Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina
De domtoren in Utrecht, oud en nieuw
De domtoren als ‘statement’
Bestrijding van een nieuwe mythe
door Martin de Bruijn





[1] In de Nederlandstalige tekst van de kroniek van Jan (van der) Beke, Croniken, 175, uitg. H. Bruch (’s-Gravenhage 1982)): In den jaer ons Heren m ccc xx op der santen dach Johannis et Pauli te middesomer wart die ierste steen gheleit van sunte Martijns toern. Ende daerna in den jaer ons Heren lxxxii in der vasten wart dat cruus mitten wederhane daeropgheset ende opten toerne vergout.





[2] R.R. Post (uitg.), Geert Grootes Tractaat ‘Contra turrim Traiectensem’  teruggevonden (‘s-Gravenhage 1967) 27, met inleiding en vertaling raadpleegbaar op internet.










[3] Zie hierover vooral ‘Pro turri Trajectensi’, in: Annus quadriga mundi. Opstellen over middeleeuwse kunst opgedragen aan prof. dr. Anna C. Esmeijer (Zutphen 1989) 129-151, ald. 138-140) en zijn oratie Het spel met toren en kapel. Bouwen pro en contra Bourgondië van Groningen tot Maastricht (Utrecht-Zutphen 1992).

[4] M.W.J. de Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem’, Maandblad Oud-Utrecht 64 (1991) 45-47; A.J.J. Mekking, ‘Super loco turris nove (…)’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 10; M.W.J. de Bruijn, ‘Circa turrim Traiectensem II, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 54-55; zie verder K. van der Ploeg, ‘Wat kan architectuur in de Middeleeuwen betekenen’, Bulletin KNOB 91 (1992) 121-127; A.J. van den Hoven van Genderen, ‘Een toren van achteren en van voren’, Jaarboek Oud-Utrecht 65 (1992) 141-171; Mekking, ‘Torenhoge misverstanden’, Bulletin KNOB 92 (1993), 147-156. In de betreffende hoofdstukken en paragrafen in het overzichtswerk Bouwen in Nederland 600-2000, red. K. Bosma, A. Mekking, K. Ottenheym en A. van der Woud (Utrecht 2007), gaat Mekking geheel voorbij aan de kritiek die er op zijn opvattingen is geleverd. In de literatuurlijst worden in dit kader alleen zijn eigen publicaties vermeld.

[5] Aldus een vijftiende-eeuwse Utrechtse kroniek (zie E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht, 413) en ook de Tielse kroniek, uitg. J. Kuys e.a. (Amsterdam 1983) 102.

[6] R. de Kam, F. Kipp en D. Claessen, De Utrechtse domtoren. Trots van de stad (Utrecht 2014) 100-107.










[7] Aldus ook Geert Grote in zijn traktaat.


Doorsnede domtoren
Doorsnede van de toren. Uit Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 415.
Wie de stad Utrecht nadert kan af en toe tussen de moderne hoogbouw de domtoren zien. Hoe anders was dit in vroeger tijden. Al van verre was de toren boven de stad zichtbaar, soms stralend in het zonlicht met op de spits een verguld kruis met vergulde weerhaan.[1]

Die toren, gebouwd tussen 1321 en 1382, was dan ook een ‘statement’; hij stond ergens voor. Maar waarvoor? Gelovigen en vromen van nu zouden zeggen: voor de vroomheid en godsdienstzin van de christenen die de toren gebouwd hadden en aan de totstandkoming hadden bijgedragen. Meer sceptisch of cynisch ingestelden zouden daar tegenin brengen: uit prestigeoverwegingen.

Tot deze laatste categorie hoorde al iemand die tegelijk gelovig en vroom was: de prediker Geert Grote, grondlegger van de zogeheten Moderne Devotie. Hij schreef nog tijdens de bouw van de toren een traktaat tegen de domtoren: Contra turrim Traiectensem. Daarin zei hij onder meer: ‘De burgers verheffen zich erop, zij het zonder grond. Het volk roemt op de toren, en de bouwheren, tot het kwaad bekwaam, voelen zich gevleid door de roem.’ [2]

Het lijkt erop dat dit geschrift van Geert Grote destijds maar weinig weerklank heeft ondervonden; misschien is het zelfs helemaal niet openbaar gemaakt.

