze voorgangers op de kapel of het altaar van de oude toren tot nu toe hebben gehad altijd aan ons en onze opvolgers zullen blijven.
En dit alles tezamen en afzonderlijk hebben wij beloofd te goeder trouw, list en bedrog uitgesloten, ongeschonden te handha­ven.
In getuigenis van onze oorkonde, waaraan wij ons zegel hebben doen hangen, keuren wij het bovengeschreven “in genoemde toren” goed.
Gegeven in het jaar van de Heer 1320, de dag na het feest van de gelukza­lige apostel Jacobus.’


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012-2014. - Gepubliceerd juli 2012; laatst bewerkt 23 september 2014.