Moderne onderzoekers van de Utrechtse domkerk en -toren zijn de nadruk gaan leggen op het prestige van de bouwers. Maar wie waren die bouwers of althans de opdrachtgevers? De Utrechtse architectuurhistoricus A.J.J. (Aart) Mekking was ervan overtuigd dat dit de Utrechtse bisschop was, dat deze het initiatief tot de bouw van de toren had genomen en dat hij met de toren zijn wereldlijke – en dus niet de kerkelijke – macht tot uitdrukking wilde brengen. Zelfs zouden om die macht te vergroten her en der in het bisdom Utrecht kopieën van de domtoren gebouwd zijn. Mekking liet zich helemaal gaan: in Maastricht zou een tegenstrever van de bisschop, de domproost Gijsbrecht van Brederode, juist een ‘domtoren’ tegen de bisschoppelijke macht hebben neergezet.[3]

Ik ben de eerste geweest die deze speculatieve ideeën heeft bestreden.[4] Uit de bronnen blijkt dat het initiatief tot de bouw van de Utrechtse domtoren niet genomen werd door de bisschop, maar door het domkapittel. Dit college van kanunniken, verbonden aan de domkerk, kwam in mei 1320 tot overeenstemming met het collega-kapittel van Oudmunster over de begrenzing van de toren aan de noordkant. Daar bezat Oudmunster twee kanunnikenhuizen, waarvan er een aan de oude toren grensde (zie de webpagina De domtoren, oud en nieuw).

Twee maanden later sloot het domkapittel een overeenkomst met de bisschop over de ruimte aan de zuidkant van de toren, die grensde aan het bisschoppelijk paleis met het consistorie, het gerechtsgebouw van de bisschop. Op 26 juni 1321 werd voorts de eerste steen voor de toren gelegd door de domdeken, Jacob van Oudshoorn, en de domkanunnik Gijsbert van Everdingen.[5] De toenmalige bisschop, Frederik van Sierck, was toen buitenslands; hij had er klaarblijkelijk niets mee van doen. Verder is het beheer van de toren steeds in handen van het kapittel gebleven.

Maar was hiermee de domtoren een of zelfs hét machtssymbool van het domkapittel? Op dit standpunt, dus in zekere zin in navolging van Mekking, stellen zich de samenstellers van het nieuwe boek over de domtoren, René de Kam, Frans Kipp en Daan Claessen. Bovendien plaatsen zij de uitoefening van die macht in het kader van de bisschopsverkiezingen.[6]

Volgens De Kam c.s. was de eerstesteenlegging voor de toren door domdeken Jacob van Oudshoorn een anti-Hollands ‘statement’. Dat zou verklaren waarom deze in 1322, dus twee jaar na de eerstesteenlegging, met 38 van de 44 stemmen tot bisschop werd verkozen. De kandidaat van de Hollandse graaf was toen Jacob van Denemarken (is waarschijnlijk: van Demmerik), wijbisschop en balijer van de johannieters in Utrecht. Hiernaast was hij bisschop in partibus infidelium (in de gebieden van de ongelovigen) van een verloren gegaan bisdom. Hiernaar heette hij de bisschop van Suden of Zuden.

De graaf was over de keuze van Jacob van Oudshoorn en niet van zijn eigen kandidaat Jacob van Denemarken zo woedend dat hij het kasteel van domproost Floris van Jutphaas in Doorn in de as legde.

Met de koppeling van de toren aan het anti-Hollands domkapittel worden de ideeën van Mekking, dat machthebbers hun prestige in gebouwen tot uitdrukking brachten, door De Kam c.s. gehandhaafd, maar nu van de bisschop naar het domkapittel omgebogen.

Nu had het domkapittel wel kerkelijke macht, maar nauwelijks wereldlijke. Dat maakt hun idee al weinig aannemelijk. Deze auteurs kunnen dan ook geen enkele aanwijzing, laat staan een bewijs aandragen dat het domkapittel met de bouw zijn macht wilde tonen of althans een ‘statement’ maken, ook niet uit de uitvoerige beschouwingen die zij in hun boek aan de bisschopsverkiezingen wijden.

De werkelijkheid zal dan ook een andere zijn geweest. Uit alle gegevens blijkt dat het domkapittel – nader gespecificeerd: de ‘kerkfabriek’ van het domkapittel –[7] de bouw van de domkerk en de domtoren in handen had. Maar daarmee was het nog niet het bouwwerk van dit college alleen. De dom, de kathedraal – dit wil zeggen de kerk waar de bisschopszetel stond – was sinds de achtste eeuw in de eerste plaats het belangrijkste kerkgebouw van de Utrechtse kerk, het bisdom, onder zijn patroon Sint-Maarten. De toren werd dan ook bij voorkeur de Sint-Maartenstoren genoemd. Dat was hij voor alle gelovigen, voor de bisschop – die zijn eigen kapel in de toren had, de Sint-Michielskapel (zie de afbeelding) –  verder voor de geestelijkheid en tot slot voor alle andere gelovigen van het bisdom, die de bouw ook zelf meefinancierden. De domtoren was aldus een kerkelijk ‘statement’ van en voor het bisdom, geen wereldlijk machtssymbool.

Hiermee konden ook de Utrechters trots zijn op ‘hun’ dom, zoals Geert Grote al stelde. En zij zijn dat nog steeds. Grote had dat tijdens de bouw van de toren al beter begrepen dan De Kam, Kipp en Claessen dat nu, zesenhalve eeuw later, doen.

Overigens, de ‘anti-Hollandse’ bisschop Jacob van Oudshoorn overleed nog in datzelfde jaar 1322. Voor zijn opvolging koos de geestelijkheid geen kandidaat uit het domkapittel, maar de proost van Oudmunster, Jan van Bronkhorst. Dit was niet naar de zin van de wereldlijke heren, onder wie de hertog van Brabant, de graaf van Holland en de graaf van Gelre, die bij de paus Jan van Diest naar voren schoven, domproost van Kamerijk. Deze werd hierna in Avignon, waar de pausen toen verbleven, tot bisschop gewijd. Het bisdom en het Sticht bleven met hem niet alleen onder Hollandse invloed, maar kwamen in een nog penibeler situatie te verkeren dan onder zijn voorgangers het geval was geweest.

De bouw van de domtoren en de domkerk als ‘statement’ van en voor het bisdom Utrecht is vanzelfsprekend gewoon doorgegaan, ook al lag die bouw wel eens een tijdlang stil.

Aanvulling van augustus 2016:










Tentoonstellingsbord 1





Kanttekeningen bij tekstborden op de tentoonstelling
Trots van de stad in het Centraal Museum

In de zomer van 2016 werd in het Centraal Museum een tentoonstelling gewijd aan de Utrechtse domtoren. Hier werd de bouw van de toren, net als in het aan de domtoren gewijde boek, in een brede context geplaatst. Dat dit niet altijd op overtuigende wijze gebeurde, wil ik toelichten aan de hand van enkele tekstborden die bij tentoongestelde afbeeldingen en voorwerpen waren geplaatst.

In Utrecht hebben de vijf stadskapittels steeds de bisschopskeuze in handen gehad. Het jaartal 1215 op het bord verwijst naar het vijfde Concilie van Lateranen, waar werd vastgesteld dat in de bisdommen het recht om een bisschop te kiezen alleen aan de domkapittels toekwam. In Utrecht kwam dit recht vanouds toe aan de geestelijkheid verbonden aan de Utrechtse kerk als geheel, dat wil zeggen de vijf stadskapittels en zelfs de proosten van enkele zogeheten buitenkapittels tezamen. Waarschijnlijk heeft het conciliebesluit van 1215 er toen al of kort daarna – en dus zeker niet eerst in het begin van de veertiende eeuw – toe geleid dat het Utrechtse domkapittel dit alleenrecht voor zich is gaan opeisen. Zoals uit de bronnen blijkt, heeft het hierbij verregaande geschiedvervalsing niet geschuwd (zie de webpagina Geschiedvervalsing door het Utrechts domkapittel).

Dat de vijf stadskapittels in Utrecht vanouds de bisschopskeuze in handen hadden, sproot voort uit het feit dat, terwijl elders vaak de kathedrale kerk met het eraan verbonden domkapittel als de moederkerk gold, dit hier onmiskenbaar de aan Sint-Salvator toegewijde Oudmunsterkerk en -klooster was. Behalve het domkapittel werden ook de jongere, in de elfde eeuw gestichte kapittels geacht hieruit te zijn voortgekomen. Het op die gemeenschappelijke oorsprong in Oudmunster gefundeerde gezamenlijk recht om de aangelegenheden van ‘de Utrechtse kerk’ te regelen, en dus ook de bisschop als hoofd van die kerk te kiezen, hebben de Utrechtse kapittels feitelijk dus vanouds gehad. Tegen de algemene trend in – de als moederkerken geldende domkapittels wisten onder meer het recht om de bisschop te verkiezen voor zich te monopoliseren, wat in 1215 in het vijfde Concilie van Lateranen gesanctioneerd werd – hebben de Utrechtse kapittels hun oude rechten nooit aan het domkapittel willen en hoeven afstaan.

Dat de domheren vanwege deze omstandigheid – frustratie over het niet slagen van hun pogingen om het recht de bisschop te verkiezen voor zich te monopoliseren – op een andere manier wilden laten zien wie het belangrijkst was, zoals het tentoonstellingsbord wil, is niet alleen speculatie, maar het is ook nog speculatie met een hoog onwaarschijnlijkheidsgehalte, net zozeer trouwens als dat de toren een machtssymbool van het kapittel was.
Tentoonstelling 2
Op het bord hiernaast wordt gezegd dat het domkapittel ‘omstreeks 1300’ de bisschopsverkiezing naar zich toetrok. Zoals in het voorgaande is vastgesteld, heeft het kapittel van Oudmunster zich al veel eerder met succes teweergesteld tegen de aanspraken van het domkapittel, welke het nooit volledig – en in het geval van de bisschopsverkiezing al helemaal niet – heeft kunnen waarmaken. Oudmunster zal daarbij opgetrokken zijn met de drie jongere kapittels, die – evenals het domkapittel zelf – alle uit het Sint-Salvatorklooster/Oudmunster waren voortgekomen en op basis daarvan al vanouds gerechtigd waren om deel te nemen aan de bisschopsverkiezing. Dat een dergelijk verzet tegen de aanspraken van het domkapittel de reden is geweest dat Oudmunster ‘het recht van overpad over het voorplein (atrium) van de romaanse Domkerk’ eiste, is alleen al hierom hoogst onaannemelijk. Nog los van de vraag of er een zogeheten atrium tussen de Romaanse domkerk en de domtoren bestond (zie de webpagina De domtoren, oud en de nieuw), had het kapittel van Oudmunster dit recht van overpad al vanouds, en wel omdat zich ten noorden van de domkerk twee claustrale huizen en erven van dit kapittel bevonden (zie de oorkonde van circa 1485 op de webpagina Het bisschopshof). Dit bezit heeft waarschijnlijk te maken gehad met de liquidatie en verdeling van de keizerpalts in de twaalfde of dertiende eeuw.
Tentoonstelling 3
Zonder enige onderbouwing wordt op nevenstaand bord beweerd dat aan het eind van de vijftiende eeuw besloten is om de domtoren en het schip van de domkerk ‘alsnog’ met elkaar te verbinden. Vervolgens wordt ten onrechte beweerd dat het ‘recht van overpad’ niet meer nodig was, omdat ‘het huis van Oudmunster’ in 1399 in het bezit van het domkapittel was gekomen. Hierbij wordt namelijk over het hoofd gezien dat ten noorden van dit laatstgenoemde huis nog een claustraal huis van Oudmunster stond, en wel ter plaatse van het voormalige Domplein 5-9. Oudmunster had dus ook na 1399 nog steeds een direct belang bij het blijven voortbestaan van een doorgang. En die is er dan ook steeds gebleven (zie eveneens de oorkonde op de webpagina Het bisschopshof).

Aanvulling van januari 2015:





















De toren van Workum
De torenromp van de Grote of Sint-Gertrudiskerk van Workum.







De renaissancetoren van IJsselstein
De door Pasqualini ontworpen renaissancetoren van de Sint-Nicolaaskerk in IJsselstein.
Foto Thomas von der Dunk.





De verwarring ten top

In het prachtige Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, (2015) afl. 1, 4-7, besteedt de bouwhistoricus Dirk de Vries, onder meer verbonden aan de Rijksdienst, aandacht aan een te verschijnen en door de Rijksdienst zelf uitgegeven publicatie van de architectuurhistoricus Thomas von der Dunk, Toren versus traditie: De worsteling van classicistische architecten met een middeleeuws fenomeen.

Ik wil het overbekende ‘Wij van wc-eend’ hier buiten beschouwing laten. De Vries prijst het boek ook niet aan, maar wijdt een beschouwing aan het fenomeen van de invloed van de opdrachtgevers op het uiterlijk van de torens.

Hij voert hierbij ook Mekkings oratie Het spel met toren en kapel uit 1991 op. Dat De Vries een leerling en promovendus van Mekking was, is op zich wel het vermelden waard, maar doet eigenlijk niet ter zake. Hoe vaak zijn gepromoveerden niet een andere richting ingeslagen dan hun promotors.

De Vries zegt in zijn artikel onder meer – ik heb dit tamelijk lange citaat nodig voor mijn betoog:

‘Mekking sprak over middeleeuwse torens binnen het territorium van de Utrechtse bisschop. De vraag is of de bisschop zelf direct betrokken is geweest bij het bouwen van deze torens of dat er een grotere rol dient te worden toebedeeld aan stadsbesturen, hun representanten in de personen van kerkmeesters, of aan lokale potentaten. Twee torens in Friesland bevestigen de centrale invloed. In 1528 kwam er een einde aan de macht van de Utrechtse bisschoppen, maar niet aan het bouwen van torens volgens het Utrechtse schema. Georg Schenck van Toutenburg en Maximiliaan van Egmont, veldheren van Karel V, brengen betwist gebied als Friesland duurzaam onder het centrale gezag. De torenrompen Oldehove in Leeuwarden, waarmee in 1529 begonnen werd, en die bij de kerk van Workum zijn onmiskenbaar Utrechts, met hun twee of drie geledingen en drie nissen, en met een bredere middenpoort in het westen. Net als de Westertoren in Amsterdam zouden de nieuwe kerktorens in de Friese steden opgevat kunnen worden als teken van soevereiniteit binnen de grenzen van het nieuwe territorium.
De toren van de kerk van IJsselstein, bij Utrecht, is volgens Von der Dunk in één klap de eerste en meest geslaagde uiting van de renaissance in de Noordelijke Nederlanden. Hoewel in stijlzuiverheid een uniek voorbeeld dankzij de rechtstreekse inbreng van Alexander Pasqualini, past deze toch ook in de territoriale Utrechtse traditie. Dit samengaan laat zich verklaren uit de opdrachtgevers, de lokale landsheren Floris en Maximiliaan van Egmont. Zij lieten hun rol verzilveren door Pasquialini [sic, MdB], die ze waarschijnlijk in 1530 hebben gecontracteerd tijdens de keizerkroning van Karel V te Bologna. Pas later is het belang van deze schepping onderkend, maar in de tijd zelf zou hij vanuit Nederlands standpunt gezien weinig nieuws ingebracht hebben.’

Eerlijk gezegd begrijp ik hier weinig van. De Vries maakt om te beginnen niet duidelijk wat hij onder ‘de centrale invloed’ en ‘Utrechts’ verstaat. Bedoelt hij de bisschop, en zo ja de bisschop als landsheer, zoals Mekking eertijds deed, of als hoofd van het diocees? Wanneer hij niet de bisschop bedoelt, welke Utrechtse persoon of Utrechtse instelling dan wel? Het domkapittel, dat het beheer had over de domkerk en -toren? Het blijft in zijn verhaal in het ongewisse.

Aangenomen mag worden dat hij wat het uiterlijk van de torens betreft onder de aanduiding ‘Utrechts’ overeenkomsten met de Utrechtse domtoren verstaat. De overeenkomst met de Gotische toren van Workum en zelfs, in ieder geval wat de geleding betreft, met IJsselstein kan men zich, met enige fantasie, wel voorstellen (zie de afbeeldingen). Maar waarom zouden Workum en Leeuwarden als politiek ‘statement’ voor een ‘Utrechtse’ toren gekozen hebben. Dat strookte toch in het geheel niet met de Friese eigenheid en de politieke situatie in de tijd van de bouw. Friesland was pas recentelijk, in 1524, na veel strijd in de zogeheten Gelderse oorlogen, onder het gezag van Karel V gekomen. Maximiliaan van Egmond was krijgsheer in dienst van de keizer. Utrecht was toen nog min of meer zelfstandig onder de elect Hendrik van Beieren.

Of moeten we hier misschien aan een band met het bisdom Utrecht denken, waartoe immers ook het gewest Friesland behoorde?

Overigens, de drie horizontale geledingen waaruit de Utrechtse domtoren en zijn ‘kopieën’ bestaat, was voor de hand liggend: een geleding voor de ingangspartij en twee vlakken ernaast. Een dergelijke indeling treft men overal elders wel eens bij wat forsere torens aan, ook waar er geen enkele relatie met ‘Utrecht’ denkbaar, laat staan aantoonbaar is.

Over IJsselstein durf ik zelf wel een uitspraak te doen, omdat ik me tamelijk intensief met dit stadje heb beziggehouden: IJsselstein de Vesting (IJsselstein 2005). De heren waren er van de veertiende tot de zestiende eeuw afkomstig uit het Hollandse geslacht Van Egmond. Zij behoorden tot de hofhouding van de graven van Holland, dus sinds het eind van de veertiende eeuw van de Bourgondiërs en later de Habsburgers. Door de eeuwen heen zijn zij anti-Utrechts geweest, en dan wordt gedoeld op het wereldlijk bestuur van het gewest en de stad. De laat-vijftiende-eeuwse kroniekschrijver Thomas Basin zei dat de IJsselsteinse heren al in de moederschoot van haat tegen de Utrechters waren vervuld. Een ‘Utrechts’ ontwerp acht ik hiermee wel uitgesloten.

Er hoeft overigens niet aan getwijfeld te worden dat de bouw van de renaissancetoren heeft plaatsgehad op instigatie van de heer van IJsselstein, Floris van Egmond, de vader van de eerdergenoemde Maximiliaan. Deze stond in nauw contact met andere liefhebbers van de nieuwe stijl, zoals Hendrik van Nassau en de Utrechtse kunstenaar Jan van Scorel. Kort vóór de bouw van de kerktoren werd in IJsselstein ook het kasteel grondig verbouwd en uitgebreid.

Zoals uit de geschiedenis van het stadje blijkt, waren de notabelen van IJsselstein geen partij voor hun machtige heren. Van een zelfstandig optreden was nauwelijks sprake. In de langdurige strijd die de heren in dienst van de graven van Holland tegen Utrecht en Gelre voerden, is IJsselstein verschillende keren ingenomen en verwoest.

Voorafgaand aan het boven weergegeven citaat zegt Dirk de Vries:

‘Daar waar voldoende historische gegevens voorhanden zijn, blijken bouwcampagnes dikwijls onvoorspelbaar grillig te zijn verlopen. De invloed van de opdrachtgever is in een aantal gevallen doorslaggevend geweest. Eigenlijk zou je van meer situaties willen weten hoe de voorbereidingen zich voltrokken hebben en hoe het politieke krachtenspel zich op lokale en grotere schaal heeft afgespeeld.’

Juist! Mijn conclusie is dan ook dat van geval tot geval onderzocht, geanalyseerd en beargumenteerd moet worden waarom een toren in een bepaalde stijl en vorm is gebouwd. In veel gevallen, en zeker voor de periode van de Middeleeuwen, zal dat niet meer met enige mate van zekerheid te achterhalen zijn. Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss mann schweigen, zei de filosoof Ludwig Wittgenstein. Dat was overigens een constatering, geen gebod (muss en niet soll). Maar verregaande speculatie lost ook in de (architectuur)geschiedenis niets op.

Naar boven

© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2014-2016. - Gepubliceerd 3 november 2014; laatst bewerkt 2 augustus 2016.